Regeling van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 6 december 2022, kenmerk 3468798-1039784-J, houdende specifieke uitkeringen voor randvoorwaardelijke functies jeugdhulp

Type Ministeriële regeling
Publication 2025-10-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op de artikelen 3 en 5 van de Kaderwet VWS-subsidies;

Besluit:

Artikel 1. Definities

In deze regeling wordt verstaan onder:

Artikel 2. Toepasselijkheid Kaderregeling en Awb
1.

Op deze regeling is de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS niet van toepassing.

2.

Op deze regeling zijn de artikelen 4:35, 4:48 tot en met 4:50, 4:56 en 4:57 van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3. Activiteiten waarvoor een specifieke uitkering kan worden verstrekt
1.

De minister kan een specifieke uitkering aan een coördinerende gemeente verstrekken voor activiteiten die nodig zijn in verband met de inkoop en organisatie van de volgende randvoorwaardelijke functies:

2.

De activiteiten, bedoeld in het eerste lid, onder a, omvatten of zijn ondersteunend aan de volgende doelstellingen:

3.

De activiteiten, bedoeld in het eerste lid, onder b, omvatten of zijn ondersteunend aan de volgende doelstellingen:

4.

De activiteiten, bedoeld in het eerste lid, onder c, omvatten of zijn ondersteunend aan de volgende doelstellingen:

Artikel 4. Hoogte van de specifieke uitkering en uitkeringsplafond 2025

De specifieke uitkering per randvoorwaardelijke functie en per coördinerende gemeente bedraagt voor 2025 maximaal:

a) Amsterdam € 3.897.690,33
b) Rotterdam € 5.004.065,81
c) Eindhoven € 3.930.712,26
d) Roermond € 1.844.638,51
e) Groningen € 2.677.568,31
f) Utrecht € 2.812.216,18
g) Nijmegen € 3.237.468,30
h) Enschede € 2.140.640,29
a) Amsterdam € 926.050,72
b) Groningen € 1.430.173,25
c) Leiden € 827.417,94
d) Nijmegen € 1.649.357,09
a) Arnhem € 90.000,00
b) Den Haag € 140.000,00
c) Leeuwarden € 90.000,00
d) Tilburg € 115.000,00
e) Utrecht € 115.000,00
Artikel 5. Hoogte van de specifieke uitkering en uitkeringsplafond vanaf 2026

De specifieke uitkering per randvoorwaardelijke functie en per coördinerende gemeente bedraagt vanaf 2026 maximaal:

a) Amsterdam € 3.433.080,15
b) Rotterdam € 4.407.574,11
c) Eindhoven € 3.462.165,82
d) Roermond € 1.624.755,01
e) Groningen € 2.358.398,39
f) Utrecht € 2.476.996,05
g) Nijmegen € 2.851.557,52
h) Enschede € 1.885.472,95
a) Amsterdam € 941.053,02
b) Groningen € 1.453.242,50
c) Leiden € 840.822,36
d) Nijmegen € 1.676.077,18
a) Arnhem € 91.458,03
b) Den Haag € 142.268,04
c) Leeuwarden € 91.458,03
d) Tilburg € 116.863,04
e) Utrecht € 116.863,04
Artikel 6. Verlening
1.

De minister neemt jaarlijks vóór 1 februari een besluit omtrent de verlening van de specifieke uitkering voor een periode van een jaar.

2.

Het besluit tot verlening vermeldt in elk geval het doel waarvoor de specifieke uitkering wordt verleend, het bedrag van de specifieke uitkering, de periode waarvoor de specifieke uitkering wordt verleend en de wijze waarop de verantwoording plaatsvindt.

3.

De minister verleent bij het besluit tot verlening van de specifieke uitkering een voorschot van 100% dat in één keer wordt betaald.

4.

In afwijking van het eerste lid, neemt de minister vóór 1 maart 2023 een besluit omtrent de verlening van de specifieke uitkering voor de jaren 2023 en 2024.

Artikel 7. Algemene verplichtingen
1.

