Besluit van 21 april 2022, houdende regels voor het verstrekken van subsidies door de Minister van Justitie en Veiligheid en de Minister voor Rechtsbescherming (Kaderbesluit overige JenV-subsidies)

Type AMvB
Publication 2022-07-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Op de voordracht van Onze Minister van Justitie en Veiligheid, gedaan mede namens Onze Minister voor Rechtsbescherming van 5 oktober 2021, Directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 3562409;

Gelet op de artikelen 3 en 4 van de Kaderwet overige JenV-subsidies;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord advies van 2 maart 2022, nr.W16.21.0304/II;

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie en Veiligheid, uitgebracht mede namens Onze Minister voor Rechtsbescherming van 14 april 2022, Directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 3946181;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Treedt in werking op het tijdstip waarop de Kaderwet overige JenV-subsidies in werking treedt.

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

Artikel 2
1.

Subsidies die worden verstrekt krachtens een ministeriële regeling op de gebieden, genoemd in artikel 2 van de wet, worden verstrekt volgens de regels van dit besluit.

2.

De hoofdstukken 2, 3 en 5 tot en met 12 zijn van overeenkomstige toepassing op subsidies als bedoeld in artikel 4:23, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, die door Onze Minister worden verstrekt.

Hoofdstuk 2. Europese subsidies en staatssteunregels

Artikel 3
1.

Indien reeds door een bestuursorgaan of de Europese Commissie subsidie is verstrekt voor de subsidiabele kosten of een deel daarvan, wordt slechts een zodanig bedrag aan subsidie verstrekt dat het totale bedrag aan subsidies niet meer bedraagt dan het bedrag dat krachtens dit besluit kan worden verstrekt.

2.

Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat bepaalde subsidieregelingen of bijdragen van de Europese Commissie bij de toepassing van het eerste lid buiten beschouwing blijven.

3.

Indien bij ministeriële regeling is bepaald dat toepassing is gegeven aan een de-minimisverordening of de algemene groepsvrijstellingsverordening, wordt het bedrag van de subsidie verlaagd voor zover dit nodig is op basis van deze verordening.

Artikel 4
1.

Een subsidie lager dan € 25 000, die op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie is aan te merken als staatssteun, wordt voor zover mogelijk verstrekt met toepassing van de betrokken de-minimisverordening.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing indien de subsidie kan worden verstrekt met goedkeuring van de Europese Commissie of onder de werking van een vrijstellingsverordening.

Hoofdstuk 3. Subsidiabele kosten

Artikel 5
1.

Voor subsidie komen in aanmerking de redelijk te maken kosten die direct verbonden zijn met de uitvoering van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt verstrekt.

2.

De subsidiabele kosten worden door de aanvrager berekend op basis van een voor de aanvrager gebruikelijke en voor Onze Minister controleerbare methode, die is gebaseerd op bedrijfseconomische grondslagen en normen die in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd.

3.

De subsidiabele kosten worden door Onze Minister op hun aannemelijkheid en redelijkheid getoetst.

4.

Tenzij bij ministeriële regeling anders is bepaald, wordt geen subsidie verstrekt voor activiteiten voor zover die kosten uit anderen hoofde zijn of worden gesubsidieerd of gefinancierd.

5.

Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat vóór de indiening van de aanvraag door de aanvrager gemaakte kosten niet in aanmerking komen voor subsidie.

6.

Verschuldigde btw komt uitsluitend voor subsidie in aanmerking ingeval de aanvrager de btw niet kan verrekenen met de door hem af te dragen omzetbelasting.

7.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de kosten die voor subsidie in aanmerking komen.

Artikel 6
1.

Indien in het kader van de berekening van de hoogte van de subsidiabele kosten uurtarieven worden gehanteerd, worden deze door de aanvrager berekend aan de hand van één of meer in het tweede lid genoemde standaardberekeningswijzen.

2.

Als standaardberekeningswijzen voor de berekening van uurtarieven worden gehanteerd:

3.

Bij ministeriële regeling wordt bepaald welke van de in het tweede lid genoemde standaardberekeningswijzen in dat geval van toepassing is.

4.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de toepassing van de standaardberekeningswijzen, genoemd in het tweede lid.

Hoofdstuk 4. Subsidieplafond en wijze van verdelen

Artikel 7
1.

Bij de vaststelling van een subsidieplafond als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de wet kunnen afzonderlijke subsidieplafonds worden vastgesteld voor bepaalde categorieën van aanvragers of activiteiten of voor bepaalde thema’s of voor bepaalde vormen van subsidie.

2.

