Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 9 maart 2023, nr. MBO/36996245, houdende regels voor de verstrekking van aanvullende bekostiging voor het verhogen van de kwaliteit van het beroepsonderwijs 2024–2027 (Regeling kwaliteitsafspraken mbo 2024–2027)
Artikel 1. Begripsbepalingen
In deze regeling wordt verstaan onder:
- aanvullende bekostiging: aanvullende middelen als bedoeld in artikel 2.2.3 van de wet;
- adviescommissie: commissie als bedoeld in artikel 7;
- analyseonderdelen: analyseonderdelen als genoemd in bijlage 2, en eventuele eigen analyseonderdelen;
- basisberoepsopleiding: basisberoepsopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, aanhef en onder b, van de wet;
- doelstellingen: doelstellingen als genoemd in bijlage 2;
- eerste tranche: kwaliteitsagenda’s die uiterlijk op 30 juni 2023 zijn ingediend;
- externe samenwerkingspartners: externe samenwerkingspartners als bedoeld in artikel 6, derde lid, onder b;
- indicatoren: indicatoren als genoemd in bijlage 2, en eventuele eigen indicatoren;
- instelling: instelling als bedoeld in artikel 1.1.1 van de wet, voor zover het bekostigde beroepsopleidingen betreft;
- interne samenwerkingspartners: de studenten en het personeel van de instelling;
- kwaliteitsagenda: kwaliteitsagenda als bedoeld in artikel 6;
- minister: Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;
- niet-randstadinstellingen: instellingen, niet genoemd in bijlage 1;
- randstadinstellingen: instellingen als genoemd in bijlage 1;
- rijksbijdrage: rijksbijdrage als bedoeld in artikel 2.2.1, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit WEB;
- tweede tranche: kwaliteitsagenda’s die na 30 juni 2023 maar uiterlijk op 1 oktober 2023 zijn ingediend;
- werkagenda mbo: werkagenda mbo van 14 februari 2023, te vinden op https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/brieven_regering/detail?id=2023Z02606&did=2023D06060, inclusief het stagepact, te vinden op https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2023/02/14/stagepact-mbo;
Artikel 2. Toepassing Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS
Deze regeling geldt in aanvulling op de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS.
Artikel 3. Doelomschrijving
De minister kan op aanvraag van het bevoegd gezag van een instelling voor de kalenderjaren 2024 tot en met 2027 aanvullende bekostiging verstrekken ten behoeve van activiteiten die erop zijn gericht:
- a. de doelstellingen uit de werkagenda mbo op het gebied van kansengelijkheid, aansluiting van het onderwijs op de arbeidsmarkt en het versterken van de onderwijskwaliteit te realiseren;
- b. de hiervoor benodigde samenwerking met de interne en externe samenwerkingspartners te verdiepen of verbreden; en
- c. gezamenlijk hiervan te leren.
Artikel 4. Bekostigingsplafond
Voor het verstrekken van de aanvullende bekostiging op grond van deze regeling zijn de volgende bedragen beschikbaar:
- a. voor het kalenderjaar 2024 € 704.330.000,–;
- b. voor het kalenderjaar 2025 € 538.984.000,–;
- c. voor het kalenderjaar 2026 € 538.984.000,–; en
- d. voor het kalenderjaar 2027 € 540.033.000,–.
Artikel 5. Hoogte aanvullende bekostiging
Indien de door het bevoegd gezag ingediende aanvraag voor aanvullende bekostiging wordt toegewezen, wordt jaarlijks een vast bedrag aan het bevoegd gezag verstrekt dat wordt berekend aan de hand van het bepaalde in het tweede tot en met zesde lid.
In het kalenderjaar 2024 wordt aan de instelling een vast bedrag aan aanvullende bekostiging verstrekt, dat bestaat uit:
- a. een deel van € 397.130.000,–, waarbij dit deel wordt berekend aan de hand van de aan de desbetreffende instelling te verstrekken rijksbijdrage voor het kalenderjaar 2024 ten opzichte van de totale rijksbijdrage voor het kalenderjaar 2024 aan alle instellingen;
- b. een deel van € 165.000.000,–, waarbij dit deel wordt berekend aan de hand van het aantal studenten dat op 1 oktober 2022 bij de desbetreffende instelling is ingeschreven voor een basisberoepsopleiding en voor bekostiging in aanmerking komt, ten opzichte van het totaal aantal studenten dat op 1 oktober 2022 bij alle instellingen is ingeschreven voor een basisberoepsopleiding en voor bekostiging in aanmerking komt; en
- c. indien de instelling een randstadinstelling is, een deel van € 142.200.000,–, waarbij dit deel wordt berekend aan de hand van de aan de desbetreffende instelling te verstrekken rijksbijdrage voor het kalenderjaar 2024 ten opzichte van de totale rijksbijdrage voor het kalenderjaar 2024 aan alle instellingen en dit deel vervolgens te vermenigvuldigen met 1,2; of
- d. indien de instelling een niet-randstadinstelling is, een deel van het bedrag dat na toepassing van onderdeel c voor alle randstadinstellingen nog van de € 142.200.000,– resteert, waarbij dit deel wordt berekend aan de hand van de aan de desbetreffende niet-randstadinstelling te verstrekken rijksbijdrage voor het kalenderjaar 2024 ten opzichte van de totale rijksbijdrage aan alle niet-randstadinstellingen voor het kalenderjaar 2024.
In de kalenderjaren 2025 en 2026 wordt aan de instelling een vast subsidiebedrag verstrekt, dat bestaat uit:
- a. een deel van € 396.784.000,– waarbij dit deel wordt berekend aan de hand van de aan de desbetreffende instelling te verstrekken rijksbijdrage voor het desbetreffende kalenderjaar ten opzichte van de totale rijksbijdrage voor dat kalenderjaar aan alle instellingen; en
- b. indien de instelling een randstadinstelling is, een deel van € 142.200.000,–, waarbij dit deel wordt berekend aan de hand van de aan de desbetreffende instelling te verstrekken rijksbijdrage voor het desbetreffende kalenderjaar ten opzichte van de totale rijksbijdrage aan alle instellingen voor dat kalenderjaar en dit deel vervolgens te vermenigvuldigen met 1,2; of
- c. indien de instelling een niet-randstadinstelling is, een deel van het bedrag dat na toepassing van onderdeel b voor alle randstadinstellingen nog van de € 142.200.000,– resteert, waarbij dit deel wordt berekend aan de hand van de aan de desbetreffende niet-randstadinstelling te verstrekken rijksbijdrage voor het desbetreffende kalenderjaar ten opzichte van de totale rijksbijdrage aan alle niet-randstadinstellingen voor dat kalenderjaar.
Voor het subsidiebedrag voor het kalenderjaar 2027 is het derde lid van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in plaats van het bedrag, genoemd in het derde lid, onder a, € 397.833.000,– wordt gelezen.
De uitkomst van de berekening wordt rekenkundig afgerond op hele euro’s.
Bij te late indiening van de gegevens en de verklaring, bedoeld in artikel 2.2.5, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit WEB:
- a. is ten aanzien van het tweede lid, onder a, c en d, het derde lid en het vierde lid artikel 2.2.5 van het Uitvoeringsbesluit WEB van toepassing; en
- b. kan de minister ten aanzien van het tweede lid, onder b, de aanvullende bekostiging vaststellen op basis van het aantal studenten dat is ingeschreven voor een basisberoepsopleiding op 1 oktober 2021 en dat voor bekostiging in aanmerking komt.
Artikel 6. Kwaliteitsagenda
Het bevoegd gezag dient voor de kalenderjaren 2024–2027 een aanvraag voor aanvullende bekostiging in. De aanvraag heeft de vorm van een kwaliteitsagenda.
Het bevoegd gezag dient de kwaliteitsagenda in bij de minister via de website http://www.ckmbo.nl op uiterlijk:
- a. 30 juni 2023; of
- b. 1 oktober 2023.
