Regeling van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 28 oktober 2022, nr. WJZ/ 22086636, houdende regels voor het verstrekken van subsidies door het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat aan strategisch belangrijke onderzoeksprogramma’s van onderzoeksinstituten (Subsidieregeling strategisch belangrijke onderzoeksprogramma’s (SBO))
Gelet op artikel 3 van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies;
Besluit:
Artikel 1. Begripsbepalingen
In deze regeling wordt verstaan onder:
- algemene groepsvrijstellingsverordening: verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU 2014, L 187);
- arbeidsovereenkomst: een arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 610 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek;
- daadwerkelijke samenwerking: daadwerkelijke samenwerking als bedoeld in artikel 2, onderdeel 90, van de algemene groepsvrijstellingsverordening en paragraaf 1.3, onderdeel h, van het O&O&I-steunkader;
- experimentele ontwikkeling: experimentele ontwikkeling als bedoeld in artikel 2, onderdeel 86, van de algemene groepsvrijstellingsverordening en paragraaf 1.3, onderdeel k, van het O&O&I-steunkader;
- fundamenteel onderzoek: fundamenteel onderzoek als bedoeld in artikel 2, onderdeel 84, van de algemene groepsvrijstellingsverordening en paragraaf 1.3, onderdeel n, van het O&O&I-steunkader;
- industrieel onderzoek: industrieel onderzoek als bedoeld in artikel 2, onderdeel 85, van de algemene groepsvrijstellingsverordening en paragraaf 1.3, onderdeel r, van het O&O&I-steunkader;
- kostendrager: een product dat, of een in economisch opzicht homogene groep van producten die, als voorwerp van calculatie wordt gekozen;
- Minister:
- a. Minister van Economische Zaken en Klimaat, indien het subsidie betreft die door de Minister van Economische Zaken en Klimaat, ten laste van diens begroting, wordt verleend aan een onderzoeksinstituut; of
- b. Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, indien het subsidie betreft die door de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, ten laste van diens begroting, wordt verleend aan een onderzoeksinstituut;
- O&O&I-steunkader: Kaderregeling betreffende staatssteun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie (C(2022) 7388 final);
- onderneming: iedere eenheid, ongeacht haar rechtsvorm of wijze van financiering, die een economische activiteit uitoefent;
- onderzoeksinfrastructuur: onderzoeksinfrastructuur als bedoeld in artikel 2, onderdeel 91, van de algemene groepsvrijstellingsverordening en paragraaf 1.3, onderdeel gg, van het O&O&I-steunkader;
- onderzoeksinstituut: een rechtspersoon die:
- a. zich overwegend bezighoudt met het uitvoeren van onderzoeksprogramma’s als bedoeld in artikel 2, eerste en tweede lid; en
- b. niet kwalificeert als:
- 1°. een instituut als bedoeld in artikel 1 van de Subsidieregeling instituten voor toegepast onderzoek; of
- 2°. de organisatie, bedoeld in artikel 1 van de TNO-wet;
- samenwerkingsverband: een geen rechtspersoonlijkheid bezittend verband, bestaande uit ten minste twee niet in een groep verbonden deelnemers, dat is opgericht ten behoeve van de uitvoering van activiteiten, niet zijnde een vennootschap.
Artikel 2. Subsidieverstrekking aan strategisch belangrijke onderzoeksprogramma’s van reguliere en niet-reguliere onderzoeksinstituten
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een in Nederland gevestigd onderzoeksinstituut voor het uitvoeren van een onderzoeksprogramma dat gericht is op:
- a. de ontwikkeling en toepassing van kennis ten behoeve van het oplossen van maatschappelijke vraagstukken op één of meer beleidsterreinen genoemd in artikel 2, eerste lid, van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies;
- b. het vergroten van de innovatiekracht van Nederland via het, eventueel in overleg of in samenwerking met in Nederland gevestigde ondernemingen, kennisinstellingen, overheden, of maatschappelijke organisaties, ontwikkelen van producten en diensten die vernieuwend zijn ten opzichte van de internationale stand van onderzoek of techniek; en
- c. het breed verspreiden van kennis ten behoeve van de brede implementatie en toepassing van de ontwikkelde producten of diensten, bedoeld in onderdeel b.
Een onderzoeksprogramma als bedoeld in het eerste lid omvat een samenhangend geheel van activiteiten, bestaande uit fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling, eventueel aangevuld met de bouw of het upgraden van onderzoeksinfrastructuur ten behoeve hiervan, waarbij deze activiteiten kunnen worden onderverdeeld in:
- a. niet-economische activiteiten, onafhankelijk uitgevoerd door een onderzoeksinstituut met het oog op meer kennis en een beter inzicht;
- b. economische activiteiten, uitgevoerd door een onderzoeksinstituut die voor het uitvoeren van deze activiteiten als onderneming kwalificeert.
