Richtlijn voor strafvordering luchtvaartwet- en regelgeving
Samenvatting
Deze strafvorderingsrichtlijn bevat aanwijzingen voor de sanctietoepassing en het transactie- en requireerbeleid in luchtvaartzaken
1. Achtergrond
Er bestaat al sinds 1996 transactiebeleid in luchtvaartzaken.1Strct.1996, 137, p. 12. De strafvorderingsrichtlijn waarin dit beleid was vervat, hanteerde een feitcodesysteem voor lichtere luchtvaartfeiten. Gaandeweg is dit systeem losgelaten omdat de feitcodes in de praktijk niet werden gebruikt. Er werden bovendien zwaardere feiten aan de richtlijn toegevoegd. Het onderscheid met de strafvorderingsrichtlijn die sinds 2.000 bestaat voor het zogenaamde vliegen onder invloed, is daarom niet meer relevant. Daar komt bij dat beide strafvorderingsrichtlijnen weinig aandacht besteden aan Europese regelgeving. Het toepassingsgebied van de Basisverordening (Bv)2Verordening (EU) 2018/1139 het Europees parlement en de Raad van 4 juli 2018 inzake gemeenschappelijke regels op het gebied van burgerluchtvaart en tot oprichting van een Agentschap van de Europese Unie voor de veiligheid van de luchtvaart, en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 2111/2005, (EG) nr. 1008/2008, (EU) nr. 996/2010, (EU) nr. 376/2014 en de Richtlijnen 2014/30/EU en 2014/53/EU van het Europees parlement en de Raad, en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 552/2004 en (EG) nr. 216/2008 van het Europees parlement en de Raad en Verordening (EEG) nr. 3922/91 van de Raad. is in de loop der jaren uitgebreid, wat ertoe heeft geleid dat meer Europese voorschriften zijn aangewezen als voorschriften waarvan de overtreding een strafbaar feit oplevert. Zo strekt het toepassingsgebied van de Basisverordening zich tegenwoordig ook uit tot vluchten met onbemande luchtvaartuigen (drones). Het voorgaande is aanleiding geweest om de bestaande strafvorderingsrichtlijnen samen te voegen in één strafvorderingsrichtlijn en daaraan nieuwe aanwijzingen toe te voegen. Opmerking verdient verder dat de categorie-indeling, die sinds 1996 voor de bemande luchtvaart werd gehanteerd, enigszins is herzien om aan te sluiten op de internationale en Europese categorisering.3De categorie-indeling ging voorheen uit van een onderscheid tussen luchtvaartuigen met een maximaal startgewicht van 6.000 kg of meer en luchtvaartuigen met een maximaal startgewicht van minder dan 6.000 kg. Internationaal en Europees wordt een onderscheid gemaakt tussen luchtvaartuigen met een maximaal startgewicht van 5.700 kg of meer en luchtvaartuigen met een maximaal startgewicht van 5.700 kg of minder.
2. Toepassing
Deze richtlijn heeft betrekking op overtredingen van voorschriften uit luchtvaartwet- en regelgeving. Het gaat hierbij om voorschriften uit de Wet luchtvaart, voorschriften krachtens de Wet luchtvaart (Besluit luchtverkeer 2014, Regeling uitvoering en handhaving luchtvaartveiligheid, Regeling onbemande luchtvaartuigen, Regeling zonering onbemande luchtvaartuigen, Regeling standaard luchtverkeerscircuits, Regeling nationale veiligheidsvoorschriften luchtvaartuigen, Regeling valschermspringen 2010 en Regeling kabelvliegers en kleine ballons), voorschriften uit de Luchtvaartwet, voorschriften krachtens de Luchtvaartwet (Regeling luchtvaartvertoningen, Regeling slepen en reclamesleepvliegen en Regeling Toezicht Luchtvaart) en voorschriften uit het Wetboek van Strafrecht.
In deze richtlijn worden aanwijzingen – uitgangspunten – voor de sanctietoepassing en het transactie- en requireerbeleid gegeven. De daarbij genoemde tarieven zijn afgerond volgens de systematiek van de Aanwijzing kader voor strafvordering meerderjarigen.
