Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Minister voor Primair- en Voortgezet Onderwijs, van 18 juli 2022, nr. 33067320, tot intrekking van onderzoekskaders 2017 niet bekostigd primair onderwijs en voortgezet onderwijs onder vaststelling van beleidsregels houdende Onderzoekskaders 2022 niet bekostigd primair onderwijs en voortgezet onderwijs

Type Ministeriële regeling
Publication 2022-08-01
State In force
Source BWB
artikelen 3
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op artikel 13, eerste lid van de Wet op het onderwijstoezicht;

Gezien de voordracht van de Inspecteur-generaal van het onderwijs van 10 juni 2022

Besluit:

Artikel 1

De volgende beleidsregels worden vastgesteld:

Artikel 2

De volgende beleidsregels worden ingetrokken:

Artikel 3

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 augustus 2022.

Bijlage I. Onderzoekskader 2022 niet bekostigd primair onderwijs

augustus 2022

1. Inleiding

Artikel 13 van de Wet op het onderwijstoezicht (WOT) bepaalt dat de Inspectie van het Onderwijs (hierna: inspectie) haar werkwijze voor een kwaliteitsonderzoek als bedoeld in artikel 11, vastlegt in een of meer onderzoekskaders. Het maakt het handelen van de inspectie transparant voor scholen; de inspectie is hiermee aanspreekbaar op het ‘wat’ en het ‘hoe’ van haar werk.

Hoofdstuk 2 schetst het wettelijk kader en hoe dit zich vertaalt naar het toezicht. In Hoofdstuk 3 wordt nader ingegaan op de werkwijze die de inspectie bij haar toezicht hanteert. Hoofdstuk 4 gaat dieper in op het waarderingskader en de normering.

Dit onderzoekskader niet bekostigd primair onderwijs is tot stand gekomen na overleg met het onderwijsveld. Het is door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs vastgesteld.

2. Het toezicht op het niet bekostigd onderwijs

Dit hoofdstuk zet uiteen hoe het onderzoekskader voor het niet bekostigd primair onderwijs is verankerd3Dit hoofdstuk betreft het Nederlandstalig niet bekostigd onderwijs. Daarnaast vermeldt de Leerplichtwet 1969 in artikel 1, lid b, onder 4 dat leerlingen de leerplicht ook kunnen vervullen op buitenlandse en internationale scholen. Het gaat hier om de zogenoemde B4- scholen. Het toezicht hierop vindt plaats conform de Regeling aanwijzing Internationale en buitenlandse scholen (kenmerk VO/BVB/143738 d.d. 14 januari 2011). Dit toezicht, voor zover het gaat om toezicht op de lessen Nederlandse taal aan leerlingen met (ook) een Nederlands paspoort, is nog in ontwikkeling. Bij de huidige B4-scholen is geïnventariseerd óf deze lessen plaatsvinden, bij nieuw op te richten scholen vindt in het kader van deze inventarisatie een kennismakingsbezoek plaats. De inspectie reageert daarnaast op signalen en vragen vanuit het veld.. In paragraaf 2.1 wordt beschreven welke wettelijke verplichtingen op niet bekostigde scholen in het primair onderwijs van toepassing zijn. In paragraaf 2.2 komt het wettelijk kader van het toezicht op het niet bekostigd onderwijs aan de orde.

2.1. Niet bekostigd primair onderwijs

In de Leerplichtwet 1969 is bepaald dat alle kinderen in de leerplichtige leeftijd onderwijs moeten volgen aan een school. De leerplicht kan, naast het reguliere onderwijs aan door het Rijk bekostigde scholen, ook worden vervuld aan scholen die naar het oordeel van de leerplichtambtenaar de status hebben van ‘school in de zin van artikel 1, onderdeel b, onder 3 van de Leerplichtwet 1969’. Het is deze categorie van het niet bekostigd primair onderwijs, de zogeheten B3-scholen, waarop dit onderzoekskader van toepassing is.

Op B3-scholen zijn lang niet alle normen van toepassing die gelden voor bekostigde basisscholen. De volgende (relevante) wettelijke eisen hebben betrekking op, of gelden voor B3-scholen voor primair onderwijs.

De wettelijke eisen waar een * achter staat zijn in de Leerplichtwet abusievelijk nog aangeduid als artikel 8, achtste lid, onder a, negende en tiende lid. Deze technische omissie zal worden hersteld.

Concreet houdt een en ander in dat het niet bekostigd onderwijs, voor zover dit bestemd is voor kinderen vanaf de leeftijd van omstreeks 4 jaar (artikel 2 WPO), rechtstreeks op grond van de WPO moet voldoen aan de volgende eisen:

2.2. Het toezicht op het niet bekostigd primair onderwijs

Artikel 1 van de WOT noemt de wetten die volgens deze wet als onderwijswet worden aangemerkt. Daartoe behoren onder meer de WPO en de Leerplichtwet 1969.

Volgens artikel 3, eerste lid, van de WOT is de inspectie belast met de volgende taken:

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder g, van de WOT betreft het bepaalde in deze wet ook niet van overheidswege bekostigde instellingen. De Inspectie van het Onderwijs houdt dus ook toezicht op instellingen die niet van overheidswege worden bekostigd. Dit betreft regulier onderzoek, zoals bedoeld in artikel 11 van de WOT.

Uit artikel 5 van de Wet op het primair onderwijs volgt dat degene die een B3-school wil oprichten, de minister binnen 4 weken na de oprichting van de school daarvan in kennis moet stellen. Daarbij moeten de statuten en reglementen van de rechtspersoon worden overlegd.

De inspectie besluit vervolgens zo spoedig mogelijk of sprake is van een school als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, subonderdeel 3, van de Leerplichtwet 1969. Dit volgt uit artikel 11b, zevende lid, van de WOT.

In het waarderingskader in het volgende hoofdstuk zal de precieze invulling van het onderzoek, zoals bedoeld in artikel 11 van de WOT, worden beschreven. Artikel 11 is gericht op het reguliere onderwijs, waarvoor een volledig schoolplan verplicht is. In het niet bekostigd onderwijs is het schoolplan alleen verplicht voor zover het ziet op het burgerschapsonderwijs. Voor het kwaliteitsonderzoek, bedoeld in het derde lid van artikel 11 betekent dat, dat de inspectie bij het onderzoek uitgaat van het schoolplan voor zover dat er is. Indien er geen schoolplan is gaat de inspectie uit van de visie van de school, zoals die uit andere documenten of gesprekken blijkt.

3. De werkwijze

Dit hoofdstuk gaat in op de werkwijze die de inspectie hanteert. Paragraaf 3.1 beschrijft eerst de werkwijze van de inspectie ten aanzien van een besluit of een school een school is in de zin van de Leerplichtwet. Daarna komt in paragraaf 3.2 het vervolgtoezicht aan de orde. Paragraaf 3.3 gaat in op de procedure die de inspectie hanteert bij de totstandkoming van de inspectierapporten en de openbaarmaking daarvan.

3.1. De toezichtsystematiek

Het besluit

De Leerplichtwet 1969 stelt dat het college van B&W bij zijn oordeel of een onderwijsvoorziening een school is waar de leerplicht vervuld mag worden, een door de inspectie ter zake gegeven besluit moet volgen. Dit besluit geeft antwoord op de vraag of de school voldoet aan de wettelijke eisen waar een niet-bekostigde school aan moet voldoen.

Het uitbrengen van een besluit door de inspectie is aan de orde zodra de minister op grond van artikel 5 van de WPO kennis heeft gekregen van de oprichting van een particuliere school (artikel 11b, zevende lid, van de WOT). In die wetsartikelen is bepaald dat het bevoegd gezag binnen vier weken na de oprichting van een particuliere school daarvan kennis moet geven aan de minister onder overlegging van de statuten van de rechtspersoon die de school in stand houdt, en van de reglementen. Na ontvangst van de kennisgeving stelt de minister de inspectie op de hoogte en bezoekt de inspectie, na aankondiging vooraf, de school voor het uitbrengen van het besluit over of de school voldoet aan de wettelijke vereisten. Voorafgaand aan het zogeheten ‘adviesbezoek’ (dit is het eerste inspectiebezoek ten behoeve van het besluit) brengt de inspectie, indien gewenst, een kennismakingsbezoek aan de school.

De inspectie baseert haar besluit op door de school beschikbaar gestelde documenten en op eigen waarneming van de onderwijsleersituatie. Daarom is het nodig dat er leerlingen aanwezig zijn van alle gegeven onderwijssoorten (primair onderwijs en/of voortgezet onderwijs). Het besluit beperkt zich nadrukkelijk tot die aspecten van het onderwijs die ingevolge artikel 1a1, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969 van toepassing zijn verklaard op het onderwijs op B3-scholen en dus als wettelijke verplichting gelden. Dat zijn alle onderzoekscriteria met een asterisk in de inhoudsopgave van het waarderingskader. De inspectie moet deze vragen positief beoordelen om tot het besluit te komen dat sprake is van een school waar de leerplicht vervuld kan worden. Daarbij is, anders dan bij een kwaliteitsonderzoek, geen sprake van een hersteltermijn als een onderzoekscriterium negatief beoordeeld wordt.

