Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 14 januari 2023, nr. Min-BuZa.2022.14764-36, tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Subsidieprogramma Bodemvruchtbaarheid)

Type Ministeriële regeling
Publication 2023-01-25
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op de artikelen 6 en 7 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken;

Gelet op artikel 5.1. van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006;

Besluit:

Artikel 1

Voor subsidieverlening op grond van artikel 5.1 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 op het terrein van voedselzekerheid in het kader van het Subsidieprogramma Bodemvruchtbaarheid, gelden voor de periode vanaf de inwerkingtreding van dit besluit tot en met 31 december 2033 de als bijlage bij dit besluit gevoegde beleidsregels.

Artikel 2
1.

Voor het in het artikel 1 genoemde tijdvak geldt een subsidieplafond van € 200 miljoen, onder het voorbehoud dat de begrotingswetgever voldoende middelen beschikbaar stelt.

2.

De middelen die beschikbaar zijn op grond van het in het eerste lid genoemde subsidieplafond zijn als volgt verdeeld over de volgende twee regio’s:

Artikel 3

Uit oogpunt van doelmatigheid geldt dat niet meer dan één subsidieaanvrager voor subsidieverlening in aanmerking zal kunnen komen ten laste van elk van de artikel 2, tweede lid, bedoelde subsidieplafonds. Van alle aanvragen die zijn gericht op ofwel de regio genoemd in artikel 2, tweede lid, sub a, ofwel de regio genoemd in artikel 2, tweede lid, sub b, en die voldoen aan de criteria, neergelegd in de in artikel 1 genoemde beleidsregels, zal slechts de aanvraag die het beste aan die criteria voldoet voor subsidie in aanmerking kunnen komen.

Artikel 4

Aanvragen voor subsidie in het kader van het Subsidieprogramma Bodemvruchtbaarheid worden ingediend in de periode vanaf 25 januari 2023 tot en met 31 maart 2023, 17.00 uur CET, aan de hand van het daartoe door de minister vastgestelde aanvraagformulier en voorzien van de op het aanvraagformulier gevraagde bescheiden.1Het aanvraagformulier wordt geplaatst op https://www.rijksoverheid.nl/ministeries/ministerie-van-buitenlandse-zaken/documenten/publicaties/2023/01/17/subsidieprogramma-bodemvruchtbaarheid. Een overzicht van welke informatie in welke fase van de selectieprocedure moet worden aangeleverd is te vinden in Hoofdstuk 6 van de bijlage bij dit besluit.

Artikel 5

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en vervalt met ingang van 1 januari 2034, met dien verstande dat het van toepassing blijft op de subsidie die voor die tijd is verleend.

Subsidiebeleidskader subsidieprogramma bodemvruchtbaarheid

Dit subsidiebeleidskader vormt de leidraad voor de beoordeling van subsidieaanvragen in het kader van een subsidieprogramma gericht op bodemvruchtbaarheid, vanaf hier het Subsidieprogramma Bodemvruchtbaarheid genoemd. De specifieke eisen en criteria in dit subsidiebeleidskader vloeien voort uit de beleidskaders voor de inzet van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking (BHOS) in sub-Sahara Afrika op het gebied van voedselzekerheid, water en klimaat. Via internet is een Engelse vertaling van het subsidiebeleidskader beschikbaar.3https://www.rijksoverheid.nl/ministeries/ministerie-van-buitenlandse-zaken/documenten/publicaties/2023/01/17/subsidieprogramma-bodemvruchtbaarheid

1. Achtergrond en probleemstelling

Gebaseerd op de Sustainable Development Goals (SDG’s), met name SDG 2 (Zero Hunger), en in lijn met de UN Food Systems Summit van 2021, beoogt het beleid voor BHOS voedselsystemen te verduurzamen en weerbaarder te maken op een wijze die bijdraagt aan het behoud van ecosystemen, weerbaarheid tegen klimaatverandering versterkt en land- en bodemkwaliteit verbetert. Zie de Kamerbrief Voedselzekerheid ‘Op weg naar een wereld zonder honger in 2030: de Nederlandse inzet’ (Kamerstuk 33 625-280)4Platform open overheidsinformatie.

