Besluit van de algemene raad van 1 december 2014 tot vaststelling van de regeling op de advocatuur (Regeling op de advocatuur)
Gelet op artikel 4, eerste lid, onderdeel c, en artikel 60, tweede lid, van de Advocatenwet;
Gelet op artikel 2.27, artikel 2.28, artikel 2.29, artikel 2.30, artikel 2.35, artikel 2.36, artikel 3.5, artikel 3.14, artikel 3.25, vijfde lid, artikel 4.4, vijfde lid, artikel 4.8, tweede lid, artikel 4.10, tweede lid, artikel 4.12, tweede lid, artikel 4.14, tweede lid, artikel 5.12, derde lid, artikel 6.2, tweede lid, artikel 6.4, tweede lid, artikel 6.6, artikel 6.16, tweede lid, artikel 6.22, tiende lid, en artikel 6.24, vijfde lid, van de Verordening op de advocatuur;
stelt de volgende regeling vast:
De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte.
Hoofdstuk 1. Definities
Artikel 1. Definities
In deze regeling wordt verstaan onder: Verordening: de Verordening op de advocatuur.
Hoofdstuk 2. Financiële bepalingen
Paragraaf 2.1. Financiële bijdrage
Artikel 2. Indeling en inkomen
Voor de financiële bijdrage, bedoeld in artikel 32, tweede lid, van de Advocatenwet, wordt ingedeeld in:
- a. categorie 1 de advocaat die op grond van artikel 1, derde lid, van de Advocatenwet voorwaardelijk op het tableau staat ingeschreven (de advocaat-stagiaire) of die in het lopende jaar onvoorwaardelijk op het tableau wordt ingeschreven;
- b. categorie 2 de advocaat die heeft opgegeven dat diens inkomen in het tweede jaar voorafgaand aan het jaar waarvoor de financiële bijdrage is verschuldigd gelijk was aan dan wel lager was dan € 40.000;
- c. categorie 3 de advocaat die heeft opgegeven dat diens inkomen in het tweede jaar voorafgaand aan het jaar waarvoor de financiële bijdrage is verschuldigd hoger was dan € 40.000 en gelijk aan dan wel lager was dan € 80.000;
- d. categorie 4 de advocaat die heeft opgegeven dat diens inkomen in het tweede jaar voorafgaand aan het jaar waarvoor de financiële bijdrage is verschuldigd hoger was dan € 80.000 en gelijk aan dan wel lager was dan € 120.000;
- e. categorie 5 de advocaat die heeft opgegeven dat diens inkomen in het tweede jaar voorafgaand aan het jaar waarvoor de financiële bijdrage is verschuldigd hoger was dan € 120.000.
Het inkomen, bedoeld in het eerste lid, wordt gelijkgesteld aan het door de Belastingdienst in de basisregistratie inkomen (BRI) geregistreerde inkomen.
De advocaat die buiten Nederland belastingplichtig was doet de in het eerste lid bedoelde opgave op basis van het inkomen waarover in het desbetreffende land belasting is geheven.
Artikel 3. Procedure voor opgave van de inkomenscategorie
De advocaat geeft binnen een door de algemene raad kenbaar gemaakte termijn op elektronische wijze via het door de algemene raad beschikbaar gestelde middel aan welke van de in artikel 2, eerste lid, genoemde inkomenscategorieën van toepassing is.
De advocaat gaat bij deze opgave uit van het geregistreerde inkomen op basis van het aangifteformulier inkomstenbelasting, aangeduid met het begrip verzamelinkomen. Indien de belastingdienst dit inkomen op een later tijdstip bij voorlopige of definitieve aanslag dan wel bij herziening hoger of lager vaststelt dan wijzigt dat de inkomenscategorie voor het desbetreffende jaar waarover de financiële bijdrage verschuldigd was niet.
De algemene raad kan de tweede zin van het tweede lid buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing gelet op het belang van de advocaat zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
Na opgave van de inkomenscategorie ontvangt de advocaat een besluit waarin de algemene raad de inkomenscategorie vaststelt. De advocaat die niet binnen de in het eerste lid bedoelde termijn heeft aangegeven welke inkomenscategorie van toepassing is, wordt ingedeeld in categorie 5.
De algemene raad kan de juistheid van de opgave van de inkomenscategorie (laten) controleren door bij de advocaat een door de algemene raad vast te stellen bewijsmiddel op te vragen. Wanneer blijkt dat de opgegeven inkomenscategorie en het geregistreerde inkomen dat uit het bewijsmiddel blijkt niet overeenstemmen zal de algemene raad een nieuw besluit nemen op basis van het uit het bewijsmiddel gebleken geregistreerde inkomen.
