Beleidsregels van de Raad van Bestuur van Zorginstituut Nederland van 12 oktober 2022, kenmerk 2022039003, voor de toekenning en vaststelling van de vereveningsbijdrage aan zorgverzekeraars 2023 (Beleidsregels Risicoverevening 2023)
Het Zorginstituut bepaalt een ophoogfactor per prestatie met de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, door de som van de directe en indirecte behandelminuten te delen door het aantal directe behandelminuten.
Het Zorginstituut past op de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, per prestatie de toepasselijke ophoogfactor toe op het aantal gedeclareerde behandelminuten.
Het Zorginstituut koppelt de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b tot en met d, na toepassing van het derde lid, met het gepseudonimiseerde burgerservicenummer aan het PKB 2023. Het Zorginstituut bepaalt daarmee en met inachtneming van Bijlage 5 van deze Beleidsregels, in welke DKG_G-klasse een verzekerde wordt ingedeeld.
Als een verzekerde niet in een andere klasse dan ‘Geen DKG_G’ valt, deelt het Zorginstituut deze verzekerde in de klasse ‘Geen DKG_G’ in.
Artikel 4.7. HKG_C
Het Zorginstituut baseert het aantal verzekerden per zorgverzekeraar en per modelovereenkomst voor het criterium HKG_C op:
- a. de indeling in de HKG_C-klassen 2023 zoals weergegeven in het referentiebestand dat is opgenomen in Bijlage 6 van deze Beleidsregels; en
- b. de opgave per 1 juni 2023 van declaraties hulpmiddelen 2022 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer van de zorgverzekeraars aan het Zorginstituut.
Het Zorginstituut koppelt de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, met het gepseudonimiseerde burgerservicenummer aan het PKB 2023 en bepaalt daarmee en met inachtneming van Bijlage 6 van deze Beleidsregels, in welke HKG_C-klassen een verzekerde wordt ingedeeld.
Als een verzekerde niet in een andere klasse dan ‘Geen HKG_C’ valt, deelt het Zorginstituut deze verzekerde in de klasse ‘Geen HKG_C’ in.
Artikel 4.8. FDG_C
Het Zorginstituut baseert het aantal verzekerden per zorgverzekeraar en per modelovereenkomst voor het criterium FDG_C op:
- a. de indeling in FDG_C klassen 2023 zoals weergegeven in het referentiebestand dat is opgenomen in Bijlage 7 van deze Beleidsregels;
- b. de opgave per 1 juni 2023 van declaraties fysiotherapie en oefentherapie 2022 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer van de zorgverzekeraars aan het Zorginstituut; en
- c. het PKB 2022.
Het Zorginstituut koppelt de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b en c, met het gepseudonimiseerde burgerservicenummer aan het PKB 2023 en bepaalt daarmee en met inachtneming van Bijlage 7 van deze Beleidsregels, in welke FDG_C klasse een verzekerde wordt ingedeeld.
Als een verzekerde niet in een andere klasse dan ‘Geen FDG_C’ valt, deelt het Zorginstituut deze verzekerde in de klasse ‘Geen FDG_C’ in.
Artikel 4.9. IBZ_C
Het Zorginstituut baseert het aantal verzekerden per zorgverzekeraar en per modelovereenkomst voor het criterium IBZ_C op:
- a. de indeling in IBZ_C klassen 2023 zoals weergegeven in het referentiebestand dat is opgenomen in Bijlage 8 van deze Beleidsregels; en
- b. de kosten kraamzorg en kosten kraamzorg via integrale geboortezorg 2022 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2024 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd.
Het Zorginstituut koppelt de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, met het gepseudonimiseerde burgerservicenummer aan het PKB 2023 en bepaalt daarmee en met inachtneming van Bijlage 8 van deze Beleidsregels, in welke IBZ_C klasse een verzekerde wordt ingedeeld.
Als een verzekerde niet in een andere klasse dan ‘Geen IBZ_C’ valt, deelt het Zorginstituut deze verzekerde in de klasse ‘Geen IBZ_C’ in.
Artikel 4.10. HSM_C
Het Zorginstituut baseert het aantal verzekerden per zorgverzekeraar en per modelovereenkomst voor het criterium HSM_C op:
- a. de indeling in HSM_C-klassen 2023 zoals weergegeven in het referentiebestand dat is opgenomen in Bijlage 9 van deze Beleidsregels; en
- b. de kenmerkindelingen in FKG_C, primaire en secundaire DKG_C, HKG_C, FDG_C, MHK_C, MVV_C voor vereveningsjaar 2020 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer zoals bepaald door het Zorginstituut ten behoeve van de definitieve vaststelling volgens Beleidsregels vereveningsbijdrage Zvw 2020.
Het Zorginstituut koppelt de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, met het gepseudonimiseerde burgerservicenummer aan het PKB 2023 en bepaalt daarmee en met inachtneming van Bijlage 9 van deze Beleidsregels, in welke HSM_C-klasse een verzekerde wordt ingedeeld.
Als een verzekerde niet in een andere klasse dan ‘Geen HSM_C’ valt, deelt het Zorginstituut deze verzekerde in de klasse ‘Geen HSM_C’ in.
Artikel 4.11. MHK_C
Het Zorginstituut baseert het aantal verzekerden per zorgverzekeraar en per modelovereenkomst voor het criterium MHK_C op:
- a. de indeling in MHK_C-klassen 2023 zoals weergegeven in het referentiebestand dat is opgenomen in Bijlage 10 van deze Beleidsregels;
- b. declaraties met betrekking tot 2020 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer voor het deelbedrag variabele zorgkosten exclusief declaraties verpleging en verzorging tot en met 31 december 2022, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2023 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd;
- c. declaraties met betrekking tot 2021 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer voor het deelbedrag variabele zorgkosten exclusief declaraties verpleging en verzorging tot en met 31 december 2023, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2024 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd;
- d. declaraties met betrekking tot 2022 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer voor het deelbedrag variabele zorgkosten exclusief declaraties verpleging en verzorging, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2024 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd; en
- e. het PKB 2020, PKB 2021 en PKB 2022.
Het Zorginstituut koppelt de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b tot en met e, met het gepseudonimiseerde burgerservicenummer aan het PKB 2023 en bepaalt daarmee en met inachtneming van Bijlage 10 van deze Beleidsregels, in welke MHK_C-klasse een verzekerde wordt ingedeeld.
Als een verzekerde niet in een andere klasse dan ‘Geen MHK_C’ valt, deelt het Zorginstituut deze verzekerde in de klasse ‘Geen MHK_C’ in.
