Inkomstenbelasting, aanwijzing massaal bezwaar plus over kalenderjaren 2017 tot en met 2020
De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.
In dit besluit wijs ik aan als massaal bezwaar plus als bedoeld in artikel 9.7 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) de in dit besluit nader omschreven verzoeken om ambtshalve vermindering van aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: inkomstenbelasting) over de kalenderjaren 2017 tot en met 2020 waarbij sprake is van belastbaar inkomen uit sparen en beleggen (box 3) en de bezwaarschriften tegen de afwijzing hiervan.
1. Inleiding
Eerder heb ik bezwaarschriften tegen aanslagen inkomstenbelasting over de kalenderjaren 2017 tot en met 2020 waarbij sprake is van een voordeel uit box 3 aangewezen als massaal bezwaar als bedoeld in artikel 25c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR).1De aanwijzing is voor het jaar 2017 opgenomen in het Besluit van 7 juli 2018, nr. 2018-12775 (Stcrt. 2018, 39781). Voor het jaar 2018 is de aanwijzing opgenomen in het Besluit van 18 april 2019, nr. 2019-8322 (Stcrt. 2019, 23335). Voor het jaar 2019 is de aanwijzing opgenomen in het Besluit van 23 april 2020, nr. 2020-75650 (Stcrt. 2020, 24107) en voor het jaar 2020 is de aanwijzing opgenomen in het Besluit van 28 mei 2021, nr. 2021-97946 (Stcrt. 2021, 28130). In die zogenoemde massaalbezwaarprocedure stond de rechtsvraag centraal of de vermogensrendementsheffing in het betreffende belastingjaar, uitgaande van de forfaitaire elementen van het stelsel, in onderlinge samenhang en met inachtneming van het heffingvrije vermogen en het belastingtarief van 30%, op regelniveau in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM, zonder dat de schending van de ‘fair balance’ op het niveau van de individuele belastingplichtige wordt beoordeeld, of in strijd is met het discriminatieverbod van artikel 14 EVRM.
Op 24 december 2021 heeft de Hoge Raad antwoord gegeven op deze rechtsvraag.2Hoge Raad 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963. Op 4 februari 2022 heb ik door middel van een collectieve uitspraak op bezwaar de als massaal bezwaar aangewezen bezwaarschriften gegrond verklaard.3Collectieve uitspraak van 4 februari 2022, nr. 2022-35664 (Stcrt. 2022, 4198). De wijze waarop de inspecteur de aanslagen inkomstenbelasting die onder de massaalbezwaarprocedure vielen vermindert, is uitgewerkt in een beleidsbesluit en daarna gecodificeerd in wetgeving.4Besluit van 28 juni 2022, nr. 2022-176296 (Stcrt. 2022, 17063) en de Wet rechtsherstel box 3.
Op 20 mei 2022 heeft de Hoge Raad arrest gewezen in een zaak waarin de aan de belanghebbende opgelegde aanslagen inkomstenbelasting over de kalenderjaren 2017 en 2018 op 24 december 2021 reeds onherroepelijk vaststonden.5Hoge Raad 20 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:720. De Hoge Raad oordeelde dat de gestelde onjuistheid van deze aanslagen volgt uit nieuwe jurisprudentie als bedoeld in artikel 45aa, aanhef en letter b, van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 (hierna: URIB 2001). De Hoge Raad heeft voorts overwogen dat de Minister van Financiën na het arrest van 24 december 2021 niet bekendgemaakt heeft dat ten aanzien van onherroepelijk geworden aanslagen van de in dat artikel opgenomen voorwaarde kan worden afgeweken. Gelet op het vorenstaande wordt het oordeel van het Hof dat aan de belanghebbende terecht geen ambtshalve vermindering is verleend, in cassatie tevergeefs bestreden.
De Belastingdienst heeft een groot aantal verzoeken om ambtshalve vermindering van op 24 december 2021 reeds onherroepelijk vaststaande aanslagen inkomstenbelasting over de kalenderjaren 2017 tot en met 2020 ontvangen. Daarnaast is een groot aantal bezwaarschriften ingediend tegen de afwijzing van deze verzoeken om ambtshalve vermindering. Met het oog op een efficiënte en eenduidige afdoening wijs ik deze verzoeken om ambtshalve vermindering en bezwaarschriften tegen de afwijzing daarvan die betrekking hebben op de in onderdeel 2 vermelde rechtsvragen aan als massaal bezwaar plus in de zin van artikel 9.7 Wet IB 2001.
