← Geldende tekst · Geschiedenis

Regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid van 23 januari 2023, nr. 4381549, houdende regels omtrent het aanstellen van politieambtenaren (Regeling aanstellingseisen politie 2023)

Geldende tekst a fecha 2024-10-02

Gelet op artikel 7, eerste lid, onderdelen b, c en d, en tweede lid, onderdelen b, c en e, van het Besluit algemene rechtspositie politie;

Besluit:

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. Definities

In deze regeling wordt verstaan onder:

Artikel 2. Minimumleeftijd

De minimumleeftijd voor aanstelling bedraagt 18 jaar.

Artikel 3. Rijbewijs
1.

De kandidaat aspirant of de kandidaat vrijwilliger-aspirant is op het moment van aanstelling in het bezit van het rijbewijs B.

2.

De kandidaat ambtenaar in opleiding of de kandidaat vrijwillige ambtenaar in opleiding is op het moment van aanstelling in het bezit van het rijbewijs B, indien de functie, waarin de kandidaat na het voltooien van de opleiding wordt geplaatst of wordt ingezet, vergt dat diegene met enige regelmaat als bestuurder van een personenauto optreedt.

3.

Het bevoegd gezag draagt ervoor zorg dat de eis van het rijbewijs B, bedoeld in het tweede lid, voor kandidaten met dezelfde functie of met dezelfde inzet uniform wordt toegepast.

4.

In afwijking van het eerste lid geldt voor kandidaat aspiranten die tussen 1 november 2023 en 31 december 2023 instromen in de politieopleiding en voor kandidaat aspiranten die in aanmerking komen voor een tegemoetkoming in de kosten van het rijbewijs op grond van de Regeling tegemoetkoming rijbewijs aspiranten, dat het rijbewijs B moet zijn behaald binnen negen maanden na het moment van aanstelling.

Artikel 4. Opleidingsniveau
1.

De kandidaat aspirant of de kandidaat vrijwilliger-aspirant die een politieopleiding op een vergelijkbaar mbo-niveau gaat volgen voldoet ten minste aan de vooropleidingseisen, bedoeld in de artikelen 7.4.7. en 8.2.1 en 8.2.2 van de Wet educatie en beroepsonderwijs.

2.

De kandidaat aspirant of de kandidaat vrijwilliger-aspirant die een politieopleiding op het niveau van het hoger onderwijs gaat volgen voldoet ten minste aan de vooropleidingseisen, bedoeld in de artikelen 7.24 tot en met 7.28 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.

3.

Kandidaten die niet voldoen aan de in het eerste of tweede lid gestelde eisen krijgen de gelegenheid om een toelatingstoets af te leggen. Indien deze toets met goed gevolg wordt afgelegd, voldoet de kandidaat aan de eisen met betrekking tot het vooropleidingsniveau.

4.

Tenzij het een interne kandidaat betreft, worden er bij de kandidaat kosten ten bedrage van € 50,– in rekening gebracht voor het afleggen van de toelatingstoets.

5.

Bij aanstelling van de kandidaat worden de kosten van de toelatingstoets vergoed op basis van een declaratie van de kandidaat.

6.

Het bevoegd gezag kan van het vierde lid afwijken indien het naar het oordeel van het bevoegd gezag niet billijk is kosten in rekening te brengen.

Artikel 5. Werk- en denkniveau

De kandidaat ambtenaar in opleiding of de kandidaat vrijwillige ambtenaar in opleiding voldoet ten minste aan het werk- en denkniveau opgenomen in de functiebeschrijving, bedoeld in de Regeling vaststelling LFNP, van de functie waarin de ambtenaar in opleiding of kandidaat vrijwillige ambtenaar in opleiding na het voltooien van de politieopleiding wordt ingezet.

Artikel 6. Geschiktheidsonderzoek
1.

Ter beoordeling van de geschiktheid van de kandidaat voor de toekomstige beroepsuitoefening ondergaat de kandidaat aspirant, de kandidaat vrijwilliger-aspirant, de kandidaat ambtenaar in opleiding of de kandidaat vrijwillige ambtenaar in opleiding een geschiktheidsonderzoek, dat kan bestaan uit verschillende onderdelen.

2.

