Assurantiebelasting

Type Beleidsregel
Publication 2023-05-13
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.

Dit besluit actualiseert en vervangt het besluit van 3 februari 2017, nr. BLKB2016/973M en bevat het beleid over de assurantiebelasting.

1. Inleiding

Dit besluit bevat het beleid over de assurantiebelasting. Op enkele onderdelen wordt de toepassing van dit beleid nader verduidelijkt.

In onderdeel 3.2 is verduidelijkt in welke gevallen de vrijstelling voor transportverzekeringen kan worden toegepast. Hierbij is overeenkomstig bestendig beleid aangegeven dat de vrijstelling ook geldt voor verzekeringen van reizigersbagage. De slotalinea van dit onderdeel in het besluit van 3 februari 2017 is verplaatst naar onderdeel 3.2.2. Verder wordt in onderdeel 3.2.2 nader ingegaan op de dekking van opslag als onderdeel van de transportverzekering. Hierbij is de periode waarin geacht wordt sprake te zijn van een volstrekt noodzakelijke samenhang tussen transport en opslag gesteld op maximaal drie maanden.

Onderdeel 3.3 is aangepast. Het in het besluit van 3 februari 2017 genoemde voorbeeld over de inhoud van serviceauto’s is niet meer opgenomen omdat dit voorbeeld in de praktijk tot misverstanden leidt over de toepassing van de vrijstelling voor transportverzekeringen. Verder is aangegeven dat in geval bij een samengestelde verzekering de premie niet eenduidig kan worden gesplitst, een verzoek om vooroverleg kan worden ingediend bij de inspecteur van de Belastingdienst.

Verder wordt in onderdeel 3.5 nader aangegeven dat concrete casusposities over exportkredietverzekeringen ter beoordeling kunnen worden voorgelegd aan de inspecteur van de Belastingdienst.

In onderdeel 4.1 is de bevoegdheid tot het aanwijzen van een assurantiebemiddelaar als belastingplichtige voor de assurantiebelasting aangepast aan de regelgeving rond mandatering binnen de huidige organisatie van de Belastingdienst.

Tot slot bevat het besluit nog enkele redactionele aanpassingen zonder inhoudelijke wijziging.

De goedkeuringen in het besluit zijn gebaseerd op artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (de hardheidsclausule).

1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen

2. Maatstaf van heffing. Provisieverbod bij verkoop financiële producten/toerekeningregels

Per 1 januari 2013 geldt er een verbod op het berekenen van provisie bij de verkoop van (complexe) financiële producten zoals hypotheken, pensioenverzekeringen en levensverzekeringen. Het gevolg hiervan is dat de verzekeringstussenpersoon voortaan rechtstreeks kosten in rekening brengt bij zijn klant voor de door hem verrichte samenhangende diensten.

Assurantiebelasting wordt berekend over de premie, alsmede over de vergoeding voor met de verzekering samenhangende diensten (artikel 22, eerste lid, WBR). Hieruit vloeit voort dat slechts assurantiebelasting is verschuldigd wanneer ook daadwerkelijk sprake is van een verzekeringsovereenkomst waarop de vergoeding voor de samenhangende diensten ziet. Door de gewijzigde omstandigheden is een situatie ontstaan waarin de relatie tussen een afgesloten verzekering en de door de verzekeringstussenpersoon te ontvangen vergoeding niet altijd meer eenduidig kan worden onderkend. Om onduidelijkheden weg te nemen heeft de Belastingdienst, in overleg met brancheorganisaties van tussenpersonen van verzekeraars en banken, voor de berekening van de verschuldigde assurantiebelasting forfaitaire toerekeningregels opgesteld. De toerekeningregels kunnen met ingang van een nieuw aangiftetijdvak worden toegepast in plaats van afspraken die reeds eerder met de Belastingdienst/kantoor Amsterdam werden gemaakt. Deze afspraken kunnen evenwel ook worden voortgezet tot het tijdstip waarop opzegging daarvan plaatsvindt.