Het inspectiebesluit is een zelfstandig document dat niet de status heeft van een inspectierapport als bedoeld in artikel 20 van de WOT. Het besluit kan positief of negatief zijn.

De inspectie geeft, alvorens het besluit vast te stellen, degene die de school in stand houdt of daarvoor verantwoordelijk is de gelegenheid van het ontwerpbesluit kennis te nemen en daarop een zienswijze te geven. Het overleg over het ontwerpbesluit kan leiden tot bijstelling van het besluit of tot vermelding van de zienswijze in een bijlage bij het besluit. Totdat er een definitief besluit is uitgebracht door de inspectie zal de leerplichtambtenaar niet handhavend optreden tegen (de ouders van) de leerlingen die bij de school zijn aangemeld.

Artikel 21, eerste lid, van de WOT bepaalt vervolgens dat rapporten openbaar worden gemaakt in de vijfde week na vaststelling daarvan.

Het besluit van de inspectie wordt eveneens in de vijfde week na vaststelling van het rapport openbaar gemaakt op grond van artikel 3.1 van de Wet open overheid (WOO). Degene die de school in stand houdt wordt eerst in de gelegenheid gesteld om zijn zienswijze te geven op het besluit en de onderbouwing van het besluit in het inspectierapport.

Het (negatief of positief) besluit van de inspectie is een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Belanghebbenden kunnen daartegen bezwaar aantekenen bij de inspecteur-generaal van het onderwijs. Eventueel bezwaar schort de werking van het besluit waartegen het is gericht niet op. De leerplichtambtenaar kan zijn oordeel dat niet wordt voldaan aan de leerplicht, omdat een leerplichtig kind op een school zit die geen school in de zin van de Leerplichtwet 1969 is, dus ook baseren op een inspectiebesluit waartegen bezwaar is aangetekend. Het besluit wordt gepubliceerd op de website van de inspectie.

3.2. Vervolgtoezicht

Na een positief besluit en het daarmee samenhangende eerste bezoek zal de inspectie de intensiteit van het toezicht proportioneel uitoefenen. Dat wil zeggen dat afhankelijk van de risico’s voor de onderwijskwaliteit en de mate waarin de inspectie zicht heeft op die risico’s wordt bepaald hoe vaak de inspectie langskomt. In dit toezicht zal steeds ook de vraag beantwoord worden of de school nog aan de eisen voldoet om een school in de zin van de Leerplichtwet 1969 te zijn. Als dat niet het geval is, geeft de inspectie een herstelopdracht en stelt daarvoor een verbetertermijn.

3.2.1. De risicoanalyse

De eerste stap in het toezicht is, op grond van artikel 11, eerste en tweede lid, van de WOT, een risicoanalyse. Aan de hand van het schoolplan, de leerresultaten5Waar dit kader spreekt over ‘leerresultaten’ wordt gedoeld op de leerresultaten als bedoeld in artikel 10a WPO en de regeling leerresultaten PO: de uitkomsten van de eindtoets PO. Deze eindtoets is geen verplichting voor het niet bekostigd onderwijs, afname kan op vrijwillige basis plaatsvinden. Daarom spreken we in dit kader van ontwikkelresultaten. Met ‘ontwikkelresultaten’ wordt gedoeld op de opbrengsten van het onderwijs. Dat is dus breder dan alleen de eventuele eindtoetsresultaten., de monitor van de veiligheidsbeleving en eventuele signalen wordt onderzocht of de school risico’s kent. Daarbij wordt onderzocht of er mogelijk sprake is van tekortkomingen in de naleving van de wettelijke voorschriften.

Veel niet bekostigde scholen kunnen geen leerresultaten overleggen aan de inspectie. Hiertoe zijn zij ook niet verplicht. Daarom wordt aan scholen jaarlijks ook een vragenlijst toegezonden waarin gevraagd wordt naar de voortgang in de ontwikkeling van de leerlingen, hun veiligheidsbeleving en naar de invulling van de naleving van de wettelijke voorschriften.

Indien nodig wordt aanvullende informatie opgevraagd bij de school. Als geen risico’s worden geconstateerd, onderneemt de inspectie geen verdere actie en handelt vanuit vertrouwen. Indien bovenstaande niet leidt tot een compleet beeld kan de inspectie een gesprek aangaan met het bestuur of een bezoek aan de school brengen. Als de risicoanalyse leidt tot een redelijk vermoeden van tekortschietende kwaliteit, of tot vragen over de naleving van wettelijke voorschriften, wordt een kwaliteitsonderzoek uitgevoerd.

Het eerste kwaliteitsonderzoek vindt altijd plaats binnen een jaar na het zogeheten adviesbezoek.

Omdat doorgaans geen oordeel kan worden gegeven op basis van leerresultaten, als bedoel in artikel 10a van de WPO en de Regeling leerresultaten PO 2020, alsmede vanwege wisselende omstandigheden op veel scholen, wordt in principe elke twee jaar een kwaliteitsonderzoek uitgevoerd. Als de school laat zien dat er sprake is van stabiele kwaliteit kan het kwaliteitsonderzoek minder frequent plaatsvinden, maar in elk geval eens in de vier jaar.

Op grond van artikel 15 van de WOT kan de inspectie te allen tijd uit eigen beweging of op verzoek van de minister een specifiek onderzoek instellen. De aanleiding tot een specifiek onderzoek kan een signaal zijn van een mogelijk ernstige misstand. De inspectie behandelt in beginsel geen klachten over scholen. Wel kan de inspectie klachten als een signaal van een mogelijke misstand of ernstig structureel probleem opvatten. In die gevallen kan de inspectie overgaan tot een (onaangekondigd) specifiek onderzoek. Signalen van mogelijke misstanden worden altijd geregistreerd en in het schooldossier opgenomen.

3.2.2. Het kwaliteitsonderzoek

De inspectie beoordeelt de kwaliteit van het onderwijs op B3-scholen door

Ook stimuleert de inspectie de kwaliteit van het onderwijs op B3-scholen door aan de hand van de andere aspecten van kwaliteit die genoemd zijn in dit onderzoekskader het gesprek aan te gaan over de onderwijskwaliteit en mee te denken over verbetermogelijkheden.

Dit onderzoek vindt plaats met behulp van een beperkte set onderzoekscriteria. Deze onderzoekscriteria leiden tot een oordeel over de naleving van de wettelijke verplichtingen, maar laten niettemin ruimte voor de wijze waarop de school het onderwijs inricht. Zo geven de onderzoekscriteria antwoord op de vraag of de school met de wijze waarop zij haar onderwijs inricht voldoende tegemoet komt aan de eis uit de Leerplichtwet 1969 dat de inrichting dient overeen te stemmen met de criteria die zijn ontleend aan de in die wet genoemde bepalingen uit de WPO en met een in de Leerplichtwet 1969 genoemd aanvullend criterium dat is geformuleerd op de voet van een bepaling uit de WPO.

De onderzoekscriteria die de inspectie hanteert, zijn als volgt geformuleerd:

Om tot een oordeel te kunnen komen op basis van deze onderzoekscriteria, zijn daar waar nodig per kwaliteitsaspect één of meer subcriteria geformuleerd.

Het kwaliteitsonderzoek eindigt met een inspectierapport waarin de conclusie voor wat betreft de naleving van wettelijke eisen en de kwaliteit van het onderwijs wordt onderbouwd.

3.3. De rapportage en vervolgtoezicht

Artikel 20, eerste lid, van de WOT bepaalt dat de inspectie haar oordeel van een kwaliteitsonderzoek vastlegt in een inspectierapport. De procedure voor het vaststellen en openbaar maken van een rapport is als volgt:

Als de kwaliteit in orde is onderneemt de inspectie geen verdere actie. Als niet wordt voldaan aan de wettelijke eisen zal de inspectie een herstelopdracht geven met een termijn voor verbetering. De lengte van de termijn hangt af van de geconstateerde tekortkoming. Na afloop van die termijn zal een onderzoek naar kwaliteitsverbetering worden uitgevoerd. Indien de tekortkoming na afloop van de termijn niet is hersteld adviseert de inspectie de minister om de school niet langer te erkennen als school waar de leerplicht kan worden vervuld. De minister neemt daarover een besluit, waartegen bezwaar en beroep kan worden ingesteld.

