Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 9 maart 2023, nr. MBO/36996245, houdende regels voor de verstrekking van aanvullende bekostiging voor het verhogen van de kwaliteit van het beroepsonderwijs 2024–2027 (Regeling kwaliteitsafspraken mbo 2024–2027)
Artikel 1. Begripsbepalingen
In deze regeling wordt verstaan onder:
- aanvullende bekostiging: aanvullende middelen als bedoeld in artikel 2.2.3 van de wet;
- adviescommissie: commissie als bedoeld in artikel 7;
- analyseonderdelen: analyseonderdelen als genoemd in bijlage 2, en eventuele eigen analyseonderdelen;
- basisberoepsopleiding: basisberoepsopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, aanhef en onder b, van de wet;
- doelstellingen: doelstellingen als genoemd in bijlage 2;
- eerste tranche: kwaliteitsagenda’s die uiterlijk op 30 juni 2023 zijn ingediend;
- externe samenwerkingspartners: externe samenwerkingspartners als bedoeld in artikel 6, derde lid, onder b;
- indicatoren: indicatoren als genoemd in bijlage 2, en eventuele eigen indicatoren;
- instelling: instelling als bedoeld in artikel 1.1.1 van de wet, voor zover het bekostigde beroepsopleidingen betreft;
- interne samenwerkingspartners: de studenten en het personeel van de instelling;
- kwaliteitsagenda: kwaliteitsagenda als bedoeld in artikel 6;
- minister: Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;
- niet-randstadinstellingen: instellingen, niet genoemd in bijlage 1;
- randstadinstellingen: instellingen als genoemd in bijlage 1;
- rijksbijdrage: rijksbijdrage als bedoeld in artikel 2.2.1, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit WEB;
- tweede tranche: kwaliteitsagenda’s die na 30 juni 2023 maar uiterlijk op 1 oktober 2023 zijn ingediend;
- werkagenda mbo: werkagenda mbo van 14 februari 2023, te vinden op https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/brieven_regering/detail?id=2023Z02606&did=2023D06060, inclusief het stagepact, te vinden op https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2023/02/14/stagepact-mbo;
Artikel 2. Toepassing Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS
Deze regeling geldt in aanvulling op de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS.
Artikel 3. Doelomschrijving
De minister kan op aanvraag van het bevoegd gezag van een instelling voor de kalenderjaren 2024 tot en met 2027 aanvullende bekostiging verstrekken ten behoeve van activiteiten die erop zijn gericht:
- a. de doelstellingen uit de werkagenda mbo op het gebied van kansengelijkheid, aansluiting van het onderwijs op de arbeidsmarkt en het versterken van de onderwijskwaliteit te realiseren;
- b. de hiervoor benodigde samenwerking met de interne en externe samenwerkingspartners te verdiepen of verbreden; en
- c. gezamenlijk hiervan te leren.
Artikel 4. Bekostigingsplafond
Voor het verstrekken van de aanvullende bekostiging op grond van deze regeling zijn de volgende bedragen beschikbaar:
- a. voor het kalenderjaar 2024 € 704.330.000,–;
- b. voor het kalenderjaar 2025 € 538.984.000,–;
- c. voor het kalenderjaar 2026 € 538.984.000,–; en
- d. voor het kalenderjaar 2027 € 540.033.000,–.
Artikel 5. Hoogte aanvullende bekostiging
Indien de door het bevoegd gezag ingediende aanvraag voor aanvullende bekostiging wordt toegewezen, wordt jaarlijks een vast bedrag aan het bevoegd gezag verstrekt dat wordt berekend aan de hand van het bepaalde in het tweede tot en met zesde lid.
In het kalenderjaar 2024 wordt aan de instelling een vast bedrag aan aanvullende bekostiging verstrekt, dat bestaat uit:
- a. een deel van € 397.130.000,–, waarbij dit deel wordt berekend aan de hand van de aan de desbetreffende instelling te verstrekken rijksbijdrage voor het kalenderjaar 2024 ten opzichte van de totale rijksbijdrage voor het kalenderjaar 2024 aan alle instellingen;
- b. een deel van € 165.000.000,–, waarbij dit deel wordt berekend aan de hand van het aantal studenten dat op 1 oktober 2022 bij de desbetreffende instelling is ingeschreven voor een basisberoepsopleiding en voor bekostiging in aanmerking komt, ten opzichte van het totaal aantal studenten dat op 1 oktober 2022 bij alle instellingen is ingeschreven voor een basisberoepsopleiding en voor bekostiging in aanmerking komt; en
- c. indien de instelling een randstadinstelling is, een deel van € 142.200.000,–, waarbij dit deel wordt berekend aan de hand van de aan de desbetreffende instelling te verstrekken rijksbijdrage voor het kalenderjaar 2024 ten opzichte van de totale rijksbijdrage voor het kalenderjaar 2024 aan alle instellingen en dit deel vervolgens te vermenigvuldigen met 1,2; of
- d. indien de instelling een niet-randstadinstelling is, een deel van het bedrag dat na toepassing van onderdeel c voor alle randstadinstellingen nog van de € 142.200.000,– resteert, waarbij dit deel wordt berekend aan de hand van de aan de desbetreffende niet-randstadinstelling te verstrekken rijksbijdrage voor het kalenderjaar 2024 ten opzichte van de totale rijksbijdrage aan alle niet-randstadinstellingen voor het kalenderjaar 2024.