De forfaitaire toerekeningregels zijn gepubliceerd op www.belastingdienst.nl en www.cggp.nl. Tussenpersonen en adviseurs kunnen vragen over de toepassing van de toerekeningregels voorleggen aan hun branche-organisatie. Ook is het mogelijk vragen schriftelijk voor te leggen aan:

Belastingdienst/kantoor Arnhem

Assurantiebelasting

Postbus 9007

6800 DJ Arnhem

3. Vrijstellingen

3.1. Verzekeringen van zeeschepen

Verzekeringen van zeeschepen, met uitzondering van pleziervaartuigen, zijn vrijgesteld van assurantiebelasting (artikel 24, eerste lid, onderdeel e, WBR). Zeeschepen zijn alle schepen die worden gebruikt of bestemd zijn voor de zeevaart, zoals mosselvaartuigen en viskotters. Van geval tot geval moet worden beoordeeld of er sprake is van een zeeschip. Hieronder geef ik een overzicht van categorieën vaartuigen die ik voor de assurantiebelasting als zeeschip aanmerk. Vervolgens geef ik een overzicht van categorieën vaartuigen die ik niet als zeeschip aanmerk.

Als zeeschip in de zin van de assurantiebelasting merk ik aan:

Niet als zeeschip in de zin van de assurantiebelasting merk ik aan:

3.1.1. Verzekering voor schaden aan zeeschepen. Goedkeuring

De vrijstelling voor verzekeringen van zeeschepen geldt voor verzekeringen die het casco van het schip betreffen. In de praktijk kan discussie ontstaan over de vraag of ook verzekeringen voor schaden die voor de reder uit het varen van het zeeschip kunnen voortvloeien onder de vrijstelling vallen. Ik acht deze discussie niet gewenst en keur daarom het volgende goed.

Ik keur goed dat verzekeringen voor schaden die voor de reder uit het varen van het zeeschip voortvloeien, vallen onder de vrijstelling voor verzekeringen van zeeschepen. Het betreft verzekeringen zoals zogenoemde disbursementverzekeringen, verzekeringen van premiums, protection en indemnity, verzekeringen van aanvaringsschade aan derden en verzekeringen voor loss of hire. Zogenoemde verzekeringen van shipbroker’s interest zijn niet vrijgesteld.

3.1.2. Hypothecaire belangenverzekering zeeschip. Goedkeuring.

Verzekeringen van zeeschepen die het casco van het schip betreffen kennen in de regel uitsluitingsclausules. Bijvoorbeeld als niet het minimaal vereiste aantal bemanningsleden aan boord is, vindt er bij schade aan het casco geen uitkering plaats.

Financiële instellingen en andere geldgevers die een hypothecaire lening hebben verstrekt aan een scheepseigenaar bedingen, in geval van dergelijke uitsluitingsclausules, dat er een aanvullende verzekering voor de uitsluitingen wordt afgesloten (hypothecaire belangenverzekering). Ingeval de scheepseigenaar/reder een aanvullende verzekering afsluit en de uitkering cedeert aan de geldgever, dan valt deze verzekering ook onder de vrijstelling van artikel 24, eerste lid, onderdeel e, WBR. In de praktijk kan discussie ontstaan over de vraag of een aanvullende verzekering onder de genoemde vrijstelling valt als de aanvullende verzekering niet door de scheepseigenaar/reder maar door de geldgever zelf wordt afgesloten. Ik acht deze discussie niet gewenst en keur daarom het volgende goed.

Ik keur onder voorwaarden goed dat door financiële instellingen en andere geldgevers afgesloten aanvullende verzekeringen die zien op uitsluitingsclausules in cascoverzekeringen van zeeschepen onder de vrijstelling voor verzekeringen van zeeschepen als bedoeld in artikel 24, eerste lid, onderdeel e, WBR vallen.

