← Geldende tekst · Geschiedenis

Besluit van 9 december 2021, houdende voorschriften inzake de bekostiging van basisscholen en speciale scholen voor basisonderwijs (Besluit bekostiging WPO 2022)

Geldende tekst a fecha 2025-12-31

Op de voordracht van Onze Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media van 30 september 2021, nr. WJZ/29123337 (12545), directie Wetgeving en Juridische Zaken;

Gelet op de artikelen 18a, zestiende lid, 69, derde lid, 116, vierde en achtste lid, 117, derde lid, 135, 143, vijfde lid, 149, tweede lid, 152, derde lid, 163, eerste lid, 165, eerste en derde lid, 166, tweede lid, 167, tweede lid, 178, 192, tweede lid, en 193 van de Wet op het primair onderwijs, de artikelen 141, eerste en derde lid, 142, tweede lid, 143, tweede lid, en 158 van de Wet op de expertisecentra, artikel 2.2.1, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, artikel 8, vierde lid, van de Wet register onderwijsdeelnemers en de artikelen 2.47, negentiende lid, 2.86, tweede lid, en 8.9a, tweede lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 3 november 2021, nr. W05.21.0296/I);

Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media van 7 december 2021, nr. WJZ/30169573 (12545), directie Wetgeving en Juridische Zaken;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Hoofdstuk 1. Algemeen

Hoofdstuk 2. Gegevensverstrekking, erkenning borgstelling en aanvang bekostiging nieuwe school

Hoofdstuk 2. Gegevensverstrekking, erkenning borgstelling en aanvang bekostiging nieuwe school

Hoofdstuk 4. Vaststelling bekostiging en extra bekostiging

Hoofdstuk 5. Samenvoeging, opheffing scholen en beëindiging bekostiging

Hoofdstuk 6. Bekostigingscorrecties

Hoofdstuk 7. Subsidiëring godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs op openbare scholen

Hoofdstuk 8. Slotbepalingen

Artikel 31. Intrekking Besluit bekostiging WPO

Het Besluit bekostiging WPO wordt ingetrokken.

Artikel 32. Wijziging Aanpassingsbesluit WVO 2020

Wijzigt het Aanpassingsbesluit WVO 2020.

Artikel 33. Wijziging Besluit bekostiging WVO 2021

Wijzigt het Besluit bekostiging WVO 2021.

Artikel 34. Wijziging Besluit informatievoorziening WPO/WEC

Wijzigt het Besluit informatievoorziening WPO/WEC.

Artikel 35. Wijziging Besluit register onderwijsdeelnemers

Wijzigt het Besluit register onderwijsdeelnemers.

Artikel 36. Wijziging Besluit specifieke uitkeringen gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid

Wijzigt het Besluit specifieke uitkeringen gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid.

Artikel 37. Wijziging Besluit trekkende bevolking WPO

Wijzigt het Besluit trekkende bevolking WPO.

Artikel 38. Wijziging Besluit Vervangingsfonds en Participatiefonds

Wijzigt het Besluit Vervangingsfonds en Participatiefonds.

Artikel 39. Wijziging Besluit zij-instroom leraren primair en voortgezet onderwijs

Wijzigt het Besluit zij-instroom leraren primair en voortgezet onderwijs.

Artikel 40. Wijziging Uitvoeringsbesluit WVO 2020

Wijzigt het Uitvoeringsbesluit WVO 2020.

Artikel 41. Citeertitel

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit bekostiging WPO 2022.

Artikel 42. Inwerkingtreding
1.

Dit besluit treedt, met uitzondering van artikel 35, in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

2.

Artikel 35 van dit besluit treedt in werking met ingang van 1 februari 2022.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Artikel 1. Begripsbepalingen

In dit besluit wordt verstaan onder:

Paragraaf 1. Gegevensverstrekking

Artikel 2. Gegevensverstrekking aanvang bekostiging
1.

Het bevoegd gezag van een school die door Onze Minister voor bekostiging in aanmerking is gebracht, zendt Onze Minister uiterlijk 12 weken voor de datum van ingang van de bekostiging de benodigde gegevens voor de vaststelling van de bekostiging.

