Verordening op de organen voor de Beroepsreglementering
Gelet op artikel 3, onderdeel a, 5 en 19, eerste lid, van de Wet op het accountantsberoep;
Stelt de volgende verordening vast:
Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen
Artikel 1
Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
- –. aan assurance verwante opdracht: aan assurance verwante opdracht als bedoeld in artikel 1 van de Verordening op de ledengroepen;
- –. accountant: accountant als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het accountantsberoep;
- –. assurance opdracht: assurance-opdracht als bedoeld in artikel 1 van de Verordening inzake de onafhankelijkheid van accountants bij assurance-opdrachten;
- –. beroepsorganisatie: Nederlandse beroepsorganisatie van accountants als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet op het accountantsberoep;
- –. beroepsreglementeringsproces: het regelgevend proces voor het opstellen van gedrags- en beroepsregels van de beroepsorganisatie, handreikingen en alerts van de beroepsorganisatie en interpretaties van gedrags- en beroepsregels.
- –. bestuur: bestuur van de beroepsorganisatie;
- –. collegelid of collegeleden: lid of leden van het College;
- –. IAASB: International Auditing and Assurance Standards Board;
- –. IESBA: International Ethics Standards Boards for Accountants;
- –. lid of leden: het lid of de leden van het Belanghebbendenorgaan;
- –. subcommissielid of subcommissieleden: het lid of de leden van een subcommissie.
Hoofdstuk 2. Het belanghebbendenorgaan beroepsreglementering
Artikel 2
Er is een Belanghebbendenorgaan beroepsreglementering, hierna te noemen: het Belanghebbendenorgaan.
Het Belanghebbendenorgaan heeft tot taak:
- a. het adviseren van het College bij het uitvoeren van haar taken in het kader van het beroepsreglementeringsproces van de beroepsorganisatie;
- b. het vaststellen of het College zich bij de uitvoering van projecten gehouden heeft aan het beroepsreglementeringsproces van de beroepsorganisatie;
- c. het geven van advies met betrekking tot de reacties van de beroepsorganisatie op consultaties van de IAASB en de IESBA;
- d. het gevraagd en ongevraagd adviseren van het College over zaken van maatschappelijk belang met betrekking tot de gedrags- en beroepsregels van de beroepsorganisatie.
Het Belanghebbendenorgaan kan in het kader van zijn taken externe deskundigen inschakelen.
Artikel 3
Het Belanghebbendenorgaan bestaat uit de volgende leden:
- a. een voorzitter en een plaatsvervangend voorzitter; en
- b. ten minste zeven andere leden.
De leden zijn geen openbaar accountant als bedoeld in artikel 1 van de Verordening op de ledengroepen.
De voorzitter en de plaatsvervangend voorzitter mogen niet in relatie staan tot een accountantseenheid, anders dan in een cliëntrelatie.
De voorzitter en de plaatsvervangend voorzitter van het Belanghebbendenorgaan worden door de ledenvergadering benoemd voor een periode van vier jaar op voordracht van de voorzitter van het bestuur en de aftredende voorzitter van het Belanghebbendenorgaan of bij diens afwezigheid de plaatsvervangend voorzitter van het Belanghebbendenorgaan. De voorzitter en de plaatsvervangend voorzitter van het Belanghebbendenorgaan kunnen elk eenmaal worden herbenoemd voor een periode van vier jaar.
De andere leden van het Belanghebbendenorgaan worden door het bestuur benoemd op gezamenlijke voordracht van de voorzitter en de plaatsvervangend voorzitter van het Belanghebbendenorgaan voor een periode van vier jaar. Elk lid kan eenmaal worden herbenoemd voor een periode van vier jaar.
De leden treden af volgens een door het Belanghebbendenorgaan vast te stellen rooster. Het rooster wordt zodanig ingericht, dat voor zover mogelijk jaarlijks een gelijk aantal leden aftreedt.
Het lid dat benoemd is ter vervulling van een tussentijds opengevallen plaats, treedt af op het tijdstip waarop degene, in wiens plaats dit lid is benoemd, had moeten aftreden.
Het lid dat benoemd is ter vervulling van een tussentijds opengevallen plaats, kan eenmaal worden herbenoemd voor de periode van vier jaar.
De leden vormen gezamenlijk een goede afspiegeling van de belanghebbenden bij assurance en aan assurance verwante opdrachten.
In de uitoefening van de taken wordt het Belanghebbendenorgaan bijgestaan door een staf. De staf legt operationeel verantwoording af aan de voorzitter van het Belanghebbendenorgaan en wordt middels een interne SLA door de beroepsorganisatie aan het Belanghebbendenorgaan ter beschikking gesteld.
