Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 7 februari 2022, DE/30284427, houdende regels voor de subsidieverstrekking voor gender- en LHBTI+-gelijkheid (Subsidieregeling gender- en LHBTI+-gelijkheid 2022–2027)

Type Ministeriële regeling
Publication 2023-08-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op de artikelen 4 en 5 van de Wet overige OCW-subsidies en de artikelen 1.2 en 1.3 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS;

Besluit:

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1.1. Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

Artikel 1.2. Toepassing Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS
1.

Deze regeling geldt in aanvulling op de Kaderregeling.

2.

Onverminderd artikel 1.7 van de Kaderregeling verstrekt de minister bij projectsubsidies op grond van hoofdstuk 3 van deze regeling subsidie voor loonkosten op basis van een maximaal uurtarief, waarbij:

Bij nieuwe aanvragen voor projectsubsidies zal een gedifferentieerd uurtarief per categorie medewerker/ functieniveau een vereiste zijn.

3.

In afwijking van artikel 4.1 van de Kaderregeling besluit de minister op een aanvraag voor alliantiesubsidie overeenkomstig de termijnen, genoemd in de artikelen 2.5 en 2.6.

4.

In afwijking van artikel 8.1 van de Kaderregeling wordt subsidie op grond van hoofdstukken 2 en 3 van deze regeling voor vijf boekjaren tezamen verleend en over vijf boekjaren tegelijk vastgesteld.

Artikel 1.3. Subsidieplafonds
1.

Het bedrag dat beschikbaar is voor subsidieverstrekking op grond van de artikelen 2.1 en 3.1 wordt bekendgemaakt in de Staatscourant.

2.

Het subsidieplafond voor subsidies verstrekt op grond van artikel 4.1 is gelijk aan het bedrag, zoals vermeld bij het financieel instrument subsidie, opgenomen in artikel 25 inzake Emancipatie van de ten tijde van de aanvraag geldende Rijksbegroting OCW. De minister kan subsidieplafonds vaststellen voor categorieën projectsubsidies.

Artikel 1.4. Bevoorschotting
1.

Ontvangers van een instellingssubsidie ontvangen een voorschot van 100% van het verleende subsidiebedrag.

2.

Ontvangers van een projectsubsidie die € 25.000,– of meer bedraagt, ontvangen een voorschot van ten hoogste 80% van het verleende subsidiebedrag.

3.

In afwijking van artikel 6.1, tweede lid, van de Kaderregeling worden de voorschotten gelijkmatig betaald op 1 januari, 1 april, 1 juli en 1 oktober.

4.

De Minister kan van het tweede lid afwijken indien de subsidieontvanger een extra liquiditeitsbehoefte aantoont.

Artikel 1.5. Verantwoording

In aanvulling op de regels omtrent verantwoording in de Kaderregeling worden voor subsidies verstrekt op grond van artikel 2.1 en artikel 3.1 uiterlijk op 1 april van het volgende jaar vier tussentijdse rapportages over het eerste, tweede, derde en respectievelijk vierde subsidiejaar ingediend. In deze tussentijdse rapportages wordt verslag gedaan over de realisatie van de in de subsidieaanvraag genoemde activiteiten met de bijbehorende budgetuitputting van het betreffende jaar. De rapportage sluit aan bij het activiteitenplan en de theory of change voor dat jaar en de daarbij behorende begroting en gaat vergezeld van een controle verklaring van de accountant op basis van het accountantsprotocol behorende bij de Kaderregeling.

Hoofdstuk 2. Alliantiesubsidie

Artikel 2.1. Procedure alliantiesubsidie
1.

De minister verleent aan de penvoerders van acht allianties, met wie een strategisch partnerschap overeengekomen is, instellingssubsidie voor activiteiten die strekken tot of dienstig zijn aan het realiseren van gendergelijkheid of LHBTI+-gelijkheid.

2.

De aanvraag voor de alliantiesubsidies verloopt in twee selectierondes:

Artikel 2.2. Maatschappelijke organisatie

Een maatschappelijke organisatie:

Artikel 2.3. Alliantie
1.

Een alliantie is een samenwerkingsverband van ten minste twee en ten hoogste vijf maatschappelijke organisaties die met het oog op hun samenwerking een samenwerkingsovereenkomst hebben gesloten. De samenwerkingsovereenkomst bevat een beschrijving van de wijze waarop elk van de partijen bijdraagt aan de werkzaamheden van de alliantie en van de wijze waarop de besluitvorming in de alliantie plaatsvindt. Tevens is hierin opgenomen op welke wijze en welke informatie door de organisaties in de alliantie wordt gedeeld zodat de penvoerder aan diens verplichtingen richting de subsidieverstrekker kan voldoen.

