Regeling van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 11 juli 2022, nr. WJZ/ 22018415, houdende regels voor de verstrekking van subsidie uit het Nationaal Groeifonds (Subsidieregeling Nationaal Groeifonds)
Gelet op de artikelen 2, vierde lid, en 8, tweede en vijfde lid, van de Tijdelijke wet Nationaal Groeifonds;
Besluit:
Artikel 1. Begripsbepalingen
In deze regeling wordt verstaan onder:
- activiteitenplan: activiteitenplan als bedoeld in artikel 6b, derde lid, onderdeel e;
- adviescommissie: Adviescommissie Nationaal Groeifonds als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de wet;
- algemene groepsvrijstellingsverordening: verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU 2014, L 187);
- innovatieclusters: innovatieclusters als bedoeld in artikel 2, onderdeel 92, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
- kleine en middelgrote ondernemingen: ondernemingen als bedoeld in artikel 2, onderdeel 2, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
- minister: Minister van Economische Zaken en Klimaat;
- onderneming: iedere eenheid, ongeacht haar rechtsvorm of wijze van financiering, die een economische activiteit uitoefent;
- onderzoeks- en ontwikkelingsproject: onderzoeks- en ontwikkelingsproject als bedoeld in artikel 25, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, zoals nader omschreven in artikel 2, onderdelen 84 tot en met 87, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
- onderzoeksinfrastructuur: onderzoeksinfrastructuur als bedoeld in artikel 2, onderdeel 91, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
- organisatie-innovatie: organisatie-innovatie als bedoeld in artikel 2, onderdeel 96, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
- procesinnovatie: procesinnovatie als bedoeld in artikel 2, onderdeel 97, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
- samenwerkingsverband: geen rechtspersoonlijkheid bezittend verband, niet zijnde een vennootschap, bestaande uit ten minste twee deelnemers, dat is opgericht ten behoeve van de uitvoering van activiteiten;
- test- en experimenteerinfrastructuur: test- en experimenteerinfrastructuur als bedoeld in artikel 2, onderdeel 98 bis, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
- vooraanmelding: vooraanmelding als bedoeld in artikel 6a;
Artikel 2. Openstelling en subsidieplafonds
De minister kan op grond van deze regeling uitsluitend subsidie verstrekken indien hij de mogelijkheid tot het doen van een aanvraag tot subsidieverlening heeft opengesteld door vaststelling van een subsidieplafond, een periode voor indiening van een vooraanmelding en een periode voor indiening van de aanvraag.
De minister kan de openstelling beperken tot bepaalde activiteiten, bepaalde categorieën van aanvragers of een bepaald aantal aanvragen.
De minister kan verschillende subsidieplafonds vaststellen voor verschillende activiteiten of categorieën van aanvragers.
Artikel 3. Subsidieaanvraag
De minister verstrekt op aanvraag subsidie voor een activiteit of een samenhangend geheel van activiteiten die het duurzaam verdienvermogen vergroten en die betrekking hebben op:
- a. kennisontwikkeling;
- b. onderzoek, ontwikkeling en innovatie, met betrekking tot:
- 1°. onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten;
- 2°. de bouw of het upgraden van onderzoeksinfrastructuur;
- 3°. de bouw of het upgraden van test- en experimenteerinfrastructuur;
- 4°. de bouw, het upgraden of de exploitatie van innovatieclusters;
- 5°. innovatie van kleine en middelgrote ondernemingen; of
- 6°. proces- en organisatie-innovatie.
De subsidie wordt verstrekt aan een natuurlijke persoon of een rechtspersoon als bedoeld in artikel 6, onderdeel a, van de wet die voor eigen rekening en risico de activiteiten uitvoert, met dien verstande dat een subsidie uitsluitend wordt verstrekt aan een natuurlijk persoon die een onderneming drijft.
De minister kan de subsidie verstrekken aan een deelnemer in een samenwerkingsverband van natuurlijke personen of rechtspersonen, bedoeld in het tweede lid.