De landelijk coördinerend luchtvaartofficier van justitie van parket Noord-Holland is verantwoordelijk voor de coördinatie van de vervolging van luchtvaartzaken. Dit betekent dat alle luchtvaartfeiten (overtredingen en misdrijven) ter beoordeling dienen te worden overgedragen aan parket Noord-Holland.
3. Voorschriften Wet luchtvaart
Deel A. Luchtvaartactiviteiten onder invloed
Dit deel ziet op het bedienen van een luchtvaartuig door cockpitpersoneel, het verrichten van werkzaamheden ten behoeve van inzittenden of lading door ander boordpersoneel of het verlenen van luchtverkeersdiensten onder invloed van psychoactieve stoffen en/of alcohol. Niettegenstaande de beperking in het toepassingsgebied in de Wet luchtvaart (uit art. 1.2, eerste lid Wlv volgt dat de Wet luchtvaart alleen van toepassing voor zover hetgeen bij of krachtens de Basisverordening niet van toepassing is), is dit deel van toepassing op de gehele burgerluchtvaart. Het algemene verbod in punt 7.6 van bijlage V bij de Basisverordening wordt namelijk – gelijk het equivalente verbod in art. 2.12, eerste lid Wlv – geconcretiseerd door het bepaalde in art. 2.12, tweede en derde lid Wlv.4Kamerstukken II2012/13, 33 476, nr. 3, p. 9.
Op grond van art. 2.12, tweede lid Wlv is het een lid van het boordpersoneel verboden werkzaamheden verrichten aan boord van een luchtvaartuig, als hij binnen de tien daaraan voorafgaande uren alcoholhoudende drank heeft gebruikt. Op grond van art. 2.12, derde lid Wlv zijn voor boordpersoneel en (via art. 2.12, zesde lid Wlv) voor onder meer luchtverkeersleiders ‘om redenen van meettechnische aard’ alcoholgrenzen opgenomen.5Kamerstukken II1995/96, 24 513, nr. 3, p. 11-12. Dit betreft het ademalcoholgehalte (Ugl) of bloedalcoholgehalte (Bag).
In de hierna genoemde categorieën I tot en met III zijn in tabellen uitgangspunten vermeld voor alcoholgebruik. In categorie IV zijn uitgangspunten neergelegd, die gelden voor werkzaamheden onder invloed van een of meer andere middelen dan alcohol of een combinatie van middelen. Categorie V bevat uitgangspunten voor het weigeren mee te werken aan een adem-, urine- of bloedonderzoek, zoals bedoeld in art. 11.6 Wlv. Zowel in categorie IV, als categorie V zijn voorts uitgangspunten opgenomen voor het geval de verdachte verkeerde in kennelijke staat van dronkenschap of een daarmee gelijk te stellen toestand. dan wel het geval dat sprake is van recidive. Categorie VI bevat uitgangspunten voor het (doen) bedienen van een luchtvaartuig gedurende een vliegverbod (art. 11.5 Wlv) en het geven van luchtverkeersdienstverlening gedurende een verbod tot het geven van zodanige leiding (art. 11.8a Wlv).
Als alcoholgebruik bij boordpersoneel wordt geconstateerd na een inkomende vlucht, wordt bij de bepaling van het uitgangspunt rekening gehouden met de duur van die vlucht en de gemiddelde afbraaksnelheid van alcohol (één standaardglas alcohol waarvoor 0,25 BAG kan worden gerekend, breekt af gemiddeld af in één tot anderhalf uur).
De uitgangspunten in deze richtlijn worden bij eenmaal recidive verhoogd met 50%, met dien verstande dat die verhoging bij een geïndiceerde gevangenisstraf wordt toegepast op het aantal dagen en niet op het aan de hand daarvan afgeronde aantal weken of maanden.
Categorie I. Piloten luchtvaartuig > 5.700 kg en luchtverkeersleiders
De volgende uitgangspunten zijn geformuleerd voor piloten (het cockpitpersoneel) van luchtvaartuigen met een maximaal startgewicht van meer dan 5.700 kg en voor luchtverkeersleiders in het algemeen.
Categorie II. Piloten luchtvaartuig ≤ 5.700 kg bedrijfsmatig gebruik en assistent-luchtverkeersleiders
De volgende uitgangspunten zijn geformuleerd voor piloten (het cockpitpersoneel) van luchtvaartuigen met een maximaal startgewicht van 5.700 kg of minder bij bedrijfsmatig gebruik. Dezelfde uitgangspunten gelden voor assistent-luchtverkeersleiders.