2. Aanwijzing als massaal bezwaar
Als massaal bezwaar plus in de zin van artikel 9.7 Wet IB 2001 wijs ik aan verzoeken om ambtshalve vermindering van aanslagen inkomstenbelasting over de kalenderjaren 2017 tot en met 2020 en bezwaarschriften tegen de afwijzing daarvan:
Kunnen degenen wiens aanslag inkomstenbelasting over het kalenderjaar 2017 of 2018 of 2019 of 2020 reeds onherroepelijk vaststond op 24 december 2021 (hierna: de niet-bezwaarmakers) wegens strijd met supranationale bepalingen, zoals bijvoorbeeld maar niet uitsluitend artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM of artikel 14 EVRM, of strijd met nationale regelingen of strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, zoals bijvoorbeeld maar niet uitsluitend het evenredigheidsbeginsel of het gelijkheidsbeginsel, een beroep doen op het arrest dat de Hoge Raad op die datum gewezen heeft (ECLI:NL:HR:2021:1963)?
Waarbij onder meer, maar niet uitsluitend de volgende (deel)vragen gesteld kunnen worden:
3. Uitvoeringsaspecten
In overleg met een representatieve vertegenwoordiging van fiscaal intermediairs (de Consumentenbond, ConsumentenClaim, de Bond voor Belastingbetalers, de Koninklijke Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants, de Nederlandse Orde van Administratie- en Belastingdeskundigen, de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs, de Samenwerkende Registeraccountants, de Accountants-Administratieconsulenten en het Register Belastingadviseurs) wordt een aantal bezwaarschriften geselecteerd met het oog op de beantwoording van de rechtsvragen door de administratieve rechter in belastingzaken.
Om zo snel mogelijk duidelijkheid te krijgen over de beantwoording van deze rechtsvragen zal de inspecteur de rechter in eerste aanleg verzoeken om prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad (artikel 27ga AWR). Mocht de rechter in eerste aanleg daartoe niet overgaan, beoog ik dat rechtstreeks beroep in cassatie bij de Hoge Raad ingesteld wordt tegen de uitspraak van de rechtbank (sprongcassatie, artikel 28, derde lid, AWR).
Als de rechtsvragen in de geselecteerde bezwaarschriften bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak definitief zijn beantwoord, beslist de inspecteur door middel van één gezamenlijke collectieve beslissing en collectieve uitspraak conform artikel 9.7, vierde lid, Wet IB 2001. Als een verzoek om ambtshalve vermindering of een bezwaarschrift tegen de afwijzing daarvan mede ziet op andere geschilpunten, niet betreffende de vermogensrendementsheffing, dan doet de inspecteur het verzoek of het bezwaar op die punten individueel af.
Als de inspecteur bij de definitieve beantwoording van de in deze aanwijzing opgenomen rechtsvragen niet of niet geheel in het gelijk gesteld wordt, herziet hij alle aanslagen inkomstenbelasting over de kalenderjaren 2017 tot en met 2020, ongeacht of de belanghebbende een verzoek om ambtshalve vermindering of een bezwaarschrift tegen de afwijzing daarvan ingediend heeft. Bij deze herziening vermindert de inspecteur de belastingaanslagen overeenkomstig het bepaalde in de Wet rechtsherstel box 3. In dat geval zal tevens voorzien worden in een mogelijkheid voor deze belastingplichtigen om het geboden rechtsherstel voor te leggen aan de rechter, ook als toepassing van de Wet rechtsherstel box 3 niet leidt tot een vermindering van hun belastingaanslag, gelijk aan de mogelijkheid die degenen die onder de eerdergenoemde aanwijzing(en) met betrekking tot de kalenderjaren 2017 tot en met 2020 vielen.
4. Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.
Een afschrift van dit besluit zal aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal worden gestuurd.
Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.