Artikel 4.12. MHK_G
Het Zorginstituut baseert het aantal verzekerden per zorgverzekeraar voor het criterium MHK_G op:
- a. de indeling in MHK_G-klassen 2023 zoals weergegeven in het referentiebestand dat is opgenomen in Bijlage 11 van deze Beleidsregels;
- b. declaraties met betrekking tot 2018 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer voor het deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg exclusief kosten voor langdurige geestelijke gezondheidszorg tot en met 31 december 2020, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2021 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd;
- c. declaraties met betrekking tot 2019 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer voor het deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg exclusief kosten voor langdurige geestelijke gezondheidszorg tot en met 31 december 2021, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2022 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd;
- d. declaraties met betrekking tot 2020 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer voor het deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg exclusief kosten voor langdurige geestelijke gezondheidszorg tot en met 31 december 2022, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2023 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd;
- e. declaraties met betrekking tot 2021 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer voor het deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg exclusief kosten voor langdurige geestelijke gezondheidszorg tot en met 31 december 2023, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2024 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd;
- f. declaraties met betrekking tot 2022 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer voor het deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2024 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd; en
- g. het PKB 2018, PKB 2019, PKB 2020, PKB 2021 en PKB 2022.
Het Zorginstituut koppelt de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b tot en met g, met het gepseudonimiseerde burgerservicenummer aan het PKB 2023 en bepaalt daarmee en met inachtneming van Bijlage 11 van deze Beleidsregels, in welke MHK_G-klasse een verzekerde wordt ingedeeld.
Als een verzekerde niet in een andere klasse dan ‘Geen MHK_G’ valt, deelt het Zorginstituut deze verzekerde in de klasse ‘Geen MHK_G’ in.
Artikel 4.13. MVV_C
Het Zorginstituut baseert het aantal verzekerden per zorgverzekeraar en per modelovereenkomst voor het criterium MVV_C op:
- a. de indeling in MVV_C-klassen 2023 zoals weergegeven in het referentiebestand dat is opgenomen in Bijlage 12 van deze Beleidsregels;
- b. de leeftijd volgens het PKB 2023;
- c. de kosten volgens declaraties kosten verpleging en verzorging 2020 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer tot en met 31 december 2022, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2023 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd;
- d. de kosten volgens declaraties kosten verpleging en verzorging 2021 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer tot en met 31 december 2023, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2024 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd;
- e. de kosten volgens declaraties kosten verpleging en verzorging 2022 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2024 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd;
- f. bewoners Wlz-instelling volgens Wlz-declaraties december 2022 en Wlz-declaraties december 2023; en
- g. het PKB 2020, PKB 2021 en PKB 2022.
Het Zorginstituut koppelt de opgaven, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b tot en met g, met het gepseudonimiseerde burgerservicenummer aan het PKB 2023 en bepaalt daarmee en met inachtneming van Bijlage 12 van deze Beleidsregels, in welke MVV_C-klasse een verzekerde wordt ingedeeld.
Als een verzekerde niet in een andere klasse dan ‘Geen MVV_C’ valt, deelt het Zorginstituut deze verzekerde in de klasse ‘Geen MVV_C’ in.
Artikel 4.14. MFK_C
Het Zorginstituut baseert het aantal verzekerden per zorgverzekeraar en per modelovereenkomst voor het criterium MFK_C op:
- a. de indeling in MFK_C-klassen 2023 zoals weergegeven in het referentiebestand dat is opgenomen in Bijlage 13 van deze Beleidsregels;
- b. de farmaciekosten 2020 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer tot en met 31 december 2022, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2023 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd;
- c. de farmaciekosten 2021 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer tot en met 31 december 2023, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2024 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd; en
- d. de farmaciekosten 2022 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2024 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd.
Het Zorginstituut koppelt de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b tot en met d, met het gepseudonimiseerde burgerservicenummer aan het PKB 2023 en bepaalt daarmee en met inachtneming van Bijlage 13 van deze Beleidsregels, in welke MFK_C-klasse een verzekerde wordt ingedeeld.
Als een verzekerde niet in een andere klasse dan ‘Geen MFK_C’ valt, deelt het Zorginstituut deze verzekerde in de klasse ‘Geen MFK_C’ in.
Artikel 4.15. AVI
Het Zorginstituut baseert het aantal verzekerden per zorgverzekeraar en per modelovereenkomst voor het criterium AVI op:
- a. de indeling in AVI-klassen 2023 zoals weergegeven in het referentiebestand dat is opgenomen in Bijlage 14 van deze Beleidsregels;
- b. de leeftijd volgens het PKB 2023;
- c. de zelfstandigen volgens het zelfstandigenbestand met peildatum 30 juni 2023;
- d. de duurzaam en volledig arbeidsongeschikten, de overige arbeidsongeschikten, de bijstandsgerechtigden, de werklozen en de loontrekkers volgens het UWV-bestand met peildatum 30 juni 2023;
- e. de studenten en de hoogopgeleiden volgens de opgave van DUO per gepseudonimiseerd burgerservicenummer met peildatum 1 juni 2023;
- f. het gepseudonimiseerde adres per gepseudonimiseerd burgerservicenummer in het belastingdienstbestand over 2023;
- g. het gepseudonimiseerde adres in het PKB 2023 in het geval een verzekerde niet is opgenomen in het belastingdienstbestand over 2023; en
- h. de historische indeling van AVI uit 2018 tot en met 2022.
Het Zorginstituut koppelt de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b tot en met h, met het gepseudonimiseerde burgerservicenummer aan het PKB 2023 en bepaalt daarmee en met inachtneming van Bijlage 14 van deze Beleidsregels, in welke AVI-klasse een verzekerde wordt ingedeeld.
Artikel 4.16. SES
Het Zorginstituut baseert het aantal verzekerden per zorgverzekeraar en per modelovereenkomst voor het criterium SES op:
- a. de indeling in SES-klassen 2023 zoals weergegeven in het referentiebestand dat is opgenomen in Bijlage 15 van deze Beleidsregels;
- b. de leeftijd volgens het PKB 2023;
- c. het inkomen volgens de opgave per gepseudonimiseerd burgerservicenummer in het belastingdienstbestand over 2021;
- d. het inkomen volgens de opgave per gepseudonimiseerd burgerservicenummer in het belastingdienstbestand over 2022 wanneer voor 2021 geen gegevens beschikbaar zijn;
- e. het gepseudonimiseerde adres per gepseudonimiseerd burgerservicenummer volgens het belastingdienstbestand over 2023;
- f. het gepseudonimiseerde adres per gepseudonimiseerd burgerservicenummer volgens het PKB 2023 wanneer een verzekerde niet is opgenomen in het belastingdienstbestand over 2023;
- g. bewoners Wlz-instelling volgens Wlz-declaraties december 2022 en Wlz-declaraties december 2023; en
- h. de indeling in DKG_G-klassen zoals beschreven in Artikel 4.6.