In de kalenderjaren 2025 en 2026 wordt aan de instelling een vast subsidiebedrag verstrekt, dat bestaat uit:
- a. een deel van € 396.784.000,– waarbij dit deel wordt berekend aan de hand van de aan de desbetreffende instelling te verstrekken rijksbijdrage voor het desbetreffende kalenderjaar ten opzichte van de totale rijksbijdrage voor dat kalenderjaar aan alle instellingen; en
- b. indien de instelling een randstadinstelling is, een deel van € 142.200.000,–, waarbij dit deel wordt berekend aan de hand van de aan de desbetreffende instelling te verstrekken rijksbijdrage voor het desbetreffende kalenderjaar ten opzichte van de totale rijksbijdrage aan alle instellingen voor dat kalenderjaar en dit deel vervolgens te vermenigvuldigen met 1,2; of
- c. indien de instelling een niet-randstadinstelling is, een deel van het bedrag dat na toepassing van onderdeel b voor alle randstadinstellingen nog van de € 142.200.000,– resteert, waarbij dit deel wordt berekend aan de hand van de aan de desbetreffende niet-randstadinstelling te verstrekken rijksbijdrage voor het desbetreffende kalenderjaar ten opzichte van de totale rijksbijdrage aan alle niet-randstadinstellingen voor dat kalenderjaar.
Voor het subsidiebedrag voor het kalenderjaar 2027 is het derde lid van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in plaats van het bedrag, genoemd in het derde lid, onder a, € 397.833.000,– wordt gelezen.
De uitkomst van de berekening wordt rekenkundig afgerond op hele euro’s.
Bij te late indiening van de gegevens en de verklaring, bedoeld in artikel 2.2.5, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit WEB:
- a. is ten aanzien van het tweede lid, onder a, c en d, het derde lid en het vierde lid artikel 2.2.5 van het Uitvoeringsbesluit WEB van toepassing; en
- b. kan de minister ten aanzien van het tweede lid, onder b, de aanvullende bekostiging vaststellen op basis van het aantal studenten dat is ingeschreven voor een basisberoepsopleiding op 1 oktober 2021 en dat voor bekostiging in aanmerking komt.
Artikel 6. Kwaliteitsagenda
Het bevoegd gezag dient voor de kalenderjaren 2024–2027 een aanvraag voor aanvullende bekostiging in. De aanvraag heeft de vorm van een kwaliteitsagenda.
Het bevoegd gezag dient de kwaliteitsagenda in bij de minister via de website http://www.ckmbo.nl op uiterlijk:
- a. 30 juni 2023; of
- b. 1 oktober 2023.
In de kwaliteitsagenda legt het bevoegd gezag onderbouwd vast:
- a. wat het werkgebied van de instelling is;
- b. wie binnen dit werkgebied de relevante externe samenwerkingspartners van de instelling zijn, waaronder in ieder geval:
- 1°. onderwijsinstellingen;
- 2°. relevante overheden die het sociale en economische domein vertegenwoordigen; en
- 3°. het bedrijfsleven;
- c. wat de ambities binnen het werkgebied zijn:
- 1°. in de vorm van concrete beoogde resultaten voor eind 2027;
- 2°. per doelstelling voor de doelstellingen waaraan verplichte maatregelen, genoemd in bijlage 2, zijn gekoppeld; en
- 3°. per doelstelling voor de doelstellingen waaraan ‘pas toe of leg uit’-maatregelen, genoemd in bijlage 2, zijn gekoppeld, tenzij de instelling op basis van de analyse, bedoeld in het vierde lid, afdoende motiveert waarom zij voor die doelstelling geen ambitie stelt;
- d. welke maatregelen de instelling gaat nemen om de ambities te realiseren, waaronder in ieder geval:
- 1°. de verplichte maatregelen, genoemd in bijlage 2; en
- 2°. de ‘pas toe of leg uit’-maatregelen, genoemd in bijlage 2, tenzij de instelling op basis van de analyse, bedoeld in het vierde lid, afdoende motiveert waarom zij geen inzet op die maatregel pleegt;
- e. op welke punten de instelling voor de realisatie van de ambities afhankelijk is van de externe samenwerkingspartners, hoe de instelling de externe samenwerkingspartners bij de ambitievorming heeft betrokken en hoe zij de samenwerking met de externe samenwerkingspartners tijdens de looptijd van de kwaliteitsagenda verder gaat ontwikkelen;
- f. hoe de instelling gaat samenwerken met de interne samenwerkingspartners, hoe zij de samenwerking tijdens de looptijd van de kwaliteitsagenda verder gaat ontwikkelen en hoe zij bereikt dat er onder hen voldoende draagvlak voor de ambities en maatregelen is, waarbij de studentenraad en de ondernemingsraad in ieder geval met de kwaliteitsagenda moeten hebben ingestemd;