2.

Bij ministeriële regeling worden de gegevens, bedoeld in het eerste lid vastgesteld en kunnen hierover voorschriften worden gesteld.

Artikel 3. Gegevens bij mededeling uitzonderingssituatie
1.

Bij de mededeling van het bevoegd gezag dat sprake is van een uitzonderingssituatie als bedoeld in artikel 139, vierde lid, van de wet worden de volgende gegevens overgelegd:

2.

Bij de mededeling van het bevoegd gezag dat sprake is van een uitzonderingssituatie als bedoeld in artikel 139, vijfde lid, van de wet worden de volgende gegevens overgelegd:

3.

Bij de mededeling van het bevoegd gezag dat sprake is van een uitzonderingssituatie als bedoeld in artikel 143, eerste lid, van de wet worden de volgende gegevens overgelegd:

4.

Bij de mededeling van het bevoegd gezag dat sprake is van een uitzonderingssituatie als bedoeld in artikel 143, tweede lid, van de wet worden de volgende gegevens overgelegd:

5.

Bij de mededeling van het bevoegd gezag dat sprake is van een uitzonderingssituatie als bedoeld in artikel 143, derde juncto eerste lid, van de wet, worden de volgende gegevens overgelegd:

6.

Bij de mededeling van het bevoegd gezag dat sprake is van een uitzonderingssituatie als bedoeld in artikel 143, derde juncto tweede lid, van de wet, worden de volgende gegevens overgelegd:

Paragraaf 2. Erkenning en aanvang bekostiging nieuwe school

Artikel 4. Erkenning organisatie borgstelling
1.

Het bevoegd gezag van een bijzondere school is aangesloten bij een organisatie van bevoegde gezagen, die zich borg stelt voor terugbetaling van teveel ontvangen bedragen aan Onze Minister.

2.

De organisatie, bedoeld in het eerste lid, is rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid en is erkend door Onze Minister.

3.

De erkenning, bedoeld in het eerste lid, geschiedt op verzoek van het bestuur van de organisatie. Het verzoek bevat in ieder geval de volgende gegevens:

4.

Het bestuur van de organisatie, bedoeld in het eerste lid, stelt Onze Minister binnen twee weken op de hoogte van wijzigingen in de gegevens, bedoeld in het derde lid. Deze wijzigingen ontheffen de organisatie niet van de voor het lopende jaar aangegane borgstelling voor een aangesloten bevoegd gezag.

5.

Onze Minister beslist binnen acht weken na ontvangst van het verzoek tot erkenning.

Artikel 5. Aanvang eenmalige startbekostiging nieuwe school
1.

Onze Minister kan op verzoek van het bevoegd gezag van een nieuwe school eenmalig een deel van de bekostiging, bedoeld in artikel 116 van de wet, toekennen vanaf 1 juni voorafgaand aan het schooljaar waarin de bekostiging een aanvang neemt.

2.

Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gesteld over de wijze waarop de bekostiging wordt vastgesteld en verstrekt.

Artikel 6. Vaststelling voorschotten en verrekening van voorschotten
1.

Onze Minister kan op verzoek van het bevoegd gezag van een nieuwe school een voorschot verstrekken in afwachting van de vaststelling van de bekostiging voor de periode, bedoeld in artikel 118, tweede lid, onderdeel a, van de wet.

2.

Bij het verzoek, bedoeld in het eerste lid, meldt het bevoegd gezag uiterlijk op 1 juli voorafgaande aan het schooljaar waarin de bekostiging van een nieuwe school begint, het vermoedelijk aantal leerlingen op 1 oktober volgend op de datum van ingang van de bekostiging.

3.

Onze Minister kan op verzoek van het bevoegd gezag van een nieuwe school een voorschot verstrekken in afwachting van de vaststelling van de bekostiging voor de periode, bedoeld in artikel 118, tweede lid, onderdeel b, van de wet, op grond van het aantal leerlingen op 1 oktober volgende op de opening van de nieuwe school.

4.

Het voorschot, bedoeld in het eerste lid, bestaat uit:

5.

Het voorschot, bedoeld in het derde lid, bestaat uit:

6.