4. Het waarderingskader

4.1. Inleiding

Dit hoofdstuk bevat het waarderingskader voor het niet bekostigd primair onderwijs. Op basis van dit waarderingskader spreekt de inspectie aan de hand van onderzoekscriteria een oordeel uit over de naleving van de wettelijke eisen en geeft de inspectie haar bevindingen over de ontwikkeling, in het bijzonder van de kwaliteit, van het onderwijs. Dit laatste betreft de zogenoemde niet-wettelijke eisen.

In de subparagrafen van paragraaf 4.3 staan de onderzoekscriteria vermeld aan de hand waarvan de inspectie het onderwijs beoordeelt. Elke subparagraaf begint met het onderzoekscriterium en de onderliggende subcriteria. Daarop volgt een toelichting waarin keuzen van scholen worden geschetst. Het hoofdstuk sluit af met een beschrijving van de normering in paragraaf 4.4.

Een aantal onderzoekscriteria is niet rechtstreeks op de wet gebaseerd, maar maakt deel uit van de stimulerende taak van de inspectie. Hierin loopt het toezicht op het niet bekostigd onderwijs parallel aan het toezicht op bekostigd onderwijs. Het betreft onderzoekscriterium 1.5, de laatste drie subcriteria van onderzoekscriterium 3 (schoolklimaat), de laatste twee subcriteria van onderzoekscriterium 6 (extra ondersteuning), onderzoekscriterium 7 (ontwikkelresultaten) en onderzoekscriterium 8 (kwaliteitszorg).

Een negatief resultaat op een van de subcriteria leidt bij deze onderzoekscriteria tot het resultaat ‘kan beter’. Dit heeft geen gevolgen voor de vraag of de leerlingen hun leerplicht kunnen vervullen op de school.

Bij het (zogeheten) adviesbezoek gaat het uitsluitend om naleving van de wettelijke eisen en daarom zijn bovenstaande onderzoekscriteria bij een adviesbezoek niet opgenomen.

4.2. Het waarderingskader

Kwaliteitsaspect 1. Aanbod

Het aanbod bereidt leerlingen voor op het vervolgonderwijs en de samenleving. 6 zijn op grond van artikel 1a1 van de Leerplichtwet 1969 onderdeel van de norm. Deelaspecten:

Kwaliteitsaspect 2. Leertijd

De leerlingen krijgen voldoende tijd om zich voor te bereiden op passend vervolgonderwijs.6zijn op grond van artikel 1a1 van de Leerplichtwet 1969 onderdeel van de norm.

Kwaliteitsaspect 3. Schoolklimaat

Het schoolklimaat leidt tot een leeromgeving die volgens maatschappelijk breed gedragen uitgangspunten veilig en motiverend is.

Deelaspecten:

Kwaliteitsaspect 4. Pedagogisch-didactisch handelen

Het pedagogisch-didactisch handelen van de leraren stelt leerlingen in staat tot leren en ontwikkelen.6zijn op grond van artikel 1a1 van de Leerplichtwet 1969 onderdeel van de norm.

Deelaspecten:

Kwaliteitsaspect 5. Zicht op ontwikkeling

De school volgt de ontwikkeling van haar leerlingen zodanig dat zij een ononderbroken ontwikkeling kunnen doorlopen.6zijn op grond van artikel 1a1 van de Leerplichtwet 1969 onderdeel van de norm.

Kwaliteitsaspect 6. Extra ondersteuning

Leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften krijgen passende extra ondersteuning en begeleiding.6zijn op grond van artikel 1a1 van de Leerplichtwet 1969 onderdeel van de norm.

Deelaspecten:

Kwaliteitsaspect 7. Ontwikkelresultaten

De ontwikkelresultaten van de leerlingen liggen ten minste op het niveau dat mag worden verwacht.

Kwaliteitsaspect 8. Kwaliteitszorg

De school zorgt voor het behoud of verbetering van de kwaliteit van haar onderwijs. Deelaspecten:

Aspect 9. Overige aspecten van naleving

De school voldoet aan een aantal wettelijke eisen.6zijn op grond van artikel 1a1 van de Leerplichtwet 1969 onderdeel van de norm.

4.3. Uitwerking onderzoekscriteria

In artikel 4 van de WOT is bepaald dat de inspectie het toezicht uitoefent met inachtneming van de vrijheid van onderwijs, en dat zij instellingen niet meer belast dan voor een zorgvuldige uitvoering van het toezicht noodzakelijk is. Dit is in het bijzonder relevant in het geval van niet bekostigd onderwijs, nu deze scholen aan minder wettelijke eisen gebonden zijn dan bekostigde scholen. De inspectie gaat bij de inrichting van haar onderzoeken uit van de eigen opvattingen van de school over onderwijs en leren, mits deze verenigbaar zijn met de wettelijke eisen.

4.3.1. Kwaliteitsaspect 1 – Aanbod

Onderzoekscriterium 1

Het aanbod bereidt de leerlingen voor op het vervolgonderwijs en de samenleving. 6 zijn op grond van artikel 1a1 van de Leerplichtwet 1969 onderdeel van de norm.

De beoordeling of het aanbod leerlingen voorbereidt op voortgezet vervolgonderwijs vindt plaats aan de hand van vijf subcriteria:

Het bevoegd gezag moet kunnen waarborgen dat leerlingen een onderwijsprogramma kunnen volgen dat hen voorbereidt op voortgezet vervolgonderwijs dat bij hen past (art. 2 WPO). De verworven kennis en vaardigheden moeten dan ook voldoende zijn om naar behoren in dit vervolgonderwijs te kunnen functioneren. Dit geldt in het bijzonder voor de basiscompetenties taalvaardigheid (lezen en schrijven) en rekenvaardigheid. Om een doorgaande leerlijn te kunnen waarborgen moet het onderwijsprogramma dekkend zijn voor de kerndoelen (art. 9, negende lid, WPO). Scholen hebben de ruimte om verschillende wegen te bewandelen om de kerndoelen in de onderwijspraktijk voor zoveel mogelijk leerlingen te realiseren.

Om de kwaliteit van het aanbod op alle typen niet bekostigde scholen te kunnen beoordelen gaat de inspectie na welke leerbronnen scholen beschikbaar stellen voor hun leerlingen.

Leerbronnen kunnen van zeer divers karakter zijn: leraren, medeleerlingen, boeken, methoden, audio-visuele en digitale programma’s, internet, lesmateriaal, kranten, tijdschriften, bibliotheek, praktijksimulaties, praktijkoefensituaties, opdrachten, stages, presentaties en andere zaken waar leerlingen gebruik van kunnen maken (subcriteria 1.1. en 1.2).

De school moet de referentieniveaus nemen als uitgangspunt voor het onderwijs (art. 9, elfde lid, WPO). Waar de kerndoelen gaan over de onderwerpen die het aanbod moet bevatten, gaan de referentieniveaus over het niveau van taal en rekenen dat een kind moet kunnen bereiken aan het einde van de schoolperiode. Er zijn twee referentieniveaus voor het primair onderwijs: een fundamenteel niveau (1F) en een streefniveau (1S). Van de school verwachten we dat er is nagedacht over de te bereiken referentieniveaus, en of het aanbod hiertoe leidt (subcriterium 1.3).

Primair onderwijs beoogt de brede vorming van kinderen, gericht op een veelzijdige ontwikkeling (art. 8, tweede lid, WPO). De kerndoelen zijn hiervan een operationalisering. Met name de kerndoelen voor de leergebieden ‘oriëntatie op jezelf en de wereld’, ‘kunstzinnige oriëntatie’ en ‘het bewegingsonderwijs’ bieden ruimte voor een eigen invulling door scholen en specifieke keuzes. Uitgangspunt blijft dat alle scholen waaronder de niet door de overheid bekostigde scholen, aantoonbaar aandacht besteden aan alle leer- en vormingsgebieden van artikel 9 en de daarbij behorende kerndoelen realiseren, zodat een breed onderwijsaanbod gewaarborgd blijft (art. 9, negende lid, WPO). Dit laatste betreft subcriterium 1.4.

Onderwijs dat erop gericht is dat leerlingen een ononderbroken ontwikkelingsproces kunnen doorlopen, komt tegemoet aan de specifieke onderwijsbehoeften van (individuele) leerlingen. Alle leerlingen binnen het primair onderwijs krijgen als uitgangspunt een aanbod dat overeenkomt met de kerndoelen. Leerlingen verschillen echter in mogelijkheden en de wijze waarop zij hun inzichten opbouwen, hun mentale modellen construeren en hun kennis vergroten. Het is aan de scholen hoe zij met die verschillen omgaan (subcriterium 1.5 – stimulerend).

Leerlingen groeien op in een pluriforme samenleving en de school dient hierbij als oefenplaats. Daarom is het onderwijs gericht op het bevorderen van actief burgerschap en sociale cohesie op doelgerichte, samenhangende en herkenbare wijze (artikel 8, derde lid, WPO). Het onderwijs richt zich in ieder geval herkenbaar op het bijbrengen van respect voor en kennis van de basiswaarden van de democratische rechtsstaat, het ontwikkelen van sociale en maatschappelijke competenties, en het bijbrengen van kennis over en respect voor verschillen in godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, afkomst, geslacht, handicap of seksuele gerichtheid (subcriterium 1.6).