In de kwaliteitsagenda legt het bevoegd gezag onderbouwd vast:
- a. wat het werkgebied van de instelling is;
- b. wie binnen dit werkgebied de relevante externe samenwerkingspartners van de instelling zijn, waaronder in ieder geval:
- 1°. onderwijsinstellingen;
- 2°. relevante overheden die het sociale en economische domein vertegenwoordigen; en
- 3°. het bedrijfsleven;
- c. wat de ambities binnen het werkgebied zijn:
- 1°. in de vorm van concrete beoogde resultaten voor eind 2027;
- 2°. per doelstelling voor de doelstellingen waaraan verplichte maatregelen, genoemd in bijlage 2, zijn gekoppeld; en
- 3°. per doelstelling voor de doelstellingen waaraan ‘pas toe of leg uit’-maatregelen, genoemd in bijlage 2, zijn gekoppeld, tenzij de instelling op basis van de analyse, bedoeld in het vierde lid, afdoende motiveert waarom zij voor die doelstelling geen ambitie stelt;
- d. welke maatregelen de instelling gaat nemen om de ambities te realiseren, waaronder in ieder geval:
- 1°. de verplichte maatregelen, genoemd in bijlage 2; en
- 2°. de ‘pas toe of leg uit’-maatregelen, genoemd in bijlage 2, tenzij de instelling op basis van de analyse, bedoeld in het vierde lid, afdoende motiveert waarom zij geen inzet op die maatregel pleegt;
- e. op welke punten de instelling voor de realisatie van de ambities afhankelijk is van de externe samenwerkingspartners, hoe de instelling de externe samenwerkingspartners bij de ambitievorming heeft betrokken en hoe zij de samenwerking met de externe samenwerkingspartners tijdens de looptijd van de kwaliteitsagenda verder gaat ontwikkelen;
- f. hoe de instelling gaat samenwerken met de interne samenwerkingspartners, hoe zij de samenwerking tijdens de looptijd van de kwaliteitsagenda verder gaat ontwikkelen en hoe zij bereikt dat er onder hen voldoende draagvlak voor de ambities en maatregelen is, waarbij de studentenraad en de ondernemingsraad in ieder geval met de kwaliteitsagenda moeten hebben ingestemd;
- g. hoe de instelling de ouders van de studenten gaat betrekken bij de voor hen relevante ambities en maatregelen;
- h. hoe de instelling met de interne en externe samenwerkingspartners de realisatie van de ambities en maatregelen gaat borgen, waarbij de instelling er in ieder geval voor zorgt dat:
- 1°. een jaarlijkse evaluatie van de voortgang wordt uitgevoerd met betrokkenheid van de interne en externe samenwerkingspartners; en
- 2°. op basis van die jaarlijkse evaluatie kan worden bijgestuurd met betrokkenheid van de interne en externe samenwerkingspartners;
- i. hoe de instelling de aanvullende bekostiging op grond van deze regeling wil besteden, onderbouwd met een indicatieve begroting waarin het bevoegd gezag ook middelen met een andere herkomst dan op grond van deze regeling kan vermelden en waarin in ieder geval de volgende kostenposten separaat worden vermeld:
- 1°. de kosten voor de maatregelen voor doelstelling 1.3, genoemd in bijlage 2, voor zover deze betrekking hebben op extra begeleiding van studenten in de basisberoepsopleiding;
- 2°. de kosten voor de maatregelen voor doelstelling 3.3, genoemd in bijlage 2, voor zover deze betrekking hebben op carrièreperspectief voor onderwijspersoneel; en
- 3°. de kosten voor de maatregelen voor doelstelling 3.4, genoemd in bijlage 2, voor zover deze betrekking hebben op practoraten; en
- j. indien van toepassing: waarom de begrote kostenposten, bedoeld in onderdeel i, sub 1° tot en met 3°, verschillen van de hiermee samenhangende posten binnen de aanvullende bekostiging.
De ambities en maatregelen, bedoeld in het derde lid, onder c en d, zijn gebaseerd op een analyse van:
- a. de uitgangssituatie van de instelling aan de hand van de sterke en zwakke punten van de instelling;
- b. de ontwikkelingen binnen de instelling die van belang zijn voor de kwaliteitsagenda, zo nodig gerelateerd aan het bestaande strategische meerjarenplan van de instelling;
- c. de uitgangssituatie van het werkgebied aan de hand van de kansen en uitdagingen binnen het werkgebied; en
- d. de ontwikkelingen binnen het werkgebied die van belang zijn voor de kwaliteitsagenda, waaronder in ieder geval de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt.
De analyse wordt opgesteld per doelstelling aan de hand van analyseonderdelen en indicatoren en wordt in aanvulling op het derde lid eveneens in de kwaliteitsagenda opgenomen.
Indien het bevoegd gezag meerdere instellingen in stand houdt, dient het bevoegd gezag per instelling een kwaliteitsagenda in.
Artikel 7. Adviescommissie
De minister stelt een onafhankelijke adviescommissie in die de minister adviseert ten behoeve van de beoordeling van de ingediende kwaliteitsagenda’s.
Naast de adviestaak, bedoeld in het eerste lid, stelt de adviescommissie voor 15 september 2024 een integrale rapportage op met een landelijk beeld over de beoordeling van de kwaliteitsagenda’s en stuurt zij deze voor 15 september 2024 aan de minister toe.
Artikel 8. Advisering adviescommissie over de kwaliteitsagenda
De adviescommissie beoordeelt of de kwaliteitsagenda compleet en als geheel voldoende onderbouwd, ambitieus en realistisch is. De adviescommissie gebruikt hierbij het beoordelingskader dat als bijlage 3 bij deze regeling is gevoegd en geeft op basis daarvan het oordeel voldoende of onvoldoende.
Het bevoegd gezag licht de kwaliteitsagenda toe indien de adviescommissie of het bevoegd gezag daaraan behoefte heeft en werkt, onder meer door het verschaffen van de daartoe benodigde inlichtingen, gegevens en bescheiden, mee aan een door de adviescommissie ingesteld onderzoek dat erop is gericht de minister te adviseren over de kwaliteitsagenda.
De adviescommissie informeert het bevoegd gezag over haar voorlopig advies over de kwaliteitsagenda op uiterlijk:
- a. 31 oktober 2023 voor de eerste tranche; of
- b. 31 januari 2024 voor de tweede tranche.
Het bevoegd gezag kan uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van het voorlopig advies, bedoeld in het derde lid, een aangepaste kwaliteitsagenda bij de minister indienen. De minister kan deze termijn verlengen wegens schoolvakanties.
De adviescommissie adviseert de minister over de kwaliteitsagenda op uiterlijk:
- a. 15 december 2023 voor de eerste tranche; of
- b. 4 april 2024 voor de tweede tranche.
Artikel 9. Beoordeling minister van de kwaliteitsagenda
De minister besluit of de kwaliteitsagenda voldoende of onvoldoende is op uiterlijk:
- a. 31 januari 2024 voor de eerste tranche; of
- b. 30 april 2024 voor de tweede tranche.
Indien de minister de kwaliteitsagenda als voldoende beoordeelt, wordt voor de kalenderjaren 2024 tot en met 2027 jaarlijks aanvullende bekostiging aan het bevoegd gezag verstrekt onder toepassing van artikel 13.
Indien de minister de kwaliteitsagenda als onvoldoende beoordeelt, wijst de minister de kwaliteitsagenda af. Het bevoegd gezag heeft in dat geval recht op een herkansing als bedoeld in artikel 10.
Indien het bevoegd gezag de kwaliteitsagenda na 1 oktober 2023 indient, kan de minister besluiten de kwaliteitsagenda af te wijzen. Indien de minister de kwaliteitsagenda niet afwijst op grond van de vorige volzin, valt de kwaliteitsagenda onder de tweede tranche.
Artikel 10. Herkansing bij onvoldoende oordeel
Bij een onvoldoende oordeel over de kwaliteitsagenda stelt de minister het bevoegd gezag in de gelegenheid een aangepaste kwaliteitsagenda in te dienen op uiterlijk 30 mei 2024 via de website http://www.ckmbo.nl/.
De adviescommissie adviseert de minister conform artikel 8, eerste lid, en informeert de minister uiterlijk op 30 juni 2024 over haar advies over de aangepaste kwaliteitsagenda. Artikel 8, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
De minister besluit uiterlijk op 31 augustus 2024 of de aangepaste kwaliteitsagenda voldoende of onvoldoende is.
Indien de minister de aangepaste kwaliteitsagenda als voldoende beoordeelt, wordt voor de kalenderjaren 2024 tot en met 2027 alsnog jaarlijks aanvullende bekostiging aan het bevoegd gezag verstrekt onder toepassing van artikel 13.
Indien de minister de kwaliteitsagenda als onvoldoende beoordeelt, wijst de minister de kwaliteitsagenda af.
Indien het bevoegd gezag de aangepaste kwaliteitsagenda na 30 mei 2024 indient, kan de minister besluiten de kwaliteitsagenda af te wijzen.
Dit artikel is van overeenkomstige toepassing indien de aanvraag voor aanvullende bekostiging is afgewezen op grond van artikel 8, vierde lid, eerste volzin, of indien de instelling nog niet eerder een kwaliteitsagenda heeft ingediend.
Artikel 11. Institutionele fusie
Een bevoegd gezag van instellingen die op 1 augustus 2023 institutioneel fuseren, dient in afwijking van artikel 6, vijfde lid, één kwaliteitsagenda in voor de instelling die uit de institutionele fusie zal ontstaan.
De berekeningswijze, bedoeld in artikel 5, tweede tot en met zesde lid, houdt voor het eerst rekening met een institutionele fusie met ingang van het eerstvolgende kalenderjaar na de ingangsdatum van die fusie. Bij een institutionele fusie tussen een randstadinstelling en een niet-randstadinstelling wordt de uit die institutionele fusie ontstane instelling daarbij aangemerkt als randstadinstelling.
Artikel 12. Verplichtingen
Het bevoegd gezag spant zich in voor de realisatie van de ambities en maatregelen uit de kwaliteitsagenda en borgt dit door:
- a. de voortgang hiervan jaarlijks te evalueren met betrokkenheid van de interne en externe samenwerkingspartners; en
- b. zo nodig bij te sturen op basis van de jaarlijkse evaluatie met betrokkenheid van de interne en externe samenwerkingspartners.
Het bevoegd gezag verantwoordt zich jaarlijks over haar inspanning voor en voortgang van de realisatie van de ambities en maatregelen uit de kwaliteitsagenda alsmede de samenwerking met de interne en externe samenwerkingspartners conform artikel 15, tweede en derde lid.
Het bevoegd gezag geeft een toelichting op de verantwoording, bedoeld in het tweede lid, indien de minister of het bevoegd gezag daaraan behoefte heeft en werkt, onder meer door het verschaffen van de daartoe benodigde inlichtingen, gegevens en bescheiden, mee aan een door de minister ingesteld onderzoek dat erop is gericht om een getrouw en compleet beeld te krijgen van de inspanningen voor en voortgang van de realisatie van de ambities en maatregelen uit de kwaliteitsagenda alsmede de samenwerking met de interne en externe samenwerkingspartners.