Voor deze goedkeuring gelden de volgende drie voorwaarden.

3.1.3. Pleziervaartuigen

De vrijstelling van assurantiebelasting geldt niet voor verzekeringen van pleziervaartuigen (artikel 24, eerste lid, onderdeel e, WBR). Dat zijn vaartuigen in gebruik bij watersportbeoefenaars en andere recreanten bij of in het water, zoals sportvissers. Zo is een zeewaardig jacht een pleziervaartuig. Ook als dit vaartuig bedrijfsmatig wordt verhuurd of voor representatieve doeleinden wordt gebruikt.

Een vaartuig wordt niet als pleziervaartuig aangemerkt als deze wordt gebruikt voor vervoer met een geheel of nagenoeg geheel openbaar karakter en het vervoer aldus geen gebruik in besloten kring meebrengt. Hierbij valt te denken aan:

3.2. Transportverzekeringen

3.3. Samengestelde verzekeringen

De vrijstelling geldt voor verzekeringen voor het vervoer van goederen waarvoor een transportbedrijf is gecontracteerd. Het gaat hierbij om schade aan goederen opgelopen ten gevolge van of tijdens het vervoer van de plaats van vertrek naar de plaats van bestemming. De vrijstelling is ook van toepassing op verzekeringen van de uit de vervoersovereenkomst voortvloeiende of uit anderen hoofde bestaande aansprakelijkheid van vervoerders, stuwadoors en expediteurs bij vervoer van goederen. Verder is de vrijstelling van toepassing op verzekeringen van eigendommen van bemanningen van schepen voor het verblijf aan boord.

De vrijstelling geldt ook voor verzekeringen voor het zogenoemde ‘eigen vervoer’ waarvoor geen transportbedrijf is gecontracteerd, maar wel sprake is van bedrijfsmatig vervoer. Het betreft:

De vrijstelling is niet van toepassing op verzekeringen van eigen goederen die weliswaar worden vervoerd maar niet met uitsluitend het oogmerk om deze naar een andere plaats van bestemming te brengen. Hierbij kan worden gedacht aan de gereedschappen van een aannemer die in zijn bestelbus aanwezig zijn.

Volledigheidshalve merk ik op dat het bovenstaande geen invloed heeft op het beleid ter zake van reizigersbagage. Dit betekent dat de vrijstelling van toepassing is op verzekeringen van reizigersbagage, voor zover deze verzekeringen dekking bieden voor schade of verlies opgelopen tijdens het vervoer van de plaats van vertrek naar de plaats van bestemming en tijdens het verblijf ter plekke. Het maakt daarbij geen verschil of de reizigersbagage door een gecontracteerde vervoerder wordt vervoerd of door de reiziger zelf.

Postbus 9007

De vrijstelling voor transportverzekeringen geldt voor de verzekering van het transport, inclusief nachtrisicodekking, zonder bijkomende dekking voor verblijfrisico’s. Als transportverzekering is onder andere een geldtransportverzekering aan te merken. Deze verzekering bevat soms een bijzondere clausule, waardoor het verzekerde risico gedurende maximaal drie dagen doorloopt. Dit is het geval als de vervoerder door bijzondere omstandigheden niet in staat is om dezelfde dag waarop hij de gelden heeft ontvangen tot uitbetaling over te gaan. In dat geval is naar mijn oordeel sprake van één verzekering en geldt de vrijstelling onverkort.

3.2.2. Dekking van opslag

De dekking van bijvoorbeeld in havenloodsen opgeslagen zendingen van de verzekerde maakt geen deel uit van de vrijgestelde transportverzekering. De opslag voorafgaand aan of volgend op het transport kan echter volstrekt noodzakelijk samenhangen met het transport. Op voorwaarde dat voor de opslag geen extra premie is verschuldigd, ontmoet het bij mij geen bezwaar om in dat geval slechts één verzekering te zien, namelijk een transportverzekering. Van de genoemde volstrekt noodzakelijke samenhang wordt geacht sprake te zijn bij opslag gedurende maximaal drie maanden. Bij opslag gedurende een periode van langer dan drie maanden moet aannemelijk worden gemaakt dat nog steeds sprake is van een volstrekt noodzakelijke samenhang tussen de opslag en het transport.

