Regeling van de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs van 8 oktober 2022, nr. VO/34073685, houdende regels voor de subsidieverstrekking voor het gericht werken aan een onderzoeks- en verbetercultuur in het funderend onderwijs (Subsidieregeling onderzoeks- en verbetercultuur funderend onderwijs 2023–2027)

Type Ministeriële regeling
Publication 2023-09-02
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op de artikelen 4 en 5 van de Wet overige OCW-subsidies en de artikelen 1.3 en 2.1 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS;

Besluit:

Hoofdstuk 1. Algemeen

Artikel 1.1. Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

Artikel 1.2. Toepassing Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS

Deze regeling geldt in aanvulling op de Kaderregeling.

Hoofdstuk 2. Subsidie pilotjaar

Artikel 2.1. Te subsidiëren activiteiten en maximaal subsidiebedrag
1.

De minister kan aan ten hoogste twee organisaties een subsidie verstrekken voor het gericht werken aan een onderzoeks- en verbetercultuur binnen het programma Ontwikkelkracht in het pilotjaar, aan de hand van een werkwijze. De werkwijze wordt tijdens het pilotjaar door de subsidieontvanger op ten minste twaalf scholen toegepast.

2.

Het subsidiebedrag per organisatie bedraagt ten hoogste € 252.500,–.

3.

De volgende kosten komen in ieder geval voor subsidie in aanmerking:

Artikel 2.2. Subsidieplafond

Voor de verstrekking van subsidies als bedoeld in artikel 2.1 is op grond van deze regeling in totaal een bedrag van € 505.000,– beschikbaar.

Artikel 2.3. Subsidieaanvraag pilotjaar
1.

Een organisatie kan van 1 november 2022 tot en met 1 december 022 een aanvraag indienen voor de subsidie, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid. Aanvragen die worden ontvangen na 1 december 2022, worden afgewezen.

2.

De aanvraag bevat een activiteitenplan en een begroting voor het pilotjaar. In aanvulling op hoofdstuk 3 van de Kaderregeling bevat het activiteitenplan een beschrijving van:

3.

Voor de subsidieaanvraag wordt gebruik gemaakt van het aanvraagformulier dat is bekendgemaakt op de website www.dus-i.nl.

Artikel 2.4. Beoordeling subsidieaanvraag pilotjaar
1.

De minister verdeelt het beschikbare bedrag na onderlinge afweging van de subsidieaanvragen op basis van de beoordelingscriteria, bedoeld in bijlage 1. Bij de beoordeling van de subsidieaanvragen worden punten toegekend, met een maximum van 100 punten per aanvraag. De aanvragen met een hoger aantal punten worden daarbij hoger in de rangschikking geplaatst.

2.

Indien twee of meer aanvragen op een gelijke positie worden gerangschikt, wordt de onderlinge rangschikking van deze aanvragen door middel van loting bepaald.

3.

De weging van de verschillende beoordelingscriteria, bedoeld in bijlage 1, is als volgt: onderdeel B weegt voor 40 procent mee. Onderdelen A, C en D ieder voor 20 procent.

4.

Een aanvraag komt alleen in aanmerking voor subsidieverlening indien op elk onderdeel van de beoordelingscriteria ten minste zestig procent van de punten zijn behaald.

Artikel 2.5. Verplichtingen subsidie pilotjaar

Aan de subsidieontvanger, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, worden de volgende verplichtingen opgelegd:

Artikel 2.6. Verlening en bevoorschotting
1.

De subsidie wordt verleend binnen 13 weken na afloop van de aanvraagtermijn, bedoeld in artikel 2.3, eerste lid.

2.

De minister verleent een voorschot van 100% en betaalt per kwartaal een gelijk deel van het subsidiebedrag.

Artikel 2.7. Verantwoording
1.

Ten aanzien van de verantwoording van de subsidie is artikel 7.8. van de Kaderregeling van toepassing.

2.