Categorie III. Piloten luchtvaartuig ≤ 5.700 kg privégebruik en cabinepersoneel in het algemeen
De volgende uitgangspunten zijn geformuleerd voor piloten (het cockpitpersoneel) bij privégebruik van luchtvaartuigen met een maximaal startgewicht van 5.700 kg of minder. Deze uitgangspunten gelden ook voor cabinepersoneel, zoals stewards en stewardessen, van luchtvaartuigen in het algemeen (ongeacht het type luchtvaartuig).
Categorie IV. Werkzaamheden onder invloed psychoactieve stof, in kennelijke staat van dronkenschap of daarmee gelijk te stellen toestand
De volgende uitgangspunten zijn geformuleerd voor het verrichten van werkzaamheden onder invloed van een psychoactieve stof, in staat van dronkenschap of daarmee gelijk te stellen toestand.
Categorie V. Weigeren ademanalyse, bloedproef of urineproef dan wel achteraf weigeren bloedonderzoek
De volgende uitgangspunten zijn geformuleerd voor het weigeren van een ademanalyse, bloedproef of urineproef dan wel het achteraf weigeren van een bloedonderzoek als bedoeld in art. 11.6 lid 9 Wet luchtvaart.
Categorie VI. Werkzaamheden gedurende verbod
De volgende uitgangspunten zijn geformuleerd voor het vliegen gedurende een vliegverbod, zoals bedoeld in art. 11.5 lid 4 Wet luchtvaart, en het geven van luchtverkeersdienstverlening gedurende een verbod tot het geven van zodanige leiding (art. 11.8a Wlv).
Deel B. Overige feiten
Dit deel ziet op andere strafbare feiten die bij de Wet luchtvaart zijn vastgesteld. Deze zijn van toepassing voor zover daarover bij of krachtens de Basisverordening niets is bepaald dan wel voor zover er ruimte voor is gelaten voor lokale regels.
Categorie I. Algemeen toepasselijke feiten
De feiten in deze categorie zijn van toepassing op alle luchtvaartuigen omdat de Basisverordening daarover niets heeft geregeld of omdat het plaatselijke regels zijn waarvoor de Basisverordening ruimte laat. Voor deze feiten gelden de volgende uitgangspunten.
Categorie II. Feiten niet-Europese luchtvaartuigen
De feiten in deze categorie zijn van toepassing op luchtvaartuigen waarop de Basisverordening niet van toepassing is, zoals de luchtvaartuigen die in bijlage I van die verordening zijn genoemd, en op luchtvaartuigen die door exploitanten van derde landen (geen EU-lidstaten) worden gebruikt voor vluchten naar, binnen of vanuit de EU waarvoor internationale ICAO-normen bestaan. Voor deze feiten gelden de volgende uitgangspunten.
Categorie III. Feiten luchtverkeersdienstverlening en verstrekking vlucht- of luchthaveninformatie
De volgende feiten hebben betrekking op luchtverkeersdienstverlening en de verstrekking van luchthaveninformatie, waarover bij of krachtens de Basisverordening niets is geregeld.
4. Voorschriften Besluit luchtverkeer 2014
De volgende uitgangspunten zien op strafbare feiten die krachtens de Wet luchtvaart zijn voorzien in het Besluit luchtverkeer 2014.
5. Voorschriften Regeling vluchtuitvoering
De volgende uitgangspunten zien op een strafbaar feit dat krachtens de Wet luchtvaart is voorzien in de Regeling vluchtuitvoering.
6. Voorschriften Regeling uitvoering en handhaving luchtvaartveiligheid
Deel A. Luchtwaardigheid
Dit deel heeft betrekking op voorschriften in de Basisverordening en/of twee daarop gebaseerde uitvoeringsverordeningen, namelijk Verordening 748/2012 en Verordening 1312/2014, die zijn gerelateerd aan de luchtwaardigheid van luchtvaartuigen.