Het Zorginstituut koppelt de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b tot en met h, met het gepseudonimiseerde burgerservicenummer aan het PKB 2023 en bepaalt daarmee en met inachtneming van Bijlage 15 van deze Beleidsregels, in welke SES klasse een verzekerde wordt ingedeeld.
Artikel 4.17. PPA
Het Zorginstituut baseert het aantal verzekerden per zorgverzekeraar en per modelovereenkomst voor het criterium PPA op:
- a. de indeling in PPA-klassen 2023 zoals weergegeven in het referentiebestand PPA dat is opgenomen in Bijlage 16 van deze Beleidsregels;
- b. de leeftijd volgens het PKB 2023;
- c. het gepseudonimiseerde adres per gepseudonimiseerd burgerservicenummer volgens het belastingdienstbestand over 2022;
- d. het gepseudonimiseerde adres per gepseudonimiseerd burgerservicenummer volgens het PKB 2022 wanneer een verzekerde niet is opgenomen in het belastingdienstbestand over 2022;
- e. het gepseudonimiseerde adres per gepseudonimiseerd burgerservicenummer volgens het belastingdienstbestand over 2023 wanneer een verzekerde ook niet is opgenomen in het PKB 2022;
- f. het gepseudonimiseerde adres per gepseudonimiseerd burgerservicenummer volgens het PKB 2023 wanneer een verzekerde ook niet is opgenomen in het belastingdienstbestand over 2023;
- g. bewoners Wlz-instelling blijvend volgens Wlz-declaraties december 2022; en
- h. bewoners Wlz-instelling instromend volgens Wlz-declaraties december 2023 en Wlz-declaraties december 2022.
Het Zorginstituut koppelt de gegevens, bedoeld in het eerste lid onderdeel b tot en met h, met het gepseudonimiseerde burgerservicenummer aan het PKB 2023 en bepaalt daarmee en met inachtneming van Bijlage 16 van deze Beleidsregels, in welke PPA-klasse een verzekerde wordt ingedeeld.
Artikel 4.18. SEI
Het Zorginstituut baseert het aantal verzekerden per zorgverzekeraar en per modelovereenkomst voor het criterium SEI op:
- a. het PKB 2022; en
- b. het PKB 2023.
Het Zorginstituut koppelt de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a en b, met het gepseudonimiseerde burgerservicenummer aan elkaar en bepaalt daarmee en met inachtneming van de definitie in Artikel 1.1, in welke SEI-klasse een verzekerde die woont in het buitenland wordt ingedeeld.
Artikel 4.19. REG_C
Het Zorginstituut baseert het aantal verzekerden per zorgverzekeraar en per modelovereenkomst voor het criterium REG_C op:
- a. de indeling in REG_C-klassen 2023 zoals weergegeven in het referentiebestand dat is opgenomen in Bijlage 17 van deze Beleidsregels; en
- b. de viercijferige postcode volgens het PKB 2023.
Het Zorginstituut bepaalt op basis van het eerste lid in welke REG_C-klasse een verzekerde wordt ingedeeld.
Artikel 4.20. REG_G
Het Zorginstituut baseert het aantal verzekerden per zorgverzekeraar voor het criterium REG_G op:
- a. de indeling in REG_G-klassen 2023 zoals weergegeven in het referentiebestand dat is opgenomen in Bijlage 18 van deze Beleidsregels; en
- b. de viercijferige postcode volgens het PKB 2023.
Het Zorginstituut bepaalt op basis van het eerste lid in welke REG_G-klasse een verzekerde wordt ingedeeld.
Artikel 4.21. Criteriumneutraliteit voor deelbedrag variabele zorgkosten 2023
Het Zorginstituut herberekent het gewicht van de in bijlage 6, tabel 6.1, van de Rrv, genoemde aanpassingsklassen overeenkomstig de bepalingen in artikel 12, vierde en vijfde lid, van de Rrv.
Artikel 4.22. De voorlopige herberekening van het deelbedrag variabele zorgkosten 2023
Het Zorginstituut bepaalt de variabele zorgkosten 2023 op basis van de opgave jaarstaat 2023 per 1 mei 2024 en met inachtneming van de artikelen 13, 14 en 15 van de Rrv:
- i. per modelovereenkomst;
- ii. per zorgverzekeraar; en
- iii. voor de gezamenlijke zorgverzekeraars.
Het Zorginstituut herberekent het normatieve bedrag variabele zorgkosten 2023 met de op grond van Artikel 4.21 herberekende gewichten en overeenkomstig de in Artikel 2.24 en 2.25 beschreven rekenwijze:
- i. per modelovereenkomst;
- ii. per zorgverzekeraar; en
- iii. voor de gezamenlijke zorgverzekeraars.
Het Zorginstituut berekent de schalingsfactor voor variabele zorgkosten 2023 door de variabele zorgkosten 2023 voor de gezamenlijke zorgverzekeraars te delen door het herberekende normatieve bedrag variabele zorgkosten 2023 voor de gezamenlijke zorgverzekeraars.
Het Zorginstituut vermenigvuldigt het herberekende normatieve bedrag variabele zorgkosten 2023 met de schalingsfactor:
- i. per modelovereenkomst;
- ii. per zorgverzekeraar; en
- iii. voor de gezamenlijke zorgverzekeraars.
Het Zorginstituut berekent voor de gezamenlijke zorgverzekeraars het verschil tussen het product berekend in het vierde lid, onder iii, en het herberekende normatieve bedrag variabele zorgkosten 2023 in het tweede lid, onder iii. Het Zorginstituut deelt dit bedrag door het totaal aantal ingeschreven verzekerden van achttien jaar of ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is.
Het Zorginstituut vermenigvuldigt het resultaat na toepassing van het vijfde lid met het aantal ingeschreven verzekerden van achttien jaar of ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is:
- i. per modelovereenkomst; en
- ii. per zorgverzekeraar.
Het Zorginstituut vermindert:
- i. per modelovereenkomst het product berekend in het vierde lid, onder i, met het product berekend in het zesde lid, onder i.
- ii. per zorgverzekeraar het product berekend in het vierde lid, onder ii, met het product berekend in het zesde lid, onder ii.
Het Zorginstituut berekent per modelovereenkomst het verschil tussen het resultaat van het vierde lid, onder i, en het resultaat van het eerste lid, onder i, en deelt dit verschil door het bij die modelovereenkomst ingeschreven aantal verzekerden waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is.
Indien het resultaat van het achtste lid groter is dan 50 euro of kleiner is dan minus 50 euro, vermenigvuldigt het Zorginstituut 75 procent van het buiten die bandbreedte liggende deel van dat resultaat met het bij die modelovereenkomst aantal ingeschreven verzekerden waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is.