Voor de kandidaat aspirant en de kandidaat vrijwilliger-aspirant bestaat het geschiktheidsonderzoek uit een onderzoek naar de mentale, fysieke en medische geschiktheid van een kandidaat.

3.

Voor de kandidaat ambtenaar in opleiding of de kandidaat vrijwillige ambtenaar in opleiding bestaat het geschiktheidsonderzoek, in aanvulling op de toepassing van artikel 7, tweede lid, onderdeel d, van het Besluit algemene rechtspositie politie, uit een onderzoek naar de mentale geschiktheid van een kandidaat.

4.

Het onderzoek naar de mentale geschiktheid bestaat uit een onderzoek naar de taalvaardigheid, een onderzoek naar de cognitieve capaciteiten en een onderzoek naar het psychologisch profiel van de kandidaat.

5.

De kosten van het geschiktheidsonderzoek komen ten laste van het bevoegd gezag.

6.

De kosten van een herbeoordeling als bedoeld in artikel 14, een herkansing als bedoeld in artikel 15 of een herkeuring als bedoeld in artikel 16 komen ten laste van het bevoegd gezag, met uitzondering van de reiskosten.

Hoofdstuk 2. Mentale geschiktheid

Artikel 7. Taalvaardigheid
1.

De kandidaat moet de Nederlandse taal voldoende vaardig zijn.

2.

De Nederlandse taalvaardigheid van de kandidaat wordt beoordeeld aan de hand van diens hoogst genoten en afgeronde Nederlandse opleiding of een Nederlandse taaltoets.

3.

Indien de kandidaat aspirant en de kandidaat vrijwilliger-aspirant tenminste een diploma heeft dat toegang geeft tot een politieopleiding op het kwalificatieniveau NLQF 5, NLQF 6 of NLQF 7 wordt de taalvaardigheid zonder meer als voldoende beoordeeld, tenzij het een buitenlands diploma betreft.

4.

Indien de kandidaat ambtenaar in opleiding of de kandidaat vrijwillige ambtenaar in opleiding na het voltooien van de politieopleiding wordt geplaatst in een functie waarvoor een hbo of wo werk- en denkniveau geldt wordt de taalvaardigheid zonder meer als voldoende beoordeeld, tenzij het werk- en denkniveau van de kandidaat, bedoeld in artikel 5, enkel berust op een buitenlands diploma.

5.

In andere gevallen wordt de taalvaardigheid beoordeeld aan de hand van een Nederlandse taaltoets, waarbij de kandidaat aan taalvaardigheidsniveau B1 dient te voldoen.

6.

Het bevoegd gezag zorgt ervoor dat de Nederlandse taaltoets die gehanteerd wordt:

Artikel 8. Cognitieve capaciteiten
1.

De cognitieve capaciteiten van een kandidaat moeten diegene in staat stellen op het voor de kandidaat geldende functieniveau adequaat te functioneren.

2.

De cognitieve capaciteiten van een kandidaat worden gemeten aan de hand van een cognitieve capaciteitentest.

3.

De score van de kandidaat wordt vergeleken met de referentiegroep die voor het desbetreffende functieniveau relevant is en moet voldoen aan een minimale percentielscore van 16.

4.

Het bevoegd gezag zorgt ervoor dat de cognitieve capaciteitentest die gehanteerd wordt ten minste als voldoende is beoordeeld op de aspecten Theoretische uitgangspunten, Betrouwbaarheid en Validiteit door de Commissie Testaangelegenheden Nederland en onder toezicht wordt afgenomen.

Artikel 9. Psychologisch profiel
1.

Een kandidaat moet op basis van het psychologisch profiel van de kandidaat in staat zijn adequaat te functioneren in de beroepspraktijk.

2.

Het psychologisch profiel van een kandidaat wordt in kaart gebracht door middel van een psychologisch onderzoek.

3.

Het psychologisch onderzoek, genoemd in het tweede lid, bestaat uit:

4.

De psycholoog maakt een afweging van de scores op de drie genoemde onderdelen en vormt zich een eindoordeel over de kandidaat, uitgedrukt in scores op de voor de functie en opleidingsniveau relevante competenties, opgenomen in bijlage 1.

5.

De competenties worden beoordeeld op een 5-puntsschaal.