In de uitvoering van dit beleid komt de aandacht voor bodemvruchtbaarheid vooralsnog onvoldoende uit de verf. Weliswaar vormt beheer van bodemvruchtbaarheid een integraal onderdeel van interventies gericht op duurzame ontwikkeling van voedselproductiesystemen, echter, uitkomsten op gebied van productiviteit en inkomen zijn daarbij leidend (en meetbaar) en niet bodemvruchtbaarheid. De resultaten op aantal hectare land onder duurzaam gebruik blijven daarom vooralsnog achter ten opzichte van de gestelde doelen. Dit terwijl duurzaam bodemvruchtbaarheidsbeheer op langere termijn cruciaal is voor duurzame landbouw, voedselzekerheid en rurale ontwikkeling. De Minister voor BHOS wil daarom aan de huidige voedselzekerheidsportefeuille nieuwe activiteiten op het gebied van bodemvruchtbaarheid toevoegen. Deze activiteiten zullen moeten bijdragen aan de Nederlandse inzet op SDG2: het realiseren van ecologisch houdbare voedselproductiesystemen en een significante bijdrage leveren aan de gestelde doelen voor 2030 (het verduurzamen van de productiviteit en het herstelvermogen van 8 miljoen hectare landbouwgrond).

Er is voor gekozen om een subsidieprogramma te richten op bodemvruchtbaarheid in twee regio’s in sub-Sahara Afrika: de West Afrikaanse (Sudano-)Sahel regio en de Oost Afrikaanse regio. In beide gebieden is sprake van bodemuitputting en is bodemvruchtbaarheid een van de belangrijkste limiterende factoren voor verhoging van de voedselproductie, terwijl honger en ondervoeding hoog zijn en toenemen. Het gaat hier om een samenhangende problematiek van armoede, conflict, instabiliteit, lage landbouwproductiviteit, degradatie van bodem en vegetatie, klimaatverandering, waterschaarste, bevolkingsgroei en (jeugd)werkloosheid. Daarbij zijn het overheidsbeleid en de wet- en regelgeving, en handhaving hiervan, rond land- en watergebruik en landbouwontwikkeling veelal zwak.

Met name klimaatverandering (droogte, hogere temperaturen en intensere regenval) heeft een directe weerslag op bodemvruchtbaarheid in een context waarin de productiviteit laag is, vruchtbaar land en water steeds schaarser worden en bodems degraderen als gevolg van onvoldoende/te eenzijdige bemesting, te weinig hersteltijd, te weinig gewasrotatie, erosie en overbegrazing. Tegelijkertijd kunnen juist investeringen in de landbouw en (nomadische en sedentaire) veehouderij, waarin 80–90% van de bevolking werkzaam is, een groot verschil maken met het oog op armoedebestrijding en ontwikkeling, vooral gezien de toegenomen koopkracht en afzetmogelijkheden in (klein)stedelijke centra5Cilliers et al. 2019: Prospects for the G5 Sahel countries.. Inzet op zowel weerbaarheid op korte termijn als adaptatie op de lange termijn is daarom van essentieel belang. De rol van vrouwen is hierbij cruciaal. Vrouwen spelen in de regio een sleutelrol op het gebied van beheer van natuurlijke hulpbronnen en in de voedselvoorziening en dus landbouw, te meer waar jonge mannen het platteland verlaten. Een betere toegang voor vrouwen tot, en controle over, productiemiddelen (land, mest, water, krediet, voorlichting) en kennis kan de voedselzekerheid aanzienlijk vergroten.

2. Afbakening

2.1. Doelstelling en aanpak

Om in aanmerking te kunnen komen voor subsidie in het kader van het Subsidieprogramma Bodemvruchtbaarheid dienen activiteiten uitvoering te geven aan een door de aanvrager ontwikkelde Theory of Change (ToC) gericht op de volgende doelstelling:

Realiseren van duurzaam bodemvruchtbaarheidsbeheer, dat bijdraagt aan een ecologisch houdbare voedselproductiviteitsverbetering en toegenomen weerbaarheid en schokbestendigheid van kleinschalige boeren en/of veehouders in de Sahel/West Afrika en Oost en Centraal Afrika.

2.2. Kader voor de Theory of Change

Om bovenstaand doel te bereiken dient een Theory of Change te worden uitgewerkt.

In de Theory of Change dient aangegeven te worden hoe de volgende duurzame impact gerealiseerd wordt:

Om deze impact te bewerkstellingen heeft het Subsidieprogramma Bodemvruchtbaarheid een looptijd van 10 jaar.

Aanpak

Bodemvruchtbaarheidsbeheer vormt de kern van aanpak en resultaatbereik. Ecologische houdbaarheid wordt daarbij context-specifiek ingevuld (geen one-size-fits-all oplossingen), met het oog op duurzame impact. Dat laatste vereist een brede benadering. Zie schematische weergave hieronder.

Met als uitgangspunt bodemvruchtbaarheidsbeheer is het van belang dat relevante aspecten van het landbouw- en voedselsysteem in ogenschouw worden genomen, in zoverre ze noodzakelijk zijn om de duurzaamheid van verbeterde bodemvruchtbaarheid te garanderen. Omdat dit subsidieprogramma zich voornamelijk richt op bodemvruchtbaarheid, is het zaak dat wordt aangesloten bij andere programma’s/interventies die inzetten op de bovengenoemde relevante aspecten (landschap, randvoorwaarden).