In aanvulling op het derde lid werkt het bevoegd gezag mee aan een jaarlijks gesprek met de minister om de inspanning voor en voortgang van de realisatie van de ambities en maatregelen uit de kwaliteitsagenda en de doelen, genoemd in artikel 3, te bespreken.
Indien uit de informatie verkregen op grond van het tweede, derde of vierde lid, naar het oordeel van de minister blijkt dat het bevoegd gezag onvoldoende inspanningen pleegt voor de realisatie van de ambities en maatregelen uit de kwaliteitsagenda, kan de minister het bevoegd gezag verplichten om:
- a. extern advies in te winnen over wat het bevoegd gezag verder kan doen om de ambities en maatregelen alsnog te realiseren; of
- b. een peer review door andere instellingen te organiseren om te leren van goede ervaringen van de andere instellingen.
Artikel 13. Vaststelling en betaling
Voor kalenderjaar 2024 wordt de aanvullende bekostiging direct vastgesteld in uiterlijk:
- a. maart 2024 voor de eerste tranche;
- b. juni 2024 voor de tweede tranche; of
- c. oktober 2024, indien er sprake is van een herkansing als bedoeld in artikel 10;
mits de kwaliteitsagenda als voldoende is beoordeeld.
Voor de kalenderjaren 2025 tot en met 2027 wordt de aanvullende bekostiging jaarlijks direct vastgesteld jaarlijks in november voorafgaand aan het kalenderjaar waarop de aanvullende bekostiging betrekking heeft, mits de kwaliteitsagenda als voldoende is beoordeeld.
De betaling van de aanvullende bekostiging vindt plaats overeenkomstig het kasritme waarin de bekostiging wordt betaald, bedoeld in artikel 2.2.4, tweede lid, van de wet en vindt voor de eerste maal plaats in uiterlijk:
- a. maart 2024 voor de eerste tranche;
- b. juni 2024 voor de tweede tranche; of
- c. oktober 2024, indien er sprake is van een herkansing als bedoeld in artikel 10;
mits de kwaliteitsagenda’s als voldoende zijn beoordeeld.
Aan het maandbedrag van de maand waarin voor de eerste maal een betaling plaatsvindt, worden tevens de maandbedragen vanaf januari 2024 tot aan die maand toegevoegd.
Artikel 14. Besteding
De aanvullende middelen kunnen ook worden besteed aan andere activiteiten waarvoor bekostiging wordt verstrekt.
Artikel 15. Verantwoording
De verantwoording van de aanvullende bekostiging geschiedt in de jaarverslaggeving overeenkomstig de Regeling jaarverslaggeving onderwijs.
Het bevoegd gezag beschrijft jaarlijks in het bestuursverslag:
- a. wat de inspanning is voor en voortgang is van de realisatie van de ambities en maatregelen uit de kwaliteitsagenda, gerelateerd aan de beoogde eindresultaten voor eind 2027 en met gebruikmaking van de indicatoren;
- b. hoe de samenwerking met de interne en externe samenwerkingspartners verloopt;
- c. wat de uitkomst is van de jaarlijkse evaluatie, bedoeld in artikel 12, eerste lid, onder a; en
- d. of en op welke wijze op basis van de jaarlijkse evaluatie wordt bijgestuurd als bedoeld in artikel 12, eerste lid, onder b, en hoe.
Het bevoegd gezag levert de informatie, bedoeld in het tweede lid, tevens aan door middel van een door de minister beschikbaar gesteld digitaal format voor 1 juli volgend op het jaar waarvoor de aanvullende bekostiging is verstrekt. Voor zover de indicatoren nog niet beschikbaar waren voor het bestuursverslag, neemt het bevoegd gezag deze indicatoren alsnog op in het digitaal format.
Artikel 16. Sancties
Indien het bevoegd gezag in strijd handelt met de verplichtingen, bedoeld in artikel 12 of artikel 15, kan de minister een sanctie als bedoeld in artikel 10.1 van de wet of de artikelen 4:49, 4:56 en 4:57 van de Algemene wet bestuursrecht opleggen.
Artikel 17. Openbaarmaking
Onverminderd hoofdstuk 5 van de Wet open overheid maakt de minister de volgende documenten openbaar door deze elektronisch beschikbaar te stellen op de website www.kwaliteitsafsprakenmbo.nl:
- a. de adviezen, bedoeld in artikel 8, vijfde lid, en artikel 10, derde lid;
- b. de besluiten, bedoeld in artikel 9, eerste lid, en artikel 10, vierde lid,
- c. de kwaliteitsagenda’s; en
- d. de landelijke rapportage, bedoeld in artikel 7, tweede lid.
Tot openbaarmaking van de in het eerste lid genoemde documenten, met uitzondering van het eerste lid, onderdeel d, wordt niet eerder overgegaan dan nadat zes weken zijn verstreken vanaf de dagtekening van de besluiten, bedoeld in het eerste lid, onder b, waaraan de desbetreffende adviezen en kwaliteitsagenda’s ten grondslag liggen.
Artikel 18. Wijziging Instellingsbesluit Commissie Kwaliteitsafspraken mbo
Wijzigt het Instellingsbesluit Commissie Kwaliteitsafspraken mbo.
Artikel 19. Intrekking Regeling versterking van salarismix leraren middelbaar beroepsonderwijs in de Randstadregio’s
De Regeling versterking van salarismix leraren middelbaar beroepsonderwijs in de Randstadregio’s komt te vervallen, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de aanvullende bekostiging die voor die datum is verstrekt.
Artikel 20. Inwerkingtreding en vervaldatum
- –. Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst, waarbij artikel 18, onderdeel E, terugwerkt tot en met 1 januari 2023.
- –. In afwijking van het eerste lid treedt artikel 19 in werking met ingang van 1 januari 2024.
- –. Deze regeling vervalt met ingang van 1 januari 2028, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de aanvullende bekostiging die voor die datum is verstrekt.
Artikel 21. Citeertitel
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling kwaliteitsafspraken mbo 2024–2027.
Bijlage 1. Behorend bij artikel 1 van de Regeling kwaliteitsafspraken mbo 2024–2027
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Bijlage 1. Behorend bij artikel 1 van de Regeling kwaliteitsafspraken mbo 2024–2027
| Randstadinstellingen | Randstadinstellingen |
|---|---|
| 00GT | Albeda College |
| 01OE | Yuverta |
| 02OV | LIS |
| 02PA | Mediacollege Amsterdam |
| 02PG | HMC |
| 02PK | Nimeto |
| 05EA | STC |
| 09MR | Hoornbeeck College |
| 14YD | Lentiz |
| 17WH | SVO vakopleiding food |
| 20MQ | Da Vinci College |
| 23JA | Grafisch Lyceum R'dam |
| 23KG | Grafisch Lyceum Utrecht |
| 25EF | VONK |
| 25GV | Aeres |
| 25LH | ROC Midden Nederland |
| 25LN | ROC mbo Rijnland |
| 25LP | ROC Zadkine |
| 25LR | ROC van Flevoland |
| 25PV | Scalda |
| 25PX | ROC Nova College |
| 25PZ | ROC van Amsterdam |
| 25PT | Talland College |
| 27GZ | ROC Mondriaan |
| 30RM | ROC TOP |
| 30RN | MBO Utrecht |
| 30RR | MBO Amersfoort |
Bijlage 2. Behorend bij de artikelen 1 en 6, derde en vierde lid, van de Regeling kwaliteitsafspraken mbo 2024–2027
Toelichting: Instellingen dienen een integrale kwaliteitsagenda te maken over alle doelstellingen uit de werkagenda mbo. Per doelstelling uit de werkagenda mbo formuleert de instelling een ambitie in de vorm van concrete beoogde eindresultaten voor eind 2027. De ambities moeten worden onderbouwd met een analyse. Hiervoor dienen in ieder geval de analyseonderdelen en indicatoren uit deze bijlage worden gebruikt1Indien een indicator nog niet beschikbaar is tijdens het opstellen van de kwaliteitsagenda, dan hoeft deze niet in de kwaliteitsagenda te worden opgenomen en door de adviescommissie te worden betrokken, maar wordt deze wel opgenomen in het bestuursverslag en XBRL vanaf het moment dat hij wel beschikbaar is. Dit is bij 3 indicatoren het geval: de indicator over het aandeel studenten dat zich veilig voelt bij het leerbedrijf (doelstelling 1.2), het aantal meldingen over stagediscriminatie op de instelling (doelstelling 2.2) en het oordeel over de lessen burgerschap (doelstelling 3.2).Indien een instelling niet is aangesloten bij een monitoringsbron uit de vierde kolom van de tabel in deze bijlage, bijvoorbeeld bij de JOB monitor, is het aan de instelling om een vergelijkbare indicator op te nemen. Indien de instelling niet over een vergelijkbare indicator beschikt, dient de instelling aan te geven op welke manier de indicator in de komende jaren ontwikkeld en gemonitord zal worden, zodat de instelling alsnog aan de hand van de betreffende indicator kan verantwoorden in het bestuursverslag en XBRL vanaf 2024., maar de instelling mag er ook zelf analyseonderdelen en indicatoren aan toevoegen.