6.

De score per competentie leidt tot een somscore. Voor kandidaat aspiranten en kandidaat vrijwilliger-aspiranten is de vereiste minimale somscore:

7.

De kandidaat aspirant en de kandidaat vrijwilliger aspirant ontvangt een negatief advies als:

8.

De kandidaat ambtenaar in opleiding en de kandidaat vrijwillige ambtenaar wordt enkel op de competentie stressbestendigheid getoetst.

9.

De kandidaat ambtenaar in opleiding en kandidaat vrijwillige ambtenaar in opleiding ontvangen een negatief advies als de minimale score van 2 op de competentie stressbestendigheid niet wordt behaald.

10.

Het bevoegd gezag zorgt ervoor dat het psychologisch onderzoek dat gehanteerd wordt:

Hoofdstuk 3. Fysieke geschiktheid

Artikel 10. Fysiek motorisch onderzoek
1.

De kandidaat moet fysiek motorisch voldoende in staat zijn om de fysieke taken behorend bij de beroepspraktijk naar behoren te kunnen uitvoeren.

2.

De fysiek motorische capaciteiten van een kandidaat worden beoordeeld aan de hand van een fysiek motorisch onderzoek.

3.

In het fysiek motorisch onderzoek moet de kandidaat een circuit met hindernissen afleggen binnen de in bijlage 2 genoemde minimale normtijd, gerelateerd aan de leeftijd en het geslacht van de kandidaat. Het circuit bestaat uit onderdelen die zijn uitgezet in een binnenruimte en zijn gebaseerd op de achtervolging te voet, het onder controle brengen van een verdachte en het handmatig verplaatsen van zware objecten.

Hoofdstuk 4. Medische geschiktheid

Artikel 11. Medisch onderzoek
1.

Nadat alle overige beoordelingen van de geschiktheid van de kandidaat hebben plaatsgevonden en het bevoegd gezag op grond daarvan voornemens is de kandidaat aan te stellen, worden de kandidaat aspirant of de kandidaat vrijwilliger-aspirant door het bevoegd gezag onderworpen aan een medisch onderzoek met inachtneming van de eisen in bijlage 3 bij deze regeling.

2.

De inhoud van het medisch onderzoek wordt afgestemd op de overige onderdelen van het reeds doorlopen geschiktheidsonderzoek.

3.

Het medisch onderzoek wordt ingericht en uitgevoerd conform de Wet op de medische keuringen, het Besluit aanstellingskeuringen, de Arbowet, het Arbobesluit en de Arboregeling.

4.

Het medisch onderzoek wordt uitgevoerd door een bedrijfsarts, geregistreerd in een register als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg, niet zijnde de behandelend arts van de kandidaat.

Hoofdstuk 5. Uitkomst onderzoeken en mogelijkheid tot herkansing

Artikel 12. Mededeling en geldigheid uitkomst
1.

De uitkomsten van de verschillende onderdelen van het geschiktheidsonderzoek worden de kandidaat zo snel mogelijk na het voltooien van het desbetreffende onderzoek meegedeeld.

2.

De positieve uitslag van het geschiktheidsonderzoek blijft twee jaar geldig.

3.

Indien de uitslag van het geschiktheidsonderzoek onvoldoende is, blijft deze uitslag drie maanden gelden.

4.

In afwijking van het derde lid blijft een onvoldoende uitslag op het psychologische profiel van de kandidaat een jaar gelden, waarbij de bewaartermijn van het onderliggende dossier twee jaar bedraagt.

Artikel 13. Herbeoordeling psychologisch onderzoek
1.

De kandidaat waarvan de uitslag van het psychologisch onderzoek, bedoeld in artikel 9, onvoldoende is, kan verzoeken om een toelichtend gesprek met de psycholoog onder wiens verantwoordelijkheid het desbetreffende onderzoek heeft plaatsgevonden. Binnen twee weken na dit verzoek vindt dit gesprek plaats.

2.

Indien de kandidaat van mening is dat er bij het onderzoek fouten zijn gemaakt in de procedure of dat er sprake is van feitelijke onjuistheden, kan de kandidaat een met redenen omkleed verzoek doen om de resultaten van het psychologisch onderzoek en het verloop van de procedure opnieuw te laten beoordelen.