De berichten en besluiten met betrekking tot de financiële bijdrage worden uitsluitend elektronisch verzonden aan het op het tableau geregistreerde e-mailadres van de advocaat. De advocaat draagt de verantwoordelijkheid voor het tijdig doorgeven van een wijziging van dit e-mailadres.
De berichten en besluiten die op grond van dit artikel automatisch worden gegenereerd bevatten geen handtekening.
Artikel 4. Bewijsmiddelen bruto-inkomen
Vervallen
Paragraaf 2.2. Vacatiegelden en vergoedingen
Artikel 5. Hoogte vacatiegeld
Het vacatiegeld, bedoeld in artikel 2.31, eerste lid, van de Verordening, bedraagt:
- a. per vergadering van de raad van advies: € 500;
- b. per vergadering van het college van afgevaardigden of de financiële commissie: € 275;
- c. per zitting van het hof van discipline: € 400;
- d. per vergadering van de afgevaardigden van de agendacommissie van het college van afgevaardigden ter voorbereiding op het college van afgevaardigden of op verzoek van de algemene raad: € 275;
- e. per zitting van de raad van discipline: € 300;
- f. per vergadering van de redactie van het Advocatenblad: € 160;
- g. per toets door de commissie cassatie voor een:
- –. examen: € 500;
- –. proeve van bekwaamheid: € 750.
Meerdere vergaderingen, zittingen, selectiegesprekken of toetsen op één dag worden als één vergadering, zitting, gesprek of toets gezien.
Indien op één dag verschillende vacatiegelden van toepassing zijn, wordt slechts eenmaal het hoogste bedrag toegekend.
In afwijking van het tweede en derde lid komen meerdere vergaderingen plaatsvindend op verzoek van de algemene raad op één dag in aanmerking voor een vacatiegeld per vergadering.
Artikel 6. Vergoeding griffier raad van discipline
De griffier van de raad van discipline ontvangt de vergoedingen en verdere verschotten, bedoeld in artikel 50a, tweede lid, van de Advocatenwet, van de Stichting Ondersteuning Tuchtcolleges Advocatuur.
Artikel 7. Vergoeding griffier hof van discipline
De griffier van het hof van discipline ontvangt de vergoedingen en verdere verschotten, bedoeld in artikel 60, tweede lid, van de Advocatenwet, van de Stichting Ondersteuning Tuchtcolleges Advocatuur.
Artikel 8. Reiskostenvergoeding
Ter zake van de reiskosten in het binnenland worden ten hoogste vergoed:
- a. indien per trein wordt gereisd: de treinkosten eerste klas;
- b. indien per auto wordt gereisd: € 0,39 vergoeding per kilometer, alsmede de parkeerkosten;
- c. de tram-, bus-, metro- of taxikosten in de plaats van vertrek en aankomst en tijdens het verblijf.
Ter zake van de reiskosten in het buitenland worden ten hoogste vergoed:
- a. indien per trein wordt gereisd: de treinkosten eerste klas met toeslag voor internationale treinen en slaapwagens;
- b. indien per vliegtuig wordt gereisd: de kosten van een vliegticket (premium) economy class, tenzij de algemene raad van oordeel is dat, het doel van de reis en de overige omstandigheden van het geval in aanmerking genomen, de kosten van reizen in een andere klasse behoren te worden vergoed, alsmede de kosten van het parkeren op luchthavens;
- c. indien per auto wordt gereisd: € 0,39 vergoeding per kilometer, met dien verstande dat voor reizen van meer dan 700 kilometer slechts de kosten van het openbaar vervoer worden vergoed;
- d. de tram-, bus-, metro- of taxikosten in de plaats van vertrek en aankomst en tijdens verblijf.
Paragraaf 2.3. Declaratieregels
Artikel 9. Declaratiewijze
Degenen die recht hebben op vergoeding als bedoeld in paragraaf 2.2.3 van de Verordening, dienen bij de algemene raad een declaratie in ter betaling van die vergoeding.
De declaratie wordt ingediend uiterlijk binnen zes maanden na afloop van een kwartaal waarin kosten zijn gemaakt of het recht op vergoeding of vacatiegeld is ontstaan. Declaraties die later worden ingediend worden niet in behandeling genomen.
De declaratie gaat vergezeld van genoegzame bescheiden.