Op de betaling van het verleende voorschot is artikel 116, zesde lid, van de wet van overeenkomstige toepassing.

7.

Onze Minister is bevoegd tot verrekening van verstrekte voorschotten met de betalingen die voortvloeien uit de vaststelling van de onderscheiden onderdelen van de bekostiging.

8.

Indien Onze Minister een voorschot verleent in gevallen waarin de bekostiging niet tijdig kan worden vastgesteld door omstandigheden die niet aan het bevoegd gezag van een school zijn toe te rekenen, zijn het zesde en het zevende lid van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk 3. Leerlingentelling en leerlingenadministratie

Artikel 7. Leerlingentelling
1.

Voor de toepassing van de wet en dit besluit worden de leerlingen meegeteld die:

2.

Onze Minister neemt voor het bepalen van het aantal leerlingen op de teldatum en het aantal leerlingen op de eerste dag van de maand, bedoeld in artikel 16, de leerlingen in aanmerking van wie het persoonsgebonden nummer tezamen met de basisgegevens, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van de Wet register onderwijsdeelnemers binnen vier weken na die dag zijn opgenomen in het register onderwijsdeelnemers overeenkomstig artikel 14 van de Wet register onderwijsdeelnemers.

3.

De termijn, bedoeld in het tweede lid, kan worden verlengd. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de verlenging.

4.

Een leerling kan op de teldatum, respectievelijk op elke eerste dag van de maand, bedoeld in het tweede lid, slechts op één school voor de bekostiging meetellen.

Artikel 8. Overzicht aantal leerlingen
1.

Onze Minister stelt jaarlijks een overzicht vast van de hem ter beschikking staande gegevens over het aantal leerlingen op de teldatum dat bij de vaststelling van de bekostiging, bedoeld in artikel 13, eerste lid, in aanmerking wordt genomen.

2.

Het overzicht wordt uiterlijk acht weken na de teldatum toegezonden aan het bevoegd gezag. Indien toepassing is gegeven aan artikel 7, derde lid, wordt het overzicht uiterlijk vier weken na afloop van de daar bedoelde verlengde termijn toegezonden aan het bevoegd gezag.

3.

Het overzicht is voor basisscholen in ieder geval onderverdeeld in leerlingen als bedoeld in de artikelen 15 en 19 en overige leerlingen.

4.

Het overzicht is voor speciale scholen voor basisonderwijs onderverdeeld in leerlingen met een niet-Nederlandse culturele achtergrond en overige leerlingen.

5.

Indien de school bestaat uit een hoofdvestiging en een of meer nevenvestigingen, wordt het overzicht tevens onderverdeeld in de leerlingen van de hoofdvestiging en de leerlingen van elk van de nevenvestigingen.

Artikel 9. Inschrijving
1.

De directeur van een school schrijft een leerling slechts in na een beslissing van het bevoegd gezag tot toelating van de leerling, of indien de leerling tijdelijk op de school wordt geplaatst op grond van artikel 40, zevende lid, van de wet.

2.

De directeur schrijft de leerling in met ingang van de dag waarop de leerling de school voor het eerst bezoekt.

3.

In afwijking van het tweede lid, schrijft de directeur de leerling die de school voor het eerst bezoekt op de eerste schooldag van het schooljaar, in met ingang van 1 augustus van dat schooljaar, tenzij de leerling op 1 augustus de leeftijd van vier jaar nog niet heeft bereikt.

Artikel 10. Uitschrijving
1.

De directeur van de school waar een leerling staat ingeschreven, schrijft de leerling, indien deze de school verlaat, uit met ingang van de dag waarop de leerling de school voor het laatst heeft bezocht. De directeur schrijft de leerling die wordt uitgeschreven na de school op de laatste schooldag van het schooljaar te hebben bezocht, uit met ingang van 31 juli van dat schooljaar.

2.

Indien de directeur van een school op wiens school de leerling stond ingeschreven binnen vier weken na de dag waarop de leerling de school voor het laatst heeft bezocht uit het register onderwijsdeelnemers, bedoeld in de Wet register onderwijsdeelnemers, een melding ontvangt van de inschrijving van de leerling op een andere school of een school of instelling voor ander onderwijs, wijzigt de directeur de datum van uitschrijving, bedoeld in het eerste lid, alsnog in de datum van de dag voorafgaande aan de inschrijving op die andere school of die school of instelling voor ander onderwijs.