3.

De kandidaat maakt de wens tot een herbeoordeling binnen zes weken na het toelichtend gesprek, bedoeld in het eerste lid, met redenen omkleed aan het bevoegd gezag kenbaar.

4.

Ingeval van herbeoordeling wordt de door het bevoegd gezag te nemen beslissing ten aanzien van de aanstelling uitgesteld totdat de uitslag van de herbeoordeling aan het bevoegd gezag is meegedeeld.

5.

De herbeoordeling geschiedt door een andere psycholoog dan die het oorspronkelijke onderzoek heeft uitgevoerd.

Artikel 14. Herkansing fysiek motorisch onderzoek
1.

Indien de uitslag van het fysiek motorisch onderzoek onvoldoende is, kan het bevoegd gezag de kandidaat binnen twee weken na de mededeling, bedoeld in artikel 12, eerste lid, uitnodigen opnieuw een fysiek motorisch onderzoek te ondergaan.

2.

Dit tweede fysiek motorisch onderzoek vindt binnen drie maanden na de mededeling plaats.

3.

Ingeval van herkansing wordt de door het bevoegd gezag te nemen beslissing ten aanzien van de aanstelling uitgesteld totdat de uitslag van de herkansing aan het bevoegd gezag is meegedeeld.

Artikel 15. Herkeuring medisch onderzoek
1.

Als aan de uitslag van het medisch onderzoek een negatieve gevolgtrekking dan wel een positieve gevolgtrekking onder bepaalde bedenkingen wordt verbonden, heeft de kandidaat recht op een herkeuring.

2.

De kandidaat maakt de wens tot een herkeuring binnen twee weken na de mededeling in artikel 12, eerste lid, met redenen omkleed aan het bevoegd gezag kenbaar.

3.

Ingeval van herkeuring wordt de door het bevoegd gezag te nemen beslissing ten aanzien van de aanstelling uitgesteld totdat de uitslag van de herkeuring aan het bevoegd gezag is meegedeeld.

4.

De herkeuring geschiedt door een commissie van drie geneeskundigen. Het bevoegd gezag en de kandidaat wijzen elk een geneeskundige aan voor de commissie. Deze geneeskundigen wijzen een derde geneeskundige voor de commissie aan. De geneeskundige die het medisch onderzoek heeft verricht en de behandelend arts van de kandidaat maken geen deel uit van de commissie.

Artikel 16. Gevolg negatieve uitkomst

Niet tot aanstelling kan worden overgegaan indien de kandidaat:

Hoofdstuk 6. Slotbepalingen

Artikel 17. Intrekking oude regeling

De Regeling aanstellingseisen politie 2002 wordt ingetrokken.

Artikel 18. Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van 31 januari 2023.

Artikel 19. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling aanstellingseisen politie 2023.