Indien de subsidie staatssteun bevat, wordt deze uitsluitend verstrekt voor:
- a. kennisontwikkeling voor zover de subsidie betrekking heeft op opleidingssteun als bedoeld in artikel 31, eerste lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening en wordt voldaan aan artikel 31, tweede lid, van die verordening;
- b. de bouw, het upgraden of de exploitatie van innovatieclusters indien wordt voldaan aan artikel 27, tweede en zevende lid, tweede volzin, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
- c. proces- en organisatie-innovatie indien wordt voldaan aan artikel 29, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.
Een aanvraag tot het verstrekken van een specifieke uitkering als bedoeld in artikel 7, zesde lid, van de wet wordt beschouwd als een aanvraag als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 4. Hoogte subsidie
Indien een subsidie die op grond van artikel 3, eerste lid, wordt verstrekt, staatssteun bevat, bedraagt de hoogte van de subsidie voor:
- a. kennisontwikkeling als bedoeld in artikel 3, vierde lid, onderdeel a: het in artikel 31, vierde en vijfde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening opgenomen percentage, onder de daarvoor geldende voorwaarden, van de in aanmerking komende kosten, tot een maximum van het bedrag dat is opgenomen in artikel 4, eerste lid, onderdeel n, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
- b. onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten: het in artikel 25, vijfde tot en met zevende lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening opgenomen percentage, onder de daarvoor geldende voorwaarden, van de in aanmerking komende kosten, tot een maximum van de bedragen die zijn opgenomen in artikel 4, eerste lid, onderdeel i, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
- c. de bouw of het upgraden van onderzoeksinfrastructuur: het in artikel 26, zesde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening opgenomen percentage van de in aanmerking komende kosten, tot een maximum van het bedrag dat is opgenomen in artikel 4, eerste lid, onderdeel j, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
- d. de bouw of het upgraden van test- en experimenteerinfrastructuur: het in artikel 26 bis, vijfde en zesde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening opgenomen percentage van de in aanmerking komende kosten, tot een maximum van het bedrag dat is opgenomen in artikel 4, eerste lid, onderdeel j bis, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
- e. de bouw, het upgraden of de exploitatie van innovatieclusters: het in artikel 27, zesde en negende lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening opgenomen percentage van de in aanmerking komende kosten, tot een maximum van het bedrag dat is opgenomen in artikel 4, eerste lid, onderdeel k, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
- f. innovatie van kleine en middelgrote ondernemingen: het in artikel 28, derde en vierde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening opgenomen percentage, onder de daarvoor geldende voorwaarden, van de in aanmerking komende kosten, tot een maximum van het bedrag dat is opgenomen in artikel 4, eerste lid, onderdeel l, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
- g. proces- en organisatie-innovatie: het in artikel 29, vierde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening opgenomen percentage van de in aanmerking komende kosten, tot een maximum van het bedrag dat is opgenomen in artikel 4, eerste lid, onderdeel m, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.
Indien een subsidie die op grond van artikel 3, eerste lid, wordt verstrekt, geen staatssteun bevat, bedraagt de hoogte van de subsidie 100 procent van de subsidiabele kosten.
De subsidie bedraagt niet meer dan is aangevraagd.
Indien reeds door een bestuursorgaan of de Europese Commissie subsidie is verstrekt voor de subsidiabele kosten of een deel daarvan, wordt slechts een zodanig bedrag aan subsidie verstrekt dat het totale bedrag aan subsidies niet meer bedraagt dan toegestaan volgens de algemene groepsvrijstellingsverordening, indien de subsidie staatssteun bevat, dan wel volgens deze regeling, indien de subsidie geen staatssteun bevat.
Indien een subsidie die op grond van artikel 3, eerste lid, wordt verstrekt, staatssteun bevat, wordt het bedrag van de subsidie verlaagd voor zover dit nodig is op basis van de algemene groepsvrijstellingsverordening.
Artikel 5. Subsidiabele kosten
Voor subsidie komen uitsluitend in aanmerking de redelijk gemaakte kosten die direct verbonden zijn met de uitvoering van de activiteiten, bedoeld in artikel 3, eerste lid.