Artikel 11. Inhoud leerlingenadministratie
1.

De directeur van een school draagt er zorg voor dat een overzichtelijke leerlingenadministratie beschikbaar is van:

2.

Indien de school bestaat uit een hoofdvestiging en een of meer nevenvestigingen wordt in de leerlingenadministratie een onderverdeling gemaakt naar leerlingen van de hoofdvestiging en leerlingen van elk van de nevenvestigingen.

3.

De directeur zorgt dat de leerlingenadministratie op de hoofdvestiging beschikbaar is.

4.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de wijze waarop de leerlingenadministratie wordt ingericht.

Artikel 12. Bewaren gegevens
1.

De gegevens, bedoeld in artikel 11, worden in ieder geval gedurende vijf jaar nadat de desbetreffende leerling van de school is uitgeschreven in de leerlingenadministratie bewaard.

2.

De gegevens, bedoeld in artikel 11, onderdelen b en c, worden binnen acht weken na het verstrijken van de termijn, bedoeld in het eerste lid, vernietigd.

Hoofdstuk 4. Vaststelling bekostiging en extra bekostiging

Paragraaf 1. Vaststelling bekostiging

Artikel 13. Vaststelling bekostiging en gewijzigde vaststelling
1.

Onze Minister stelt jaarlijks uiterlijk op 1 januari de bekostiging, bedoeld in de artikelen 116, tweede lid en vierde lid, onderdelen a, b en d, en 121 van de wet, vast voor zover deze mede gebaseerd is op het aantal leerlingen op de teldatum.

2.

Onze Minister stelt de extra bekostiging voor groei, bedoeld in artikel 16 vast binnen 14 weken na de voor de desbetreffende bekostiging relevante teldatum.

3.

Onze Minister kan de bekostiging, bedoeld in het eerste en tweede lid, wijzigen vanwege loonontwikkelingen of andere al dan niet uit de rijksbegroting voortvloeiende maatregelen.

4.

Het bedrag per school, bedoeld in artikel 116, tweede lid, van de wet, bedraagt voor basisscholen met op de teldatum minder dan 100 leerlingen respectievelijk 100 leerlingen of meer een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag.

5.

Het bedrag per school, bedoeld in artikel 116, tweede lid, van de wet bedraagt voor speciale scholen voor basisonderwijs met op de teldatum minder dan 100 leerlingen of 100 leerlingen of meer een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag.

Paragraaf 2. Extra bekostiging

Artikel 14. Extra bekostiging (zeer) kleine basisscholen
1.

Een basisschool die op de teldatum minder dan 150 leerlingen heeft, ontvangt extra bekostiging.

2.

De extra bekostiging, bedoeld in het eerste lid, bestaat uit het verschil tussen een startbedrag en een verminderingsbedrag vermenigvuldigd met het aantal leerlingen van de basisschool op de teldatum. Het startbedrag en het verminderingsbedrag worden bij ministeriële regeling vastgesteld.

3.

Indien de totale bekostiging berekend op grond van artikel 116, tweede lid, van de wet vermeerderd met de bekostiging, bedoeld in het eerste lid en artikel 18, voor een basisschool minder bedraagt dan het basisbedrag, ontvangt de basisschool het verschil als extra bekostiging.

4.

Het basisbedrag, bedoeld in het derde lid, wordt bij ministeriële regeling vastgesteld en is gebaseerd op een minimale schoolgrootte van 23 leerlingen.

Artikel 15. Extra bekostiging internationaal georiënteerd basisonderwijs
1.

Aan een basisschool met een afdeling voor internationaal georiënteerd basisonderwijs als bedoeld in artikel 85a van de wet wordt extra bekostiging toegekend indien op de teldatum ten minste elf leerlingen onderwijs volgen bij deze afdeling.

2.