Bijlage 1

Competentie Definitie Normering (1–5 punten)
Stressbestendigheid Blijft effectief presteren onder hoge werk- en tijdsdruk, bij tegenspel en druk door anderen en in onzekere omstandigheden. Relativeert en herstelt zijn/haar motivatie na teleurstelling of tegenslag, toont zich evenwichtig. Minimaal 3
Oordeelsvorming Weegt (nieuwe) gegevens en mogelijke handelwijzen tegen elkaar af in het licht van relevante criteria en komt tot een realistische, verantwoorde en onderbouwde beoordeling. Minimaal 3
Zelfreflectie Laat blijken eigen gedrag en standpunten kritisch te evalueren en open te staan voor evaluatie door anderen. Toont te leren van deze evaluaties door wijziging van eigen gedrag of de standpunten. Minimaal 2
Samenwerken Heeft oog voor het groepsbelang, stelt zich collegiaal op en draagt actief bij aan het realiseren van het gemeenschappelijke resultaat. Minimaal 2
Sociale Vaardigheid Beweegt zich tactvol en gemakkelijk in contacten met anderen. Is in staat met zijn optreden emoties en de sociale interactie te beïnvloeden. Minimaal 2
Gezag Maakt een stevige en betrouwbare eerste indruk op anderen, handhaaft deze en handelt met impact. Minimaal 2
Initiatief Signaleert kansen. Handelt ernaar en durft daarbij risico’s te nemen om uiteindelijk een bepaald herkenbaar voordeel voor de organisatie te behalen. Begint liever uit zichzelf dan passief af te wachten. Minimaal 2
Competentie Definitie Normering (1–5 punten)
--- --- ---
Stressbestendigheid Blijft effectief presteren onder hoge werk- en tijdsdruk, bij tegenspel en druk door anderen en in onzekere omstandigheden. Relativeert en herstelt zijn/haar motivatie na teleurstelling of tegenslag, toont zich evenwichtig Minimaal 3
Oordeelsvorming Weegt (nieuwe) gegevens en mogelijke handelwijzen tegen elkaar af in het licht van relevante criteria en komt tot een realistische, verantwoorde en onderbouwde beoordeling. Minimaal 3
Leervermogen Is alert op nieuwe informatie. Maakt zich actief meester van nieuwe kennis en past deze effectief toe voor de eigen functie. Kan op zichzelf en eigen handelen reflecteren Minimaal 3
Netwerkvaardigheid Ontwikkelt en onderhoudt relaties, allianties en coalities zowel binnen als buiten de eigen organisatie en benut deze voor het verkrijgen van informatie, steun en medewerking. Minimaal 2
Coachen Verkent de ontwikkelbehoeften van anderen en stimuleert, motiveert en coacht hen om hun vakbekwaamheid op een hoger niveau te brengen en de ander zo verder te ontwikkelen. Minimaal 3
Initiatief Signaleert kansen. Handelt ernaar en durft daarbij risico’s te nemen om uiteindelijk een bepaald herkenbaar voordeel voor de organisatie te behalen. Begint liever uit zichzelf dan passief af te wachten. Minimaal 2
Overtuigingskracht Toont gedrag dat er op is gericht om anderen te overtuigen van een bepaald standpunt en instemming te krijgen met bepaalde plannen of ideeën. Minimaal 2
Competentie Definitie Normering (1–5 punten)
--- --- ---
Stressbestendigheid Blijft effectief presteren onder hoge werk- en tijdsdruk, bij tegenspel en druk door anderen en in onzekere omstandigheden. Relativeert en herstelt zijn/haar motivatie na teleurstelling of tegenslag, toont zich evenwichtig. Minimaal 3
Oordeelsvorming Weegt (nieuwe) gegevens en mogelijke handelwijzen tegen elkaar af in het licht van relevante criteria en komt tot een realistische, verantwoorde en onderbouwde beoordeling. Minimaal 3
Leervermogen Is alert op nieuwe informatie. Maakt zich actief meester van nieuwe kennis en past deze effectief toe voor de eigen functie. Kan op zichzelf en eigen handelen reflecteren Minimaal 2
Creativiteit Bekijkt vraagstukken vanuit verschillende invalshoeken. Komt tot originele, oorspronkelijke en vernieuwende ideeën of oplossingen voor problemen die met de functie verband houden. Minimaal 2
Kwaliteitsgerichtheid Stelt hoge eisen aan de kwaliteit van het eigen werk. Is voortdurend op zoek naar mogelijkheden om de kwaliteit te verbeteren. Minimaal 2
Netwerkvaardigheid Ontwikkelt en onderhoudt relaties, allianties en coalities zowel binnen als buiten de eigen organisatie en benut deze voor het verkrijgen van informatie, steun en medewerking Minimaal 3
Overtuigingskracht Toont gedrag dat er op is gericht om anderen te overtuigen van een bepaald standpunt en instemming te krijgen met bepaalde plannen of ideeën. Minimaal 2
Competentie Definitie Normering (1-5 punten)
--- --- ---
Stressbestendigheid Blijft effectief presteren onder hoge werk- en tijdsdruk, bij tegenspel en druk door anderen en in onzekere omstandigheden. Relativeert en herstelt zijn/haar motivatie na teleurstelling of tegenslag, toont zich evenwichtig. Minimaal 3
Oordeelsvorming Weegt (nieuwe) gegevens en mogelijke handelwijzen tegen elkaar af in het licht van relevante criteria en komt tot een realistische, verantwoorde en onderbouwde beoordeling. Minimaal 3
Zelfreflectie Laat blijken eigen gedrag en standpunten kritisch te evalueren en open te staan voor evaluatie door anderen. Toont te leren van deze evaluaties door wijziging van eigen gedrag of de standpunten. Minimaal 3
Mensgericht leidinggeven Geeft richting en sturing aan de taakvervulling van individuele medewerkers en groepen vanuit een mensgerichte en betrokken houding. Stelt doelen en verbindt mensen met oog voor ieders kwaliteiten om zo doeltreffende samenwerkings- verbanden tot stand te brengen en een basis te leggen voor een inclusieve en veilige werksfeer. Minimaal 3
Sociale vaardigheid Beweegt zich tactvol en gemakkelijk in contacten met anderen. Is in staat met zijn optreden emoties en de sociale interactie te beïnvloeden. Minimaal 2
Verandergerichtheid Gaat effectief om met onzekerheid en veranderingen in de organisatie, de omgeving en zichzelf. Beschouwt verandering als vanzelfsprekend en noodzakelijk. Zet veranderingen in vanuit een duidelijke visie en persoonlijke overtuiging. Minimaal 2
Overtuigingskracht Toont gedrag dat erop is gericht om anderen te overtuigen van een bepaald standpunt en instemming te krijgen met bepaalde plannen of ideeën. Minimaal 2