De subsidieontvanger, bedoeld in het eerste lid, is een onderzoeksinstituut dat kwalificeert als:
- a. een regulier onderzoeksinstituut, dat door de minister is aangewezen als reguliere uitvoerder van strategisch belangrijke onderzoeksprogramma’s vanwege de belangrijke, substantiële of langdurige bijdrage die door dit onderzoeksinstituut met de uitvoering van onderzoeksprogramma’s geleverd is of naar verwachting geleverd zou kunnen worden aan de doelstellingen, bedoeld in het eerste lid; of
- b. een niet-regulier onderzoeksinstituut, dat na toepassing van de artikelen 4, 8 en 9 door de minister incidenteel geselecteerd is voor het uitvoeren van een bepaald strategisch belangrijk onderzoeksprogramma vanwege de belangrijke en substantiële bijdrage die door dit onderzoeksinstituut met de uitvoering van dit onderzoeksprogramma naar verwachting ten minste eenmalig geleverd zou kunnen worden aan de doelstellingen, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 3. Subsidieverstrekking aan strategisch belangrijke onderzoeksprogramma’s van reguliere onderzoeksinstituten
De minister kan op grond van deze regeling uitsluitend subsidie verstrekken aan een regulier onderzoeksinstituut voor een bepaald strategisch belangrijk onderzoeksprogramma, voor zover de minister de mogelijkheid tot het doen van een aanvraag om subsidieverlening voor de uitvoering van dit programma in bijlage 1 van deze regeling heeft opengesteld.
De minister verstrekt geen subsidie aan een regulier onderzoeksinstituut voor het uitvoeren van een strategisch belangrijk onderzoeksprogramma indien aan dit reguliere onderzoeksinstituut voor het uitvoeren van een onderzoeksprogramma eerder subsidie verleend is op grond van deze regeling en de aanvraag om subsidieverlening niet vergezeld gaat van een verslag als bedoeld in artikel 10, vierde lid, onderdeel e, waaruit volgt dat dit onderzoeksprogramma heeft geleid tot kwalitatief hoogwaardig onderzoek.
Artikel 4. Subsidieverstrekking aan strategisch belangrijke onderzoeksprogramma’s van niet-reguliere onderzoeksinstituten
De minister kan op grond van deze regeling uitsluitend subsidie verstrekken aan een niet-regulier onderzoeksinstituut voor zover de minister de mogelijkheid tot het doen van een aanvraag om subsidieverlening voor de uitvoering van een strategisch belangrijk onderzoeksprogramma op het gebied van een bepaald thema in bijlage 1 van deze regeling heeft opengesteld.
Het subsidieplafond voor onderzoeksprogramma’s op het gebied van een bepaald thema als bedoeld in het eerste lid wordt achtereenvolgens verdeeld:
- a. op volgorde van rangschikking van de aanvragen om subsidieverlening; en
- b. voor zover bij de rangschikking, bedoeld in onderdeel a, dit subsidieplafond wordt overschreden, op volgorde van loting van de aanvragen om subsidieverlening die bij de beoordeling op grond van onderdeel a gelijk zijn gerangschikt.
De aanvragen om subsidieverlening voor een onderzoeksprogramma waarop niet afwijzend is beslist worden op grond van het tweede lid, onderdeel a, hoger gerangschikt naarmate hieraan in totaal meer punten worden toegekend vanwege de omstandigheid dat:
- a. het onderzoeksprogramma meer bijdraagt aan de doelen, bedoeld in artikel 2, eerste lid;
- b. de kwaliteit van het onderzoeksplan beter is, blijkend uit de uitwerking van de aanpak en methodiek, de omgang met risico’s voor de succesvolle uitvoering van het onderzoeksprogramma, de uitvoerbaarheid en de mate waarin de beschikbare middelen effectiever en efficiënter worden ingezet;
- c. de subsidieaanvrager die het onderzoeksprogramma uitvoert meer geschikt is om een onderzoeksprogramma uit te voeren, blijkend uit:
- 1°. de mate waarin de daarvoor benodigde competenties binnen de aanvrager aanwezig zijn;
- 2°. de mate waarin er draagvlak bestaat voor het onderzoeksprogramma bij binnen Nederland gevestigde ondernemingen, maatschappelijke organisaties of overheden;
- 3°. de mate waarin de subsidieaanvrager succesvolle ervaring heeft met de uitvoering van soortgelijke onderzoeksprogramma’s;
- 4°. de kwaliteit van de projectorganisatie die aanwezig is bij de subsidieaanvrager.
De minister kent per onderdeel van het derde lid ten minste één en ten hoogste tien punten toe.
De minister verstrekt geen subsidie aan een niet-regulier onderzoeksinstituut voor het uitvoeren van een strategisch belangrijk onderzoeksprogramma indien aan het desbetreffende onderzoeksprogramma na toepassing van het derde lid, onderdelen a tot en met c, en vierde lid, minder dan zes punten per criterium zijn toegekend.