De inspectie bekijkt de kwaliteit van het aanbod op een wijze die past bij de eigen opvattingen van het bevoegd gezag over ‘onderwijzen en leren’. Uitgangspunt is dat aantoonbaar gewaarborgd is dat het door de wetgever bedoelde onderwijsaanbod daadwerkelijk wordt gerealiseerd.

De inspectie sluit in haar werkwijze in eerste aanleg aan bij de keuze van het bevoegd gezag. Belangrijke bronnen die de inspectie ter verificatie gebruikt zijn: analyse van leermaterialen en leerlijnen, logboeken van en gesprekken met leraren, gesprekken met leerlingen, leerlingenwerk en analyse van resultaten van leerlingen op het gebied van Nederlandse taal en rekenen en wiskunde.

Daar waar nodig zal de inspectie vragen stellen als: op welke wijze is het aanbod geordend, waar ligt dit vast, hoe verhoudt dit aanbod zich tot de kerndoelen, is er een analyse van het aanbod en hoe wordt op basis van de analyse gewaarborgd dat leerlingen kennis maken met alle onderdelen van het aanbod, zijn er minimumdoelen die alle leerlingen moeten bereiken, wie bewaakt het individuele leerproces van de leerling en op welke manier gebeurt dat, welke bijdrage wil de school leveren aan de bevordering van burgerschap en de integratie van leerlingen in de samenleving en hoe geeft de school daaraan invulling?

4.3.2. Kwaliteitsaspect 2 – Leertijd

Onderzoekscriterium 2:

De leerlingen krijgen voldoende tijd om zich voor te bereiden op passend vervolgonderwijs 6 zijn op grond van artikel 1a1 van de Leerplichtwet 1969 onderdeel van de norm.

Leerlingen moeten in beginsel binnen een tijdvak van acht aaneensluitende schooljaren de school kunnen doorlopen (art. 8, negende lid, onder a, WPO). Elke individuele leerling moet voldoende tijd krijgen om die inzichten te verwerven die noodzakelijk zijn om goed in het voortgezet onderwijs te kunnen functioneren (art. 2 WPO).

Particuliere scholen zijn vrij in de wijze waarop zij dit organiseren. De inspectie gaat er echter van uit dat het onderwijs zodanig wordt ingericht dat zoveel mogelijk leerlingen in beginsel bij het bereiken van de leeftijd van twaalf jaar, de kerndoelen hebben bereikt.

Belangrijke bronnen die de inspectie ter verificatie gebruikt zijn: gesprekken met leraren, gesprekken met leerlingen en de resultaten van leerlingen op de verschillende domeinen en vakken.

Daar waar nodig zal de inspectie vragen stellen als: hoe gaat de school na dat de geprogrammeerde leertijd toereikend is voor het gehele onderwijsprogramma, hoe zorgt de school ervoor dat de leerling aan de verschillende onderdelen van het curriculum die hoeveelheid tijd besteedt die voor die leerling nodig is om tot voldoende resultaten te komen, zijn er afspraken over de indeling en besteding van de onderwijstijd.

4.3.3. Kwaliteitsaspect 3 – Schoolklimaat

Onderzoekscriterium 3:

Het schoolklimaat leidt tot een leeromgeving die volgens maatschappelijk breed gedragen uitgangspunten veilig en motiverend is.

De beoordeling of het pedagogisch handelen van leraren leidt tot een veilige en motiverende leeromgeving vindt plaats aan de hand van vier subcriteria:

De school is verplicht om zorg te dragen voor de fysieke, psychische en sociale veiligheid van leerlingen (art. 4c WPO). Daartoe monitort de school jaarlijks door middel van een objectief instrument (bijvoorbeeld een vragenlijst) de veiligheidsbeleving en het welbevinden van de leerlingen.

Daarnaast hoort de school een veiligheidsbeleid te hebben, en is er iemand aangewezen die als aanspreekpunt in het kader van pesten fungeert en het beleid op dat gebied coördineert (subcriterium 3.1).

De WPO stelt in artikel 8 lid 2 naast de cognitieve ontwikkeling mede als uitgangspunt en doel van het onderwijs de emotionele ontwikkeling en het verwerven van sociale vaardigheden. De sociaal- emotionele ontwikkeling is te beschrijven als een reeks ontwikkelingstaken: taken die het kind moet oplossen om zich verder te kunnen ontwikkelen. Hierbij moet het kind een beroep kunnen doen op hulp en ondersteuning van zijn omgeving. Het moet op zijn omgeving kunnen vertrouwen. Vanuit een veilige situatie zal het kind de wereld durven en willen verkennen om zo nieuwe ervaringen op te doen. Op basis van deze ervaringen ontwikkelt zich bij het kind zelfvertrouwen, een gevoel iets te kunnen (competentie). De emotionele ontwikkeling is daarmee gerelateerd aan de sociale context en met name aan de interacties daarbinnen. Ontwikkeling van sociale vaardigheden staat verder in dienst van het leren omgaan met de ander(en) en het andere, het leren omgaan met verschillen binnen onze samenleving (artikel 8 lid 3 en 3a WPO). Het pedagogisch klimaat is bij uitstek een kwaliteitsaspect waarop particuliere scholen voor primair onderwijs zich met een eigen profiel onderscheiden. De algemene eisen die ten grondslag liggen aan een veilig pedagogisch en/of schoolklimaat zijn echter breed gedragen. Zo verwijst het pedagogisch klimaat naar de manier waarop leraren met leerlingen omgaan en leerlingen onderling. Van leraren mag worden verwacht dat zij positief bijdragen aan het zelfvertrouwen van leerlingen (subcriterium 3.2 – stimulerend).

Van leraren mag verder worden verwacht dat zij zorg dragen en/of zich inzetten

voor veilige relaties. Leraren zijn in de sociale omgang met leerlingen en met elkaar een voorbeeld voor leerlingen. Leraren bevorderen het onderling respect bij leerlingen. Ze bevorderen dat leerlingen zich gedragen volgens algemeen geaccepteerde normen en waarden, verschillen in levenshouding en cultuur respecteren, rekening houden met gevoelens en wensen van anderen. Ze besteden (preventief) aandacht aan onderwerpen als vooroordelen, pesten, intimideren en geweld (subcriterium 3.3 – stimulerend).

Tot slot is van belang dat op school heldere regels en gedragscodes zijn afgesproken voor leerlingen en leraren. Van leraren en/of leerlingen wordt verwacht dat zij de afgesproken gedragsregels handhaven. Leraren en/of leerlingen treden – indien nodig – tijdig corrigerend op en spreken elkaar zo nodig aan op hun gedrag. Leraren en/of leerlingen reageren alert en tolereren niet dat leerlingen elkaar uitlachen, pesten of intimideren (subcriterium 3.4 – stimulerend).

De school bereidt de leerlingen voor op het leven in de maatschappij. Hiervoor creëert de school een oefenplaats die de leerlingen ondersteunt bij het ontwikkelen van sociale en maatschappelijke competenties. In de school doen leerlingen ervaring op met de omgang met de basiswaarden van de democratische rechtsstaat en de pluriforme samenleving. De school draagt zorg voor een schoolklimaat dat in overeenstemming is met de basiswaarden van de democratische rechtsstaat en bijdraagt aan de bevordering daarvan (subcriterium 3.5).

Belangrijke bronnen die de inspectie ter verificatie gebruikt zijn: bijwonen van les-, leer en/of spelsituaties, gesprekken met leraren, leerlingen en ouders c.q. verzorgers en documentenanalyse.

4.3.4. Kwaliteitsaspect 4 – Pedagogisch-didactisch handelen

Onderzoekscriterium 4:

Het pedagogisch-didactisch handelen van de leraren stelt leerlingen in staat tot leren en ontwikkelen.

De beoordeling of het pedagogisch-didactisch handelen van leraren leerlingen in staat stelt tot leren en ontwikkelen, vindt plaats aan de hand van twee subcriteria:

Vertrekpunt voor de beoordeling van de kwaliteit van het pedagogisch-didactisch handelen is de visie en daarvan afgeleide uitgangspunten van de school.

De doelen en ambities van de school staan centraal. Scholen verschillen sterk in de wijze waarop ze tegen ‘onderwijs en leren’ aankijken. De wijze waarop de inspectie tot haar kwaliteitsoordeel komt, kan daarom ook van school tot school verschillen. Het onderwijs dient zo te zijn ingericht dat de leerlingen een ononderbroken ontwikkelproces kunnen doorlopen (artikel 8, eerste lid, WPO). Het pedagogisch- didactisch handelen moet dus passen bij het ontwikkelniveau van de leerlingen en met hen meegroeien (subcriterium 4.1).