Bijlage 2

Voor het fysiek motorisch onderzoek moet de kandidaat een circuit met hindernissen afleggen waarbij de volgende minimale normtijden gelden:

Vrouwen
Leeftijd 17–24 25–29 30–34 35–39 40–44 45–49 50–54 55–59 60 en ouder
3:45 3:46 3:52 4:00 4:07 4:13 4:25 4:40 4:50
Mannen
Leeftijd 17–24 25–29 30–34 35–39 40–44 45–49 50–54 55–59 60 en ouder
3:08 3:10 3:13 3:19 3:24 3:30 3:38 3:53 4:00

Het circuit bevat de volgende onderdelen:

Het circuit wordt uitgezet in een binnenruimte met een minimale afmeting van 9 x 18 meter waarbij aan alle kanten een vrije ruimte aanwezig is van minimaal 0,5 meter.

Gesommeerd over het gehele circuit rent en sprint de kandidaat 226,5 meter, duwt deze een kar van 200 kilogram over 18 meter (verdeeld over 3 rondes) en trekt hij/zij deze kar 12 meter (verdeeld over 2 rondes). Verder wordt tillend een gewicht van 5 kilogram over een afstand van ± 3 meter per keer verplaatst (verdeeld over 3 rondes met een frequentie van 6 maal per ronde).

Bijlage 3

De kandidaat aspirant en de kandidaat vrijwilliger-aspirant worden onderworpen aan een medische keuring, gerelateerd aan de te verrichten taken en werkzaamheden.

Taken/werkzaamheden

In de uitvoering van het zorgen voor een daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde en het verlenen van hulp aan hen die dit behoeven (artikel 3 Politiewet 2012) zijn de volgende elementen te onderscheiden:

De diensten zijn onregelmatig (dag-, avond-, weekend- en nachtdiensten). De diensten worden te voet, per (motor)rijwiel of per auto verricht en moeten onder alle weersomstandigheden doorgang vinden.

Expositie aan gevaarlijke stoffen – ook radioactieve – komt voor. Het dragen van een helm, beschermende kleding en een gasmasker is soms noodzakelijk.

Ten aanzien van de energetische belastbaarheid is voor politieambtenaren die zijn aangesteld voor de uitvoering van de politietaak het fysiek motorisch onderzoek maatgevend. De ergometrie dient om relevante cardiovasculaire pathologie uit te sluiten en de bepaalde VO2max dient als bevestiging bij het fysiek motorisch onderzoek. In de uitzonderlijke situatie dat de keuring plaatsvindt zonder voorafgaand fysiek motorisch onderzoek of bij het niet gehaald hebben van de minimumnorm tijdens de selectie, geldt de minimale norm voor de VO2max. Deze norm is voor leeftijd en geslacht minus 10% in de bijlage gecorrigeerd.

1 Bij overlappende belastbaarheideisen van de diverse functie-eisen belastbaarheideisen moet de zwaarste eis als beoordelingscriterium genomen worden.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.