Het Zorginstituut sommeert het resultaat van het negende lid over alle modelovereenkomsten en deelt deze som door het totaal aantal verzekerden van achttien jaar of ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is.
Het Zorginstituut vermenigvuldigt per modelovereenkomst het resultaat van het tiende lid met het bij die modelovereenkomst aantal ingeschreven verzekerden van achttien jaar of ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is.
Het Zorginstituut vermindert per modelovereenkomst het resultaat van het zevende lid, onder i, met het resultaat van het negende lid. Het Zorginstituut vermeerdert dit resultaat vervolgens met het resultaat van het elfde lid.
Tot slot sommeert het Zorginstituut per zorgverzekeraar het resultaat van het twaalfde lid van alle modelovereenkomsten van die zorgverzekeraar. Het resultaat wordt aangeduid als het voorlopige herberekende deelbedrag variabele zorgkosten 2023.
Artikel 4.23. De voorlopige herberekening van het deelbedrag vaste zorgkosten 2023
Het Zorginstituut bepaalt de vaste zorgkosten 2023 voor iedere zorgverzekeraar afzonderlijk op basis van de opgave jaarstaat 2023 per 1 mei 2024 en met inachtneming van de artikelen 13, 14 en 16 van de Rrv.
Het Zorginstituut herberekent het deelbedrag vaste zorgkosten door het totaal aantal verzekerden 2023 per zorgverzekeraar te vermenigvuldigen met het gewicht vaste zorgkosten 2023, berekend in Artikel 2.26, eerste lid.
Het Zorginstituut calculeert met inachtneming van artikel 16, derde lid, van de Rrv per zorgverzekeraar 100 procent na op het verschil tussen de vaste zorgkosten 2023, berekend in het eerste lid, en het deelbedrag vaste zorgkosten, berekend in het tweede lid.
De som van het product na toepassing van het tweede lid en de nacalculatie op het verschil na toepassing van het derde lid wordt aangeduid als het voorlopige herberekende deelbedrag vaste zorgkosten 2023.
Artikel 4.24. Criteriumneutraliteit voor het deelbedrag kosten geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2023
Het Zorginstituut herberekent het gewicht van de in bijlage 6, tabel 6.2, van de Rrv, genoemde aanpassingsklassen overeenkomstig de bepalingen in artikel 12, vierde en vijfde lid, van de Rrv. Het Zorginstituut gaat bij deze herberekening uit van de tabellen uit bijlage 2 van de Rrv in plaats van de tabellen uit bijlage 3 van de Rrv.
Artikel 4.25. De voorlopige herberekening van het deelbedrag kosten geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2023
Het Zorginstituut bepaalt de kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2023 voor iedere zorgverzekeraar afzonderlijk en voor de gezamenlijke zorgverzekeraars op basis van de opgave jaarstaat 2023 per 1 mei 2024 en met inachtneming van de artikelen 13, 14 en 15 van de Rrv.
Het Zorginstituut herberekent het normatieve bedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2023 voor iedere zorgverzekeraar afzonderlijk en voor het totaal van de verzekerden van achttien jaar of ouder 2023 van alle zorgverzekeraars gezamenlijk met de op grond van Artikel 4.24 herberekende gewichten en overeenkomstig de in Artikel 2.27 en 2.28 beschreven rekenwijze.
Het Zorginstituut berekent de schalingsfactor voor kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2023 voor verzekerden van achttien jaar of ouder door de kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2023 voor de gezamenlijke zorgverzekeraars te delen door het herberekende normatieve bedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2023 voor het totaal van de verzekerden van achttien jaar of ouder 2023 van alle zorgverzekeraars gezamenlijk.
Het Zorginstituut vermenigvuldigt voor iedere zorgverzekeraar afzonderlijk en voor de gezamenlijke zorgverzekeraars het herberekende normatieve bedrag kosten van geneeskundige gezondheidszorg 2023 met de schalingsfactor.
Het Zorginstituut berekent voor de gezamenlijke zorgverzekeraars het verschil tussen het product berekend in het vierde lid en het herberekende normatieve bedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2023. Het Zorginstituut deelt dit bedrag door het totaal aantal ingeschreven verzekerden van achttien jaar of ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is.
Het Zorginstituut vermenigvuldigt per zorgverzekeraar het resultaat na toepassing van het vijfde lid met het aantal verzekerden van achttien jaar of ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is dat bij die zorgverzekeraar is ingeschreven.
Het Zorginstituut vermindert per zorgverzekeraar het product voor die zorgverzekeraar, berekend in het vierde lid, met het product voor die zorgverzekeraar, berekend in het zesde lid. Het resultaat wordt aangeduid als het voorlopige herberekende deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2023.
Artikel 4.26. Criteriumneutraliteit voor de normatieve opbrengst van het eigen risico 2023
Het Zorginstituut herberekent het gewicht van de in bijlage 6, tabel 6.3, van de Rrv, genoemde aanpassingsklassen overeenkomstig de bepalingen in artikel 18, derde lid, van de Rrv.
Artikel 4.27. De voorlopige herberekening van de normatieve opbrengst van het eigen risico 2023
1.
Het Zorginstituut herberekent de normatieve opbrengst van het eigen risico 2023 voor iedere zorgverzekeraar afzonderlijk en voor het totaal van de verzekerden van achttien jaar of ouder 2023 van alle zorgverzekeraars gezamenlijk met de op grond van Artikel 4.26 herberekende gewichten en overeenkomstig de in Artikel 2.29 en 2.30 beschreven rekenwijze.
In afwijking van Artikel 2.30, vierde lid, wordt de detentiefactor gebaseerd op de gerealiseerde gederfde inkomsten voor verzekerden van achttien jaar en ouder waarvoor als gevolg van de toepasselijkheid van artikel 24 van de wet geen nominale premies worden ontvangen. Het resultaat wordt aangeduid als de voorlopige herberekende normatieve opbrengst van het eigen risico 2023.
Artikel 4.28. De voorlopige herberekening van het normatieve bedrag 2023 en de voorlopige herberekening en voorlopige vaststelling van de vereveningsbijdrage 2023
Het Zorginstituut herberekent het normatieve bedrag 2023 voor de eerste voorlopige vaststelling als de som van het voorlopige herberekende deelbedrag variabele zorgkosten 2023, het voorlopige herberekende deelbedrag vaste zorgkosten 2023 en het voorlopig herberekende deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2023.