Er dient nadrukkelijk te worden voortgebouwd op in de afgelopen decennia opgebouwde kennis en ervaring. De nadruk kan zowel liggen op het uitbreiden en opschalen van bewezen effectieve benaderingen en interventies als op innovaties, beide in aansluiting op grotere regionale initiatieven. Om schaal te bereiken is het bovendien belangrijk dat activiteiten goed ingebed zijn in de lokale context en een aanzienlijk bereik hebben. Aansluiting bij vigerende nationaal/lokaal beleid en strategieën evenals het betrekken van lokale actoren is essentieel, evenals een expliciete exit-strategie.

Voor het zo effectief en efficiënt mogelijk bijdragen aan de algemene doelstelling van het Subsidieprogramma Bodemvruchtbaarheid zijn voor de aanpak de volgende punten van belang:

Landen/geografische keuze

Bodemvruchtbaarheid wordt bepaald door een combinatie van algemene biofysische bodemeigenschappen en klimatologische omstandigheden en locatie-specifieke variaties in bodemgesteldheid, reliëf en waterhuishouding. Daarnaast is bodembeheer op lokaal niveau een belangrijke factor. Afhankelijk van de problematiek zal verbetering van bodemvruchtbaarheid dan ook lokale, nationale en/of regionale actie vereisen. Het uitgangspunt is hier de regionale insteek en aansluiting bij bestaande regionale initiatieven met een specifieke contextualisering naar nationale en lokale context, waarbij de wisselwerking tussen deze niveaus (lokaal-nationaal-regionaal) een belangrijke rol speelt. Het Subsidieprogramma Bodemvruchtbaarheid zal daarom gericht zijn op twee specifieke regio’s in sub Sahara Afrika waar het voedselzekerheidsbeleid van de Minister voor BHOS zich op richt:

Minimaal de helft van de door de aanvrager gekozen landen waarin hij de activiteiten waarvoor hij subsidie vraagt wil gaan uitvoeren moet een voedselzekerheid-focusland zijn van de Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking6De voedselzekerheid focuslanden van de Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking zijn voor Sahel/West Afrika: Burkina Faso, Mali, Niger en Benin. En voor Oost/Centraal Afrika: Ethiopië, Soedan, Zuid Soedan, Kenia, Oeganda, Burundi en Mozambique.. De landenkeuze dient gebaseerd te zijn op mogelijkheden voor regionale coherentie en synergie; versnippering over te veel landen dient te worden voorkomen.

2.3. Resultaten en indicatoren

Het Subsidieprogramma Bodemvruchtbaarheid beoogt activiteiten te subsidiëren waarmee direct en meetbaar wordt bijgedragen aan (tenminste) de volgende resultaatsgebieden van het Nederlandse voedselzekerheid-, water- en klimaatbeleid:

Om die bijdrage inzichtelijk te maken op output en outcome niveau, is het van belang dat in ieder geval de volgende standaardindicatoren uit het BZ-resultatenraamwerk op voedselzekerheid en water worden gehanteerd (Appendix 4), te meten volgens een internationaal gevalideerde methodologie (inclusief baselines en counterfactuals voor outcomes):

Output (jaarlijks bereik)

Outcome (verandering ten opzichte van baseline)

Attribueerbaar te bemeten realisatie van:

Attribueerbaar te bemeten en/of middels contributie analyse te bepalen bijdrage aan:

Aanvullend kunnen context-specifieke (kwantitatieve en kwalitatieve) indicatoren worden toegevoegd om ondersteunende- en procesresultaten te meten, bijvoorbeeld op gebied van wet- en regelgeving, capaciteitsopbouw, landrechten, klimaatadaptatie en/of mitigatie, energie, water, biodiversiteit, systeemverandering e.a.

Aanvragers laten de door hen te hanteren indicatoren zien in hun concept notitie. Indien zij worden geselecteerd voor fase 2 van de selectieprocedure van dit subsidieprogramma werken zij de indicatoren verder uit in een Monitoring, Evaluation & Learning Framework.

Ex ante kunnen geen precieze targets per indicator worden geformuleerd, aangezien de omvang van output/bereik samenhangt met de te verwachten impact. Als indicatie geldt dat het Subsidieprogramma Bodemvruchtbaarheid streeft naar een bereik (output) en gemeten verandering (outcome) van in totaal tussen de 1 en 5 miljoen kleinschalige voedselproducenten en tussen de 1 en 5 miljoen hectare landbouwgrond per regio, waarbij er een duidelijke link is tussen de omvang van het bereik en de grootte van het beoogde effect/impact.