Daarbij mag van leraren worden verwacht dat zij hun pedagogisch-didactisch handelen afstemmen op de kenmerken, onderwijsbehoeften en mogelijkheden van hun leerlingen (artikel 8, eerste lid, WPO). Verschillen in ontwikkeling tussen leerlingen hebben consequenties voor de wijze van instructie en het (abstractie)niveau van de instructie. Verschillen tussen leerlingen bepalen ook de meest geëigende organisatievorm, de werkvormen en het tempo van de verschillende activiteiten (subcriterium 4.2).

De inspectie beoordeelt de kwaliteit van het pedagogisch-didactisch handelen op een wijze die past bij de eigen opvattingen van het bevoegd gezag over ‘onderwijzen en leren’. De inspectie sluit aan bij de opvattingen van de school op dit punt.

Belangrijke bronnen die de inspectie ter verificatie

gebruikt zijn: bijwonen van (onderwijs)leersituaties, gesprekken met leraren en het team van leraren, gesprekken met leerlingen en bekijken van leerlingenwerk.

4.3.5. Kwaliteitsaspect 5 Zicht op ontwikkeling

Onderzoekscriterium 5:

De school volgt de ontwikkeling van haar leerlingen zodanig dat zij een ononderbroken ontwikkeling kunnen doorlopen. 6 zijn op grond van artikel 1a1 van de Leerplichtwet 1969 onderdeel van de norm.

Van scholen wordt verwacht dat zij ten minste de voortgang van leerlingen volgen bij de ontwikkeling op het terrein van de Nederlandse taal en de ontwikkeling op het terrein van rekenen en wiskunde (artikel 8, eerste lid, WPO en artikel 9 WPO).

Scholen volgen de voortgang aan de hand van instrumenten en/of met behulp van werkwijzen die passen bij hun visie op ‘onderwijzen en leren’. Voor alle scholen geldt dat zij de resultaten van het onderwijsleerproces inzichtelijk maken en vastleggen. Naast proces- en/of productgerichte evaluatie, kunnen scholen ervoor kiezen kwalitatief en/of kwantitatief te evalueren. De inspectie sluit aan bij de opvattingen van het bevoegd gezag op dit punt.

Belangrijke bronnen die de inspectie ter verificatie gebruikt zijn: analyse van methode onafhankelijke toetsen, toetsen uit het (eigen) leerlingvolgsysteem, leerlingdossiers, (evaluatie)portfolio’s, rapporten, getuigschriften, overige door de school aangeboden informatie over leerlingen in de vorm van logboeken van leraren, leerlingenwerk of digitale bestanden.

Daar waar nodig zal de inspectie vragen stellen als: hoe houdt u zicht op de voortgang in de ontwikkeling van de leerlingen, hoe verkrijgt u bruikbare informatie over het beheersingsniveau van de leerling op de voor het onderwijs relevante ontwikkelingsterreinen, hoe zorgt u ervoor dat alle leerlingen zich in een passend tempo ontwikkelen, hoe waarborgt u een bepaald (eind)niveau.

4.3.6. Kwaliteitsaspect 6 Extra ondersteuning

Onderzoekscriterium 6:

Leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften krijgen passende extra ondersteuning en begeleiding.6zijn op grond van artikel 1a1 van de Leerplichtwet 1969 onderdeel van de norm.

De beoordeling of leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften passende extra ondersteuning en begeleiding krijgen, vindt plaats aan de hand van drie subcriteria:

De kern van dit onderzoekscriterium is of de school zorgt voor een toereikende organisatie en deskundige ondersteuning van het onderwijs voor leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben (artikel 8, vierde, achtste en tiende lid, WPO). Dat zijn in de eerste plaats leerlingen voor wie een orthopedagogische en/of orthodidactische benadering noodzakelijk is. Tot de categorie leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben, rekent de inspectie ook leerlingen die bovengemiddeld kunnen leren.

Van alle scholen wordt verwacht dat zij algemene kennis over de te verwachten ontwikkeling van kinderen (wat kun je van kinderen op deze leeftijd verwachten) relateren aan informatie uit informatiebronnen, zoals gesprekken met kinderen, leerlingenwerk, vrije en gestructureerde observaties en andere evaluatiemiddelen. Ook wordt verwacht dat de scholen de verzamelde gegevens ordenen en interpreteren. Op schoolniveau dient dan ook een heldere werkwijze te zijn vastgelegd waarmee een mogelijke stagnatie kan worden vastgesteld c.q. risicoleerlingen kunnen worden gesignaleerd. Daartoe dient duidelijk te zijn wat de school als stagnatie c.q. risico’s beschouwt (subcriterium 6.1).

De verzamelde gegevens moeten zo nodig kunnen leiden tot het formuleren van een conclusie omtrent de aard van de extra ondersteuningsbehoefte. Het kan noodzakelijk zijn dat aanvullend onderzoek moet plaatsvinden en aanvullende expertise moet worden ingezet. De inspectie verwacht dat scholen daar waar nodig contacten onderhouden met externe instanties, zoals bijvoorbeeld jeugdzorg, maatschappelijk werk, die de benodigde aanvullende extra ondersteuning kunnen leveren (subcriterium 6.2 – stimulerend).

De doelmatigheid van de extra ondersteuning moet blijken uit een koppeling tussen extra ondersteuningsbehoefte en extra ondersteuningsaanbod (subcriterium 6.3 – stimulerend).

De inspectie sluit aan bij de visie van het bevoegd gezag. Belangrijke bronnen die de inspectie ter verificatie gebruikt zijn: analyse van leerlingdossiers, notulen van leerlingbesprekingen, analyse van voortgangsregistraties, leerlingenwerk en gesprekken met leerlingen, leraren en ouders/verzorgers.

4.3.7. Kwaliteitsaspect 7 Ontwikkelresultaten

Onderzoekscriterium 7:

De ontwikkelresultaten van de leerlingen liggen ten minste op het niveau dat mag worden verwacht.

Het basisonderwijs dient volgens de wet mede de grondslag voor het volgen van aansluitend voortgezet onderwijs te leggen. De inspectie past bij het bekijken van de kwaliteit van de ontwikkelresultaten aan het einde van de schoolperiode een werkwijze toe die toegesneden is op de kleinschaligheid van dit veld van scholen. De inspectie stelt op het niveau van de leerling vast of de resultaten van de betreffende leerling aan het einde van de basisschoolperiode op een niveau liggen dat mag worden verwacht. Als er geen of nauwelijks leerlingen aan het einde van de basisschoolperiode zijn, onderzoekt de inspectie aan de hand van de vorderingen van leerlingen gedurende de schoolperiode of de eindresultaten naar verwachting op het juiste niveau uit zullen komen (onderzoekscriterium 7, stimulerend).

Belangrijke bronnen die de inspectie ter verificatie gebruikt zijn: analyse van eindtoetsen, toetsen uit het (eigen) leerlingvolgsysteem, klassenstaten, leerlingdossiers, (evaluatie)portfolio’s, rapporten, getuigschriften en overige door de school aangeboden informatie over leerlingen, logboeken van leraren, leerlingenwerk.

Daar waar nodig zal de inspectie vragen stellen als: hoe stelt u het eindniveau van de leerling vast, hoe waarborgt u een bepaald eindniveau.

4.3.8. Kwaliteitsaspect 8 Kwaliteitszorg

Onderzoekscriterium 8:

De school zorgt voor het behoud of verbetering van de kwaliteit van haar onderwijs.

De beoordeling of de school zorgt voor het behoud of de verbetering van het onderwijs vindt plaats aan de hand van twee subcriteria:

Voor de schoolloopbaan van leerlingen is het belangrijk dat er continuïteit in het onderwijs is. Om deze reden onderzoekt de inspectie of er sprake is van voldoende bestendigheid van de instelling om te waarborgen dat het onderwijs kan doorgaan bij onvoorziene omstandigheden (subcriterium 8.1 – stimulerend).

Het kwaliteitsonderzoek door de inspectie neemt het eigen beleid van de school als uitgangspunt. De school krijgt de ruimte om de eigen doelen en ambities te presenteren. De school geeft aan ‘wat zij verstaat onder kwalitatief goed onderwijs’ en hoe de realisatie daarvan in de praktijk van het onderwijs vorm en inhoud krijgt en wordt gewaarborgd. De inspectie acht het daarvoor van belang dat de school zowel de eigen uitgangssituatie kent als regelmatig de effecten van het onderwijs met de direct betrokkenen evalueert (subcriterium 8.2 – stimulerend).

4.3.9. Aspect 9. Overige aspecten van naleving

De school voldoet aan een aantal wettelijke eisen6zijn op grond van artikel 1a1 van de Leerplichtwet 1969 onderdeel van de norm..