De extra bekostiging, bedoeld in het eerste lid, bestaat uit een bedrag per afdeling en een bedrag per leerling die onderwijs volgt bij deze afdeling. Deze bedragen worden bij ministeriële regeling vastgesteld.

Artikel 16. Extra bekostiging groei
1.

Aan het bevoegd gezag van een of meer basisscholen wordt maandelijks extra bekostiging voor de groei van het aantal leerlingen toegekend indien de uitkomst van de formule X – Y groter dan of gelijk is aan Z.

2.

De factoren X, Y en Z, bedoeld in het eerste lid, worden als volgt berekend:

X = de som van de aantallen leerlingen op de eerste dag van de maand van alle onder dat bevoegd gezag ressorterende basisscholen;

Y= de som van de aantallen leerlingen op de teldatum van alle onder dat bevoegd gezag ressorterende basisscholen;

Z = 4% van het aantal leerlingen, bedoeld bij factor Y.

3.

De onder het bevoegd gezag ressorterende bassischolen, bedoeld in het tweede lid, zijn gedurende de eerste zeven maanden van het kalenderjaar de basisscholen die op 1 augustus van het voorafgaande kalenderjaar onder het bevoegd gezag ressorteerden en gedurende de laatste vijf maanden van het kalenderjaar de basisscholen die op 1 augustus van dat kalenderjaar onder het bevoegd gezag ressorteerden.

4.

Indien sprake is van een school die met ingang van 1 augustus van het jaar voorafgaand aan het kalenderjaar of met ingang van 1 augustus van het kalenderjaar is ontstaan uit een samenvoeging als bedoeld in artikel 117 van de wet, wordt bij de berekening van de factoren Y en Z, bedoeld in het tweede lid, uitgegaan van het aantal leerlingen van alle bij die samenvoeging betrokken scholen op 1 februari van het voorafgaande kalenderjaar.

5.

Onverminderd artikel 118, tweede lid, van de wet, worden bij de berekening van de factoren X, Y en Z, bedoeld in het tweede lid, voor de maanden augustus en september van het kalenderjaar waarin een school wordt geopend de aantallen leerlingen op dergelijke scholen die niet op basis van artikel 84a van de wet voor bekostiging in aanmerking zijn gebracht buiten beschouwing gelaten.

6.

Bij de berekening van de factoren Y en Z, bedoeld in het tweede lid, worden de aantallen leerlingen van scholen die op basis van artikel 84a van de wet voor bekostiging in aanmerking zijn gebracht op de teldata, bedoeld in artikel 118, tweede lid, van de wet, buiten beschouwing gelaten.

7.

De aanspraak op de extra bekostiging, bedoeld in het eerste lid, ontstaat met ingang van de maand waarin de telling van factor X, bedoeld in het tweede lid, heeft plaatsgevonden en vervalt na afloop van diezelfde maand.

8.

De extra bekostiging, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend door het verschil tussen factor X en factor Y te vermenigvuldigen met een bedrag per leerling dat bij ministeriële regeling wordt vastgesteld.

Artikel 17. Extra bekostiging een of meer nevenvestigingen
1.

Indien een basisschool bestaat uit een hoofdvestiging en een of meer nevenvestigingen, wordt de bekostiging vermeerderd met:

2.

Indien een speciale school voor basisonderwijs bestaat uit een hoofdvestiging en een of meer nevenvestigingen, wordt de bekostiging vermeerderd met een vast bedrag per nevenvestiging.

3.

De bedragen per nevenvestiging, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, en het tweede lid, worden bij ministeriële regeling vastgesteld.

Artikel 18. Extra bekostiging onderwijsachterstandenbestrijding
1.

Aan een basisschool wordt extra bekostiging toegekend voor de bestrijding van onderwijsachterstanden die bestaat uit een bedrag per eenheid achterstandsscore.

2.

Het Centraal bureau voor de statistiek berekent jaarlijks de achterstandsscore van elke basisschool op basis van de onderwijsscores van de leerlingen die op de teldatum zijn ingeschreven op een basisschool.

3.