Uit de analyse kan blijken dat ambitievorming op een doelstelling nu niet passend of wenselijk is. In dat geval hoeft de instelling geen ambitie te formuleren op deze doelstelling. Bij de doelstellingen over LOB (2.1), beroepspraktijkvorming (2.2), carrièreperspectief (3.3) en practoraten (3.4), zijn instellingen echter wel verplicht om een ambitie te formuleren, omdat voor deze onderwerpen maatregelen in de tabel zijn opgenomen die instellingen verplicht in hun kwaliteitsagenda dienen op te nemen. Voor de overige maatregelen uit de tabel geldt een ‘pas toe of leg uit’-regime. Dat betekent dat de instelling in de kwaliteitsagenda uitlegt hoe zij deze maatregel gaat implementeren of aan de hand van de analyse toelicht dat de maatregel niet passend of wenselijk is en/of welke eventuele alternatieven worden ingezet. De kwaliteitsagenda als geheel dient voldoende onderbouwd, ambitieus en realistisch te zijn.
Let op: De doelstellingen en maatregelen in onderstaande tabel (kolom 1 en kolom 5) zijn afkomstig uit de werkagenda mbo en het stagepact en hier ten behoeve van de leesbaarheid in verkorte vorm opgenomen. Voor meer context of uitleg verwijzen we dan ook naar de werkagenda mbo en het stagepact.
Bij de jaarlijkse verantwoording over goedgekeurde kwaliteitsagenda’s gaan instellingen onder andere in op voortgang van de ambities en maatregelen uit de kwaliteitsagenda. Deze voortgang moet worden gerelateerd aan de beoogde eindresultaten voor eind 2027 en de indicatoren uit de kwaliteitsagenda. Van instellingen wordt verwacht dat zij in de verantwoording reflecteren op de ontwikkeling die de indicatoren laten zien. De eisen aan de verantwoording zijn opgenomen in artikel 15 van de regeling en worden nader toegelicht in de toelichting.
| Doelstellingen uit werkagenda mbo waarover een ambitie moet worden geformuleerd | Verplichte onderdelen voor in de analyse. De analyse dient om de gekozen ambitie te onderbouwen en een beeld te schetsen van de uitgangssituatie van de instelling/werkgebied | Verplichte indicatoren voor in de analyse (niet limitatief, er mogen ook eigen indicatoren worden toegevoegd)1 | Bron | Maatregelen voor mbo-instellingen, afkomstig uit de werkagenda mbo/stagepact. In deze regeling zijn de maatregelen onderverdeeld in twee soorten: • pas toe of leg uit maatregelen • verplichte maatregelen |
|---|---|---|---|---|
| Prioriteit 1. Bevorderen van kansengelijkheid | Prioriteit 1. Bevorderen van kansengelijkheid | Prioriteit 1. Bevorderen van kansengelijkheid | Prioriteit 1. Bevorderen van kansengelijkheid | Prioriteit 1. Bevorderen van kansengelijkheid |
| Doelstelling: 1.1 Gelijkwaardige behandeling van alle studenten in Nederland | Analyseonderdelen: • Bestaan van/deelname aan eigen studenteninitiatieven, zoals studieverenigingen en introductieweken • De positie van studenten in het studentenleven • De mate waarin en de manier waarop de gelijkwaardige positie van studenten in het studentenleven wordt gestimuleerd • Gemaakte afspraken in de regio over de gelijkwaardige behandeling van studenten i.r.t. het studentenleven • Het beschikbare internationaliseringsaanbod voor studenten (type aanbod2 en voor welke opleidingsdomeinen en doelgroepen is het aanbod beschikbaar) | N.v.t. | N.v.t. | Pas toe of leg uit: • Gelijkwaardig positioneren van het mbo en de mbo-studenten • Creëren van een infrastructuur om studenteninitiatieven, zoals studieverenigingen, te ondersteunen en begeleiden • Een fysieke studentenkaart introduceren • Afspraken maken met gemeenten en andere relevante partijen om mogelijk te maken dat studenten kunnen participeren in het studentenleven, met aandacht voor introductieweken en studentensport |
| Doelstelling: 1.2 Verbeteren studentenwelzijn, versterken integrale veiligheid op instellingen en in leerbedrijven, vergroten toegankelijkheid mbo voor studenten met hulpbehoefte en het mbo inclusiever maken | Analyseonderdelen: • Welzijn en integrale veiligheid van studenten • De rol die de medezeggenschap (waaronder de studentenraad) heeft bij beleid voor welzijn en integrale veiligheid • Manier waarop het gesprek met studenten over welzijn en sociale veiligheid en het doorbreken van het taboe op deze thema’s wordt gevoerd • Samenwerking met gemeenten, lokale politie en zorgpartijen over hulp en ondersteuning aan studenten en docenten | Percentage studenten dat zich veilig voelt op de instelling (instellingsniveau) | JOB-monitor Aandeel respondenten dat ‘ja’ of ‘ja, zeker’ antwoordt op de vraag ‘Voel je je veilig op school?’ | Pas toe of leg uit: • In gesprek gaan met studenten over mentaal welzijn en (integrale) veiligheid om taboe te doorbreken • Uitbreiding sociaal veiligheidsplan • Aandacht, kennis en kunde in de ondersteuningsstructuur voor dreigende depressieve- of suïcidale gedachten en vroegtijdig schoolverlaten • Aansluiten bij de bestaande integrale aanpak Gezonde School en de programma’s Welbevinden op school en Helder op school • Inzet op de vier thema’s uit de verbeteragenda passend onderwijs3 |
| Doelstelling: 1.2 Verbeteren studentenwelzijn, versterken integrale veiligheid op instellingen en in leerbedrijven, vergroten toegankelijkheid mbo voor studenten met hulpbehoefte en het mbo inclusiever maken | Analyseonderdelen: • Welzijn en integrale veiligheid van studenten • De rol die de medezeggenschap (waaronder de studentenraad) heeft bij beleid voor welzijn en integrale veiligheid • Manier waarop het gesprek met studenten over welzijn en sociale veiligheid en het doorbreken van het taboe op deze thema’s wordt gevoerd • Samenwerking met gemeenten, lokale politie en zorgpartijen over hulp en ondersteuning aan studenten en docenten | Percentage studenten dat zich veilig voelt bij het leerbedrijf (instellingsniveau) | Nieuwe indicator, deze wordt op initiatief van OCW na het de fase van het opstellen van de kwaliteitsagenda’s opgenomen in een bestaand of nieuw meetinstrument. Instellingen hoeven deze indicator pas mee te nemen in de bestuursverslagen en het door de minister beschikbaar gesteld digitaal format zodra deze indicator beschikbaar is | Pas toe of leg uit: • In gesprek gaan met studenten over mentaal welzijn en (integrale) veiligheid om taboe te doorbreken • Uitbreiding sociaal veiligheidsplan • Aandacht, kennis en kunde in de ondersteuningsstructuur voor dreigende depressieve- of suïcidale gedachten en vroegtijdig schoolverlaten • Aansluiten bij de bestaande integrale aanpak Gezonde School en de programma’s Welbevinden op school en Helder op school • Inzet op de vier thema’s uit de verbeteragenda passend onderwijs3 |
| Doelstelling: 1.2 Verbeteren studentenwelzijn, versterken integrale veiligheid op instellingen en in leerbedrijven, vergroten toegankelijkheid mbo voor studenten met hulpbehoefte en het mbo inclusiever maken | Analyseonderdelen: • Welzijn en integrale veiligheid van studenten • De rol die de medezeggenschap (waaronder de studentenraad) heeft bij beleid voor welzijn en integrale veiligheid • Manier waarop het gesprek met studenten over welzijn en sociale veiligheid en het doorbreken van het taboe op deze thema’s wordt gevoerd • Samenwerking met gemeenten, lokale politie en zorgpartijen over hulp en ondersteuning aan studenten en docenten | Aandeel studenten met een slechte/zeer slechte mentale gezondheid (instellingsniveau) | Studentenpeiling NP Onderwijs4 Aandeel studenten met een slechte of een zeer slechte mentale gezondheid | Pas toe of leg uit: • In gesprek gaan met studenten over mentaal welzijn en (integrale) veiligheid om taboe te doorbreken • Uitbreiding sociaal veiligheidsplan • Aandacht, kennis en kunde in de ondersteuningsstructuur voor dreigende depressieve- of suïcidale gedachten en vroegtijdig schoolverlaten • Aansluiten bij de bestaande integrale aanpak Gezonde School en de programma’s Welbevinden op school en Helder op school • Inzet op de vier thema’s uit de verbeteragenda passend onderwijs3 |