Voor de bandbreedteregeling voor de geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2023:
- a. bepaalt het Zorginstituut per zorgverzekeraar het verschil tussen het voorlopige herberekende deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2023, bedoeld in Artikel 4.25, zevende lid, en de kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2023, bedoeld in Artikel 4.25, eerste lid, en deelt dit verschil door het aantal verzekerden van achttien jaar of ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is dat bij die zorgverzekeraar is ingeschreven;
- b. berekent het Zorginstituut het gemiddelde marktresultaat voor het deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg. Het Zorginstituut berekent het gemiddeld marktresultaat door voor de gezamenlijke zorgverzekeraars het verschil tussen het herberekende normatieve bedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2023, bedoeld in Artikel 4.25, zevende lid, en de kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2023, bedoeld in Artikel 4.25, eerste lid, te delen door het aantal verzekerden van achttien jaar of ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is; en
- c. past het Zorginstituut artikel 3.16 van het Bzv toe op het verschil tussen het in onderdeel a bepaalde bedrag en het gemiddelde marktresultaat voor het cluster kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg.
Het Zorginstituut berekent de opbrengst van de nominale rekenpremie per zorgverzekeraar voor de eerste voorlopige vaststelling door de verzekerden van achttien jaar of ouder 2023 per zorgverzekeraar te vermenigvuldigen met de nominale rekenpremie 2023.
Het Zorginstituut vermindert het resultaat na toepassing van het derde lid met het bedrag dat de zorgverzekeraar verantwoordt in de opgave jaarstaat 2023 per 1 mei 2024 als gederfde inkomsten voor verzekerden van achttien jaar of ouder waarvoor als gevolg van de toepasselijkheid van artikel 24 van de wet geen nominale premies worden ontvangen.
Het Zorginstituut herberekent voor de eerste voorlopige vaststelling de aanvulling op de bijdrage voor de uitkering in verband met uitvoeringskosten van verzekerden jonger dan achttien jaar door het aantal verzekerden jonger dan achttien jaar 2023 te vermenigvuldigen met het bedrag in artikel 20 van de Rrv.
Het Zorginstituut herberekent de vereveningsbijdrage 2023 voor de eerste voorlopige vaststelling door de som van het herberekende normatieve bedrag 2023 en de aanvulling voor uitvoeringskosten van verzekerden jonger dan achttien jaar te verminderen met de voorlopig herberekende normatieve opbrengst van het eigen risico, bedoeld in Artikel 4.27, en de opbrengst van de nominale rekenpremie, bedoeld in het derde en vierde lid.
Het Zorginstituut stelt de vereveningsbijdrage 2023 in september 2024 voorlopig vast ter hoogte van de in het zesde lid berekende bijdrage.
Hoofdstuk 5. V De tweede voorlopige vaststelling van de vereveningsbijdrage voor een zorgverzekeraar
Artikel 5.1. Algemene bepaling
Het Zorginstituut herberekent het normatieve bedrag voor de tweede keer voorlopig met inachtneming van de kosten 2023 uit de opgave jaarstaat 2025 per 1 mei 2026, de correcties die de Nederlandse Zorgautoriteit heeft toegepast en de bepalingen uit dit hoofdstuk.
Artikel 5.2. Bepaling van de verzekerdenaantallen 2023
Het Zorginstituut voert de correcties door die de Nederlandse Zorgautoriteit heeft toegepast bij de verzekerdenaantallen 2023.
Het Zorginstituut herberekent het aantal verzekerden voor het criterium IBZ_C met de kosten kraamzorg en kosten kraamzorg via integrale geboortezorg 2023 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer tot en met 31 december 2025, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2026 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd.
Het Zorginstituut herberekent het aantal verzekerden voor het criterium MHK_C met de declaraties 2022 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer voor het deelbedrag variabele zorgkosten exclusief declaraties verpleging en verzorging tot en met 31 december 2024, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2025 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd.
Het Zorginstituut herberekent het aantal verzekerden voor het criterium MHK_G met de declaraties 2022 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer voor het deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg inclusief kosten voor langdurige geestelijke gezondheidszorg tot en met 31 december 2024, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2025 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd.
Het Zorginstituut herberekent het aantal verzekerden voor het criterium MVV_C met de declaraties kosten verpleging en verzorging 2022 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer tot en met 31 december 2024, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2025 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd.
Het Zorginstituut herberekent het aantal verzekerden voor het criterium MFK_C met de farmaciekosten 2022 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer tot en met 31 december 2024, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2025 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd.
Het Zorginstituut herberekent het aantal verzekerden voor het criterium AVI met het zelfstandigenbestand over 2026.
Het Zorginstituut herberekent het aantal verzekerden voor het criterium SES met het inkomen volgens de opgave per gepseudonimiseerd burgerservicenummer in het belastingdienstbestand over 2022. Indien een verzekerde niet is opgenomen in de opgave over 2022, maakt het Zorginstituut gebruik van de opgave over 2023.
Het Zorginstituut past het bepaalde in Artikel 5.1 en 5.2, eerste tot en met achtste lid, toe bij Artikel 5.3, Artikel 5.4, Artikel 5.6 en Artikel 5.7.
Artikel 5.3. De tweede voorlopige herberekening van het deelbedrag variabele zorgkosten 2023
Het Zorginstituut herberekent voor de tweede keer voorlopig het deelbedrag variabele zorgkosten 2023 per zorgverzekeraar overeenkomstig Artikel 4.22.
Artikel 5.4. De tweede voorlopige herberekening van het deelbedrag vaste zorgkosten 2023
Het Zorginstituut herberekent voor de tweede keer voorlopig het deelbedrag vaste zorgkosten 2023 per zorgverzekeraar overeenkomstig Artikel 4.23.
Artikel 5.5. Criteriumneutraliteit voor het deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2023 op basis van gewichten inclusief HKC
Het Zorginstituut herberekent het gewicht van de in bijlage 6, tabel 6.2, van de Rrv, genoemde aanpassingsklassen overeenkomstig de bepalingen in artikel 12, vierde en vijfde lid, van de Rrv.
Artikel 5.6. De tweede voorlopige herberekening van het deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2023
Het Zorginstituut bepaalt de kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2023 voor iedere zorgverzekeraar afzonderlijk en voor de gezamenlijke zorgverzekeraars, met inachtneming van artikel 13, 14 en 15 van de Rrv.
Het Zorginstituut herberekent het normatieve bedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2023 voor iedere zorgverzekeraar afzonderlijk en voor het totaal van de verzekerden van achttien jaar of ouder 2023 van alle zorgverzekeraars gezamenlijk met de op grond van Artikel 5.5 herberekende gewichten en overeenkomstig de in Artikel 2.27 en 2.28 beschreven rekenwijze.
Het Zorginstituut berekent de schalingsfactor voor kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2023 voor verzekerden van achttien jaar of ouder door de kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2023 voor de gezamenlijke zorgverzekeraars te delen door het herberekende normatieve bedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2023 voor het totaal van alle zorgverzekeraars gezamenlijk.
Het Zorginstituut vermenigvuldigt voor iedere zorgverzekeraar afzonderlijk en voor de gezamenlijke zorgverzekeraars het herberekende normatieve bedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2023 met de schalingsfactor.