Subcriteria:

Het onderwijs moet worden gegeven door bevoegde leraren (artikel 3 WPO). Dat betekent dat zij een lesbevoegdheid voor het primair onderwijs moeten hebben en een verklaring omtrent het gedrag. Ook mogen zij niet door de rechter van het geven van onderwijs zijn uitgesloten (subcriterium 9.1).

Een dagschool is een school waar het onderwijs overdag plaatsvindt (artikel 1, onder b, 3° Leerplichtwet 1969). Dit betreft subcriterium 9.2.

Op de school wordt in het Nederlands les gegeven (artikel 9, dertiende lid, WPO). Daar waar naast de Nederlandse taal, de Friese taal of een streektaal in gebruik is, kan het Fries of die streektaal als voertuig bij het onderwijs worden gebruikt.

Scholen mogen maximaal 15% van de onderwijstijd in het Engels, Frans of Duits verzorgen (subcriterium 9.3).

Het schoolplan van een niet bekostigde school moet ten minste een beschrijving bevatten van het beleid, als bedoeld in artikel 8, derde lid, WPO, dat stelt dat het onderwijs:

In artikel 4b van de WPO is bepaald dat een school een meldcode moet hebben waarin stapsgewijs wordt aangegeven hoe met signalen van huiselijk geweld of kindermishandeling wordt omgegaan en die er redelijkerwijs aan bijdraagt dat zo snel en adequaat mogelijk hulp kan worden aangeboden. Deze meldcode moet een stappenplan bevatten, waarin de volgende stappen zijn opgenomen: het in kaart brengen van de signalen; collegiale consultatie en het zo nodig raadplegen van het steunpunt huiselijk geweld, het advies- en meldpunt kindermishandeling of een deskundige op het gebied van letselduiding; een gesprek met het kind; het wegen van het risico op en de aard en de ernst van het huiselijk geweld of de kindermishandeling en bij twijfel altijd raadplegen van het steunpunt huiselijk geweld of het advies- en meldpunt kindermishandeling, en de beslissing over zelf hulp bieden of hulp organiseren dan wel het doen van een melding.

Daarnaast moet de meldcode te toedeling van verantwoordelijkheden en de vertrouwelijkheid regelen (subcriterium 9.5).

Op grond van artikel 18 van de Leerplichtwet 1969 moet het schoolhoofd de gemeente binnen zeven dagen op de hoogte stellen van de in- en uitschrijving van leerlingen. Een besluit tot verwijdering moet terstond worden gemeld. Op grond van artikel 21 van de Leerplichtwet 1969 moet het schoolhoofd een ongeoorloofd verzuim van meer dan 16 uur gedurende een periode van vier opeenvolgende lesweken onverwijld aan de gemeente melden (subcriterium 9.6).

4.4. Normering en oordeelsvorming

De inspectie beoordeelt de onderzoekscriteria dichotoom: het oordeel is positief of negatief. De criteria uit artikel 1a1 bepalen of sprake is van een school in de zin van de Leerplichtwet 1969. In het onderzoekskader gaan toezicht op de naleving en het stimuleren van kwaliteit hand in hand.

Zolang de inspectie in het kader van het toezicht vaststelt dat de school aan de betreffende criteria voldoet, kan aan die school de leerplicht worden vervuld. De antwoorden op de subcriteria bepalen of dit het geval is. Een negatief antwoord op ten minste één subcriterium dat deel uitmaakt van de norm, leidt tot een negatief antwoord op de bovenliggende onderzoekscriterium.

Een aantal onderzoekscriteria is niet rechtstreeks op de wet gebaseerd, maar maakt deel uit van de stimulerende taak van de inspectie. Het betreft onderzoekssubcriterium 1.5, de tweede tot en met vierde subcriteria van onderzoekscriterium 3 (schoolklimaat), het tweede en derde subcriterium van onderzoekscriterium 6 (extra ondersteuning), onderzoekscriterium 7 (ontwikkelresultaten) en onderzoekscriterium 8 (kwaliteitszorg). Een negatief oordeel op een van de subcriteria leidt bij deze onderzoekscriteria tot het resultaat ‘kan beter’. Dit heeft geen gevolgen voor de vraag of de leerlingen hun leerplicht kunnen vervullen op de school. Bij het zogeheten adviesbezoek zijn deze onderzoekscriteria niet opgenomen.

Bijlage bij het waarderingskader

Overzicht resultaten kwaliteitsonderzoek @naam_school te @naam_plaats

Voor de kolommen met als opschrift ‘ja’ geldt tevens ‘voldoende of in voldoende mate’; voor de kolommen met als opschrift ‘nee’ geldt tevens ‘niet voldoende of niet in voldoende mate’.

1 zijn op grond van artikel 1a1 van de Leerplichtwet 1969 onderdeel van de norm.

Bijlage II. Onderzoekskader 2022 niet bekostigd voortgezet onderwijs

augustus 2022

1. Inleiding

Artikel 13 van de Wet op het Onderwijstoezicht (WOT) bepaalt dat de Inspectie van het Onderwijs (hierna: de inspectie) haar werkwijze voor een kwaliteitsonderzoek als bedoeld in artikel 11, vastlegt in een of meer onderzoekskaders. Het maakt het handelen van de inspectie transparant voor scholen; de inspectie is hiermee aanspreekbaar op het ‘wat’ en het ‘hoe’ van haar werk.

Hoofdstuk 2 schetst het wettelijk kader en hoe dit zich vertaalt naar het toezicht. In Hoofdstuk 3 wordt nader ingegaan op de werkwijze die de inspectie bij haar toezicht hanteert. Hoofdstuk 4 gaat dieper in op het waarderingskader en de normering.

Dit onderzoekskader niet bekostigd voortgezet onderwijs is tot stand gekomen na overleg met het onderwijsveld. Het is door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs vastgesteld.

2. Het toezicht op het niet bekostigd onderwijs

Dit hoofdstuk zet uiteen hoe het onderzoekskader voor het niet bekostigd voortgezet onderwijs is verankerd7Dit hoofdstuk betreft het zogenoemde B3-onderwijs. Het toezicht op het B2-onderwijs (particuliere exameninstellingen) is beschreven in de reguliere onderzoekskaders van de inspectie. Daarnaast vermeldt de Leerplichtwet 1969 in artikel 1, lid b, onder 4 dat leerlingen de leerplicht ook kunnen vervullen op buitenlandse en internationale scholen. Het gaat hier om de zogenoemde B4-scholen. Het toezicht hierop vindt plaats conform de Regeling aanwijzing Internationale en buitenlandse scholen (kenmerk VO/BVB/143738 d.d. 14 januari 2011). Dit toezicht, voor zover het gaat om toezicht op de lessen Nederlandse taal aan leerlingen met (ook) een Nederlands paspoort, is nog in ontwikkeling. Bij de huidige B4-scholen is geïnventariseerd óf deze lessen plaatsvinden, bij nieuw op te richten scholen vindt in het kader van deze inventarisatie een kennismakingsbezoek plaats. De inspectie reageert daarnaast op signalen en vragen vanuit het veld.. In paragraaf 2.1 wordt beschreven welke wettelijke verplichtingen op niet bekostigde scholen in het voortgezet onderwijs van toepassing zijn. In paragraaf 2.2 komt het wettelijk kader van het toezicht op het niet bekostigd onderwijs aan de orde.

2.1. Niet bekostigd voortgezet onderwijs

In de Leerplichtwet 1969 is bepaald dat alle kinderen in de leerplichtige leeftijd onderwijs moeten volgen aan een school. De leerplicht kan, naast het reguliere onderwijs aan door het Rijk bekostigde scholen, ook worden vervuld aan scholen die naar het oordeel van de leerplichtambtenaar de status hebben van ‘school in de zin van artikel 1, onderdeel b, onder 3 van de Leerplichtwet 1969’. Het is deze categorie van het niet bekostigd voortgezet onderwijs, de zogeheten B3-scholen, waarop dit onderzoekskader van toepassing is.

Op B3-scholen zijn lang niet alle normen van toepassing die gelden voor bekostigde scholen. De volgende (relevante) wettelijke eisen hebben betrekking op, of gelden voor B3-scholen voor voortgezet onderwijs.

De wettelijke eisen waar een * achter staat zijn in de Leerplichtwet abusievelijk nog aangeduid als artikel 8, achtste lid, onder a, negende en tiende lid. Deze technische omissie zal worden hersteld.

Concreet houdt een en ander in dat het niet bekostigd onderwijs, voor zover dit bestemd is voor kinderen in de leeftijd voor het voortgezet onderwijs, moet voldoen aan de volgende eisen:

2.2. Het toezicht op het niet bekostigd voortgezet onderwijs

Artikel 1 van de WOT noemt de wetten die volgens deze wet als onderwijswet worden aangemerkt. Daartoe behoren onder meer de WVO 2020 en de Leerplichtwet 1969.