| Doelstelling: 1.3 Versterken van de begeleiding in het onderwijs en bij de stap van school naar werk of vervolgopleiding (met name voor studenten niveau 2). Ombuigen en afremmen stijging vsv’ers en toewerken naar minder dan 18.000 nieuwe vsv’ers in 2026 | Analyseonderdelen: • Tevredenheid studenten niveau 2 met onderwijs en begeleiding • Aantal voortijdig schoolverlaters op niveau 2 en hoe dat zich verhoudt tot de landelijke streefcijfers (minder dan 18.000 nieuwe voortijdig schoolverlaters in 2026) • Aansluiting van het onderwijs op niveau 2 op de arbeidsmarkt | De aantallen nieuwe voortijdig schoolverlaters per jaar (instellingsniveau en uitgesplitst naar opleidingsniveau en leerweg) | DUO Gegevens worden door DUO aangeleverd | Pas toe of leg uit: • Extra inzet op niveau 25. Deze kan bestaan uit: • Extra inzet van docenten ten behoeve van kleinere klassen • Extra begeleiding in het onderwijs/bpv • Inzet op goede voorbereiding op de overstap naar de arbeidsmarkt6 • Faciliteren en begeleiden van de terugkeer naar school • Nazorg bieden aan studenten die dat nodig hebben7 • Voortzetten en uitbreiden van de bestaande vsv-aanpak. Maken van nieuwe plannen met streefwaarden en monitoring i.s.m. gemeenten/RMC |
| Doelstelling: 1.3 Versterken van de begeleiding in het onderwijs en bij de stap van school naar werk of vervolgopleiding (met name voor studenten niveau 2). Ombuigen en afremmen stijging vsv’ers en toewerken naar minder dan 18.000 nieuwe vsv’ers in 2026 | Analyseonderdelen: • Tevredenheid studenten niveau 2 met onderwijs en begeleiding • Aantal voortijdig schoolverlaters op niveau 2 en hoe dat zich verhoudt tot de landelijke streefcijfers (minder dan 18.000 nieuwe voortijdig schoolverlaters in 2026) • Aansluiting van het onderwijs op niveau 2 op de arbeidsmarkt | Het aandeel uitstromers vanuit entree en niveau 2 dat een jaar na afstuderen werk heeft (instellingsniveau en uitgesplitst naar opleidingsniveau en leerweg) | CBS Gegevens van het CBS worden door DUO aangeleverd | Pas toe of leg uit: • Extra inzet op niveau 25. Deze kan bestaan uit: • Extra inzet van docenten ten behoeve van kleinere klassen • Extra begeleiding in het onderwijs/bpv • Inzet op goede voorbereiding op de overstap naar de arbeidsmarkt6 • Faciliteren en begeleiden van de terugkeer naar school • Nazorg bieden aan studenten die dat nodig hebben7 • Voortzetten en uitbreiden van de bestaande vsv-aanpak. Maken van nieuwe plannen met streefwaarden en monitoring i.s.m. gemeenten/RMC |
| Doelstelling: 1.3 Versterken van de begeleiding in het onderwijs en bij de stap van school naar werk of vervolgopleiding (met name voor studenten niveau 2). Ombuigen en afremmen stijging vsv’ers en toewerken naar minder dan 18.000 nieuwe vsv’ers in 2026 | Analyseonderdelen: • Tevredenheid studenten niveau 2 met onderwijs en begeleiding • Aantal voortijdig schoolverlaters op niveau 2 en hoe dat zich verhoudt tot de landelijke streefcijfers (minder dan 18.000 nieuwe voortijdig schoolverlaters in 2026) • Aansluiting van het onderwijs op niveau 2 op de arbeidsmarkt | Het aandeel studenten dat tevreden is over de begeleiding tijdens de opleiding, (instellingsniveau en uitgesplitst naar opleidingsniveau en naar wel/geen ondersteuningsbehoefte) | JOB-monitor Aandeel respondenten dat de begeleiding tijdens de opleiding goed of heel goed vindt, uitgesplitst naar opleidingsniveau en wel/geen ondersteuningsbehoefte | Pas toe of leg uit: • Extra inzet op niveau 25. Deze kan bestaan uit: • Extra inzet van docenten ten behoeve van kleinere klassen • Extra begeleiding in het onderwijs/bpv • Inzet op goede voorbereiding op de overstap naar de arbeidsmarkt6 • Faciliteren en begeleiden van de terugkeer naar school • Nazorg bieden aan studenten die dat nodig hebben7 • Voortzetten en uitbreiden van de bestaande vsv-aanpak. Maken van nieuwe plannen met streefwaarden en monitoring i.s.m. gemeenten/RMC |
| Doelstelling: 1.4 Versterken van de beroepsgerichte route door naadloze aansluiting bij verwante doorstroom en door stimuleren in- en doorstroom in de beroepskolom. Positioneren van de keuze voor het beroepsonderwijs als positieve keuze | Analyseonderdelen: • De toereikendheid van de onderwijsinhoud van op elkaar aansluitende opleidingen in vmbo-mbo-hbo voor (regionale) tekortsectoren • Of/wanneer er een aanvraag is/wordt gedaan voor de regeling doorstroom n.a.v. de regionale analyse, of niet | Succes in eerste jaar mbo (startersresultaat) en in het eerste jaar hbo van studenten die doorstromen vanuit het mbo. (Op instellingsniveau en uitgesplitst naar beroepsopleidingen die nodig zijn voor de maatschappelijke opgaven in de regio, zoals geselecteerd voor de analyse bij prioriteit 2 (aansluiting onderwijs-arbeidsmarkt), op het gebied van woningbouw, zorg, onderwijs, klimaat en energie, veiligheid, kinderopvang, en de digitale transitie waar maatschappelijk relevant) | MBO Raad en DUO Gegevens m.b.t. startersresultaat (afkomstig van MBO Raad) en succes doorstromers hbo (afkomstig van DUO) worden beiden door DUO aangeleverd. Instellingen selecteren daaruit de door hun gekozen opleidingen. | Pas toe of leg uit: • Maken van een opleidingsanalyse met partners in vo en ho8 • Met partners in het onderwijs zorgen dat leerlingen en studenten in verschillende fases van hun opleiding kunnen kennismaken met beroepsonderwijs9 • Aansluiting tussen onderwijsinstellingen (vo-mbo-ho) versterken door afstemming inhoud en inrichting onderwijsprogramma, met focus op opleidingen die nodig zijn voor maatschappelijke opgaven en waar studenten drempels ervaren10 |
| Doelstelling: 1.5 Verminderen van laaggeletterdheid via scholingsprogramma’s11 | Analyseonderdelen: • Beschrijving van het onderwijsaanbod voor laaggeletterden in de regio en rol van de instelling daarbij • Ervaringen en best practices voor het bereiken van de doelgroep • Mate waarin deze doelgroep doorstroomt naar een beroepsopleiding of de arbeidsmarkt | N.v.t. | N.v.t. | Pas toe of leg uit: Deelname aan of medewerking verlenen aan het Nationaal Groeifondsproject LLO collectief12 |
| Prioriteit 2. Versterking van de aansluiting Onderwijs-arbeidsmarkt | Analyseonderdelen: • Selecteer welke beroepsopleidingen (BC-code) nodig zijn voor de maatschappelijke opgaven in de regio op het gebied van woningbouw, zorg, onderwijs, klimaat en energie, veiligheid, kinderopvang en de digitale transitie waar maatschappelijk relevant. Bepaal dit op basis van de arbeidsvraag en opleidingsaanbod in de regio en beperk het tot beroepen in de bovengenoemde sectoren • Instroom in de geselecteerde beroepsopleidingen • Aansluiting van het onderwijs op de arbeidsmarkt voor de geselecteerde beroepsopleidingen | Aantal gediplomeerde studenten in beroepsopleidingen die nodig zijn voor de maatschappelijke opgaven in de regio, zoals geselecteerd bij de analyseonderdelen (uitgesplitst naar beroepsopleiding) | DUO Gegevens m.b.t. diplomering worden door DUO aangeleverd. Instellingen selecteren daaruit de door hun gekozen beroepsopleidingen | |
| Prioriteit 2. Versterking van de aansluiting Onderwijs-arbeidsmarkt | Analyseonderdelen: • Selecteer welke beroepsopleidingen (BC-code) nodig zijn voor de maatschappelijke opgaven in de regio op het gebied van woningbouw, zorg, onderwijs, klimaat en energie, veiligheid, kinderopvang en de digitale transitie waar maatschappelijk relevant. Bepaal dit op basis van de arbeidsvraag en opleidingsaanbod in de regio en beperk het tot beroepen in de bovengenoemde sectoren • Instroom in de geselecteerde beroepsopleidingen • Aansluiting van het onderwijs op de arbeidsmarkt voor de geselecteerde beroepsopleidingen | Percentage gediplomeerden dat een jaar na afstuderen werkzaam is in een baan in een gelijke of verwante richting als de beroepsopleiding, van beroepsopleidingen die nodig zijn voor de maatschappelijke opgaven in de regio, zoals geselecteerd bij de analyseonderdelen (uitgesplitst naar beroepsopleiding) | CBS (schoolverlatersonderzoek) Gegevens omtrent doorstroom naar een baan in gelijke of verwante richting worden door DUO aangeleverd. Instellingen selecteren daaruit de door hun gekozen beroepsopleidingen | |
| Doelstelling: 2.1 Studenten maken weloverwogen keuze voor een kansrijk beroep passend bij hun interesses, talenten en capaciteiten. Opleidingen bieden duurzame perspectieven op de arbeidsmarkt en baanzekerheid. Bij- en omscholingsmogelijkheden via het mbo zijn transparant | Analyseonderdelen: • Doelmatigheid van het aanbod van opleidingen in het licht van de behoeftes van de regio • De kwaliteit van LOB, met specifieke aandacht voor kansrijke opleidingen • Samenwerking met werkgevers over voorlichting, met name voor kansrijke beroepen • Inzet op het experiment oriëntatieprogramma’s aansluitend op instroom/uitvallers | Het aandeel (huidige) studenten dat positief is over de hulp van school bij de keuze over verder leren of werken (instellingsniveau en uitgesplitst naar opleidingsniveau) | JOB-monitor Aandeel respondenten dat goed of heel goed antwoordt op de vraag ‘Na de opleiding moet je kiezen: verder leren of gaan werken. Hoe helpt je school je bij deze keuze?’ | Verplicht: • Investeren in extra capaciteit en kwaliteit op LOB, met name voor de opleidingen verbonden met de maatschappelijke opgaven. Extra inzet kan bestaan uit:13 • extra fte voor LOB • meer en effectieve oriënterende beroeps- of bedrijfsbezoeken • meer/beter begeleiden van studenten bij het kiezen van een stageplek en -richting • LOB bijscholingscursus of -training voor docenten loopbaanbegeleiders Pas toe of leg uit: • Afspraken met werkgevers over gezamenlijke inzet op voorlichting, zoals oriënterende bedrijfsbezoeken, met name in sectoren met maatschappelijke opgaven • Regionale afstemming tussen vo, mbo en hbo op LOB, waarbij de loopbaan van de leerling/student centraal staat • Deelname aan het experiment van een domeinoverstijgend oriëntatieprogramma dat door OCW mogelijk zal worden gemaakt. • Afspraken maken over de nadere invulling van de Aanpak Kansrijk opleiden op regionaal niveau |