De achterstandsscore van een basisschool is de uitkomst van de formule A − B en wordt als volgt berekend:

A = som van de uitkomsten van de formule C – D voor alle leerlingen van de basisschool die behoren tot de 15% van alle leerlingen van alle basisscholen met de laagste onderwijsscore, waarbij:

C = landelijk gemiddelde onderwijsscore van alle leerlingen van alle basisscholen;

D = onderwijsscore van de leerling;

B = E x F x (C – G) waarbij:

E = aantal leerlingen van de basisschool;

F = 12%;

G = landelijk gemiddelde onderwijsscore van alle leerlingen van alle basisscholen die behoren tot de 15% van alle leerlingen van alle basisscholen met de laagste onderwijsscore.

4.

De achterstandsscore, bedoeld in het tweede lid, wordt rekenkundig afgerond op twee decimalen. Indien de achterstandsscore negatief is, wordt deze gelijkgesteld aan nul.

5.

Het Centraal bureau voor de statistiek verstrekt jaarlijks aan Onze Minister de achterstandsscores van de basisscholen, berekend op grond van het tweede lid, in voorkomend geval uitgesplitst naar hoofdvestiging en nevenvestiging, en maakt deze zo spoedig mogelijk openbaar.

6.

Indien een basisschool bestaat uit een hoofdvestiging en een of meer nevenvestigingen, bestaat de achterstandsscore van de basisschool uit de som van de rekenkundig afgeronde achterstandsscores die de afzonderlijke vestigingen zouden hebben, indien zij zelfstandige basisscholen zouden zijn.

7.

In geval van samenvoeging van scholen is artikel 118, derde lid, van de wet van overeenkomstige toepassing bij de bepaling van de leerlingen die op de teldatum zijn ingeschreven op de basisschool.

8.

In geval van verzelfstandiging van een vestiging wordt de achterstandsscore van het overblijvende deel van de basisschool, bedoeld in artikel 84a van de wet verminderd met de achterstandsscore van de nieuwe basisschool die op grond van artikel 84a van de wet voor bekostiging in aanmerking is gebracht. Indien de uitkomst negatief is, wordt deze gelijkgesteld aan nul.

9.

Bij de toepassing van dit artikel blijven scholen als bedoeld in artikel 193 van de wet en de leerlingen van die scholen buiten beschouwing.

10.

Voor een speciale school voor basisonderwijs waar op de teldatum leerlingen met een niet-Nederlandse culturele achtergrond staan ingeschreven, wordt voor de bestrijding van onderwijsachterstanden per leerling met een niet-Nederlandse culturele achtergrond extra bekostiging toegekend die bestaat uit een bedrag per leerling.

11.

De bedragen, bedoeld in het eerste en het tiende lid, worden bij ministeriële regeling vastgesteld.

Artikel 19. Extra bekostiging Nederlands onderwijs anderstaligen
1.

Voor een basisschool waar op de teldatum leerlingen met een niet-Nederlandse culturele achtergrond, met uitzondering van leerlingen van wie ten minste een van de ouders of voogden afkomstig is uit Suriname of een van de Caribische delen van het Koninkrijk, staan ingeschreven, wordt extra bekostiging toegekend voor het Nederlands onderwijs aan anderstaligen.

2.

De extra bekostiging bestaat uit een bedrag per school en een bedrag per leerling. De bedragen worden bij ministeriële regeling vastgesteld.

Artikel 20. Periode bepalen meer dan gemiddelde toename door samenwerkingsverband
1.

Het samenwerkingsverband neemt in het ondersteuningsplan een datum op wanneer wordt vastgesteld of sprake is van een meer dan gemiddelde toename van het aantal ingeschreven leerlingen, bedoeld in artikel 18a, achtste lid, onderdeel g, van de wet. Deze vaststelling vindt in ieder geval plaats in de periode tussen 1 februari en 1 juni.

2.

Indien een meer dan gemiddelde toename, bedoeld in het eerste lid, wordt vastgesteld, draagt het samenwerkingsverband voor het aantal leerlingen dat na 1 februari toelaatbaar is verklaard tot speciale scholen voor basisonderwijs of tot het speciaal onderwijs per leerling een bedrag over aan de school waar de leerling is ingeschreven.

3.