Volgens artikel 3, eerste lid, van de WOT is de inspectie belast met de volgende taken:

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder g, van de WOT betreft het bepaalde in deze wet ook niet van overheidswege bekostigde instellingen. De inspectie houdt dus ook toezicht op instellingen die niet van overheidswege worden bekostigd. Dit betreft regulier onderzoek, zoals bedoeld in artikel 11 van de WOT.

Uit artikel 3.27 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 volgt dat degene die een B3-school wil oprichten, de minister binnen 4 weken na de oprichting van de school daarvan in kennis moet stellen. Daarbij moeten de statuten en reglementen van de rechtspersoon worden overlegd.

De inspectie besluit vervolgens zo spoedig mogelijk of sprake is van een school als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, subonderdeel 3, van de Leerplichtwet 1969. Dit volgt uit artikel 11b, zevende lid, van de WOT.

In het waarderingskader in hoofdstuk 4 zal de precieze invulling van het onderzoek, zoals bedoeld in artikel 11 van de WOT, worden beschreven. Artikel 11 is gericht op het reguliere onderwijs, waarvoor een volledig schoolplan verplicht is. In het niet bekostigd onderwijs is het schoolplan alleen verplicht voor zover het ziet op het burgerschapsonderwijs. Voor het kwaliteitsonderzoek, bedoeld in het derde lid van artikel 11 betekent dat, dat de inspectie bij het onderzoek uitgaat van het schoolplan voor zover dat er is. Indien er geen schoolplan is gaat de inspectie uit van de visie van de school, zoals die uit andere documenten of gesprekken blijkt.

3. De werkwijze

Dit hoofdstuk gaat in op de werkwijze die de inspectie hanteert. Paragraaf 3.1 beschrijft eerst de werkwijze van de inspectie ten aanzien van het besluit of een school een school is in de zin van de Leerplichtwet 1969. Daarna komt in paragraaf

3.2 het vervolgtoezicht aan de orde. Paragraaf 3.3 gaat in op de procedure die de inspectie hanteert bij de totstandkoming van de inspectierapporten en de openbaarmaking daarvan.

3.1. De toezichtsystematiek

Het besluit

De Leerplichtwet 1969 stelt dat het college van B&W bij zijn oordeel of een onderwijsvoorziening een school is waar de leerplicht vervuld mag worden, een door de inspectie ter zake gegeven besluit moet volgen. Dit besluit geeft antwoord op de vraag of de school voldoet aan de wettelijke eisen waar een niet-bekostigde school aan moet voldoen.

Het uitbrengen van een besluit door de inspectie is aan de orde zodra de minister op grond van artikel 3.27 WVO 2020 kennis heeft gekregen van de oprichting van een particuliere school (artikel 11b, zevende lid, van de WOT). In dat wetsartikel is bepaald dat het bevoegd gezag binnen vier weken na de oprichting van een particuliere school daarvan kennis moet geven aan de minister onder overlegging van de statuten van de rechtspersoon die de school in stand houdt, en van de reglementen. Na ontvangst van de kennisgeving stelt de minister de inspectie op de hoogte en bezoekt de inspectie, na aankondiging vooraf, de school voor het uitbrengen van het besluit over of de school voldoet aan de wettelijke vereisten. Voorafgaand aan het zogeheten ‘adviesbezoek’ (dit is het eerste inspectiebezoek ten behoeve van het besluit) brengt de inspectie, indien gewenst, een kennismakingsbezoek aan de school.

De inspectie baseert haar besluit op door de school beschikbaar gestelde documenten en op eigen waarneming van de onderwijsleersituatie. Daarom is het nodig dat er leerlingen aanwezig zijn van alle gegeven onderwijssoorten (primair onderwijs en/of voortgezet onderwijs).

Het besluit beperkt zich nadrukkelijk tot die aspecten van het onderwijs die ingevolge artikel 1a1, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969 van toepassing zijn verklaard op het onderwijs op B3-scholen en dus als wettelijke verplichting gelden. Dat zijn alle onderzoekscriteria met een asterisk in de inhoudsopgave van het waarderingskader. De inspectie moet deze criteria positief beoordelen om tot het besluit te komen dat sprake is van een school waar de leerplicht vervuld kan worden. Daarbij is, anders dan bij een kwaliteitsonderzoek, geen sprake van een hersteltermijn als een onderzoekscriterium negatief beoordeeld wordt.

Het inspectiebesluit is een zelfstandig document dat niet de status heeft van een inspectierapport als bedoeld in artikel 20 van de WOT. Het besluit kan positief of negatief zijn.

De inspectie geeft, alvorens het besluit vast te stellen, degene die de school in stand houdt of daarvoor verantwoordelijk is de gelegenheid van het ontwerp-besluit kennis te nemen en daarop een zienswijze te geven. Het overleg over het ontwerpbesluit kan leiden tot bijstelling van het besluit of tot vermelding van de zienswijze in een bijlage bij het besluit. Totdat er een definitief besluit is uitgebracht door de inspectie zal de leerplichtambtenaar niet handhavend optreden tegen (de ouders van) de leerlingen die bij de school zijn aangemeld.

Artikel 21, eerste lid, van de WOT bepaalt vervolgens dat rapporten openbaar worden gemaakt in de vijfde week na vaststelling daarvan.

Het besluit van de inspectie wordt eveneens in de vijfde week na vaststelling van het rapport openbaar gemaakt op grond van artikel 3.1 van de Wet open overheid (WOO). Degene die de school in stand houdt wordt eerst in de gelegenheid gesteld om zijn zienswijze te geven op het besluit en de onderbouwing van het besluit in het inspectierapport.

Het (negatief of positief) besluit van de inspectie is een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Belanghebbenden kunnen daartegen bezwaar aantekenen bij de inspecteur-generaal van het onderwijs. Eventueel bezwaar schort de werking van het besluit waartegen het is gericht niet op. De leerplichtambtenaar kan zijn oordeel dat niet wordt voldaan aan de leerplicht, omdat een leerplichtig kind op een school zit die geen school in de zin van de Leerplichtwet 1969 is, dus ook baseren op een inspectiebesluit waartegen bezwaar is aangetekend. Het besluit wordt gepubliceerd op de website van de inspectie.

3.2. Vervolgtoezicht

Na een positief besluit en het daarmee samenhangend eerste bezoek zal de inspectie het toezicht proportioneel uitoefenen. Dat wil zeggen dat afhankelijk van de risico’s voor de onderwijskwaliteit en de mate waarin de inspectie zicht heeft op die risico’s wordt bepaald hoe vaak de inspectie komt. In dit toezicht zal steeds ook de vraag beantwoord worden of de school nog aan de eisen voldoet om een school in de zin van de Leerplichtwet 1969 te zijn. Als dat niet het geval is, geeft de inspectie een herstelopdracht en stelt daarvoor een verbetertermijn.

3.2.1. De risicoanalyse

De eerste stap in het toezicht is, op grond van artikel 11, eerste en tweede lid, van de WOT, een risicoanalyse. Aan de hand van het schoolplan, de leerresultaten9Waar dit kader spreekt over ‘leerresultaten’ wordt gedoeld op artikel 2.51 WVO 2020 dat spreekt van toetsen en examens. Centrale examens zijn niet aan de orde voor het niet bekostigd B3 onderwijs. Van deze scholen wordt verwacht dat zij voorbereiden op het vervolgonderwijs. Daarom spreken we in dit kader van ‘ontwikkelresultaten’. Met ontwikkelresultaten wordt gedoeld op de opbrengsten van het onderwijs. Dat is dus breder dan de eventuele toets- en examenresultaten., de monitor van de veiligheidsbeleving en eventuele signalen wordt onderzocht of de school risico’s kent. Daarbij wordt onderzocht of er mogelijk sprake is van tekortkomingen in de naleving van de wettelijke voorschriften.

Veel niet bekostigde scholen kunnen geen leerresultaten overleggen aan de inspectie. Hiertoe zijn zij ook niet verplicht. Daarom wordt aan scholen jaarlijks ook een vragenlijst toegezonden waarin gevraagd wordt naar de voortgang in de ontwikkeling van de leerlingen, hun veiligheidsbeleving en naar de invulling van de naleving van de wettelijke voorschriften.

Indien nodig wordt aanvullende informatie opgevraagd bij de school. Als geen risico’s worden geconstateerd, onderneemt de inspectie geen verdere actie en handelt vanuit vertrouwen. Indien bovenstaande niet leidt tot een compleet beeld kan de inspectie een gesprek aangaan met het bestuur of een bezoek aan de school brengen. Als de risicoanalyse leidt tot een redelijk vermoeden van tekortschietende kwaliteit, of tot vragen over de naleving van wettelijke voorschriften, wordt een kwaliteitsonderzoek uitgevoerd.