3.3.2. Transportverzekering met bijkomende verzekering

Het is mogelijk om naast een transportverzekering een bijkomende verzekering af te sluiten. Zo is bijvoorbeeld een berovingsverzekering mogelijk naast een geldtransportverzekering. Deze bijkomende verzekering deelt dan niet in de vrijstelling. De verschuldigde premie zal dan moeten worden gesplitst in een vrijgesteld deel en een belast deel. Het ontmoet bij mij geen bezwaar om bij deze splitsing in de volgende gevallen gebruik te maken van de daarbij vermelde forfaitaire percentages:

3.4. Herverzekeringen

Een samengestelde verzekering kan een of meer vrijgestelde verzekeringen omvatten. De vrijstelling van assurantiebelasting wordt dan toegepast op het aan die vrijgestelde verzekeringen toe te rekenen gedeelte van de premie (artikel 24, tweede lid, WBR). Als er sprake is van een samengestelde verzekering met zowel vrijgestelde als belaste verzekeringen voor de assurantiebelasting waarbij de premie niet eenduidig kan worden gesplitst, kan hierover een verzoek tot vooroverleg worden gedaan aan:

3.5. Exportkredietverzekeringen

Assurantiebelasting

Postbus 9007

6800 DJ Arnhem

In het bovenstaande is op hoofdlijnen aangegeven welke verzekeringen en garanties in aanmerking komen voor de vrijstelling voor exportkredietverzekeringen. Voor de toepassing van de vrijstelling in de praktijk kunnen concrete casusposities ter beoordeling worden voorgelegd aan:

Een bijzondere situatie betreft een transportverzekering met accijnsverzekering. Bijvoorbeeld bij doorvoer van gedistilleerd kan vermogensverlies ontstaan door heffing van accijnzen (of soortgelijke belastingen of rechten) als gevolg van schade tijdens het transport. Tegen dit vermogensverlies kan men zich verzekeren door middel van een accijnsverzekering. Naar mijn oordeel is in een dergelijk geval (eveneens) sprake van een transportverzekering. De accijnsverzekering is aldus vrijgesteld van assurantiebelasting.

Assurantiebelasting

Het is mogelijk om naast een transportverzekering een bijkomende verzekering af te sluiten. Zo is bijvoorbeeld een berovingsverzekering mogelijk naast een geldtransportverzekering. Deze bijkomende verzekering deelt dan niet in de vrijstelling. De verschuldigde premie zal dan moeten worden gesplitst in een vrijgesteld deel en een belast deel. Het ontmoet bij mij geen bezwaar om bij deze splitsing in de volgende gevallen gebruik te maken van de daarbij vermelde forfaitaire percentages:

6800 DJ Arnhem

4. Belastingplicht

3.5. Exportkredietverzekeringen

Op grond van artikel 24, eerste lid, onderdeel h, WBR zijn exportkredietverzekeringen vrijgesteld van assurantiebelasting. Ter verduidelijking geef ik hierna op hoofdlijnen aan welke verzekeringen en garanties in aanmerking komen voor deze vrijstelling.