Het bedrag, bedoeld in het tweede lid, is afhankelijk van de in de toelaatbaarheidsverklaring opgenomen ondersteuningsbehoefte van de leerling en wordt bij ministeriële regeling vastgesteld.

4.

De overdracht, bedoeld in het tweede lid, heeft betrekking op het kalenderjaar dat volgt op de teldatum.

Hoofdstuk 5. Samenvoeging, opheffing scholen en beëindiging bekostiging

Artikel 21. Samenvoeging

Er is sprake van een samenvoeging als bedoeld in artikel 117, eerste of tweede lid, van de wet indien:

Artikel 22. Vermindering bekostiging bij verzelfstandiging van een vestiging
1.

Voor de toepassing van artikel 116, achtste lid, van de wet wordt een bedrag per leerling in mindering gebracht op de bekostiging van het overblijvende deel van de basisschool, als bedoeld in artikel 84a van de wet, met dien verstande dat wordt gerekend met het aantal leerlingen dat op de teldata voorafgaand aan de verzelfstandiging als daadwerkelijk schoolgaand stond ingeschreven op het deel van de school dat verzelfstandigd is.

2.

De vermindering, bedoeld in het eerste lid wordt zowel berekend voor het kalenderjaar waarin de verzelfstandiging heeft plaatsgevonden als voor het kalenderjaar na de verzelfstandiging.

3.

Bij ministeriële regeling wordt jaarlijks het bedrag, bedoeld in het eerste lid, vastgesteld.

Artikel 23. Opheffen school

Het bevoegd gezag geeft binnen twee weken na een besluit tot opheffing van de school of een nevenvestiging kennis daarvan aan Onze Minister, gedeputeerde staten, de Inspectie van het onderwijs en, indien het een bijzondere school of een nevenvestiging daarvan betreft, eveneens aan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de school onderscheidenlijk de nevenvestiging is gelegen.

Artikel 24. Berekening exploitatieoverschot bij opheffing of beëindiging van de bekostiging van de laatste school van een bevoegd gezag
1.

Voor de toepassing van artikel 152 van de wet, wordt onder exploitatieoverschot verstaan:

2.

Het bevoegd gezag meldt het overeenkomstig het eerste lid berekende saldo, verdeeld naar de onderdelen a en b, respectievelijk c, van het eerste lid, tezamen met het jaarverslag over het laatste jaar waarin de school nog geheel of gedeeltelijk voor bekostiging in aanmerking kwam. De opgave gaat vergezeld van een verklaring omtrent de juistheid van de opgave van een accountant.

3.

Indien het exploitatieoverschot van een niet door een gemeente in stand gehouden school mede is opgebouwd uit uitkeringen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, en geen onderscheid kan worden gemaakt met de baten respectievelijk de lasten, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, geldt als maatstaf voor de verdeling van eerstbedoeld deel van het exploitatieoverschot tussen Rijk en de desbetreffende gemeente de verhouding tussen het ontvangen bedrag aan bekostiging van het Rijk en het ontvangen bedrag aan uitkeringen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, van de gemeente in een periode van vijf jaren voorafgaand aan het jaar van de beëindiging van de bekostiging. De verdeling behoeft de goedkeuring van Onze Minister.

Artikel 25. Inhoudingsbedrag voortijdige beëindiging samenwerkingsovereenkomst
1.

In geval van voortijdige beëindiging van een samenwerkingsovereenkomst wordt voor elk kalenderjaar, of gedeelte daarvan, dat een bijzondere school dan wel een openbare school op grond van de samenwerkingsovereenkomst, bedoeld in artikel 143, derde lid, van de wet, in stand werd gehouden, door het Rijk een bedrag ingehouden op de bekostiging van de school.

2.

Het bedrag, bedoeld in het eerste lid, is de som van de bekostiging, bedoeld in artikel 14, in elk van die kalenderjaren of gedeelten daarvan. Indien de school niet het gehele kalenderjaar werd bekostigd, wordt daarbij de bekostiging, bedoeld in artikel 14 berekend naar rato van het aantal maanden dat de school in dat kalenderjaar op grond van de samenwerkingsovereenkomst in stand werd gehouden.

