Regeling van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 19 april 2022, nr. WJZ/30984886 (13746), houdende vaststelling van een nieuw financieel handboek voor de landelijke publieke media-instellingen, de NPO en de Ster (Regeling financiële verantwoording landelijke publieke media-instellingen, NPO en Ster 2022)

Type Ministeriële regeling
Publication 2022-04-30
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op artikel 2.172, derde lid, van de Mediawet 2008;

Besluit:

Artikel 1. Vaststelling handboek financiële verantwoording

Op de jaarrekening van de landelijke publieke media-instellingen, de NPO en de Ster is de bij deze regeling gevoegde bijlage van toepassing.

Artikel 2. Intrekking oude Regeling financiële verantwoording

De Regeling financiële verantwoording landelijke publieke media-instellingen, NPO en Ster 2020 wordt ingetrokken, met dien verstande dat die regeling van toepassing blijft op de verantwoording tot en met het boekjaar 2021.

Artikel 3. Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2022.

Artikel 4. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling financiële verantwoording landelijke publieke media-instellingen, NPO en Ster 2022.

Bijlage. als bedoeld in artikel 1 van de Regeling financiële verantwoording landelijke publieke media-instellingen, NPO en Ster 2022

Copro 21087A3

Handboek financiële verantwoording landelijke publieke media-instellingen, NPO en Ster 2022

1. Inleiding

1.1. Ministeriële regeling

Dit Handboek Financiële verantwoording landelijke publieke media-instellingen, NPO en Ster (hierna: Handboek), is een ministeriële regeling op grond van artikel 2.172, derde lid, Mediawet 2008.1De NPO is de Stichting Nederlandse Publieke Omroep. Op grond van deze wettelijke bepaling kunnen bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld over de inhoud en inrichting van de jaarrekening.

Het Handboek vervangt het Handboek Financiële verantwoording landelijke publieke media-instellingen, NPO en Ster 2020 en is van toepassing met ingang van het boekjaar 2022.2Stcrt. 2021, 8395. Voor de leesbaarheid wordt in het Handboek met ‘publieke media-instelling’ bedoeld de landelijke publieke media-instellingen (zoals: de omroeporganisaties en de taakomroepen), de NPO en de Ster.3Landelijke publieke media-instelling: instelling die op grond van titel 2.2 Mediawet 2008 media-aanbod voor de landelijke publieke mediadienst verzorgt. De Ster is een publieke media-instelling, maar verzorgt media-aanbod (reclames) op grond van titel 2.5 van de Mediawet 2008. In de Mediawet 2008 wordt de Ster niet aangeduid als ‘landelijke publieke media-instelling’ (zoals de omroeporganisaties en de taakomroepen), maar als ‘publieke media-instelling’. De Ster kan namelijk ook voor regionale en lokale publieke mediadiensten de reclame verzorgen. Indien een bepaling alleen voor een van de landelijke publieke media-instellingen of de NPO van toepassing is, wordt dit expliciet vermeld.

De doelstelling van de voorschriften en modellen van het handboek is drieledig. Het Handboek:

1.2. Kader

Op de financiële verantwoording van de publieke media-instellingen zijn naast het Handboek van toepassing:

Op grond van artikel 2.172, eerste lid, Mediawet 2008, is Titel 9 Boek 2 BW van toepassing op de publieke media-instellingen, met dien verstande dat zij de winst- en verliesrekening vervangen door een exploitatierekening. Op de exploitatierekening zijn de bepalingen omtrent de winst- en verliesrekening zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing. Bij toepassing van de omvangscriteria volgens de artikelen 2:396 en 2:397 BW dient het begrip netto-omzet te worden geïnterpreteerd als de totale baten (inclusief subsidies en bijdragen van derden) van de publieke media-instelling.

De controleplicht is voor alle publieke media-instellingen van toepassing op de wijze zoals die in artikel 2:393 BW is geregeld, ongeacht de omvang van de publieke media-instelling. Voorts dienen de publieke media-instellingen in overeenstemming met artikel 2:391 BW een bestuursverslag op te stellen dat verenigbaar is met de jaarrekening.