3. Subsidieverstrekking Subsidieprogramma Bodemvruchtbaarheid in hoofdlijnen

Voor subsidieverlening in het kader van het Subsidieprogramma Bodemvruchtbaarheid stelt de Minister € 200.000.000 beschikbaar voor een periode van tien jaar. De beschikbare middelen kwalificeren als ODA8Official development assistance – definition and coverage – OECD en worden als volgt verdeeld over de twee regio’s:

De specifieke landenkeuze moet onderbouwd worden en gereflecteerd worden in een evenwichtige verdeling van beoogd bereik en budget.

Elke subsidieaanvraag dient zich te richten op een van beide regio’s. Voor elk van bovenstaande regio’s kan uit oogpunt van doelmatigheid maximaal één aanvraag worden gehonoreerd.

3.1. Activiteiten waarvoor subsidie wordt verstrekt

De in het kader van het Subsidieprogramma Bodemvruchtbaarheid beschikbare subsidiemiddelen zijn bedoeld voor activiteiten die uitvoering geven aan een door de aanvrager ontwikkelde Theory of Change (ToC) gericht op de algemene doelstelling van het Subsidieprogramma Bodemvruchtbaarheid zoals benoemd onder hoofdstuk 2.1.

Voor subsidie komen niet in aanmerking die activiteiten genoemd onder drempelcriterium 13.

3.2. Wie kunnen voor subsidie in aanmerking komen?

Organisaties: soort en structuur

3.3. Looptijd activiteiten

De looptijd van de subsidie is van 1 november 2023 tot en met 31 december 2033. Per regio wordt het te verlenen bedrag in twee fases beschikbaar gesteld: periode 2023 t/m 2028 (fase 1) en 2029 t/m 31-12-2033 (fase 2). Het subsidiebedrag wordt in periodieke jaarlijkse voorschotten betaald op basis van liquiditeitsprognoses.

In het laatste jaar van fase 1, in Q2 van 2028, laat het Ministerie van Buitenlandse Zaken een externe evaluatie uitvoeren van de tot dan toe behaalde resultaten en een inschatting van de kans op succesvol resultaatbereik in de tweede fase.

Tegelijk met het jaarplan voor 2029 dient met het oog op die tweede fase een uitwerking van de in fase 2 van het selectieproces ingediende opschalings- en exit-strategie te worden ingediend, samen met een bijgewerkt/geactualiseerd overzicht van werkzaamheden, doelstellingen, resultaten, verwachte effecten en een liquiditeitsbehoefte voor de periode 2029 t/m 2033.

Bij een voldoende positieve evaluatie en voldoende positief oordeel van genoemde strategie worden de kosten verbonden aan de activiteiten uit te voeren in de tweede fase subsidiabel waarna het resterende subsidiebedrag via periodieke voorschotten wordt betaald. Ten behoeve van het laatste financieringsjaar wordt maximaal 90% van de voor dat jaar aangevraagde middelen als voorschot betaald. Na vaststelling van de subsidie vindt de finale verrekening plaats.

De rapportages aan de minister over de uitvoering van de gesubsidieerde activiteiten en over de daarmee behaalde resultaten strekken zich uit tot en met 31 december 2033. Gedurende het genoemde subsidietijdvak (2023 t/m 2033) dient de subsidieontvanger aan de doelstellingen van de subsidie en verplichtingen van de subsidie te blijven voldoen en blijven de in dit subsidiebeleidskader neergelegde beleidsregels van toepassing. Nadere informatie over de aan de subsidies te verbinden verplichtingen is te vinden in hoofdstuk 5.

3.4. Subsidiabele kosten

De subsidiabele kosten worden genoemd en toegelicht in het budgetmodel dat verplicht moet worden gehanteerd voor de in fase 2 van het selectieproces in te dienen begroting (Appendix 5).

Voor het bepalen van (de omvang van) de kosten die in aanmerking komen bij het bepalen van de subsidie gelden de volgende uitgangspunten:

In alle gevallen geldt dat de middelen zoveel mogelijk ten goede moeten komen aan en ingezet worden op de beoogde veranderingen voor de doelgroep. Indirecte kosten – zoals gedefinieerd in het budgetmodel – dienen tot een minimum te worden beperkt, waarbij een absoluut maximum geldt van 15% van het totaal aangevraagde subsidiebedrag. Dat laatste is, in geval er geen sprake is van aanvullende financiering van derden, gelijk aan het totaal van alle subsidiabele kosten van de aanvrager of van de gezamenlijke alliantiepartners voor de uitvoering van de gesubsidieerde activiteiten. Nadere informatie hierover is te vinden in het budgetmodel (Appendix 5).

Niet subsidiabel zijn in ieder geval de volgende kosten:

Deze uitgangspunten moeten gehanteerd worden bij de in te dienen begroting, die wordt meegestuurd met het programmavoorstel in fase 2.

4. Selectieprocedure en verdeling van beschikbare middelen

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.