3.

Voor elk kalenderjaar, of gedeelte daarvan, dat een bijzondere dan wel een openbare nevenvestiging op grond van de samenwerkingsovereenkomst, bedoeld in artikel 143, derde lid, van de wet, in stand werd gehouden, wordt door het Rijk een bedrag ingehouden op de bekostiging van de nevenvestiging.

4.

Het bedrag, bedoeld in het derde lid, is de bekostiging, bedoeld in artikel 17, in elk van die kalenderjaren, of gedeelten daarvan. Indien de nevenvestiging niet het gehele kalenderjaar werd bekostigd, wordt daarbij de bekostiging, bedoeld in artikel 17 berekend naar rato van het aantal maanden dat de nevenvestiging in dat kalenderjaar op grond van de samenwerkingsovereenkomst in stand werd gehouden.

Hoofdstuk 6. Bekostigingscorrecties

Artikel 26. Onderzoek en correcties
1.

Onverminderd de bevoegdheid van de Inspectie van het onderwijs op grond van de Wet op het onderwijstoezicht kan Onze Minister een onderzoek instellen of doen instellen naar de jaarverslaggeving, naar de gegevens die noodzakelijk zijn voor de vaststelling van de bekostiging, naar de rechtmatigheid van de bestedingen en naar de doelmatigheid van het beheer van de school.

2.

Onze Minister kan correcties aanbrengen op de bekostiging, indien uit het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, blijkt dat de bekostiging voor een school onjuist is vastgesteld.

3.

Onze Minister doet het bevoegd gezag schriftelijk mededeling van een besluit tot het aanbrengen van een correctie op de bekostiging.

4.

Indien uit de jaarverslaggeving, bedoeld in artikel 165, eerste lid, van de wet, uit de verklaring van de accountant, bedoeld in artikel 165, vierde lid, van de wet, of uit een onderzoek als bedoeld in het eerste lid blijkt dat de bekostiging voor een school onrechtmatig is besteed of ondoelmatig is aangewend, kan Onze Minister bepalen dat de daarmee gemoeide bedragen in mindering worden gebracht op de bekostiging, onverminderd artikel 4:49 van de Algemene wet bestuursrecht.

5.

Indien de correctie, bedoeld in het tweede lid, strekt tot verhoging van de bekostiging, wordt het bedrag binnen acht weken na de mededeling, bedoeld in het tweede lid, door Onze Minister betaald.

Hoofdstuk 7. Subsidiëring godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs op openbare scholen

Artikel 27. Subsidieverstrekking
1.

Onze Minister verstrekt per boekjaar subsidie aan de rechtspersoon, bedoeld in artikel 192, eerste lid, van de wet, voor het geven van godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs.

2.

Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de verstrekking.

Artikel 28. Subsidiebedrag
1.

Het subsidiebedrag dat wordt verstrekt aan de rechtspersoon, bedoeld in artikel 192, eerste lid, van de wet, bestaat uit een bedrag dat is bestemd voor personeelskosten voor de leraren die het godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs verzorgen, en een bedrag dat is bestemd voor overige kosten.

2.

Vervallen.

3.

Het tweede lid vervalt met ingang van 31 december 2025.

4.

Voor het berekenen van de hoogte van het subsidiebedrag wordt uitgegaan van ten hoogste veertig uren per schooljaar door leerlingen te ontvangen godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs.

5.

Bij het besluit tot verlening van de subsidie verleent Onze Minister voorschotten.

6.

Onze Minister stelt bij beschikking het betaalritme vast.

7.

Het bedrag dat ten hoogste wordt verstrekt aan de rechtspersoon, bedoeld in artikel 192, eerste lid, van de wet, is het bedrag dat op de begroting van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap beschikbaar is voor het geven van godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs.

Artikel 29. Hoogte subsidiebedrag

Voor het bepalen van de hoogte van het subsidiebedrag kunnen bij ministeriële regeling regels worden gesteld over:

Artikel 30. Weigeringsgronden subsidie

Onverminderd artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht, kan de subsidie in ieder geval worden geweigerd indien:

Hoofdstuk 8. Slotbepalingen

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.