1 In geval van een organisatie is meer maatwerk geboden.
Deel B. Boordpersoneel luchtvaartuigen
Dit deel heeft betrekking op voorschriften in de Basisverordening en/of daarop gebaseerde uitvoeringsverordeningen, die over de bemanning van luchtvaartuigen gaan. In categorie I zijn de algemene voorschriften opgenomen uit de Basisverordening en de daarop gebaseerde uitvoeringsverordening 1178/2011. De categorieën II en III gaan respectievelijk over zweefvliegen en ballonvaren. Weliswaar zijn de algemene voorschriften in de Basisverordening ook daarop van toepassing, maar de uitwerking daarvan is geregeld in afzonderlijke uitvoeringsverordeningen. Voor zweefvliegen is dat Verordening 2018/1976 en voor ballonvaren Verordening 2018/395.
Categorie I. Algemeen
Categorie II. Zweefvliegen
Categorie III. Ballonvaren
Deel C. Luchtverkeersleiders
Dit deel heeft betrekking op voorschriften in de Basisverordening en/of daarop gebaseerde uitvoeringsverordeningen, die over de luchtverkeersleiders gaan.
Deel D. Vluchtuitvoering bemande luchtvaart
Dit deel heeft betrekking op voorschriften in de Basisverordening en/of daarop gebaseerde uitvoeringsverordeningen, die over de vluchtuitvoering van bemande luchtvaartuigen gaan.
Deel E. Gemeenschappelijke luchtverkeersregels
Dit deel betreft voorschriften die zijn vastgesteld in Uitvoeringsverordening 923/2012, de zogenoemde SERA-verordening (SERA staat voor ‘Standardized European Rules of the Air’). Deze uitvoeringsverordening heeft betrekking op het algemeen luchtverkeer, nu deze niet alleen op de Basisverordening maar ook op de Luchtruimverordening is gebaseerd. De hierna genoemde voorschriften zijn op grond van art. 1.6 Wet luchtvaart aangewezen als strafbaar feit.
Deel F. Drone-verordening (Verordening 2019/947)
Dit deel ziet op voorschriften in Uitvoeringsverordening 2019/947 die betrekking hebben op vluchten met onbemande luchtvaartuigen (drones). De hierna genoemde voorschriften zijn op grond van art. 1.6 Wet luchtvaart aangewezen als strafbaar feit.
1 Deze strafbaarstelling is breed geformuleerd. Zo geldt als voorwaarde voor de open categorie een vlieghoogte van 120 meter. Als daaraan niet is voldaan, had een vergunning aangevraagd moeten worden. Hierbij kan het met andere woorden gaan om een drone die op 130 meter vliegt, maar ook om een drone die op 3 km hoogte vliegt.
Ten aanzien van het onder invloed van psychoactieve stoffen of alcohol besturen van een drone (verboden op grond van UAS.OPEN.060 lid 2 onder a c.q. UAS.SPEC.060 lid 1 onder a, als misdrijf aangewezen in art. 3.2) wordt aansluiting gezocht bij de uitgangspunten voor privépiloten van luchtvaartuigen met een maximaal startgewicht van 5.700 kg of minder. Deze zijn weergegeven onder 3, deel A, categorie III.
7. Voorschriften Regeling onbemande luchtvaartuigen
De volgende uitgangspunten zien op strafbare feiten die krachtens de Wet luchtvaart zijn voorzien in de Regeling onbemande luchtvaartuigen. Deze voorschriften hebben dus ook betrekking op vluchten met drones.
8. Voorschriften Regeling standaard luchtverkeerscircuits
De volgende uitgangspunten zien op strafbare feiten die krachtens de Wet luchtvaart zijn voorzien in de Regeling standaard luchtverkeerscircuits.
9. Regeling nationale veiligheidsvoorschriften luchtvaartuigen
In de Regeling nationale veiligheidsvoorschriften luchtvaartuigen zijn onder meer regels gesteld met betrekking tot het gebruik van luchtvaartuigen die niet onder de werking van de EU-Basisverordening vallen. De hierna genoemde verboden zijn telkens gebaseerd op art. 7 Besluit vluchtuitvoering, dat via art. 8 Besluit vluchtuitvoering, art. 4.6 Wet luchtvaart en art. 1 onder 4 WED als overtreding strafbaar is gesteld.
10. Voorschriften Regeling valschermspringen 2010
De volgende uitgangspunten zien op strafbare feiten die krachtens de Wet luchtvaart zijn voorzien in de Regeling valschermspringen.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.