Artikel 4
Een lid van het Belanghebbendenorgaan wordt benoemd op persoonlijke titel en handelt zonder last.
Het lidmaatschap van het Belanghebbendenorgaan is onverenigbaar met:
- a. het lidmaatschap van het bestuur;
- b. het lidmaatschap van het College van Beroep voor het bedrijfsleven;
- c. het lidmaatschap van de accountantskamer;
- d. het lidmaatschap van de klachtencommissie;
- e. het lidmaatschap van de Raad voor geschillen;
- f. het lidmaatschap van het College voor beroepsreglementering;
- g. het lidmaatschap van het bestuur van een faculty;
- h. het lidmaatschap van de Raad voor Toezicht; en
- i. een arbeidsovereenkomst met de beroepsorganisatie of het verrichten van werkzaamheden voor de beroepsorganisatie uit hoofde van een andere overeenkomst.
Artikel 5
Het lidmaatschap van het Belanghebbendenorgaan eindigt:
- a. op verzoek van het lid;
- b. bij het bereiken van de zeventigjarige leeftijd;
- c. bij het verstrijken van de zittingsduur;
- d. als het lid door het aanvaarden van een andere rol niet langer gezien kan worden als een vertegenwoordiger van de groep die door het lid in het belanghebbendenorgaan werd vertegenwoordigd;
- e. als het lid een lidmaatschap of werkzaamheid aanvaardt als bedoeld in artikel 4 lid 2; of
- f. bij een daartoe strekkende beslissing van het bestuur na een voordracht van het Belanghebbendenorgaan wegens ongeschiktheid.
Artikel 6
[VERVALLEN]
Artikel 7
Het Belanghebbendenorgaan vergadert ten minste vijf keer per jaar of zo dikwijls als het dat nodig oordeelt.
Voor het tot stand komen van een beslissing bij stemming, is de meerderheid van de uitgebrachte stemmen vereist. Bij het staken van de stemmen is de stem van de voorzitter, of bij afwezigheid van de voorzitter de stem van de plaatsvervangend voorzitter doorslaggevend,
Ieder lid brengt slechts één stem uit.
Het Belanghebbendenorgaan neemt geen beslissingen indien niet ten minste de meerderheid van de leden heeft deelgenomen aan de stemming. Stemmen kunnen ook op digitale wijze worden uitgebracht.
Een lid of leden van het Belanghebbendenorgaan kunnen ervoor kiezen een minderheidsstandpunt vast te laten leggen in stukken waarin adviezen en vaststellingen worden vastgelegd.
De voorzitter of de plaatsvervangend voorzitter van het College worden op grond van hun functie uitgenodigd bij de vergaderingen van het Belanghebbendenorgaan.
Hoofdstuk 3. Het College voor beroepsreglementering
Artikel 8
Er is een College voor beroepsreglementering, hierna te noemen: het College.
Het College heeft tot taak:
- a. het voorbereiden van verordeningen en nadere voorschriften aangaande de gedrags- en beroepsregels voor accountants;
- b. het voorbereiden van toelichtingen en uitleg met betrekking tot door de beroepsorganisatie en andere wet- en regelgevers uitgegeven gedrags- en beroepsregels voor accountants of accountantseenheden;
- c. het gevraagd en ongevraagd adviseren van het bestuur of de ledenvergadering over de bevordering van de goede beroepsuitoefening door accountants.
Het College kan zich bij het uitvoeren van zijn taken laten ondersteunen door subcommissies, werkgroepen en projectgroepen. Er is ten minste een Subcommissie Assurance en een Subcommissie Ethiek.
Het College kan in het kader van zijn taken externe deskundigen, waaronder accountants, inschakelen.
Artikel 9
Het College bestaat uit de volgende collegeleden:
- a. een collegevoorzitter en een plaatsvervangend collegevoorzitter;
- b. zeven andere accountants-collegeleden; en
- c. ten minste één en maximaal drie andere niet-accountants-collegeleden.
De collegevoorzitter en de plaatsvervangend collegevoorzitter zijn accountant.
De collegevoorzitter en de plaatsvervangend collegevoorzitter worden door het bestuur benoemd voor een periode van vier jaar op gezamenlijke voordracht van de voorzitter van het bestuur en de voorzitter van het Belanghebbendenorgaan. De collegevoorzitter en de plaatsvervangend collegevoorzitter kunnen elk eenmaal worden herbenoemd voor een periode van vier jaar.