De coördinerende gemeente informeert de minister op verzoek over de stand van zaken rond de randvoorwaardelijke functie, de activiteiten die ondernomen worden en over de besteding van de middelen uit de specifieke uitkering.

2.

De subsidieontvanger meldt onverwijld schriftelijk aan de minister indien:

Artikel 8. Specifieke verplichtingen expertisenetwerken jeugdhulp
1.

De coördinerende gemeente draagt er zorg voor dat het expertisenetwerk jeugdhulp de basisset indicatoren, zoals afgesproken tussen VNG, VWS en de coördinerende gemeente, gebruikt om te leren van de casuïstiek.

2.

De coördinerende gemeente draagt er zorg voor dat een vertegenwoordiger van het expertisenetwerk jeugdhulp participeert in het landelijk lerend netwerk.

3.

De coördinerende gemeente draagt er zorg voor dat de wethouder die verantwoordelijk is voor het jeugddomein deelneemt aan het bestuurlijk overleg expertisenetwerken jeugdhulp.

Artikel 9. Specifieke verplichting academisch onderzoek als onderdeel van de academische functie van een ACKJP

De coördinerende gemeente betrekt andere gemeenten of jeugdregio's bij het gesprek met het ACKJP over de vraag of en hoe de onderzoeksresultaten van waarde zijn voor de uitvoering van de jeugdhulp en de vakinhoudelijke ontwikkeling van jeugdhulpprofessionals.

Artikel 10. Specifieke verplichtingen plaatsingscoördinatie gesloten jeugdhulp
1.

De coördinerende gemeente draagt er zorg voor dat er een plaatsingscoördinatie gesloten jeugdhulp is.

2.

De coördinerende gemeente draagt de plaatsingscoördinatie gesloten jeugdhulp op om monitorinformatie bij te houden door middel van geregistreerde data vanuit het toeleidingssysteem.

3.

De coördinerende gemeente belegt de verantwoordelijkheid bij de plaatsingscoördinatie gesloten jeugdhulp voor het verkrijgen van een regionaal inzicht in de ontwikkeling van het aantal plaatsingen in de gesloten jeugdhulp.

4.

De coördinerende gemeente draagt de plaatsingscoördinatie gesloten jeugdhulp op om ten behoeve van landelijk inzicht monitoringsinformatie te delen met de Jeugdautoriteit.

Artikel 11. Verantwoording
1.

De ontvanger van een specifieke uitkering legt verantwoording af over de besteding van de specifieke uitkering op de wijze bepaald in artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet.

2.

Daar waar sprake is van overdracht van middelen naar een medeoverheid is SiSa tussen medeoverheden van toepassing conform artikel 17a, tweede lid van de Financiële-verhoudingswet.

3.

Indien een specifieke uitkering als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder a of b, niet of niet geheel in het jaar of in de jaren waarvoor deze verleend is, is besteed aan de activiteiten voor de betreffende randvoorwaardelijke functie, kan het overschot in het daaropvolgende jaar worden besteed aan de activiteiten voor dezelfde randvoorwaardelijke functie, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder a of b.

Artikel 12. Vaststelling
1.

De minister besluit uiterlijk 38 weken na ontvangst van de verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 11, over de vaststelling van de specifieke uitkering.

2.

Indien de activiteiten waarvoor de specifieke uitkering is verleend, zijn verricht en daarnaast volledig is voldaan aan de voorwaarden en verplichtingen die verbonden zijn aan de specifieke uitkering, wordt de specifieke uitkering vastgesteld op het bedrag dat bestaat uit de gerealiseerde kosten, tot ten hoogste het in de verleningsbeschikking genoemde bedrag.

Artikel 13. Hardheidsclausule

De minister kan een of meer bepalingen van deze regeling buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing gelet op het belang dat de desbetreffende bepaling beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Artikel 14. Inwerkingtreding en vervaldatum

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2023 en vervalt met ingang van 1 januari 2028, met dien verstande dat de regeling van toepassing blijft op specifieke uitkeringen die krachtens deze regeling zijn verleend.

Artikel 15. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling specifieke uitkering randvoorwaardelijke functies jeugdhulp.

Bijlage 1. Regio-indeling

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.