Bij de ministeriële regeling waarin het subsidieplafond wordt vastgesteld, wordt bepaald dat het beschikbare bedrag wordt verdeeld:

3.

Indien wordt gekozen voor verdeling van het beschikbare bedrag op volgorde van binnenkomst van de aanvragen, kan bij de regeling worden bepaald op welke wijze wordt omgegaan met meerdere aanvragen van één aanvrager of aanvragers binnen één groep.

Artikel 8
1.

Indien het beschikbare bedrag wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de aanvragen, verdeelt Onze Minister het beschikbare bedrag in de volgorde van ontvangst van de aanvragen, met dien verstande dat indien een aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag en met toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, de dag waarop de aanvraag voldoet aan de wettelijke voorschriften met betrekking tot de verdeling als datum van ontvangst geldt.

2.

Indien het beschikbare bedrag wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de aanvragen en Onze Minister op de dag dat het subsidieplafond wordt bereikt meer dan één aanvraag ontvangt, stelt hij de onderlinge rangschikking van die aanvragen vast door middel van loting.

3.

Indien het beschikbare bedrag wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de aanvragen en het subsidieplafond is bereikt, doet Onze Minister daarvan onverwijld mededeling in de Staatscourant.

Artikel 9
1.

Indien het beschikbare bedrag wordt verdeeld op volgorde van rangschikking van de aanvragen, worden bij ministeriële regeling rangschikkingscriteria vastgesteld en, indien meerdere rangschikkingscriteria worden vastgesteld, de onderlinge weging daarvan.

2.

Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat Onze Minister zich bij de rangschikking van aanvragen laat adviseren door een persoon die of een college dat niet onder zijn verantwoordelijkheid werkzaam is. Bij de regeling wordt bepaald op welke wijze het advies wordt uitgebracht.

Hoofdstuk 5. Indienen van de aanvraag

Artikel 10
1.

Een aanvraag om subsidie wordt ingediend met gebruikmaking van een daartoe beschikbaar gesteld formulier. Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat gebruik moet worden gemaakt van een door Onze Minister elektronisch beschikbaar gesteld formulier.

2.

Bij de regeling kunnen regels worden gesteld over de periode waarbinnen de aanvraag wordt ingediend.

3.

De aanvraag bevat, tenzij bij de regeling anders is bepaald, in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden:

Hoofdstuk 6. Afwijzingsgronden

Artikel 11
1.

Onze Minister beslist afwijzend op een aanvraag om subsidie indien de aanvraag niet voldoet aan het bepaalde bij of krachtens dit besluit.

2.

Onze Minister beslist voorts afwijzend op een aanvraag om subsidie voor zover:

Artikel 12

Bij ministeriële regeling kunnen aanvullende afwijzingsgronden worden vastgesteld.

Hoofdstuk 7. Wijze van subsidieverstrekking

Artikel 13

Tenzij bij ministeriële regeling anders is bepaald, wordt een subsidie ten laste van een begroting die nog niet is vastgesteld, verleend onder de voorwaarde dat voldoende gelden ter beschikking worden gesteld.

Artikel 14
1.

Een subsidie lager dan € 25.000 wordt verstrekt in de vorm van een vast bedrag dat bij ministeriële regeling wordt vastgesteld of dat wordt bepaald op basis van gegevens die worden ingediend bij de aanvraag.

2.

Indien een subsidie lager dan € 25.000 wordt verstrekt, wordt:

3.

In het geval, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, is de subsidieontvanger verplicht om:

Artikel 15
1.

Een subsidie van € 25.000 tot € 125.000 wordt verstrekt in de vorm van een vast bedrag of een vast bedrag voor een nog te verrichten prestatie-eenheid, dat bij ministeriële regeling wordt vastgesteld of dat wordt bepaald op basis van gegevens die worden ingediend bij de aanvraag.

2.

Indien een subsidie van € 25.000 tot € 125.000 wordt verstrekt, wordt een beschikking tot subsidieverlening gegeven, met vermelding van de datum waarop de activiteiten uiterlijk moeten zijn verricht en het tijdstip waarop een aanvraag van een beschikking tot subsidievaststelling moet worden gedaan.

3.

In geval van een subsidie van € 25.000 tot € 125.000 is de subsidieontvanger verplicht om:

Artikel 16
1.

Een subsidie van € 125.000 of meer wordt verstrekt in de vorm van een maximumbedrag voor een nog te verrichten prestatie-eenheid, dat bij ministeriële regeling wordt vastgesteld of dat wordt bepaald op basis van gegevens die worden ingediend bij de aanvraag.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.