| Doelstelling: 2.1 Studenten maken weloverwogen keuze voor een kansrijk beroep passend bij hun interesses, talenten en capaciteiten. Opleidingen bieden duurzame perspectieven op de arbeidsmarkt en baanzekerheid. Bij- en omscholingsmogelijkheden via het mbo zijn transparant | Analyseonderdelen: • Doelmatigheid van het aanbod van opleidingen in het licht van de behoeftes van de regio • De kwaliteit van LOB, met specifieke aandacht voor kansrijke opleidingen • Samenwerking met werkgevers over voorlichting, met name voor kansrijke beroepen • Inzet op het experiment oriëntatieprogramma’s aansluitend op instroom/uitvallers | Instroom studenten in beroepsopleidingen die nodig zijn voor de maatschappelijke opgaven in de regio, zoals geselecteerd bij de analyseonderdelen, op het gebied van woningbouw, zorg, onderwijs, klimaat en energie, veiligheid, kinderopvang en de digitale transitie waar maatschappelijk relevant, totalen en uitgesplitst tussen nieuwe inschrijvingen en switches vanuit andere opleidingen (uitgesplitst naar beroepsopleiding) | DUO Instroomgegevens worden door DUO aangeleverd. Instellingen selecteren daaruit de door hun gekozen beroepsopleidingen | Verplicht: • Investeren in extra capaciteit en kwaliteit op LOB, met name voor de opleidingen verbonden met de maatschappelijke opgaven. Extra inzet kan bestaan uit:13 • extra fte voor LOB • meer en effectieve oriënterende beroeps- of bedrijfsbezoeken • meer/beter begeleiden van studenten bij het kiezen van een stageplek en -richting • LOB bijscholingscursus of -training voor docenten loopbaanbegeleiders Pas toe of leg uit: • Afspraken met werkgevers over gezamenlijke inzet op voorlichting, zoals oriënterende bedrijfsbezoeken, met name in sectoren met maatschappelijke opgaven • Regionale afstemming tussen vo, mbo en hbo op LOB, waarbij de loopbaan van de leerling/student centraal staat • Deelname aan het experiment van een domeinoverstijgend oriëntatieprogramma dat door OCW mogelijk zal worden gemaakt. • Afspraken maken over de nadere invulling van de Aanpak Kansrijk opleiden op regionaal niveau |
| Doelstelling: 2.2 Studenten krijgen een kwalitatief goede stageplek of leerbaan die aansluit bij de opleiding en ontwikkelingsbehoefte. Stagediscriminatie wordt uitgebannen en studenten krijgen een passende vergoeding | Analyseonderdelen: • Visie en beleid binnen de instelling over het voorkomen en tegengaan van stagediscriminatie • Handelingsperspectief van onderwijsprofessionals (stagecoördinatoren, bpv-begeleiders, docenten) bij het voorkomen en tegengaan van stagediscriminatie • Mogelijkheden tot melden van stagediscriminatie • Opvolging van meldingen stagediscriminatie en ondersteuningssystematiek voor studenten die stagediscriminatie melden • Tevredenheid van studenten over stagebegeleiding door de instelling | Het percentage studenten dat tevreden is over de begeleiding vanuit de instelling en vanuit leerbedrijf tijdens de stage of leerbaan (uitgesplitst naar leerweg) | JOB-monitor Aandeel respondenten dat goed of heel goed antwoord op de volgende vragen: Wat vind je van hoe school je heeft begeleid tijdens je stage/bpv? (alleen bol) Wat vind je van hoe het leerbedrijf je heeft begeleid tijdens je stage/bpv? (alleen bol) Wat vind je van de manier waarop het leerbedrijf je begeleidt? (alleen bbl) | Pas toe of leg uit: • Goede link tussen LOB/arbeidsmarktvoorbereiding en stages • Sociale normstelling rondom stagediscriminatie (visie uitdragen en voorbeeldfunctie innemen bij begeleiding van studenten) • Instellen toegankelijk, laagdrempelig meldpunt stagediscriminatie met ondersteuning voor student • Regionale werkwijze ontwikkelen voor opvolgen van meldingen en aanpakken van stagediscriminatie • Meldingen van stagediscriminatie doorgeven aan SBB • Stagematching bij eerste stage van BOL-studenten in jaar 1 • 3 contactmomenten met student, stagebegeleider en praktijkbegeleider samen, op locatie leerbedrijf Verplicht: • Professionaliseren stagebeleid en professionalisering stagebegeleiders o.a. om stagediscriminatie te voorkomen en tegen te gaan • studenten op de hoogte brengen van de wijze waarop ze (binnen en buiten de instelling) stagediscriminatie kunnen melden |
| Doelstelling: 2.2 Studenten krijgen een kwalitatief goede stageplek of leerbaan die aansluit bij de opleiding en ontwikkelingsbehoefte. Stagediscriminatie wordt uitgebannen en studenten krijgen een passende vergoeding | Analyseonderdelen: • Visie en beleid binnen de instelling over het voorkomen en tegengaan van stagediscriminatie • Handelingsperspectief van onderwijsprofessionals (stagecoördinatoren, bpv-begeleiders, docenten) bij het voorkomen en tegengaan van stagediscriminatie • Mogelijkheden tot melden van stagediscriminatie • Opvolging van meldingen stagediscriminatie en ondersteuningssystematiek voor studenten die stagediscriminatie melden • Tevredenheid van studenten over stagebegeleiding door de instelling | Het aantal meldingen op de instelling over stagediscriminatie (instellingsniveau) | Gegevens te verzamelen door de instelling | Pas toe of leg uit: • Goede link tussen LOB/arbeidsmarktvoorbereiding en stages • Sociale normstelling rondom stagediscriminatie (visie uitdragen en voorbeeldfunctie innemen bij begeleiding van studenten) • Instellen toegankelijk, laagdrempelig meldpunt stagediscriminatie met ondersteuning voor student • Regionale werkwijze ontwikkelen voor opvolgen van meldingen en aanpakken van stagediscriminatie • Meldingen van stagediscriminatie doorgeven aan SBB • Stagematching bij eerste stage van BOL-studenten in jaar 1 • 3 contactmomenten met student, stagebegeleider en praktijkbegeleider samen, op locatie leerbedrijf Verplicht: • Professionaliseren stagebeleid en professionalisering stagebegeleiders o.a. om stagediscriminatie te voorkomen en tegen te gaan • studenten op de hoogte brengen van de wijze waarop ze (binnen en buiten de instelling) stagediscriminatie kunnen melden |
| Doelstelling: 2.3 Sterk aanbod om- en bijscholing in de regio, op maat, modulair en via de bbl, met specifieke aandacht voor de maatschappelijke opgaven en voor mogelijkheden voor scholing voor mensen die niet (duurzaam) aan het werk zijn. Ten behoeve daarvan wordt samengewerkt in de LLO-katalysator en gebruik gemaakt van de Subsidieregeling praktijkleren14 | Analyseonderdelen: • Aansluiting onderwijsaanbod LLO op vraag van regionaal bedrijfsleven en regionale vraagstukken • Inzet van modulair en diplomagericht onderwijs (bbl, certificaten, praktijkverklaringen) • Regionale samenwerking ten behoeve van aansluiting opleidingsaanbod (inclusief modulair en diplomagericht aanbod) • Deelname aan RMT en begeleiding naar scholing | Beschrijving van het aanbod aan maatwerkopleidingen (kwalitatieve indicator): • Binnen welke opleidingsdomeinen en leerwegen er maatwerkopleidingen beschikbaar zijn • Voor welke doelgroepen maatwerkopleidingen beschikbaar zijn • Op welke vlakken wordt maatwerk geboden, zoals onderwijsduur (verkorting voor mensen die al relevante leer- en werkervaring hebben), en organisatie van de opleiding (meerdere startmomenten, leren op bedrijfslocaties etc.) | Gegevens te verzamelen door de instelling. (Over deze indicator dient de instelling ten tijde van de planvorming te beschikken, en deze valt dus niet onder de uitzondering als genoemd in voetnoot 1) | Pas toe of leg uit: • Vergroten van het aanbod en de bekendheid van bbl-opleidingen, met name degenen die zich richten op de maatschappelijke opgaven • Bbl-opleidingen afstemmen op wat zij-instromers al kennen en kunnen • Bbl-aanbod expliciet bekend maken in de regio • Vergroten aanbod certificaatgericht onderwijs leidend tot certificaten of praktijkverklaringen • Sluiten van regionale arrangementen met bedrijfsleven gericht op de maatschappelijke opgaven in de regio om opleidingsbehoefte en -aanbod goed op elkaar aan te sluiten • Leveren van bijdrage aan arbeidsmarktinfrastructuur, waaronder deelname aan de RMT, om begeleiding naar mbo-scholing mogelijk te maken |