Paragraaf 2.4. Vergoedingen
Artikel 10. Vergoeding examen cassatie
De advocaat is voor het afleggen van het examen, bedoeld in artikel 4.9, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Verordening, per (her)examen, aan de algemene raad een vergoeding verschuldigd van € 1.100.
Artikel 11. Vergoeding proeve van bekwaamheid civiele cassatie
De advocaat is voor het afleggen van de proeve van bekwaamheid, bedoeld in artikel 4.11, eerste lid, van de Verordening, per (her)proeve, aan de algemene raad een vergoeding verschuldigd van € 1.700.
Hoofdstuk 3. Stage en beroepsopleiding
Artikel 12. Formulier goedkeuring stage
De algemene raad stelt vast als het formulier, bedoeld in artikel 3.5, tweede lid, van de Verordening op de advocatuur:
- a. voor de stagiaire-ondernemer: het Formulier verzoek tot goedkeuring stage en patroon voor stagiaire-ondernemer, bedoeld in bijlage 1a van deze regeling;
- b. voor de buitenstagiaire: het Formulier verzoek tot vrijstelling kantoor te houden bij de patroon en goedkeuring stage en patroon, bedoeld in bijlage 1b van deze regeling;
- c. voor de stagiaire in dienst bij een werkgever als bedoeld in artikel 5.9, onderdelen e, f, en g: het Formulier verzoek tot goedkeuring stage en patroon ‘stage in dienst’, bedoeld in bijlage 1c van deze regeling;
- d. voor andere stagiaires: het Formulier verzoek tot goedkeuring stage en patroon, bedoeld in bijlage 1d van deze regeling;
- e. voor de wijziging van patroon: het Formulier verzoek tot wijziging patroon, bedoeld in bijlage 1e van deze regeling.
Artikel 12a. Nadere vereisten patroonscursus
De cursus voor patroons bedoeld in artikel 3.5a, eerste lid, van de Verordening op de advocatuur omvat in elk geval:
- –. coaching- en begeleidingsvaardigheden en ontwikkeling van andere persoonlijke kwaliteiten van de patroon;
- –. gespreksvaardigheden en het geven van feedback;
- –. bewustwording van de belangrijke rol van patroon en erkenning van die rol;
- –. inzicht in ontwikkelingspaden en -stappen van de stagiaire;
- –. timemanagement en coachen op stressbestendigheid;
- –. begeleiding van jonge professionals, omgang met deze generatie stagiaires; en
- –. kennis van de vernieuwde beroepsopleiding advocaten en aansluiting op de kantoorpraktijk.
Artikel 13. Accreditatie- en kwaliteitskader
De algemene raad stelt vast als het accreditatiekader, bedoeld in artikel 3.22a van de Verordening op de advocatuur: het accreditatie- en kwaliteitskader beroepsopleiding advocaten, bedoeld in bijlage 2.
Hoofdstuk 4. Vakbekwaamheid
Paragraaf 4.1. Kwaliteitstoetsen
Artikel 13a. Vereisten aan vormen van kwaliteitstoetsen
Intervisie als bedoeld in artikel 4.3a, eerste lid, onderdeel a, van de Verordening voldoet aan de volgende vereisten:
- a. intervisie vindt plaats in een groep van ten minste drie en ten hoogste tien advocaten;
- b. deelnemende advocaten en de gespreksleider bespreken voorafgaand aan de intervisie de reikwijdte van de geheimhouding van hetgeen tijdens de intervisie wordt besproken;
- c. de advocaten brengen ieder in één of meer dilemma’s of vragen over het eigen functioneren, de praktijkvoering of de praktijkuitoefening in; en
- d. de gespreksleider bevestigt ieders deelname in een bewijs van deelname met een korte, niet inhoudelijke, omschrijving van hetgeen aan de orde is gekomen.
Peer review als bedoeld in artikel 4.3a, eerste lid, onderdeel b, van de Verordening voldoet aan volgende vereisten:
- a. de peer review wordt uitgevoerd door een reviewer die werkzaam is op hetzelfde rechtsgebied of dezelfde rechtsgebieden als de gereviewde advocaat;
- b. de advocaat en de reviewer reviewen elkaar niet over en weer;
- c. de advocaat en de reviewer bespreken voorafgaand aan de review de reikwijdte van de geheimhouding van hetgeen tijdens de review wordt besproken of wordt ingezien;
- d. voorafgaand aan de peer review voert de advocaat een zelfevaluatie uit ter voorbereiding op de review;
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.