Het Zorginstituut berekent voor de gezamenlijke zorgverzekeraars het verschil tussen het product berekend in het vierde lid en het herberekende normatieve bedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2023 en deelt dit verschil door het totaal aantal bij alle zorgverzekeraars ingeschreven verzekerden van achttien jaar of ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is.
Het Zorginstituut vermenigvuldigt per zorgverzekeraar het resultaat na toepassing van het vijfde lid met het aantal verzekerden van achttien jaar of ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is dat bij die zorgverzekeraar is ingeschreven.
Het Zorginstituut vermindert per zorgverzekeraar het product voor die zorgverzekeraar, berekend in het vierde lid, met het product voor die zorgverzekeraar, berekend in het zesde lid.
Het Zorginstituut past op het resultaat uit het zevende lid hogekostencompensatie toe overeenkomstig artikel 17 van de Rrv. Het resultaat wordt aangeduid als het tweede voorlopige herberekende deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2023.
Artikel 5.7. De tweede voorlopige herberekening van de normatieve opbrengst van het eigen risico 2023
Het Zorginstituut herberekent voor de tweede keer voorlopig de normatieve opbrengst van het eigen risico 2023 overeenkomstig Artikel 4.27.
Artikel 5.8. De tweede voorlopige herberekening van het normatieve bedrag 2023 en de tweede voorlopige herberekening en de vaststelling van de vereveningsbijdrage 2023
Het Zorginstituut herberekent het normatieve bedrag 2023 voor de tweede voorlopige vaststelling als de som van het tweede voorlopige herberekende deelbedrag variabele zorgkosten 2023, het tweede voorlopige herberekende deelbedrag vaste zorgkosten 2023 en het tweede voorlopige herberekende deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2023.
Voor de bandbreedteregeling voor de geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2023:
- a. bepaalt het Zorginstituut per zorgverzekeraar het verschil tussen het voorlopige herberekende deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2023, bedoeld in Artikel 5.6, achtste lid, en de kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2023, bedoeld in Artikel 5.6, eerste lid, en deelt dit verschil door het aantal verzekerden van achttien jaar of ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is dat bij die zorgverzekeraar is ingeschreven;
- b. berekent het Zorginstituut het gemiddelde marktresultaat voor het deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg. Het Zorginstituut berekent het gemiddeld marktresultaat door voor de gezamenlijke zorgverzekeraars het verschil tussen het herberekende normatieve bedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2023, bedoeld in Artikel 5.6, achtste lid, en de kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2023, bedoeld in Artikel 5.6, eerste lid, te delen door het aantal verzekerden van achttien jaar of ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is; en
- c. past het Zorginstituut artikel 3.16 van het Bzv toe op het verschil tussen het in onderdeel a bepaalde bedrag en het gemiddelde marktresultaat voor het cluster kosten van geneeskundige geestelijke.
Het Zorginstituut berekent de tweede voorlopige opbrengst van de nominale rekenpremie per zorgverzekeraar door de verzekerden van achttien jaar of ouder per zorgverzekeraar te vermenigvuldigen met de nominale rekenpremie 2023.
Het Zorginstituut vermindert het resultaat na toepassing van het derde lid met het bedrag dat de zorgverzekeraar verantwoordt in zijn jaarstaat 2025 per 1 mei 2026 als gederfde inkomsten 2023 voor verzekerden van achttien jaar of ouder waarvoor als gevolg van de toepasselijkheid van artikel 24 van de wet geen nominale premies worden ontvangen.
Het Zorginstituut berekent voor de tweede voorlopige vaststelling de aanvulling op de bijdrage voor de uitkering in verband met uitvoeringskosten van verzekerden jonger dan achttien jaar door het aantal verzekerden jonger dan achttien jaar 2023 te vermenigvuldigen met het bedrag in artikel 20 van de Rrv.
Het Zorginstituut herberekent de vereveningsbijdrage 2023 voor de tweede voorlopige vaststelling door de som van het herberekende normatieve bedrag 2023 en de aanvulling voor uitvoeringskosten van verzekerden jonger dan achttien jaar te verminderen met de tweede voorlopige normatieve opbrengst van het eigen risico, bedoeld in Artikel 5.7, en de opbrengst van de nominale rekenpremie, bedoeld in het derde en vierde lid.
Het Zorginstituut stelt de vereveningsbijdrage 2023 voor de tweede keer voorlopig vast in september 2026 ter hoogte van de in het zesde lid berekende bijdrage.
Hooffdstuk 6. VI De vaststelling van de vereveningsbijdrage voor een zorgverzekeraar
Artikel 6.1. Algemene bepaling
Het Zorginstituut herberekent de vereveningsbijdrage per zorgverzekeraar definitief met inachtneming van de correcties die de Nederlandse Zorgautoriteit heeft gerapporteerd over de declaraties 2022 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer en kosten 2023 uit de jaarstaat 2025.
Het Zorginstituut past het bepaalde in het eerste lid toe bij Artikel 6.2, Artikel 6.3, Artikel 6.4, Artikel 6.5 en Artikel 6.6.
Artikel 6.2. De definitieve herberekening van het deelbedrag variabele zorgkosten 2023
Het Zorginstituut herberekent definitief het deelbedrag variabele zorgkosten 2023 per zorgverzekeraar overeenkomstig Artikel 5.3.
Artikel 6.3. De definitieve herberekening van het deelbedrag vaste zorgkosten 2023
Het Zorginstituut herberekent definitief het deelbedrag vaste zorgkosten 2023 per zorgverzekeraar overeenkomstig Artikel 5.4.
Artikel 6.4. De definitieve herberekening van het deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2023
Het Zorginstituut herberekent definitief het deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2023 per zorgverzekeraar overeenkomstig Artikel 5.6.
Artikel 6.5. De definitieve herberekening van de normatieve opbrengst van het eigen risico 2023
Het Zorginstituut herberekent definitief de normatieve opbrengst van het eigen risico 2023 per zorgverzekeraar overeenkomstig Artikel 5.7.
Artikel 6.6. De definitieve herberekening van het normatieve bedrag 2023 en de definitieve herberekening en de vaststelling van de vereveningsbijdrage 2023
Het Zorginstituut herberekent definitief het normatieve bedrag 2023 per zorgverzekeraar overeenkomstig Artikel 5.8 .
Het Zorginstituut stelt de vereveningsbijdrage 2023 per zorgverzekeraar vast in april 2027 ter hoogte van het in het eerste lid definitief berekende normatieve bedrag 2023 per zorgverzekeraar.
