Regeling van de Minister voor Klimaat en Energie van 30 juni 2022, nr. WJZ/ 22076980, houdende regels over het verstrekken van eenmalige specifieke uitkeringen ten behoeve van extra ondersteuning voor toezicht op en handhaving van de energiebesparingsplicht

Type Ministeriële regeling
Publication 2024-01-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op artikel 3, eerste lid, van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies;

Besluit:

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

Artikel 2. Doel van de regeling

Deze regeling heeft tot doel om meerjarig additionele capaciteit voor toezicht en handhaving op de energiebesparingsplicht te realiseren.

Artikel 3. Activiteiten

De minister kan op aanvraag aan een omgevingsdienst een specifieke uitkering verstrekken voor de uitvoering van activiteiten in de periode 2022 tot en met 2026 die bijdragen aan het doel zoals genoemd in artikel 2 en zoals opgenomen in bijlage 1.

Artikel 4. Hoogte, plafond en verdeling
1.

Het bedrag dat voor de jaren 2022 tot en met 2026 voor de specifieke uitkeringen beschikbaar is gesteld is € 56 miljoen.

2.

De minister verstrekt ten hoogste één specifieke uitkering per omgevingsdienst en de specifieke uitkering bedraagt ten hoogste het bedrag opgenomen in bijlage 2 bij deze regeling.

3.

De minister kan aan een omgevingsdienst voorschotten op het toegekende bedrag van een specifieke uitkering verlenen.

4.

De bevoorschotting en uitbetaling van de specifieke uitkering aan een omgevingsdienst geschiedt in de jaren 2022 tot en met 2026 jaarlijks en bedraagt voor het desbetreffende jaar ten hoogste het bedrag opgenomen in bijlage 2 bij deze regeling.

5.

De bevoorschotting en uitbetaling voor het jaar 2022 geschiedt enkel indien een omgevingsdienst een aanvraag als bedoeld in artikel 5 heeft ingediend vóór 11 november 2022.

6.

De kosten worden in aanmerking genomen met inbegrip van omzetbelasting, indien de omgevingsdienst die de kosten heeft gemaakt, omzetbelasting niet in aftrek kan brengen.

Artikel 5. Aanvraag
1.

Een specifieke uitkering wordt op aanvraag aan een omgevingsdienst verstrekt.

2.

Een aanvraag voor een specifieke uitkering wordt ingediend in de periode van 10 oktober 2022 tot en met 31 maart 2023.

3.

Een omgevingsdienst verklaart met het doen van de aanvraag dat de aanvraag is afgestemd met het dagelijks bestuur van de omgevingsdienst.

4.

Een aanvraag bevat in ieder geval:

5.

Het projectplan, bedoeld in het vierde lid, onder d, bevat in ieder geval:

6.

Een aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van een daartoe door de minister beschikbaar gesteld digitaal formulier dat is geplaatst op de website van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland.

Artikel 6. Verplichtingen
1.

De omgevingsdienst draagt er zorg voor dat de specifieke uitkering uitsluitend aan de in het projectplan opgenomen activiteiten en in de jaren 2022 tot en met 2026 wordt besteed.

2.

De omgevingsdienst besteedt minimaal 70% van de verstrekte specifieke uitkering aan de activiteiten zoals opgenomen in bijlage 1, onderdeel A.

3.

In aanvulling op het tweede lid draagt de omgevingsdienst er zorg voor dat er door besteding van de specifieke uitkering in de periode waarvoor de specifieke uitkering is verstrekt:

4.

Indien het jaarlijkse bedrag zoals opgenomen in bijlage 2, voor de omgevingsdienst minder bedraagt dan € 140.000,–, kan de omgevingsdienst in afwijking van het derde lid, onder a, volstaan met het aantrekken van 0,5 fte voor toezicht en handhaving energiebesparingsplicht en informatieplicht.

5.

De omgevingsdienst draagt er zorg voor dat in de jaren 2023 tot en met 2026 jaarlijks minimaal 40% van de uitgekeerde middelen worden besteed.

6.

De omgevingsdienst draagt er zorg voor dat de werkzaamheden van de extra fte, bedoeld in het derde lid, of van de 0,5 extra fte, bedoeld in het vierde lid, en de in het projectplan opgenomen activiteiten, bedoeld in bijlage 1, onderdeel A en B1 niet door derden worden uitgevoerd of ingevuld.

7.

De omgevingsdienst draagt er zorg voor dat de in het projectplan opgenomen activiteiten uiterlijk op 31 december 2026 zijn afgerond.

8.

De omgevingsdienst werkt gedurende de looptijd van de specifieke uitkering jaarlijks, met startdatum 1 oktober 2023, de onderdelen van het projectplan, bedoeld in artikel 5, vijfde lid, onder b, c, d en e bij.

Artikel 7. Monitoring
1.

De omgevingsdienst rapporteert uiterlijk op 1 april en 1 oktober van het desbetreffende kalenderjaar aan de minister over de voortgang van de in het projectplan opgenomen activiteiten.

2.

De in het eerste lid genoemde rapportage omvat in ieder geval:

3.

De rapportage, bedoeld in het tweede lid, wordt ingediend met gebruikmaking van een daartoe door de minister beschikbaar gesteld digitaal formulier dat is geplaatst op de website van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland.

4.

Indien de rapportages, bedoeld in het tweede en derde lid, niet overeenkomen met de in het projectplan beoogde uitvoering van de activiteiten kan de minister hierover in overleg treden met de omgevingsdienst.

Artikel 8. Afwijzingsgronden

De minister wijst een aanvraag af indien:

Artikel 9. Informatieverplichtingen

De omgevingsdienst doet onverwijld schriftelijk mededeling aan de minister zodra aannemelijk is dat:

Artikel 10. Verantwoording en terugvordering
1.

De omgevingsdienst legt verantwoording af over de besteding van de specifieke uitkering op de wijze, bedoeld in artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet.

2.

Indien uit de verantwoordingsinformatie blijkt dat de specifieke uitkering niet volledig is besteed aan uitvoeringsactiviteiten waarvoor deze is verstrekt, of onrechtmatig is besteed, kan de uitkering ter hoogte van het niet of onrechtmatig bestede deel door de minister worden teruggevorderd. De minister doet binnen een jaar na ontvangst van de verantwoordingsinformatie mededeling van de terugvordering aan de omgevingsdienst als ontvanger van de specifieke uitkering.

Artikel 11. Vaststelling

De minister stelt de specifieke uitkering overeenkomstig de verlening vast, tenzij:

Artikel 12. Wijziging van de Regeling specifieke uitkering additionele capaciteit voor toezicht en handhaving energiebesparing

Wijzigt deze regeling.

Artikel 13. Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst, met uitzondering van artikel 12, dat in werking treedt per 1 januari 2024.

Artikel 14. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling specifieke uitkering additionele capaciteit voor toezicht en handhaving energiebesparing.

Bijlage 1. Activiteiten als bedoeld in artikel 3

A. Activiteiten die zien op toezicht en handhaving op de energiebesparings- en informatieplicht

B. Overige activiteiten, waaronder:

Bijlage 2. Bedragen per omgevingsdienst als bedoeld in artikel 4, tweede en derde lid

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.