| Prioriteit 3. Onderwijs voor de toekomst: kwaliteit, onderzoek en innovatie. | Prioriteit 3. Onderwijs voor de toekomst: kwaliteit, onderzoek en innovatie. | Prioriteit 3. Onderwijs voor de toekomst: kwaliteit, onderzoek en innovatie. | Prioriteit 3. Onderwijs voor de toekomst: kwaliteit, onderzoek en innovatie. | Prioriteit 3. Onderwijs voor de toekomst: kwaliteit, onderzoek en innovatie. |
| Doelstelling: 3.1 De beheersing van Nederlands en rekenen onder studenten wordt beter. De kwaliteit van docenten die Nederlands en rekenen geven wordt versterkt | Analyseonderdelen: • Kwaliteit van het geboden onderwijs in Nederlands/rekenen • Behoefte aan extra ondersteuning bij bepaalde studenten voor verbeteren van de beheersing van Nederlands en rekenen • Tevredenheid studenten over de lessen Nederlands en rekenen • Profiel van docenten Nederlands en rekenen. Wat is het aanstellings- en scholingsbeleid • Visie van instelling en/of onderwijsteams op het onderwijs in rekenen en Nederlands | Aandeel studenten dat positief is over de lessen Nederlands/rekenen (instellingsniveau) | JOB-monitor Aandeel studenten dat de lessen Nederlands goed of heel goed vindt. Aandeel studenten dat de lessen rekenen goed of heel goed vindt | Pas toe of leg uit: • Investeren in wegwerken corona-achterstanden van studenten die instromen vanuit het vo • Nederlands en rekenen worden aantrekkelijk en passend bij de leef- en beroepscontext van de student, aangeboden met meer mogelijkheden tot differentiatie per onderwijsniveau • Maatregelen om specifieke groepen studenten extra te ondersteunen bij Nederlands en rekenen • Maatregelen om professionalisering van onderwijspersoneel m.b.t. Nederlands en rekenen te bevorderen15 (staat in de werkagenda mbo onder 3.3) |
| Doelstelling: 3.1 De beheersing van Nederlands en rekenen onder studenten wordt beter. De kwaliteit van docenten die Nederlands en rekenen geven wordt versterkt | Analyseonderdelen: • Kwaliteit van het geboden onderwijs in Nederlands/rekenen • Behoefte aan extra ondersteuning bij bepaalde studenten voor verbeteren van de beheersing van Nederlands en rekenen • Tevredenheid studenten over de lessen Nederlands en rekenen • Profiel van docenten Nederlands en rekenen. Wat is het aanstellings- en scholingsbeleid • Visie van instelling en/of onderwijsteams op het onderwijs in rekenen en Nederlands | Aandeel gediplomeerde studenten dat het getoetste examenniveau16 heeft gehaald (cijfer 5,5 of hoger) voor Nederlands (CE en IE) en rekenen (eindcijfer) (uitgesplitst naar opleidingsniveau en examenniveau) | DUO Gegevens worden door DUO aangeleverd | Pas toe of leg uit: • Investeren in wegwerken corona-achterstanden van studenten die instromen vanuit het vo • Nederlands en rekenen worden aantrekkelijk en passend bij de leef- en beroepscontext van de student, aangeboden met meer mogelijkheden tot differentiatie per onderwijsniveau • Maatregelen om specifieke groepen studenten extra te ondersteunen bij Nederlands en rekenen • Maatregelen om professionalisering van onderwijspersoneel m.b.t. Nederlands en rekenen te bevorderen15 (staat in de werkagenda mbo onder 3.3) |
| Doelstelling: 3.2 De kwaliteit van het burgerschapsonderwijs wordt beter | Analyseonderdelen: • Burgerschapsontwikkeling van studenten • Profiel van docenten die worden ingezet voor de lessen burgerschap. Wat is het aanstellings- en scholingsbeleid • Visie van instelling en/of onderwijsteams op burgerschapsonderwijs • De manier waarop de studievoortgang van studenten op het gebied van burgerschap wordt gemonitord | Aandeel studenten dat positief is over de lessen burgerschap (instellingsniveau)17 | Nieuwe indicator, deze wordt op initiatief van OCW na de planvorming opgenomen in een bestaand of nieuw meetinstrument. Instellingen hoeven deze indicator pas mee te nemen in de jaarverslagen zodra deze indicator beschikbaar is | Pas toe of leg uit: • Docenten aanstellen op basis van het bekwaamheidsprofiel.18 Bijscholing waar nodig • Opleidingsachtergrond van docenten burgerschap volgen en bespreken met de ondernemingsraad • Maatregelen om professionalisering van docenten te bevorderen in relatie tot het bekwaamheidsprofiel burgerschap19 (staat in de werkagenda onder 3.3) |
| Doelstelling: 3.3 Werken in het mbo is en blijft aantrekkelijk. Er is aandacht voor de werkdruk en het carrièreperspectief van onderwijspersoneel.20 De uitval van startend onderwijspersoneel wordt minder. Alle medewerkers in het mbo, waaronder specifiek docenten en andere onderwijsgevenden hebben voldoende mogelijkheden zich te ontwikkelen en professionaliseren | Analyseonderdelen: • Instroom van nieuw onderwijspersoneel voldoende/onvoldoende • Bestaan van personeelstekorten • Uitval onder startend onderwijspersoneel • Begeleiding aan startend onderwijspersoneel • Loopbaanperspectief voor zittend onderwijspersoneel • Inschaling van onderwijspersoneel en beleid voor doorgroeimogelijkheden voor de klas • Ervaren werkdruk onderwijspersoneel • Professionaliseringsbeleid van de instelling • Mate waarin gebruik gemaakt wordt van professionaliseringsmogelijkheden • (Ervaren) barrières om gebruik te maken van professionaliseringsmogelijkheden | Tevredenheid van onderwijspersoneel over ontwikkelingsmogelijkheden (instellingsniveau) | Medewerkersonderzoek mbo Score op de vraag ‘Ik ben tevreden over mijn ontwikkelingsmogelijkheden’ voor de groep onderwijspersoneel (OP) | Verplicht: • Ambitieuze en realistische plannen met kwantitatieve doelstellingen maken in samenspraak met de ondernemingsraad op de volgende thema’s: ○ Inschaling onderwijspersoneel ○ Professionalisering onderwijspersoneel ○ Werkdruk onderwijspersoneel ○ Begeleiding van startend onderwijspersoneel • Onderdeel van het loopbaanbeleid vormen de kwaliteitscriteria voor doorstroom van docenten van LB naar LC en LD en de eventuele limiteringen aan de aantallen die kunnen doorstromen en welke consequenties dit heeft voor het ontwikkelperspectief van docenten in verhouding tot het totale aantal onderwijsgevenden/personeelsbestand in de instelling • Intensiveren van de inzet op zij-instromers in het aannamebeleid |
| Analyseonderdelen: • Instroom van nieuw onderwijspersoneel voldoende/onvoldoende • Bestaan van personeelstekorten • Uitval onder startend onderwijspersoneel • Begeleiding aan startend onderwijspersoneel • Loopbaanperspectief voor zittend onderwijspersoneel • Inschaling van onderwijspersoneel en beleid voor doorgroeimogelijkheden voor de klas • Ervaren werkdruk onderwijspersoneel • Professionaliseringsbeleid van de instelling • Mate waarin gebruik gemaakt wordt van professionaliseringsmogelijkheden • (Ervaren) barrières om gebruik te maken van professionaliseringsmogelijkheden | Ervaren werkdruk van onderwijspersoneel (instellingsniveau) | Medewerkersonderzoek mbo Aandeel respondenten dat werkdruk te hoog of veel te hoog vindt voor de groep OP | Verplicht: • Ambitieuze en realistische plannen met kwantitatieve doelstellingen maken in samenspraak met de ondernemingsraad op de volgende thema’s: ○ Inschaling onderwijspersoneel ○ Professionalisering onderwijspersoneel ○ Werkdruk onderwijspersoneel ○ Begeleiding van startend onderwijspersoneel • Onderdeel van het loopbaanbeleid vormen de kwaliteitscriteria voor doorstroom van docenten van LB naar LC en LD en de eventuele limiteringen aan de aantallen die kunnen doorstromen en welke consequenties dit heeft voor het ontwikkelperspectief van docenten in verhouding tot het totale aantal onderwijsgevenden/personeelsbestand in de instelling • Intensiveren van de inzet op zij-instromers in het aannamebeleid | |