Hoofdstuk 7. VII De betalingen aan de zorgverzekeraars
Artikel 7.1. Betaling
Het Zorginstituut betaalt de zorgverzekeraars de vereveningsbijdrage, bedoeld in Artikel 2.31, vierde lid, uit. Het Zorginstituut maakt bij de betaling onderscheid naar de volgende bestanddelen:
- a. het deelbedrag variabele zorgkosten 2023;
- b. het deelbedrag vaste zorgkosten 2023;
- c. het deelbedrag geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2023;
- d. een aftrekpost voor de normatieve opbrengst van het eigen risico 2023.
Het Zorginstituut betaalt de zorgverzekeraars de uitkering in verband met uitvoeringskosten van verzekerden jonger dan achttien jaar, bedoeld in Artikel 2.31, vijfde lid, gelijktijdig uit met de betaling, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 7.2. Betalingsschema
Het Zorginstituut bepaalt per zorgverzekeraar de som van de bestanddelen bedoeld in Artikel 7.1, eerste lid, onderdeel a tot en met c, en de uitkering, bedoeld in Artikel 7.1, tweede lid.
Het Zorginstituut berekent per zorgverzekeraar de som van de vereveningsbijdrage 2023, bedoeld in artikel 2.31, vierde lid, en de normatieve opbrengst van het eigen risico 2023, zoals bepaald in artikel 2.30, vijfde lid, en deelt het resultaat door het resultaat na toepassing van het eerste lid.
Het Zorginstituut vermenigvuldigt per zorgverzekeraar ieder van de bestanddelen bedoeld in Artikel 7.1 eerste lid, onderdeel a tot en met c, en de uitkering bedoeld in Artikel 7.1, tweede lid, met de uitkomst op grond van het tweede lid.
De resultaten van het derde lid worden respectievelijk genoemd als volgt:
- a. het netto te betalen bedrag dat betrekking heeft op het deelbedrag variabele zorgkosten 2023;
- b. het netto te betalen bedrag dat betrekking heeft op het deelbedrag vaste zorgkosten 2023;
- c. het netto te betalen bedrag dat betrekking heeft op het deelbedrag geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2023;
- d. het netto te betalen bedrag dat betrekking heeft op de uitkering in verband met de uitvoeringskosten van verzekerden jonger dan achttien jaar.
Het Zorginstituut vermindert de som van de netto te betalen bedragen, bedoeld in het vierde lid, onderdeel a tot en met d, met de aftrekpost voor de normatieve opbrengst van het eigen risico 2023, bedoeld in Artikel 7.1, eerste lid, onderdeel d.
Het Zorginstituut stelt de maandelijks te betalen termijnen vast aan de hand van het op grond van het vijfde lid berekende bedrag en het betalingsschema bedoeld in het elfde lid.
Het Zorginstituut saldeert de maandelijks te betalen termijnen, bedoeld in het zesde lid, met de resterende te betalen termijnen van de overeenkomstige maand van de op grond van de Beleidsregels risicoverevening 2022 te betalen termijnen.
Het Zorginstituut betaalt de in het zevende lid bedoelde termijnen op de eerste werkdag van de maand.
Indien na de saldering, bedoeld in het zevende lid, de te betalen termijn per maand op enig moment tot een negatief bedrag leidt, stelt het Zorginstituut dit negatieve bedrag vast en vordert het Zorginstituut het bedrag op de eerste werkdag van de betreffende maand in.
Indien de zorgverzekeraar het bedrag bedoeld in het negende lid niet aan het Zorginstituut heeft betaald, verrekent het Zorginstituut het verschuldigde bedrag met de betalingen aan de zorgverzekeraar totdat het verschuldigde bedrag is voldaan.
Het betalingsschema luidt als volgt:
| Bestanddelen betalingen | ||||
|---|---|---|---|---|
| Variabele en vaste zorgkosten | GGZ | Uitvoeringskosten | Eigen risico opbrengst | |
| Betaalmoment | Artikel 7.2 vierde lid, onder a en b | Artikel 7.2 vierde lid, onder c | Artikel 7.2 vierde lid, onder d | Artikel 7.1 eerste lid, onder d |
| januari 2023 | 1,26% | 1,89% | 8,33% | 5,50% |
| februari 2023 | 2,26% | 5,55% | 8,33% | 7,83% |
| maart 2023 | 3,56% | 7,84% | 8,34% | 9,50% |
| april 2023 | 5,39% | 8,76% | 8,33% | 10,60% |
| mei 2023 | 6,90% | 8,87% | 8,33% | 10,74% |
| juni 2023 | 7,60% | 8,90% | 8,34% | 10,60% |
| juli 2023 | 8,65% | 8,50% | 8,33% | 9,40% |
| augustus 2023 | 8,80% | 8,40% | 8,33% | 7,15% |
| september 2023 | 9,04% | 8,40% | 8,34% | 6,20% |
| oktober 2023 | 8,90% | 8,53% | 8,33% | 5,24% |
| november 2023 | 8,60% | 8,44% | 8,33% | 4,50% |
| december 2023 | 8,15% | 8,31% | 8,34% | 3,90% |
| januari 2024 | 7,45% | 6,20% | 0,00% | 3,10% |
| februari 2024 | 5,80% | 0,91% | 0,00% | 2,20% |
| maart 2024 | 3,81% | 0,50% | 0,00% | 1,62% |
| april 2024 | 2,11% | 0,00% | 0,00% | 0,90% |
| mei 2024 | 1,20% | 0,00% | 0,00% | 0,30% |
| juni 2024 | 0,52% | 0,00% | 0,00% | 0,13% |
| juli 2024 | 0,00% | 0,00% | 0,00% | 0,12% |
| augustus 2024 | 0,00% | 0,00% | 0,00% | 0,12% |
| september 2024 | 0,00% | 0,00% | 0,00% | 0,11% |
| oktober 2024 | 0,00% | 0,00% | 0,00% | 0,09% |
| november 2024 | 0,00% | 0,00% | 0,00% | 0,08% |
| december 2024 | 0,00% | 0,00% | 0,00% | 0,07% |
Voor een zorgverzekeraar die zich op grond van artikel 25 van de wet aanmeldt bij de Nederlandse Zorgautoriteit nadat het Zorginstituut de bijdragen voor de zorgverzekeraars heeft toegekend, kan het Zorginstituut voor die zorgverzekeraar afwijken van de vorige leden.
Het Zorginstituut kan, indien naar zijn oordeel uit nieuwe informatie blijkt dat de verwachting is dat bij de eerstvolgende herberekening of herziening van de vereveningsbijdrage, de vereveningsbijdrage meer dan 5 procent hoger zal zijn dan bij de laatst toegekende of voorlopig vastgestelde vereveningsbijdrage, afwijken van de vorige leden en de betalingen aan een zorgverzekeraar aanpassen.