Het eerste kwaliteitsonderzoek vindt altijd plaats binnen een jaar na het zogeheten adviesbezoek. Omdat doorgaans geen oordeel kan worden gegeven op basis van het centraal examen, alsmede vanwege vaak wisselende omstandigheden op veel scholen, wordt in principe elke twee jaar een kwaliteitsonderzoek uitgevoerd. Als de school laat zien dat er sprake is van stabiele kwaliteit kan het kwaliteitsonderzoek minder frequent plaatsvinden, maar in elk geval eens in de vier jaar.

Op grond van artikel 15 van de WOT kan de inspectie te allen tijde uit eigen beweging of op verzoek van de minister een specifiek onderzoek instellen. De aanleiding tot een specifiek onderzoek kan een signaal zijn van een mogelijk ernstige misstand. De inspectie behandelt in beginsel geen klachten over scholen. Wel kan de inspectie klachten als een signaal van een mogelijke misstand of ernstig structureel probleem opvatten. In die gevallen kan de inspectie overgaan tot een (onaangekondigd) specifiek onderzoek. Signalen van mogelijke misstanden worden altijd geregistreerd en in het schooldossier opgenomen.

3.2.2. Het kwaliteitsonderzoek

De inspectie beoordeelt de kwaliteit van het onderwijs op B3-scholen door

Ook stimuleert de inspectie de kwaliteit van het onderwijs op B3-scholen door aan de hand van de andere aspecten van kwaliteit die genoemd zijn in dit onderzoekskader het gesprek aan te gaan over de onderwijskwaliteit en mee te denken over verbetermogelijkheden.

Dit onderzoek vindt plaats met behulp van een beperkte set onderzoekscriteria. Deze onderzoekscriteria leiden tot een oordeel over de naleving van de wettelijke verplichtingen, maar laten niettemin ruimte voor de wijze waarop de school het onderwijs inricht. Zo geven de onderzoekscriteria antwoord op de vraag of de school met de wijze waarop zij haar onderwijs inricht voldoende tegemoet komt aan de eis uit de Leerplichtwet 1969 dat de inrichting dient overeen te stemmen met de criteria die zijn ontleend aan de in die wet genoemde bepalingen uit de WVO 2020 en met een in de Leerplichtwet 1969 genoemd aanvullend criterium dat is geformuleerd op de voet van een bepaling uit de WVO 2020.

De onderzoekscriteria die de inspectie hanteert, zijn als volgt geformuleerd:

Om tot een oordeel te kunnen komen op basis van deze onderzoekscriteria, zijn daar waar nodig per kwaliteitsaspect één of meer subcriteria geformuleerd.

Het kwaliteitsonderzoek eindigt met een inspectierapport waarin de conclusie voor wat betreft de naleving van wettelijke eisen en de kwaliteit van het onderwijs wordt onderbouwd.

3.3. De rapportage en vervolgtoezicht

Artikel 20, eerste lid, van de WOT bepaalt dat de inspectie haar oordeel van een kwaliteitsonderzoek vastlegt in een inspectierapport. De procedure voor het vaststellen en openbaar maken van een rapport is als volgt:

Als de kwaliteit in orde is onderneemt de inspectie geen verdere actie. Als niet wordt voldaan aan de wettelijke eisen zal de inspectie een herstelopdracht geven met een termijn voor verbetering. De lengte van de termijn hangt af van de geconstateerde tekortkoming. Na afloop van die termijn zal een onderzoek naar kwaliteitsverbetering worden uitgevoerd. Indien de tekortkoming na afloop van de termijn niet is hersteld adviseert de inspectie de minister om de school niet langer te erkennen als school waar de leerplicht kan worden vervuld. De minister neemt daarover een besluit, waartegen bezwaar en beroep kan worden ingesteld.

4. Het waarderingskader

4.1. Inleiding

Dit hoofdstuk bevat het waarderingskader voor het niet bekostigd voortgezet onderwijs. Op basis van dit waarderingskader spreekt de inspectie aan de hand van onderzoekcriteria een oordeel uit over de naleving van de wettelijke eisen en geeft de inspectie haar bevindingen over de ontwikkeling, in het bijzonder van de kwaliteit, van het onderwijs. Dit laatste betreft de zogenoemde niet-wettelijke eisen.

In de subparagrafen van paragraaf 4.3 staan de onderzoekscriteria vermeld aan de hand waarvan de inspectie het onderwijs beoordeelt. Elke subparagraaf begint met het onderzoekscriterium en de onderliggende subcriteriavragen. Daarop volgt een toelichting waarin keuzen van scholen worden geschetst. Het hoofdstuk sluit af met een beschrijving van de normering in paragraaf 4.4.

Een aantal onderzoekscriteria is niet rechtstreeks op de wet gebaseerd, maar maakt deel uit van de stimulerende taak van de inspectie. Hierin loopt het toezicht op het niet bekostigd onderwijs parallel aan het toezicht op bekostigd onderwijs. Het betreft onderzoekscriterium 1.4 (referentieniveaus), de laatste drie subcriteria van onderzoekscriterium 3 (schoolklimaat), de laatste twee subcriteria van onderzoekscriterium 6 (extra ondersteuning), onderzoekscriterium 7 (ontwikkelresultaten) en onderzoekscriterium 8 (kwaliteitszorg). Een negatief resultaat op een van de subcriteria leidt bij deze onderzoekscriteria tot het resultaat ‘kan beter’. Dit heeft geen gevolgen voor de vraag of de leerlingen hun leerplicht kunnen vervullen op de school.

Bij het (zogeheten) adviesbezoek gaat het uitsluitend om naleving van de wettelijke eisen en daarom zijn bovenstaande onderzoekscriteria bij een adviesbezoek niet opgenomen.

4.2. Het waarderingskader

Kwaliteitsaspect 1. Aanbod

Het aanbod bereidt de leerlingen voor op het vervolgonderwijs en de samenleving.6zijn op grond van artikel 1a1 van de Leerplichtwet 1969 onderdeel van de norm. Deelaspecten:

Kwaliteitsaspect 2. Leertijd

De leerlingen krijgen voldoende tijd om zich voor te bereiden op passend vervolgonderwijs. 6 zijn op grond van artikel 1a1 van de Leerplichtwet 1969 onderdeel van de norm.

Kwaliteitsaspect 3. Schoolklimaat

Het schoolklimaat leidt tot een leeromgeving die volgens maatschappelijk breed gedragen uitgangspunten veilig en motiverend is.

Deelaspecten:

Kwaliteitsaspect 4. Pedagogisch-didactisch handelen

Het pedagogisch-didactisch handelen van de leraren stelt leerlingen in staat tot leren en ontwikkelen. 6 zijn op grond van artikel 1a1 van de Leerplichtwet 1969 onderdeel van de norm.

Deelaspecten:

Kwaliteitsaspect 5. Zicht op ontwikkeling

De school volgt de ontwikkeling van haar leerlingen zodanig dat zij een ononderbroken ontwikkeling kunnen doorlopen.6zijn op grond van artikel 1a1 van de Leerplichtwet 1969 onderdeel van de norm.

Kwaliteitsaspect 6. Extra ondersteuning

Leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften krijgen passende extra ondersteuning en begeleiding. 6 zijn op grond van artikel 1a1 van de Leerplichtwet 1969 onderdeel van de norm.

Deelaspecten:

Kwaliteitsaspect 7. Ontwikkelresultaten

De ontwikkelresultaten van de leerlingen liggen ten minste op het niveau dat mag worden verwacht.

Kwaliteitsaspect 8. Kwaliteitszorg

De school zorgt voor het behoud of verbetering van de kwaliteit van haar onderwijs. Deelaspecten:

Aspect 9. Overige aspecten van naleving

De school voldoet aan een aantal wettelijke eisen. 6 zijn op grond van artikel 1a1 van de Leerplichtwet 1969 onderdeel van de norm.

4.3. Uitwerking onderzoekscriteria

In artikel 4 van de WOT is bepaald dat de inspectie het toezicht uitoefent met inachtneming van de vrijheid van onderwijs, en dat zij instellingen niet meer belast dan voor een zorgvuldige uitvoering van het toezicht noodzakelijk is. Dit is in het bijzonder relevant in het geval van niet bekostigd onderwijs, nu deze scholen aan minder wettelijke eisen gebonden zijn dan bekostigde scholen. De inspectie gaat bij de inrichting van haar onderzoeken uit van de eigen opvattingen van de school over onderwijs en leren, mits deze verenigbaar zijn met de wettelijke eisen.

4.3.1. Kwaliteitsaspect 1: Aanbod

Onderzoekscriterium 1:

Het aanbod bereidt de leerlingen voor op het vervolgonderwijs en de samenleving. 6 zijn op grond van artikel 1a1 van de Leerplichtwet 1969 onderdeel van de norm.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)