De andere collegeleden worden door het bestuur benoemd op gezamenlijke voordracht van de collegevoorzitter en plaatsvervangend collegevoorzitter voor een periode van vier jaar. Een ander collegelid kan eenmaal worden herbenoemd voor een periode van vier jaar.
De collegeleden treden af volgens een door het College vast te stellen rooster. Het rooster wordt zodanig ingericht, dat voor zover mogelijk jaarlijks een gelijk aantal leden aftreedt.
Het collegelid dat benoemd is ter vervulling van een tussentijds opengevallen plaats, treedt af op het tijdstip, waarop degene, in wiens plaats dit lid is benoemd, had moeten aftreden.
Het collegelid dat benoemd is ter vervulling van een tussentijds opengevallen plaats, kan eenmaal worden herbenoemd voor een periode van vier jaar.
De accountants die lid zijn van het college vervullen in hun dagelijkse werkzaamheden een goede afspiegeling van de rollen die accountants in Nederland bij de uitoefening van het beroep vervullen.
De expertise van de niet-accountantsleden moet complementair zijn aan de competenties van de accountants en een bijdrage kunnen leveren aan de goede beroepsuitoefening door accountants,
Door vernummering vervallen.
In de uitoefening van zijn taken en die van de subcommissies wordt het College bijgestaan door een staf. De staf legt verantwoording af aan de voorzitter van het college en wordt middels een interne service level agreement door de beroepsorganisatie aan het College ter beschikking gesteld.
Artikel 10
Een subcommissie bestaat uit de volgende subcommissieleden:
- a. een voorzitter en een plaatsvervangend voorzitter; en
- b. ten minste vijf en ten hoogste zeven andere subcommissieleden.
De voorzitter en de plaatsvervangend voorzitter zijn accountant.
Ten minste 60% van de andere subcommissieleden is accountant.
De voorzitter en de plaatsvervangend voorzitter van een subcommissie worden door het bestuur benoemd op gezamenlijke voordracht van de voorzitter en de plaatsvervangend voorzitter van het College voor een periode van vier jaar. De voorzitter en de plaatsvervangend voorzitter van een subcommissie kunnen elk eenmaal worden herbenoemd voor een periode van vier jaar.
De andere subcommissieleden worden door het bestuur benoemd op gezamenlijke voordracht van de voorzitter van de subcommissie en de voorzitter van het adviescollege voor een periode van vier jaar. Een ander subcommissielid kan eenmaal worden herbenoemd voor een periode van vier jaar.
De subcommissieleden treden af volgens een door het College vast te stellen rooster. Het rooster wordt zodanig ingericht, dat voor zover mogelijk jaarlijks een gelijk aantal subcommissieleden aftreedt.
Het subcommissielid dat benoemd is ter vervulling van een tussentijds opengevallen plaats, treedt af op het tijdstip, waarop degene, in wiens plaats hij is benoemd, had moeten aftreden.
Het subcommissielid dat benoemd is ter vervulling van een tussentijds opengevallen plaats, kan eenmaal worden herbenoemd voor een periode van vier jaar.
Artikel 11
Een lid van het College of een subcommissie wordt benoemd op persoonlijke titel en handelt zonder last.
Het lidmaatschap van het College of een subcommissie is onverenigbaar met:
- a. het lidmaatschap van het bestuur;
- b. het lidmaatschap van het College van Beroep voor het bedrijfsleven;
- c. het lidmaatschap van de accountantskamer;
- d. het lidmaatschap van de klachtencommissie;
- e. het lidmaatschap van de Raad voor geschillen;
- f. het lidmaatschap van het Belanghebbendenorgaan voor Beroepsreglementering;
- g. het lidmaatschap van het bestuur van een faculty;
- h. het lidmaatschap van de Raad voor Toezicht;
- i. een dienstverband met de beroepsorganisatie; en
- j. een arbeidsovereenkomst met de beroepsorganisatie of het verrichten van werkzaamheden voor de beroepsorganisatie uit hoofde van een andere overeenkomst.
Artikel 12
Het lidmaatschap van het College of een subcommissie eindigt:
- a. op verzoek van het lid;
- b. bij het verstrijken van de zittingsduur;
- c. als het lid een rol aanvaardt die ertoe leidt dat de goede afspiegeling, bedoeld in artikel 9, negende lid, in belangrijke mate wordt verstoord;
- d. als het lid een lidmaatschap of werkzaamheid aanvaardt als bedoeld in artikel 11 lid 2; of
- e. bij een daartoe strekkende beslissing van het bestuur na een voordracht van het College wegens ongeschiktheid.
Artikel 13
[VERVALLEN]
Artikel 14
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.