Artikel 5. Hoogte subsidie
De subsidie bedraagt:
- a. voor niet-economische onderzoeksactiviteiten van een strategisch belangrijk onderzoeksprogramma 100% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling;
- b. voor economische onderzoeksactiviteiten van een strategisch belangrijk onderzoeksprogramma:
- 1°. 100% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op fundamenteel onderzoek;
- 2°. 50% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op industrieel onderzoek;
- 3°. 25% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op experimentele ontwikkeling;
- c. 50% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op de bouw of het upgraden van onderzoeksinfrastructuur.
De subsidie bedraagt niet meer dan is aangevraagd, doch ten hoogste:
- a. € 35.000.000 per subsidieaanvrager per strategisch belangrijk onderzoeksprogramma, voor zover de activiteiten overwegend bestaan uit fundamenteel onderzoek of industrieel onderzoek;
- b. € 25.000.000 per subsidieaanvrager per strategisch belangrijk onderzoeksprogramma, voor zover de activiteiten overwegend bestaan uit experimentele ontwikkeling.
Onverminderd het eerste en tweede lid kan ten hoogste 25% van de totale subsidie van het desbetreffende strategisch belangrijke onderzoeksprogramma bestemd zijn voor de investering in de bouw of het upgraden van onderzoeksinfrastructuur ten behoeve van dit strategisch belangrijke onderzoeksprogramma.
Indien reeds door een bestuursorgaan of de Europese Commissie subsidie is verstrekt voor de subsidiabele kosten van een onderzoeksprogramma of een deel daarvan, wordt slechts een zodanig bedrag aan subsidie verstrekt dat het totale bedrag aan subsidies niet meer bedraagt dan het bedrag dat krachtens de toepasselijke Europese steunkaders kan worden verstrekt.
Artikel 6. Soorten subsidiabele kosten
Voor subsidie komen uitsluitend in aanmerking de redelijk gemaakte kosten die verbonden zijn met de uitvoering van een niet-economische of economische activiteit waarvoor op grond van deze regeling subsidie is verstrekt en die bestaan uit:
- a. de kosten, bedoeld in artikel 25, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, voor zover deze betrekking hebben op fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling;
- b. de kosten, bedoeld in artikel 26, vijfde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, voor zover deze betrekking hebben op de bouw of het upgraden van onderzoeksinfrastructuur.
Indien voor de uitvoering van een onderzoeksprogramma dat op grond van deze regeling gefinancierd wordt met subsidie apparatuur wordt aangeschaft, maakt de eventuele restwaarde van deze apparatuur geen deel uit van de subsidiabele kosten voor dat onderzoeksprogramma.
Winstopslagen of continuïteitsopslagen bij transacties binnen een groep worden alleen in aanmerking genomen voor zover het gebruikelijk is die ook bij soortgelijke transacties buiten de groep in rekening te brengen.
Afschrijvingskosten van apparatuur en gebouwen worden lineair berekend als fractie van de aanschafprijs op basis van bedrijfseconomische grondslagen en normen.
De subsidiabele kosten worden in aanmerking genomen met inbegrip van omzetbelasting, indien de subsidieontvanger die de kosten heeft gemaakt, omzetbelasting niet in aftrek kan brengen.
Niet voor subsidie komen in aanmerking de kosten die gemaakt worden in verband met de inzet van een natuurlijk persoon die een arbeidsovereenkomst heeft met een instituut als bedoeld in artikel 1 van de Subsidieregeling instituten voor toegepast onderzoek of de organisatie, bedoeld in artikel 1 van de TNO-wet, indien het desbetreffende instituut of de desbetreffende organisatie:
- a. de overwegende zeggenschap heeft over het reguliere of niet-reguliere onderzoeksinstituut; of
- b. preferente toegang heeft tot de onderzoeksresultaten of onderzoeksfaciliteiten van het reguliere of niet-reguliere onderzoeksinstituut.
Artikel 7. Berekeningsmethoden subsidiabele kosten
De subsidiabele kosten worden berekend op basis van een voor het onderzoeksinstituut gebruikelijke en controleerbare methode, die is gebaseerd op bedrijfseconomische grondslagen en normen die in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd en die het onderzoeksinstituut stelselmatig toepast.
De kosten van aangeschafte apparatuur en verbruikte materialen en hulpmiddelen worden berekend op basis van historische aanschafprijzen.
Het onderzoeksinstituut bepaalt de subsidiabele kosten met behulp van:
- a. de integrale kostensystematiek, door:
- 1°. de directe en indirecte kosten per kostendrager in een tarief per eenheid van deze kostendrager te berekenen; en
- 2°. de subsidiabele kosten te berekenen door het aantal eenheden van de kostendragers te vermenigvuldigen met het ingevolge subonderdeel 1° berekende tarief, vermeerderd met de aan derden betaalde kosten voor zover deze geen deel uitmaken van het ingevolge subonderdeel 1° vastgestelde tarief;
- b. de loonkosten plus vaste-opslag-systematiek, door de directe loonkosten per uur te vermenigvuldigen met het aantal uren dat de direct bij de subsidiabele activiteiten betrokken personen ten behoeve van deze activiteiten hebben gemaakt, vermeerderd met:
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.