2.

De maatschappelijke organisaties in de alliantie verklaren in de samenwerkingsovereenkomst dat de penvoerder gemachtigd is om hen in het kader van de subsidieverstrekking in en buiten rechte te vertegenwoordigen. Zij verklaren bovendien dat alle gegevens die noodzakelijk zijn voor de verantwoording door de penvoerder van de besteding van de subsidie op verzoek aan de penvoerder worden verstrekt.

3.

De minister kan toestaan dat een alliantie bestaat uit meer dan vijf maatschappelijke organisaties.

Artikel 2.4. Penvoerder
1.

De subsidie, bedoeld in artikel 2.1 wordt aangevraagd door de penvoerder, via het daartoe bestemde aanvraagformulier met de aanvullende documenten die daarin verplicht zijn gesteld bij DUS-I.

2.

De subsidie, bedoeld in artikel 2.1. wordt verstrekt aan en verantwoord door de penvoerder, via het daartoe bestemde verantwoordingsformulier met de aanvullende documenten die daarin verplicht zijn gesteld bij DUS-I. Op de penvoerder rusten alle aan de subsidie verbonden verplichtingen, ongeacht welke maatschappelijke organisatie in de alliantie feitelijk is belast met de uitvoering van de daarop betrekking hebbende werkzaamheden.

3.

Een maatschappelijke organisatie kan slechts binnen twee allianties penvoerder zijn.

Artikel 2.5. Track record
1.

In de eerste selectieronde selecteert de minister twaalf allianties aan de hand van de beoordeling van het door de allianties in te dienen track record.

2.

Het track record bevat ten minste drie en ten hoogste vijf voorbeelden van de ervaring en de bereikte resultaten van de maatschappelijke organisatie binnen de alliantie op het terrein van het landelijk bevorderen van gendergelijkheid of LHBTI+-gelijkheid in de drie jaren voorafgaand aan 1 mei 2022. Het track record wordt beoordeeld aan de hand van de volgende criteria:

3.

De totaalscore van het track record wordt verkregen door de beoordelingscijfers, die per criterium kunnen variëren van 1 tot en met 5, bij elkaar op te tellen. De minister rangschikt de aanvragen, die voldoen aan de drempelcriteria, bedoeld in de artikelen 2.2 en 2.3, op basis van de totaalscore van hoog van naar laag. De totaalscore per aanvraag kan variëren van 6 tot en met 30 punten.

4.

Indien de rangschikking, bedoeld in het derde lid, leidt tot een onevenredige verspreiding over de doelstellingen, functies en onderwerpen van deze regeling kan de minister de allianties spreiden over de doelstellingen, terreinen en onderwerpen van deze regeling.

5.

Een alliantie kan een track record indienen door middel van het aanvraagformulier tot en met 1 maart 2022. Aanvraagformulieren die worden ingediend na 1 maart 2022 worden afgewezen. De minister selecteert de allianties die een theory of change mogen indienen uiterlijk 12 april 2022.

Artikel 2.6. Theory of change
1.

In de tweede selectieronde selecteert de minister acht allianties om een strategisch partnerschap, bedoeld in artikel 2.1, mee aan te gaan aan de hand van de beoordeling van het track record en de theory of change en het daarbij behorende activiteitenplan voor de jaren 2023 en 2024.

2.

De theory of change en het daarbij behorende activiteitenplan voor de jaren 2023 en 2024 beschrijven hoe de maatschappelijke organisatie of de alliantie de door hen opgestelde doelen op lange termijn behaalt. De theory of change wordt in samenhang met het activiteitenplan voor de jaren 2023 en 2024 beoordeeld aan de hand van de kwaliteit van de volgende onderdelen:

3.

De totaalscore van de aanvraag wordt verkregen door de beoordelingscijfers op de verschillende criteria van het track record en de theory of change bij elkaar op te tellen. De totaalscore per aanvraag kan variëren van 13 tot en met 65 punten. De minister rangschikt de aanvragen op basis van de totaalscore van hoog van naar laag.

4.

Indien de rangschikking, bedoeld in het derde lid, leidt tot een onevenredige verspreiding over de doelstellingen, functies en onderwerpen van deze regeling kan de minister de allianties spreiden over de doelstellingen, terreinen en onderwerpen van deze regeling.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.