Artikel 7.3. Aanpassing betalingen
Bij de herberekening en herziening van de toegekende vereveningsbijdrage 2023 op grond van Artikel 3.2 herziet het Zorginstituut de te betalen termijnen overeenkomstig Artikel 7.2 voor de eerste keer. Het Zorginstituut verrekent het verschil tussen de reeds betaalde termijnen en de voor de eerste keer herziene termijnen.
Bij gelegenheid van de eerste voorlopige vaststelling van de bijdrage, op grond van hoofdstuk IV, herziet het Zorginstituut voor de tweede keer de te betalen termijnen overeenkomstig Artikel 7.2. Het Zorginstituut verrekent het verschil tussen de reeds betaalde termijnen en de voor de tweede keer herziene termijnen.
Bij gelegenheid van de tweede voorlopige vaststelling van de bijdrage, op grond van hoofdstuk V, herziet het Zorginstituut de te betalen termijnen voor de derde keer overeenkomstig Artikel 7.2. Het Zorginstituut verrekent het verschil tussen de reeds betaalde termijnen en de voor de derde maal herziene termijnen.
Bij gelegenheid van de definitieve vaststelling van de bijdrage op grond van hoofdstuk VI, stelt het Zorginstituut de te betalen termijnen definitief vast overeenkomstig Artikel 7.2. Het Zorginstituut verrekent het verschil tussen de reeds betaalde termijnen en de definitief te betalen termijnen.
Indien toepassing van onderscheidenlijk het eerste, tweede, derde en vierde lid, resulteert in een positief saldo voor de zorgverzekeraar, betaalt het Zorginstituut dat saldo in één keer aan de zorgverzekeraar.
Indien toepassing van onderscheidenlijk het eerste, tweede, derde en vierde lid, resulteert in een negatief saldo voor de zorgverzekeraar, betaalt de betreffende zorgverzekeraar dat saldo in één keer terug aan het Zorginstituut.
Artikel 7.4. Rente
De zorgverzekeraar en het Zorginstituut zijn over en weer rente verschuldigd en hebben over en weer aanspraak op rente over de verschillen, bedoeld in Artikel 7.3.
De rente, bedoeld in het eerste lid, wordt bij de eerste voorlopige, tweede voorlopige en de definitieve vaststelling van de uitkering door het Zorginstituut verwerkt en zo mogelijk verrekend met andere betalingen die uit deze vaststellingen voortvloeien.
Artikel 7.5. Renteberekening
Bij de verrekening van verschillen, bedoeld in Artikel 7.3, tweede, derde en vierde lid, berekent het Zorginstituut rente over het verschil vanaf de datum waarop het verschil is ontstaan tot de datum waarop de verschillen worden verrekend.
Bij de verrekening van de verschillen, bedoeld in Artikel 7.3, tweede lid, berekent het Zorginstituut rente vanaf de betaaldata, bedoeld in Artikel 7.2 en 7.3, eerste en tweede lid, tot de datum van de voorlopige vaststelling van de bijdrage.
Bij de verrekening van de verschillen, bedoeld in Artikel 7.3, derde lid, berekent het Zorginstituut rente vanaf de betaaldata, bedoeld in Artikel 7.2 en 7.3, eerste, tweede en derde lid, tot de datum van de tweede voorlopige vaststelling van de bijdrage.
Bij de verrekening van de verschillen, bedoeld in Artikel 7.3, vierde lid, berekent het Zorginstituut rente vanaf de betaaldata, bedoeld in Artikel 7.2 en 7.3 eerste, tweede, derde en vierde lid, tot de datum van de definitieve vaststelling van de bijdrage.
Voor een zorgverzekeraar waarvoor krachtens Artikel 7.2, negende en tiende lid, afwijkende betalingen hebben plaatsgevonden, kan het Zorginstituut bij de renteberekening afwijken van de vorige leden.
Het Zorginstituut deelt het bedrag dat de zorgverzekeraar heeft terugbetaald op grond van Artikel 7.3, zesde lid, voor de renteberekening naar rato toe aan de eerste dag van de maand waarin is terugbetaald en de eerste dag van de daaropvolgende maand, waarbij het uitgangspunt is de dag van terugbetaling.
Voor het rentepercentage gaat het Zorginstituut uit van het gemiddelde van de maandrentes van het Euro Interbank Offered Rate (Euribortarief) voor driemaands termijngelden zonder onderpand bij toepassing van het eerste tot en met vijfde lid. Voor de laatste kalendermaand vóór de betaling gaat het Zorginstituut uit van de rente over de voorafgaande kalendermaand.
De rente betreft een samengestelde rente en wordt op maandbasis berekend.
Bij de berekening wordt een maand op 30 en een jaar op 360 dagen gesteld.
Indien de situatie zich voordoet dat het in deze paragraaf bedoelde Euro Interbank Offered Rate (Euribortarief) niet meer kan worden toegepast, zal een zoveel als mogelijk overeenkomstig tarief worden gehanteerd.
Hoofdstuk 8. VIII Slotbepalingen
Artikel 8.1. Inwerkingtreding
Deze beleidsregels treden in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij worden geplaatst, en werken terug tot en met 15 oktober 2022.
Artikel 8.2. Citeertitel
Deze beleidsregels worden aangehaald als: Beleidsregels risicoverevening 2023.
Deze beleidsregels worden in de Staatscourant geplaatst, met uitzondering van de bijlagen 1 tot en met 18 (referentiebestanden). Deze bijlagen worden gepubliceerd op de website www.zorginstituutnederland.nl.
Bijlage 1. Referentiebestand L5G modeljaar 2023, behorend bij Artikel 2.5 en Artikel 4.2
Gepubliceerd op www.zorginstituutnederland.nl.
Bijlage 2. Referentiebestand FKG_C modeljaar 2023, behorend bij Artikel 2.6 en Artikel 4.3
Gepubliceerd op www.zorginstituutnederland.nl.
Bijlage 3. Referentiebestand FKG_G modeljaar 2023, behorend bij Artikel 2.7 en Artikel 4.4
Gepubliceerd op www.zorginstituutnederland.nl.
Bijlage 4. Referentiebestand DKG_C modeljaar 2023, behorend bij Artikel 2.8 en Artikel 4.5
Gepubliceerd op www.zorginstituutnederland.nl.
Bijlage 5. Referentiebestand DKG_G modeljaar 2023, behorend bij Artikel 2.9 en Artikel 4.6
Gepubliceerd op www.zorginstituutnederland.nl.
Bijlage 6. Referentiebestand HKG_C modeljaar 2023, behorend bij Artikel 2.10 en Artikel 4.7
Gepubliceerd op www.zorginstituutnederland.nl.
Bijlage 7. Referentiebestand FDG_C modeljaar 2023, behorend bij Artikel 2.11 en Artikel 4.8
Gepubliceerd op www.zorginstituutnederland.nl.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)