- g. hoe de instelling de ouders van de studenten gaat betrekken bij de voor hen relevante ambities en maatregelen;
- h. hoe de instelling met de interne en externe samenwerkingspartners de realisatie van de ambities en maatregelen gaat borgen, waarbij de instelling er in ieder geval voor zorgt dat:
- 1°. een jaarlijkse evaluatie van de voortgang wordt uitgevoerd met betrokkenheid van de interne en externe samenwerkingspartners; en
- 2°. op basis van die jaarlijkse evaluatie kan worden bijgestuurd met betrokkenheid van de interne en externe samenwerkingspartners;
- i. hoe de instelling de aanvullende bekostiging op grond van deze regeling wil besteden, onderbouwd met een indicatieve begroting waarin het bevoegd gezag ook middelen met een andere herkomst dan op grond van deze regeling kan vermelden en waarin in ieder geval de volgende kostenposten separaat worden vermeld:
- 1°. de kosten voor de maatregelen voor doelstelling 1.3, genoemd in bijlage 2, voor zover deze betrekking hebben op extra begeleiding van studenten in de basisberoepsopleiding;
- 2°. de kosten voor de maatregelen voor doelstelling 3.3, genoemd in bijlage 2, voor zover deze betrekking hebben op carrièreperspectief voor onderwijspersoneel; en
- 3°. de kosten voor de maatregelen voor doelstelling 3.4, genoemd in bijlage 2, voor zover deze betrekking hebben op practoraten; en
- j. indien van toepassing: waarom de begrote kostenposten, bedoeld in onderdeel i, sub 1° tot en met 3°, verschillen van de hiermee samenhangende posten binnen de aanvullende bekostiging.
De ambities en maatregelen, bedoeld in het derde lid, onder c en d, zijn gebaseerd op een analyse van:
- a. de uitgangssituatie van de instelling aan de hand van de sterke en zwakke punten van de instelling;
- b. de ontwikkelingen binnen de instelling die van belang zijn voor de kwaliteitsagenda, zo nodig gerelateerd aan het bestaande strategische meerjarenplan van de instelling;
- c. de uitgangssituatie van het werkgebied aan de hand van de kansen en uitdagingen binnen het werkgebied; en
- d. de ontwikkelingen binnen het werkgebied die van belang zijn voor de kwaliteitsagenda, waaronder in ieder geval de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt.
De analyse wordt opgesteld per doelstelling aan de hand van analyseonderdelen en indicatoren en wordt in aanvulling op het derde lid eveneens in de kwaliteitsagenda opgenomen.
Indien het bevoegd gezag meerdere instellingen in stand houdt, dient het bevoegd gezag per instelling een kwaliteitsagenda in.
Artikel 7. Adviescommissie
De minister stelt een onafhankelijke adviescommissie in die de minister adviseert ten behoeve van de beoordeling van de ingediende kwaliteitsagenda’s.
Naast de adviestaak, bedoeld in het eerste lid, stelt de adviescommissie voor 15 september 2024 een integrale rapportage op met een landelijk beeld over de beoordeling van de kwaliteitsagenda’s en stuurt zij deze voor 15 september 2024 aan de minister toe.
Artikel 8. Advisering adviescommissie over de kwaliteitsagenda
De adviescommissie beoordeelt of de kwaliteitsagenda compleet en als geheel voldoende onderbouwd, ambitieus en realistisch is. De adviescommissie gebruikt hierbij het beoordelingskader dat als bijlage 3 bij deze regeling is gevoegd en geeft op basis daarvan het oordeel voldoende of onvoldoende.
Het bevoegd gezag licht de kwaliteitsagenda toe indien de adviescommissie of het bevoegd gezag daaraan behoefte heeft en werkt, onder meer door het verschaffen van de daartoe benodigde inlichtingen, gegevens en bescheiden, mee aan een door de adviescommissie ingesteld onderzoek dat erop is gericht de minister te adviseren over de kwaliteitsagenda.
De adviescommissie informeert het bevoegd gezag over haar voorlopig advies over de kwaliteitsagenda op uiterlijk:
- a. 31 oktober 2023 voor de eerste tranche; of
- b. 31 januari 2024 voor de tweede tranche.
Het bevoegd gezag kan uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van het voorlopig advies, bedoeld in het derde lid, een aangepaste kwaliteitsagenda bij de minister indienen. De minister kan deze termijn verlengen wegens schoolvakanties.
De adviescommissie adviseert de minister over de kwaliteitsagenda op uiterlijk:
- a. 15 december 2023 voor de eerste tranche; of
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.