Beleidsregel van de Minister voor Klimaat en Energie van 28 juni 2022, nr. WJZ/ 21315315, tot vaststelling van regels over de toets passende stimulering en de cumulatietoets in het kader van het Besluit duurzame energieproductie en klimaattransitie (Beleidsregel toets passende stimulering en cumulatietoets onder het Besluit duurzame energieproductie en klimaattransitie)

Type Beleidsregel
Publication 2022-07-12
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 7 van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies en artikel 4, eerste lid, van het Besluit stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie;

Besluit:

§ 1. Algemeen

Artikel 1. (begripsbepalingen)

In deze beleidsregel wordt verstaan onder:

§ 2. Toets passende stimulering en cumulatietoets

Artikel 2. (toets passende stimulering)
1.

De minister toetst of sprake is van overstimulering, indien aan een subsidieontvanger sdek-subsidie wordt verstrekt voor een productie-installatie voor restwarmte, koolstofdioxide-arme warmte met een elektroboiler of een industriële warmtepomp met 3.000 vollasturen, waterstof uit elektrolyse, afvang en permanente opslag van koolstofdioxide of afvang en gebruik van koolstofdioxide dan wel hernieuwbare warmte of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte door middel van thermische conversie van vaste of vloeibare biomassa waarvoor via verlengde levensduur opnieuw subsidie is gegeven als bedoeld in artikel 3, zevende lid, van de algemene uitvoeringsregeling.

2.

De minister kan toetsen of sprake is van overstimulering, indien aan een subsidieontvanger sdek-subsidie wordt verstrekt voor een andere productie-installatie dan een productie-installatie als bedoeld in het eerste lid:

3.

Er is sprake van overstimulering bij het verstrekken van een sdek-subsidie als bedoeld in het eerste of tweede lid indien:

(geprognosticeerde sdek-subsidie + verkoopinkomsten hernieuwbare energie of inkomsten uit vermindering van broeikasgas + eventuele andere exploitatiesteun) – (netto investering + rendement op geïnvesteerd vermogen + exploitatiesaldo) > € 0.

Artikel 3. (cumulatietoets)
1.

De minister toetst of sprake is van overstimulering, indien aan een subsidieontvanger sdek-subsidie wordt verstrekt voor een andere productie-installatie dan een productie-installatie als bedoeld in artikel 2, eerste of tweede lid, en aan die subsidieontvanger ook steun op grond van andere steunmaatregelen dan de sdek-subsidie wordt verstrekt.

2.

Er is sprake van overstimulering bij het verstrekken van een sdek-subsidie als bedoeld in het eerste lid indien:

(geprognosticeerde sdek-subsidie + verkoopinkomsten hernieuwbare energie of inkomsten uit vermindering van broeikasgas + andere exploitatiesteun) – (netto investering + rendement op geïnvesteerd vermogen+ exploitatiesaldo) > € 0.

3.

In afwijking van het tweede lid is sprake van overstimulering bij het verstrekken van een sdek-subsidie voor een productie-installatie voor waterkracht, osmose, windenergie of fotovoltaïsche zonnepanelen, indien:

(geprognosticeerde sdek-subsidie + verkoopinkomsten hernieuwbare energie + andere exploitatiesteun) – (netto investering + rendement op geïnvesteerd vermogen+ exploitatiesaldo) > € 0;

of

(maximale sdek-subsidie + andere exploitatiesteun) – (netto investering + rendement op geïnvesteerd vermogen) > € 0.

4.

Indien de uitkomsten van de berekeningen, bedoeld in het derde lid, beide hoger zijn dan € 0, bedraagt de overstimulering het hoogste bedrag van die uitkomsten.

Artikel 4. (uitzonderingen op cumulatietoets)

Artikel 3 is niet van toepassing indien:

§ 3. Elementen uit de toetsen

Artikel 5. (geprognosticeerde sdek-subsidie)
1.

De minister berekent de waarde van de geprognosticeerde sdek-subsidie, bedoeld in de artikelen 2, derde lid, en 3, tweede en derde lid:

2.

De geprognosticeerde correcties, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, worden gebaseerd op de meest recent vastgestelde correcties, waarbij voor toekomstige jaren rekening gehouden kan worden met inflatie.