De subsidieontvanger toont voor 1 oktober 2024 op verzoek van de minister aan dat de activiteiten waarvoor subsidie is verstrekt, zijn verricht en dat is voldaan aan de verplichtingen die aan de subsidie verbonden zijn.

Hoofdstuk 3. Subsidie onderzoeksfase

Artikel 3.1. Te subsidiëren activiteiten en maximaal subsidiebedrag
1.

Na het pilotjaar beslist de minister over voortzetting van het verder uitvoeren van de werkwijze op 240 scholen per subsidieontvanger als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, in de onderzoeksfase.

2.

Indien het in het eerste lid bedoelde besluit positief is, kan de minister aan organisaties aan wie eerder op grond van artikel 2.1, eerste lid, subsidie is verstrekt, eveneens subsidie verstrekken voor het uitvoeren van de werkwijze in de onderzoeksfase. Indien de minister negatief besluit over voortzetting van het verder uitvoeren van de werkwijze in de onderzoeksfase door een organisatie, ontvangt die organisatie geen subsidie voor de onderzoeksfase.

3.

Het subsidiebedrag per organisatie bedraagt ten hoogste € 4.800.000,–. Artikel 2.1, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3.2. Subsidieplafond

Voor de verstrekking van subsidies als bedoeld in artikel 3.1 is op grond van deze regeling in totaal een bedrag van € 9.600.000,– beschikbaar.

Artikel 3.3. Subsidieaanvraag onderzoeksfase
1.

Een organisatie aan wie eerder op grond van artikel 2.1 subsidie is verstrekt, kan, indien het besluit van de minister, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, positief is, subsidie aanvragen voor de onderzoeksfase. Daartoe kan de organisatie vóór 15 juni 2024 een subsidieaanvraag indienen bij de minister.

2.

De aanvraag bevat een activiteitenplan en een begroting. Artikel 2.3, tweede lid, sub a tot en met c zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3.4. Beoordeling subsidieaanvraag onderzoeksfase

De minister verdeelt het beschikbare bedrag na beoordeling van de subsidieaanvragen op basis van de voortgangsrapportage, bedoeld in artikel 2.5, sub d, een onafhankelijk onderzoek door een externe partij en de aanvraag, bedoeld in artikel 3.3, tweede lid.

Artikel 3.5. Verplichtingen subsidie onderzoeksfase
1.

Aan de ontvanger van een subsidie als bedoeld in artikel 3.1, tweede lid, worden de volgende verplichtingen opgelegd:

Artikel 3.6. Verlening en bevoorschotting
1.

De subsidie wordt verleend binnen 13 weken na afloop van de aanvraagtermijn, bedoeld in artikel 3.3, eerste lid.

2.

De minister verleent een voorschot van 100% en betaalt per kwartaal een gelijk deel van het subsidiebedrag.

Artikel 3.7. Verantwoording
1.

Ten aanzien van de verantwoording van de subsidie is artikel 7.8 van de Kaderregeling van toepassing.

2.

De subsidieontvanger toont voor 1 januari 2028 op verzoek van de minister aan dat de activiteiten waarvoor subsidie is verstrekt, zijn verricht en dat is voldaan aan de verplichtingen die aan de subsidie verbonden zijn.

Hoofdstuk 4. Slotbepalingen

Artikel 4.1. Inwerkingtreding en vervaldatum
1.

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

2.

Deze regeling vervalt met ingang van 1 november 2027, met dien verstande dat de regeling van toepassing blijft op subsidies die op grond van de regeling zijn verstrekt.

Artikel 4.2. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling onderzoeks- en verbetercultuur funderend onderwijs 2023–2027.

Bijlage 1. behorende bij artikel 2.4. beoordelingscriteria subsidieregeling onderzoeks- en verbetercultuur funderend onderwijs 2023–2027

Deel A – Omschrijving werkwijze (algemeen)

Deel B – Activiteitenplan

Deel C – Begroting

Deel D – Samenhang binnen het programma Ontwikkelkracht

Deze regeling zal met de bijlage alsmede de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.