Wanneer sprake is van afwijkingen tussen Titel 9 Boek 2 BW, het Handboek en de RJ, weegt Titel 9 Boek 2 BW het zwaarst, vervolgens het Handboek – in zijn hoedanigheid van ministeriële regeling – en daarna de RJ.4De Raad voor de Jaarverslaggeving publiceert de RJ. De Raad voor de Jaarverslaggeving is een orgaan waarin de werkgeversorganisaties, vakbonden, registeraccountants en beleggingsanalisten zijn vertegenwoordigd. De richtlijnen zijn voor de verslaggevingspraktijk van belang omdat ze volgens de Ondernemingskamer gezaghebbende kenbronnen vormen van in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar te beschouwen normen als in artikel 2:362 lid 1 BW (zie ook arrest van de Hoge Raad van 10 februari 2006, NJ2006/241). De RJ kennen echter geen direct wettelijk kader. De wet verwijst namelijk niet expliciet naar de richtlijnen. De Stichting voor de Jaarverslaggeving is ook geen publiekrechtelijke rechtspersoon. Het Handboek hanteert hierbij het uitgangspunt dat het geen mogelijkheden wil uitsluiten, die op basis van Titel 9 Boek 2 BW mogelijk zijn. Hierbij kan worden gedacht aan de keuzemogelijkheid ten aanzien van de grondslag voor de waardering van een actief en een passief, waarbij de verkrijgings- of vervaardigingsprijs en de actuele waarde in aanmerking komen (artikel 2:384, eerste lid, BW). Het Handboek sluit hierop aan en wil niet zonder meer een van deze mogelijkheden negeren.

Het Handboek vormt evenals de RJ een nadere invulling van Titel 9 Boek 2 BW. Het Handboek bevat voorschriften die inhoudelijk kunnen afwijken van de RJ, omdat ze meer of minder ruimte bieden dan de RJ. Drie voorbeelden dienen ter illustratie van de relatie tussen de RJ en het Handboek. Stel dat de RJ ten aanzien van een specifieke actiefpost twee waarderingsmethoden bieden, dan kan het Handboek voorschrijven dat uitsluitend één van deze methoden is toegestaan. Een tweede voorbeeld is dat het Handboek beide methoden van de richtlijnen uitsluit en een andere (derde) methode voorschrijft. Een derde voorbeeld is dat het Handboek voorschriften stelt die de richtlijnen nader verdiepen, bijvoorbeeld door het stellen van concrete afschrijvingspercentages met betrekking tot de specifieke actiefpost.

1.3. Informatie

De landelijke publieke media-instellingen en de Ster zenden jaarlijks voor 1 mei de jaarrekening aan het Commissariaat voor de Media (hierna: Commissariaat) en sturen gelijktijdig een afschrift aan de raad van bestuur van de NPO (art. 2.171, tweede lid, Mediawet 2008).

De NPO stelt jaarlijks vóór 1 juni het bestuursverslag over het afgelopen kalenderjaar vast (art. 2.17, eerste lid, Mediawet 2008). De raad van bestuur van de NPO zendt vóór 1 juli zijn jaarrekening aan het Commissariaat (art. 2.171, derde lid, Mediawet 2008).

De Ster stelt jaarlijks vóór 1 juni een bestuursverslag over het afgelopen kalenderjaar vast.

De NPO, NOS, NTR en de Ster nemen in het bestuursverslag een samengevatte jaarrekening op (art. 2.171, tweede lid, Mediawet 2008).

Het bestuursverslag is opgesteld in overeenstemming met artikel 2:391 BW, de RJ en de richtlijnen van het CvdM. Het bestuursverslag dient verenigbaar te zijn met de jaarrekening en bevat de verklaring volgens model X ‘Verklaring governance en interne beheersing’ en de onderdelen zoals opgenomen in model X.

De jaarrekening bevat minimaal de volgende onderdelen:

De ‘Overige gegevens’ zoals genoemd in artikel 2:392 BW, met inachtneming van hetgeen bepaald is in het vijfde lid van genoemd artikel.

Met betrekking tot de jaarrekening zijn het controleprotocol en het model Controleverklaring opgenomen in bijlagen 1 en 2 van dit Handboek.

De aanvullende informatie sluit aan bij de gepubliceerde jaarrekening en bestaat uit:

1.4. Betrokkenheid bij andere rechtspersoon

Publieke media-instellingen kunnen betrokken zijn bij andere rechtspersonen. Dit betreft rechtspersonen waarin een publieke media-instelling een aanmerkelijk (financieel) belang heeft of waarop de publieke media-instelling een overwegende invloed uitoefent. Een publieke media-instelling is betrokken bij een rechtspersoon als bijvoorbeeld één of meer van de volgende aspecten, eventueel in onderlinge samenhang bezien, van toepassing zijn.