Artikel 6. (verkoopinkomsten hernieuwbare energie en inkomsten uit vermindering van broeikasgas)
1.

De minister berekent de waarde van de verkoopinkomsten uit hernieuwbare energie of de inkomsten uit vermindering van broeikasgas, bedoeld in de artikelen 2, derde lid, en 3, tweede lid, en voor zover van toepassing bedoeld in artikel 3, derde lid:

2.

In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, hanteert de minister de door de subsidieontvanger opgegeven prijzen, indien de subsidieontvanger met facturen aantoont dat zijn verkoopinkomsten afwijken van de vastgestelde prijzen.

Artikel 7. (netto investering)

De netto investering, bedoeld in de artikelen 2, derde lid, en 3, tweede en derde lid, bedraagt de investeringskosten na aftrek van de investeringssteun.

Artikel 8. (investeringssteun)
1.

Bij de berekening van de waarde van de investeringssteun, bedoeld in artikel 7, hanteert de minister de rekenregels, bedoeld in het tweede tot en met achtste lid.

2.

De netto contante waarde van het genoten en nog te genieten voordeel van de willekeurige afschrijving milieubedrijfsmiddelen op grond van artikel 3.31 van de Wet inkomstenbelasting 2001 wordt berekend:

waarbij NCWY,1,NCWY,2 tm 12, NCWY,2 tm 15,Y, Z en X achtereenvolgens staan voor:

NCW Y,1 = de disconteringsfactor bij discontopercentage Y in jaar 1;

NCW Y,2 tm 12 = de som van de disconteringsfactoren bij discontopercentage Y in de jaren 2 tot en met 12;

NCW Y,2 tm 15 = de som van de disconteringsfactoren bij discontopercentage Y in de jaren 2 tot en met 15;

Y = het discontopercentage, bedoeld in artikel 12;

Z = het meldingsbedrag dat in aanmerking komt voor aftrek;

X = het maximale belastingpercentage inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting dat van toepassing is in het jaar na het jaar van ingebruikname van de productie-installatie, waarbij in 2021 voor de inkomstenbelasting wordt uitgegaan van 49,5% en voor de vennootschapsbelasting van 25%.

3.

De netto contante waarde van het genoten en nog te genieten voordeel van de willekeurige afschrijving milieubedrijfsmiddelen op grond van artikel 3.34 van de Wet inkomstenbelasting 2001 wordt berekend:

waarbij NCWY,1, NCWY,2 tm 12, NCWY,2 tm 15, Y,Z en X achtereenvolgens staan voor:

NCW Y,1 = de disconteringsfactor bij discontopercentage Y in jaar 1;

NCW Y,2 tm 12 = de som van de disconteringsfactoren bij discontopercentage Y in de jaren 2 tot en met 12;

NCW Y,2 tm 15 = de som van de disconteringsfactoren bij discontopercentage Y in de jaren 2 tot en met 15;

Y = het discontopercentage, bedoeld in artikel 12;

Z = het meldingsbedrag dat in aanmerking komt voor aftrek;

X = het maximale belastingpercentage inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting dat van toepassing is in het jaar na het jaar van ingebruikname van de productie-installatie, waarbij in 2021 voor de inkomstenbelasting wordt uitgegaan van 49,5% en voor de vennootschapsbelasting van 25%.

4.

De netto contante waarde van het genoten en nog te genieten voordeel krachtens de Uitvoeringsregeling energie-investeringsaftrek 2001 wordt berekend volgens de formule:

NCW Y,1 (XWV);

waarbij NCWY,1,Y, X, W en V achtereenvolgens staan voor:

NCW Y,1= de disconteringsfactor bij het discontopercentage Y in jaar 1;

Y = het discontopercentage, bedoeld in artikel 12;

X = het maximale belastingpercentage inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting dat van toepassing is in het jaar na het jaar van ingebruikname van de productie-installatie, waarbij in 2021 voor de inkomstenbelasting wordt uitgegaan van 49,5% en voor de vennootschapsbelasting van 25%;

W = het meldingsbedrag dat in aanmerking komt voor aftrek;

V = het aftrekpercentage dat van toepassing is op het moment van melding van de investering.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.