Indien een subsidie die op grond van artikel 3, eerste lid, wordt verstrekt, staatssteun bevat, komen voor subsidie uitsluitend in aanmerking, voor:
- a. kennisontwikkeling als bedoeld in artikel 3, vierde lid, onderdeel a: de kosten, bedoeld in artikel 31, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
- b. onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten: de kosten, bedoeld in artikel 25, derde en vierde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
- c. de bouw of het upgraden van onderzoeksinfrastructuur: de kosten, bedoeld in artikel 26, vijfde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
- d. de bouw of het upgraden van test- en experimenteerinfrastructuur: de kosten, bedoeld in artikel 26 bis, vierde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
- e. de bouw, het upgraden of de exploitatie van innovatieclusters: de kosten, bedoeld in artikel 27, vijfde lid, tweede volzin, en achtste lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
- f. innovatie van kleine en middelgrote ondernemingen: de kosten, bedoeld in artikel 28, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
- g. proces- en organisatie-innovatie: de kosten, bedoeld in artikel 29, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.
Indien een subsidie die op grond van artikel 3, eerste lid, wordt verstrekt, staatssteun bevat, komen voor subsidie uitsluitend de kosten in aanmerking die voldoen aan de eisen van artikel 7 van de algemene groepsvrijstellingsverordening.
Kosten die vóór indiening van de aanvraag door de subsidieontvanger zijn gemaakt, komen niet voor subsidie in aanmerking.
De aanvrager kiest voor de berekening van de subsidiabele kosten uit één van de systematieken, genoemd in artikel 11, eerste lid, onderdelen a, b of c, van het Kaderbesluit nationale EZK- en LNV-subsidies.
Artikel 6. Verdeling subsidieplafond
De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.
Indien een aanvrager niet heeft voldaan aan een bij deze regeling gesteld voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag en met toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, geldt de dag waarop de aanvraag voldoet aan dat voorschrift, als datum van ontvangst.
Indien de minister op de dag waarop het subsidieplafond is bereikt meer dan één volledige aanvraag heeft ontvangen, stelt hij de onderlinge rangschikking vast door middel van loting.
Artikel 7. Afwijzingsgronden
De minister beslist afwijzend op een aanvraag:
- a. indien niet is voldaan aan artikel 6a;
- b. voor zover de activiteiten niet voldoen aan artikel 2, derde lid, van de wet;
- c. indien er onvoldoende vertrouwen bestaat dat, mede gelet op de strategische onderbouwing van de activiteiten, de kwaliteit van het activiteitenplan en de voorgestelde samenwerking en governance, de activiteiten direct of indirect zullen bijdragen aan het vergroten van het duurzaam verdienvermogen en tot een positief saldo van maatschappelijke baten en lasten zullen leiden;
- d. indien de te verlenen subsidie minder dan € 30.000.000 zou bedragen;
- e. ten aanzien van een deelnemer in een samenwerkingsverband, indien de te verlenen subsidie aan de betreffende deelnemer minder dan € 125.000 zou bedragen;
- f. voor zover het onaannemelijk wordt geacht dat de activiteiten binnen 15 jaar kunnen worden voltooid;
- g. voor zover de aanvraag niet voldoet aan de bij deze regeling gestelde regels;
- h. voor zover de activiteiten niet voldoen aan de artikelen 22, eerste lid, onderdelen b, c, d, e en f, en 23, onderdelen a, c, d, e, f en g, van het Kaderbesluit nationale EZK- en LNV-subsidies, zoals van toepassing verklaard in artikel 16, eerste lid.
Artikel 8. Beslissing op de aanvraag
De minister geeft een beschikking op een aanvraag om subsidie binnen 26 weken na de dag van ontvangst van de aanvraag.
Indien een beschikking niet binnen deze termijn kan worden gegeven, kan deze termijn eenmaal met 13 weken worden verlengd.
Artikel 9. Rangschikkingscriteria
Vervallen
Artikel 10. Adviescommissie Nationaal Groeifonds
De minister vraagt de adviescommissie advies over toepassing van de afwijzingsgrond, bedoeld in artikel 7, aanhef, en onderdeel c.
De minister kan de adviescommissie advies vragen over:
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.