Deze opsomming van aspecten is niet limitatief:

De financiële bescheiden of de jaarrekening van de bedoelde rechtspersonen, waarover de betreffende publieke media-instelling uit hoofde van haar betrokkenheid kan beschikken, worden gelijktijdig met de toezending van de jaarrekening van de publieke media-instelling naar het Commissariaat gestuurd.

Indien sprake is van duurzame kapitaaldeelname in een afzonderlijke rechtspersoon ten dienste van de eigen werkzaamheden van de publieke media-instelling, zijn de betreffende bepalingen van artikel 2:24c BW inzake de zogenaamde deelneming in een rechtspersoon van toepassing.

1.5. Samenwerkingsomroep

Van alle omroeporganisaties wordt conform paragraaf 1.3 tijdig de volledige financiële verantwoording verstrekt aan het Commissariaat en de NPO. De jaarrekening van een landelijke publieke media-instelling die samenwerkingsomroep is, is een samengestelde jaarrekening die tevens een jaarrekening per onderliggende vereniging bevat die is ingericht volgens het Handboek.

De bepaling van de consolidatiekring geschiedt in principe overeenkomstig Titel 9 Boek 2 BW en de RJ. Hiervan kan in het geval van een samenwerkingsomroep worden afgeweken. Een omroepvereniging die overheersende zeggenschap uitoefent of centrale leiding heeft, op een andere groepsmaatschappij die voldoet aan de definitie samenwerkingsomroep als bedoeld in artikel 2.24a van de Mediawet 2008, heeft de keuzemogelijkheid om de samenwerkingsomroep niet in de consolidatie te betrekken. Indien de omroepvereniging de keuze maakt de samenwerkingsomroep niet in de consolidatie te betrekken wordt deze verwerkt als deelneming. De gehanteerde verwerkingswijze dient te worden toegelicht in de jaarrekening.

2. Jaarrekening

2.1. Inleiding

De jaarrekening van een publieke media-instelling wordt opgesteld in euro’s en bevat minimaal de onderdelen vermeld in 1.3. Dit hoofdstuk gaat nader in op:

De publieke media-instelling neemt alleen die posten in de voorgeschreven modellen op, die voor de betrokken instelling van toepassing zijn.

2.2. Balans met toelichting

De publieke media-instelling neemt in haar jaarrekening de balans op conform model I. Met betrekking tot de waarderingsgrondslagen zijn in aanvulling op de bepalingen van Titel 9 Boek 2 BW de volgende regels van toepassing.

2.2.1. Materiële vaste Activa

Waardering van materiële vaste activa geschiedt overeenkomstig Titel 9 Boek 2 BW en de RJ op basis van verkrijgings-/vervaardigingsprijs of actuele waarde onder aftrek van afschrijvingen. Ongerealiseerde waardemutaties dienen plaats te vinden via de balanspost Herwaarderingsreserve Materiële Vaste Activa en mogen niet via de exploitatierekening lopen. Doel van deze verwerkingswijze is om de impact op de volatiliteit van de reserve voor media-aanbod te beperken. Een uitzondering hierop geldt voor de situatie dat de herwaarderingsreserve onvoldoende omvang heeft om een waardevermindering volledig op te vangen. In een dergelijke situatie dient de waardevermindering verwerkt te worden via de exploitatierekening, nadat eerst de herwaarderingsreserve is teruggebracht tot een nihil saldo. Duurzame waardeverminderingen worden dus bij het ontbreken van een herwaarderingsreserve verwerkt via de exploitatierekening.

Aanschaffingen boven € 2.500 worden geactiveerd. Aanschaffingen tot en met € 2.500 komen direct ten laste van de exploitatierekening.

Met betrekking tot materiële vaste activa gelden aanvullende specifieke regels ten

aanzien van de volgende activa:

2.2.1.1. Bedrijfsgebouwen en terreinen

Waarderingsgrondslag

Bij waardering tegen actuele waarde wordt de bepaling van de actuele waarde voldoende regelmatig uitgevoerd om ervoor te zorgen dat de boekwaarde niet aanzienlijk verschilt van de actuele waarde op balansdatum. De publieke media-instelling stelt bij waardering tegen actuele waarde in ieder geval elke drie jaar de actuele waarde vast.

Bij waardering op basis van verkrijgings-/vervaardigingsprijs gelden de volgende afschrijvingsmethoden en -termijnen die in de onderstaande tabel worden weergegeven.

