Regeling van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 28 oktober 2022, nr. WJZ/ 22086636, houdende regels voor het verstrekken van subsidies door het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat aan strategisch belangrijke onderzoeksprogramma’s van onderzoeksinstituten (Subsidieregeling strategisch belangrijke onderzoeksprogramma’s (SBO))

Type Ministeriële regeling
Publication 2025-07-18
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op artikel 3 van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies;

Besluit:

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

Artikel 2. Subsidieverstrekking aan strategisch belangrijke onderzoeksprogramma’s van reguliere en niet-reguliere onderzoeksinstituten
1.

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een in Nederland gevestigd onderzoeksinstituut voor het uitvoeren van een onderzoeksprogramma dat gericht is op:

2.

Een onderzoeksprogramma als bedoeld in het eerste lid omvat een samenhangend geheel van activiteiten, bestaande uit fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling, eventueel aangevuld met de bouw of het upgraden van onderzoeksinfrastructuur ten behoeve hiervan, waarbij deze activiteiten kunnen worden onderverdeeld in:

3.

De subsidieontvanger, bedoeld in het eerste lid, is een onderzoeksinstituut dat kwalificeert als:

Artikel 3. Subsidieverstrekking aan strategisch belangrijke onderzoeksprogramma’s van reguliere onderzoeksinstituten
1.

De minister kan op grond van deze regeling uitsluitend subsidie verstrekken aan een regulier onderzoeksinstituut voor een bepaald strategisch belangrijk onderzoeksprogramma, voor zover de minister de mogelijkheid tot het doen van een aanvraag om subsidieverlening voor de uitvoering van dit programma in bijlage 1 van deze regeling heeft opengesteld.

2.

De minister verstrekt geen subsidie aan een regulier onderzoeksinstituut voor het uitvoeren van een strategisch belangrijk onderzoeksprogramma indien aan dit reguliere onderzoeksinstituut voor het uitvoeren van een onderzoeksprogramma eerder subsidie verleend is op grond van deze regeling en de aanvraag om subsidieverlening niet vergezeld gaat van een verslag als bedoeld in artikel 10, vierde lid, onderdeel e, waaruit volgt dat dit onderzoeksprogramma heeft geleid tot kwalitatief hoogwaardig onderzoek.

Artikel 4. Subsidieverstrekking aan strategisch belangrijke onderzoeksprogramma’s van niet-reguliere onderzoeksinstituten
1.

De minister kan op grond van deze regeling uitsluitend subsidie verstrekken aan een niet-regulier onderzoeksinstituut voor zover de minister de mogelijkheid tot het doen van een aanvraag om subsidieverlening voor de uitvoering van een strategisch belangrijk onderzoeksprogramma op het gebied van een bepaald thema in bijlage 1 van deze regeling heeft opengesteld.

2.

Het subsidieplafond voor onderzoeksprogramma’s op het gebied van een bepaald thema als bedoeld in het eerste lid wordt achtereenvolgens verdeeld:

3.

De aanvragen om subsidieverlening voor een onderzoeksprogramma waarop niet afwijzend is beslist worden op grond van het tweede lid, onderdeel a, hoger gerangschikt naarmate hieraan in totaal meer punten worden toegekend vanwege de omstandigheid dat:

4.

De minister kent per onderdeel van het derde lid ten minste één en ten hoogste tien punten toe.

5.

De minister verstrekt geen subsidie aan een niet-regulier onderzoeksinstituut voor het uitvoeren van een strategisch belangrijk onderzoeksprogramma indien aan het desbetreffende onderzoeksprogramma na toepassing van het derde lid, onderdelen a tot en met c, en vierde lid, minder dan zes punten per criterium zijn toegekend.

Artikel 5. Hoogte subsidie
1.

De subsidie bedraagt:

2.

De subsidie bedraagt niet meer dan is aangevraagd, doch ten hoogste:

3.

Onverminderd het eerste en tweede lid kan ten hoogste 25% van de totale subsidie van het desbetreffende strategisch belangrijke onderzoeksprogramma bestemd zijn voor de investering in de bouw of het upgraden van onderzoeksinfrastructuur ten behoeve van dit strategisch belangrijke onderzoeksprogramma.

4.

Indien reeds door een bestuursorgaan of de Europese Commissie subsidie is verstrekt voor de subsidiabele kosten van een onderzoeksprogramma of een deel daarvan, wordt slechts een zodanig bedrag aan subsidie verstrekt dat het totale bedrag aan subsidies niet meer bedraagt dan het bedrag dat krachtens de toepasselijke Europese steunkaders kan worden verstrekt.

Artikel 6. Soorten subsidiabele kosten
1.

Voor subsidie komen uitsluitend in aanmerking de redelijk gemaakte kosten die verbonden zijn met de uitvoering van een niet-economische of economische activiteit waarvoor op grond van deze regeling subsidie is verstrekt en die bestaan uit:

2.

Indien voor de uitvoering van een onderzoeksprogramma dat op grond van deze regeling gefinancierd wordt met subsidie apparatuur wordt aangeschaft, maakt de eventuele restwaarde van deze apparatuur geen deel uit van de subsidiabele kosten voor dat onderzoeksprogramma.

3.

Winstopslagen of continuïteitsopslagen bij transacties binnen een groep worden alleen in aanmerking genomen voor zover het gebruikelijk is die ook bij soortgelijke transacties buiten de groep in rekening te brengen.

4.

Afschrijvingskosten van apparatuur en gebouwen worden lineair berekend als fractie van de aanschafprijs op basis van bedrijfseconomische grondslagen en normen.

5.

De subsidiabele kosten worden in aanmerking genomen met inbegrip van omzetbelasting, indien de subsidieontvanger die de kosten heeft gemaakt, omzetbelasting niet in aftrek kan brengen.

6.

Niet voor subsidie komen in aanmerking de kosten die gemaakt worden in verband met de inzet van een natuurlijk persoon die een arbeidsovereenkomst heeft met een instituut als bedoeld in artikel 1 van de Subsidieregeling instituten voor toegepast onderzoek of de organisatie, bedoeld in artikel 1 van de TNO-wet, indien het desbetreffende instituut of de desbetreffende organisatie:

Artikel 7. Berekeningsmethoden subsidiabele kosten
1.

De subsidiabele kosten worden berekend op basis van een voor het onderzoeksinstituut gebruikelijke en controleerbare methode, die is gebaseerd op bedrijfseconomische grondslagen en normen die in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd en die het onderzoeksinstituut stelselmatig toepast.

2.

De kosten van aangeschafte apparatuur en verbruikte materialen en hulpmiddelen worden berekend op basis van historische aanschafprijzen.

3.

Het onderzoeksinstituut bepaalt de subsidiabele kosten met behulp van:

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.