| Analyseonderdelen: • Instroom van nieuw onderwijspersoneel voldoende/onvoldoende • Bestaan van personeelstekorten • Uitval onder startend onderwijspersoneel • Begeleiding aan startend onderwijspersoneel • Loopbaanperspectief voor zittend onderwijspersoneel • Inschaling van onderwijspersoneel en beleid voor doorgroeimogelijkheden voor de klas • Ervaren werkdruk onderwijspersoneel • Professionaliseringsbeleid van de instelling • Mate waarin gebruik gemaakt wordt van professionaliseringsmogelijkheden • (Ervaren) barrières om gebruik te maken van professionaliseringsmogelijkheden | Inschaling onderwijspersoneel (instellingsniveau) | DUO Gegevens worden door DUO aangeleverd | Verplicht: • Ambitieuze en realistische plannen met kwantitatieve doelstellingen maken in samenspraak met de ondernemingsraad op de volgende thema’s: ○ Inschaling onderwijspersoneel ○ Professionalisering onderwijspersoneel ○ Werkdruk onderwijspersoneel ○ Begeleiding van startend onderwijspersoneel • Onderdeel van het loopbaanbeleid vormen de kwaliteitscriteria voor doorstroom van docenten van LB naar LC en LD en de eventuele limiteringen aan de aantallen die kunnen doorstromen en welke consequenties dit heeft voor het ontwikkelperspectief van docenten in verhouding tot het totale aantal onderwijsgevenden/personeelsbestand in de instelling • Intensiveren van de inzet op zij-instromers in het aannamebeleid | |
| Analyseonderdelen: • Instroom van nieuw onderwijspersoneel voldoende/onvoldoende • Bestaan van personeelstekorten • Uitval onder startend onderwijspersoneel • Begeleiding aan startend onderwijspersoneel • Loopbaanperspectief voor zittend onderwijspersoneel • Inschaling van onderwijspersoneel en beleid voor doorgroeimogelijkheden voor de klas • Ervaren werkdruk onderwijspersoneel • Professionaliseringsbeleid van de instelling • Mate waarin gebruik gemaakt wordt van professionaliseringsmogelijkheden • (Ervaren) barrières om gebruik te maken van professionaliseringsmogelijkheden | Mate waarin onderwijspersoneel met een dienstverband van 0–2 jaar in de komende jaren graag bij de instelling blijft werken (instellingsniveau) | Medewerkersonderzoek mbo Score op de vraag ‘Ik blijf graag de komende 1 tot 2 jaar bij de instelling werken’ voor de groep OP met een dienstverband korter dan 2 jaar | Verplicht: • Ambitieuze en realistische plannen met kwantitatieve doelstellingen maken in samenspraak met de ondernemingsraad op de volgende thema’s: ○ Inschaling onderwijspersoneel ○ Professionalisering onderwijspersoneel ○ Werkdruk onderwijspersoneel ○ Begeleiding van startend onderwijspersoneel • Onderdeel van het loopbaanbeleid vormen de kwaliteitscriteria voor doorstroom van docenten van LB naar LC en LD en de eventuele limiteringen aan de aantallen die kunnen doorstromen en welke consequenties dit heeft voor het ontwikkelperspectief van docenten in verhouding tot het totale aantal onderwijsgevenden/personeelsbestand in de instelling • Intensiveren van de inzet op zij-instromers in het aannamebeleid | |
| Doelstelling: 3.4 Het mbo wordt op het gebied van onderzoek en innovatie een volwaardige en gelijkwaardige partner in de onderzoeks- en kennisnetwerken | Analyseonderdelen: • Positie van onderzoek en innovatie op de instelling • Mogelijkheden om de positie van onderzoek en innovatie te verstevigen (denk hierbij aan het RIF, deelname aan onderzoeken, betrokkenheid bij Centres of Vocational Excellence of aan de mate waarin digitalisering benut wordt in het onderwijs) • Bestaande practoraten en kansen voor nieuwe practoraten • Beschrijving van de excellentiemogelijkheden voor studenten • Aantal excellentieprogramma’s en aantal deelnemers aan deze programma’s | Aantal practoraten, lopend en in oprichting (instellingsniveau) | Stichting Ieder mbo een practoraat (www.practoraten.nl) Gegevens worden door DUO aangeleverd | Verplicht: • Intensivering van bestaande practoraten dan wel oprichting van nieuwe practoraten22 Pas toe of leg uit: • Uitbreiding en meer zichtbaar maken van excellentiemogelijkheden • Vergroten van rol onderzoek en innovatie binnen de instelling |
1 Er zijn verschillende niveaus waarop de indicator uitgevraagd kan worden: instellingsniveau, opleidingsniveau (niveau 1 t/m 4), leerweg en beroepsopleiding (BC-code).
2 https://www.nuffic.nl/roadmap/internationaliseringskaart-mbo#/student
3 Informatie over de verbeteragenda is hier te vinden: https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2020/10/05/reactie-op-de-evaluatie-van-passend-onderwijs-en-advies-steeds-inclusiever-van-de-onderwijsraad
4 Na afloop van de Studentenpeiling NP Onderwijs neemt OCW het initiatief om deze indicator via een andere monitor beschikbaar te houden. Instellingen hoeven deze indicator uit een andere monitor pas mee te nemen in de jaarverslagen zodra deze indicator beschikbaar is.
5 In 2024 zijn hier middelen voor toegevoegd aan de aanvullende bekostiging die instellingen ontvangen op grond van deze regeling. Vanaf 2025 zitten deze middelen naar verwachting structureel in de lumpsum.
6 Voor het uitvoeren van deze maatregel zijn extra middelen toegevoegd aan de lumpsum. Het betreft een bedrag van € 14,5 miljoen voor extra begeleiding van school naar werk.
7 Voor het uitvoeren van deze maatregel kunnen instellingen subsidie aanvragen op basis van de Subsidieregeling nazorg mbo 2022/2024. Bekostiging mag niet worden ingezet voor activiteiten na diplomering die niet in de WEB geregeld zijn. Dit geldt ook voor aanvullende bekostiging op grond van deze regeling. Vandaar dat de aanvullende bekostiging die instellingen op grond van deze regeling ontvangen, hier niet voor mag worden gebruikt. Er is een wetsvoorstel in de maak waarmee nazorg wordt verankerd als wettelijke taak voor instellingen. Als het wetsvoorstel wordt aangenomen en de wetswijziging in werking is getreden, zal niet langer subsidie voor nazorg worden verstrekt maar worden de middelen hiervoor toegevoegd aan de lumpsum.
8 Voor dit doel is de lumpsum in 2022 opgehoogd met € 6,5 miljoen.
9 Hiervoor ontvangen instellingen extra middelen op basis van de Subsidieregeling versterking aansluiting beroepsonderwijskolom. Deze regeling is op dit moment nog niet gepubliceerd. De verwachting is dat dat voor de zomer van 2023 zal gebeuren.
10 Idem.
11 Instellingen mogen hun bekostiging en dus ook de aanvullende bekostiging die zij ontvangen op grond van deze regeling, niet aanwenden voor niet-bekostigde ofwel private activiteiten op het gebied van LLO. Voor het realiseren van deze doelstelling zijn middelen versterkt aan de gemeenten.
12 Het NGF project LLO-collectief is in 2022 gestart met twee pilotregio’s. Bij succes wordt het aantal opgeschaald naar twintig pilots binnen de looptijd van de werkagenda. Instellingen kunnen hieraan deelnemen.
13 Voor deze vier maatregelen zijn gedurende de looptijd van de kwaliteitsafspraken middelen beschikbaar via de Tijdelijke regeling aanvullende bekostiging LOB MBO 2023 die naar verwachting voor de zomer van 2023 verschijnt.
14 Instellingen mogen hun bekostiging en dus ook de aanvullende bekostiging die zij ontvangen op grond van deze regeling, niet aanwenden voor niet-bekostigde ofwel private activiteiten op het gebied van LLO. Voor het realiseren van deze doelstelling zijn middelen versterkt aan de gemeenten.
15 Er is € 30 miljoen toegevoegd aan de lumpsum voor professionalisering van docenten die hiervoor mag worden ingezet.
16 Met examenniveau worden de referentieniveaus voor Nederlands en rekenen en de vanaf 2022/2023 geldende mbo-rekenniveaus bedoeld. Studenten kunnen ook kiezen om examen af te leggen op een hoger examenniveau dan minimaal vereist voor hun opleiding.
17 Instellingen zijn niet verplicht om deze indicator op te nemen indien burgerschapsonderwijs niet als apart vak wordt gegeven, maar is ingebed in andere vakken.
18 Toelichting uit de werkagenda mbo: instellingen stellen docenten aan op basis van het bekwaamheidsprofiel (en scholen hen waar nodig bij). Instellingen betrekken zo goed mogelijk de docenten zelf bij het opstellen van het hieruit voortvloeiende personeelsbeleid. N.B.: door het besluit van de minister in 2023 kan dit veranderen.
19 Er is € 30 miljoen toegevoegd aan de lumpsum voor professionalisering van docenten die hiervoor mag worden ingezet.
20 Voor inzet op deze doelstelling zijn middelen toegevoegd aan het budget voor deze regeling. In totaal is jaarlijks ca. € 142 miljoen specifiek voor deze doelstelling beschikbaar gemaakt.
21 Voor sommige instellingen geldt dat de inschalingsgegevens ook vo-docenten kunnen bevatten. Het is o.b.v. de gegevens van DUO niet mogelijk om vo-docenten uit te filteren.
22 Binnen de aanvullende bekostiging op grond van deze regeling is € 25 miljoen per jaar uitgetrokken voor deze maatregel.
Gelet op artikel 2.2.3, derde en vierde lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs;
Besluit:
Bijlage 3. Behorend bij artikel 8, eerste lid, van de Regeling kwaliteitsafspraken mbo 2024–2027
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)