2.2.1.2. Overige materiële vaste activa

In geval van waardering op basis van verkrijgings-/vervaardigingsprijs wordt op materiële vaste activa met beperkte gebruiksduur jaarlijks afgeschreven volgens een stelsel dat op de verwachte toekomstige gebruiksduur is afgestemd. Het Handboek geeft een nadere duiding over de verwachte toekomstige gebruiksduur die is weergegeven in de onderstaande tabel. Het Handboek hanteert hierbij voor een aantal activacategorieën een bandbreedte. Het is vervolgens aan de publieke media-instellingen en de NPO om de gebruiksduur van het actief in te schatten en af te zetten tegen de bandbreedtes. Daarmee kan een herziening van de afschrijvingstermijnen dus verwerkt worden als schattingswijziging.

2.2.1.3. Vaste activa niet aan de bedrijfsuitoefening dienstbaar

Deze betreffen materiële vaste activa die niet dienstbaar zijn aan de publieke media-instelling en die ook niet meer zullen worden aangewend voor uitvoering van de mediataak. Te denken valt aan gebouwen die geheel of gedeeltelijk worden verhuurd aan derden of die duurzaam geheel of gedeeltelijk leegstand vertonen.

In geval van gebouwen die deels worden verhuurd of die deels leeg staan, moet zowel het verhuurde als het duurzaam leegstaande deel afzonderlijk verkoopbaar zijn of afzonderlijk door middel van een financiële lease aan anderen ter beschikking gesteld kunnen worden om als zelfstandige kasstroom-genererende eenheid te kunnen worden aangeduid. In dit geval is sprake van een vastgoedbelegging en is RJ 213 van toepassing.

Een actief dat niet meer aan de bedrijfsuitoefening dienstbaar is, is niet gelijk aan een ‘buiten gebruik gesteld actief’. In geval van buiten gebruikstelling is RJ 212.501 van toepassing.

De toelichting geeft inzicht in de aard en omvang van bijzondere waardeverminderingen.

2.2.2. Financiële vaste activa

Hierbij gelden regels voor:

2.2.2.1. Deelnemingen

De toelichting geeft een overzicht van alle rechtspersonen waarbij een publieke media-instelling betrokken is, geeft inzicht in de aard van de rechtspersonen. Verder geeft het overzicht inzicht in het resultaat per deelneming. Het overzicht vermeldt de omvang van eventuele afwaarderingen en licht daarbij bijzondere afwaarderingen nader toe.

2.2.2.2. Overige effecten

Het gaat hierbij om effecten die bestemd zijn om duurzaam te worden aangehouden. Ongerealiseerde waardemutaties vinden plaats via de balanspost ‘Reserve Koersverschillen Beleggingen’ en mogen niet via de exploitatierekening verlopen om daarmee de impact op de volatiliteit van de reserve media aanbod te beperken. Een uitzondering hierop geldt voor de situatie dat de balanspost ‘Reserve Koersverschillen Beleggingen’ onvoldoende omvang heeft om een waardevermindering volledig op te vangen. In een dergelijke situatie wordt de waardevermindering verwerkt via de exploitatierekening nadat eerst de balanspost ‘Reserve Koersverschillen Beleggingen’ is teruggebracht tot een nihil saldo.

De toelichting vermeldt de marktwaarde van de ter beurze genoteerde effecten, ongeacht de toegepaste waarderingsgrondslag.

2.2.3. Vlottende Activa

Voor de volgende posten gelden aanvullende regels:

2.2.3.1. Voorraden

Dit betreft zowel nog niet verspreid media-aanbod als herhalingen. Een overzicht specificeert het totaal van deze post naar nog te verspreiden media-aanbod en herhalingen. Het overzicht vermeldt de omvang van eventuele afwaarderingen en licht bijzondere afwaarderingen nader toe. In aanvulling hierop gelden de volgende regels.

2.2.3.1.1. Nog niet verspreid media-aanbod

Waardering van media-aanbod geschiedt tegen directe kosten. Onder de directe kosten vallen de personele kosten van eigen medewerkers en overige medewerkers, de facilitaire kosten en de overige programmakosten. Kosten die niet direct aan het programma zijn toe te rekenen (bijvoorbeeld die van de directie/programmaleiding en planning media-aanbod, netcoördinatie) maken deel uit van de organisatiekosten.

De waardering van media-aanbod wordt verminderd met de voor dit media-aanbod ontvangen bijdragen van derden en bijdragen van het NPO fonds. De bijdragen van derden betreffen bijdragen van commerciële sponsors, de Stichting coproductiefonds Binnenlandse Omroep (CoBO) en overige derden.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.