Een belangrijk gedeelte van de exportkredietverzekeringen wordt op dit moment, in aanvulling op de particuliere markt, afgegeven door de overheid. In het algemeen kan ervan worden uitgegaan dat op de door de overheid aangeboden exportkredietverzekeringen de genoemde vrijstelling van toepassing is. Dit brengt mee dat de vrijstelling in beginsel ook van toepassing is op soortgelijke exportkredietverzekeringen die door particuliere verzekeraars in de markt worden aangeboden. Bepaalde gevallen van exportkrediet kunnen echter niet met overheidsdekking worden verzekerd omdat Europese regelgeving beperkingen oplegt. Het betreft dan bijvoorbeeld situaties waarbij een bepaald type risico niet langs die weg mag worden verzekerd of situaties met een relatief korte verzekeringsduur. Naar mijn oordeel kan de vrijstelling van toepassing zijn op zodanige exportkredietverzekeringen die door particuliere verzekeraars uiteraard wel mogen worden aangeboden. De vrijstelling geldt echter alleen als die door particuliere verzekeraars aangeboden verzekeringen voor het overige in belangrijke mate inhoudelijk overeenkomen met de exportkredietverzekeringen die wel van overheidswege mogen worden aangeboden.

In alle gevallen geldt voor de toepasselijkheid van de vrijstelling dat er sprake is van een Nederlands belang bestaande uit de export van goederen of diensten. Ik merk in dit verband op dat van een Nederlands belang pas sprake is als vaststaat dat als gevolg van de geldlening – al dan niet in de vorm van een (leveranciers)krediet of rekening courant – of van de verstrekking van eigen vermogen, goederen of diensten hier te lande worden geëxporteerd. Het verstrekken van geldleningen of eigen vermogen naar het buitenland als zodanig is voor de toepassing van de vrijstelling niet aan te merken als een Nederlands belang.

In het bovenstaande is op hoofdlijnen aangegeven welke verzekeringen en garanties in aanmerking komen voor de vrijstelling voor exportkredietverzekeringen. Voor de toepassing van de vrijstelling in de praktijk kunnen concrete casusposities ter beoordeling worden voorgelegd aan:

Belastingdienst/kantoor Arnhem

Assurantiebelasting

Postbus 9007

6800 DJ Arnhem

De Belastingdienst houdt van de door de inspecteur aangewezen assurantiebemiddelaars een lijst aan. Deze lijst is raadpleegbaar op www.belastingdienst.nl.

4.1. Assurantiebemiddelaar als belastingplichtige

Artikel 25, eerste lid, WBR bevat een zogenoemde attributiebepaling. Op grond van dit artikel wordt de bevoegdheid tot het aanwijzen van een assurantiebemiddelaar als belastingplichtige voor de assurantiebelasting geattribueerd aan de Staatssecretaris van Financiën. Het moet daarbij gaan om een assurantiebemiddelaar, aan wie een vergunning is verleend als bedoeld in de WFT. Voor de aanwijzing van de assurantiebemiddelaar als belastingplichtige geldt het volgende.

Gelet op de artikelen 10:3 en 10:9 van de Algemene wet bestuursrecht mandateert de Staatssecretaris van Financiën met dit beleidsbesluit deze bevoegdheid met de mogelijkheid om ondermandaat te verlenen aan de inspecteur zoals bedoeld in artikel 5, eerste lid, in samenhang met artikel 3, eerste lid, onderdeel a1 van de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003, die verantwoordelijk is voor Grote ondernemingen (hierna: inspecteur).

De inspecteur heeft mandaat tot het aanwijzen namens de Staatssecretaris van Financiën van assurantiebemiddelaars als belastingplichtigen en tot het intrekken of wijzigen van zodanige aanwijzingen. Aan de inspecteur wordt betreffende deze aangelegenheden ook volmacht en machtiging verleend als bedoeld in artikel 10:12 van de Algemene wet bestuursrecht. De inspecteur heeft de bevoegdheid ondermandaat te verlenen aan functionarissen werkzaam bij de Belastingdienst.

Een assurantiebemiddelaar die wil worden aangewezen als belastingplichtige, als bedoeld in artikel 25, eerste lid, WBR, kan een verzoek daartoe richten tot:

Belastingdienst/kantoor Arnhem

4.3. Belastingplicht verzekeraar gevestigd binnen EU/EER

Postbus 9007

6800 DJ Arnhem

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.