Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 6 april 2023, kenmerk 3562279-1045822-WJZ, houdende vaststelling van regels met betrekking tot de veiligheid van attractie- en speeltoestellen (Warenwetregeling attractie- en speeltoestellen) Warenwetregeling attractie- en speeltoestellen

Type Ministeriële regeling
Publication 2025-04-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op artikel 7c, tweede lid, van de Warenwet en de artikelen 6, eerste lid, 7, derde en vierde lid, 9, vierde en vijfde lid, 12, vierde lid, 24, tweede lid, en artikel 27, vierde lid, van het Warenwetbesluit attractie- en speeltoestellen 2023;

Besluit:

§ 1. Algemene bepalingen

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

§ 2. Aangewezen instellingen

Artikel 2
1.

Voor aanwijzing als aangewezen instelling komen slechts instellingen in aanmerking die voldoen aan de in bijlage Ivermelde voorwaarden.

2.

Indien een aangewezen instelling een onderaannemer inschakelt, draagt de aangewezen instelling er zorg voor dat die onderaannemer voldoet aan de in bijlage I vermelde voorwaarden.

Artikel 3

De aangewezen instelling gaat in het jaarverslag, bedoeld in artikel 7c, tweede lid, van de wet, ten minste in op de volgende onderwerpen:

Artikel 4
1.

De aangewezen instelling neemt deel aan het overleg aangewezen instellingen conform het door dit overleg opgestelde en door de Minister goedgekeurde reglement.

2.

Uit het in het eerste lid bedoelde reglement volgt ten minste:

§ 3. Keuring, certificaten en merken van goedkeuring

Artikel 5
1.

Attractietoestellen worden periodiek gekeurd door een aangewezen instelling.

2.

De aangewezen instelling bepaalt voor attractietoestellen bij de verlening van het eerste certificaat van goedkeuring de benodigde keuringsfrequentie aan de hand van de matrix, bedoeld in bijlage II.

3.

Bij in serie geproduceerde speeltoestellen vindt een nieuwe keuring van het typekenmerkende monster en het technisch constructiedossier door een aangewezen instelling plaats binnen een jaar na de publicatie van een nieuwe of gewijzigde norm, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het besluit.

Artikel 6
1.

Een certificaat van goedkeuring voor een attractie- of speeltoestel komt overeen met één van de in bijlage III opgenomen modellen.

2.

Een certificaat van goedkeuring:

3.

Elke wijziging van het certificaat van goedkeuring na verlening ervan maakt het betreffende certificaat ongeldig. Een digitaal bestand van het certificaat van goedkeuring dient dusdanig beveiligd te zijn dat het niet door derden kan worden bewerkt.

4.

Indien meerdere uitvoeringen van één type attractie- of speeltoestel bestaan, worden deze uitvoeringen op het certificaat van goedkeuring vermeld. Het betreffende certificaat van goedkeuring bevat voor elke uitvoering ten minste een overzichtsfoto in kleur en, indien beschikbaar, een 3D-tekening.

5.

Op een certificaat van goedkeuring dienen alle informatievelden die overeenkomstig de in bijlage III opgenomen modellen op het voorblad opgenomen moeten worden en de overzichtsfoto in kleur op één pagina te worden weergegeven. Er kunnen additionele bladen worden toegevoegd ten behoeve van de overzichtsfoto in kleur en, indien beschikbaar, de 3D-tekening, bedoeld in het vierde lid en de aanvullende afbeeldingen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a. In dat geval dienen overeenkomstig de in bijlage III opgenomen modellen een aantal informatievelden te worden herhaald op elk additioneel blad.

Artikel 7
1.

Een certificaat van goedkeuring voor een attractietoestel bevat een uiterste geldigheidsdatum. Deze datum is gebaseerd op de matrix, bedoeld in bijlage II.

2.

De verhuurder dan wel de beheerder van een attractietoestel, bedoeld in het eerste lid, vraagt ten minste dertig dagen voor de uiterste geldigheidsdatum van het certificaat van goedkeuring een keuring aan bij een aangewezen instelling. Indien het attractietoestel, buiten toedoen van de verhuurder dan wel beheerder niet tijdig kan worden gekeurd, behoudt het certificaat van goedkeuring zijn geldigheid gedurende ten hoogste vier maanden na afloop van de uiterste geldigheidsdatum.

3.

Een certificaat van goedkeuring voor een speeltoestel heeft een onbeperkte geldigheidsduur, tenzij artikel 15, vierde lid, van het besluit of artikel 5, derde lid, van toepassing is.

Artikel 8
1.

Een merk van goedkeuring voor een attractietoestel of voor een speeltoestel dat overeenkomstig het goedgekeurde, typekenmerkende monster is vervaardigd, komt overeen met het in bijlage IV opgenomen model.

2.

Op het merk van goedkeuring voor een attractie- of speeltoestel dat overeenkomstig het goedgekeurde, typekenmerkende monster is vervaardigd wordt in plaats van de maand en het jaar van de keuring, de maand en het jaar waarin het merk van goedkeuring op het toestel is aangebracht, vermeld.

3.

Het merk van goedkeuring is voor een attractie- of speeltoestel als bedoeld in het eerste lid bij de eerste keuring een duurzame plaat of label met onuitwisbare opschriften of aanduidingen.

4.

Het merk van goedkeuring is bij een periodieke keuring een sticker.

5.

Het merk van goedkeuring is op een essentieel onderdeel en op een duidelijk zichtbare plaats, onlosmakelijk op of in het attractie- of speeltoestel aangebracht.

6.

Een merk van goedkeuring voor een attractietoestel bevat een uiterste geldigheidsdatum. De datum voor attractietoestellen is gebaseerd op de matrix, bedoeld in bijlage II.

7.

Indien het attractietoestel, buiten toedoen van de verhuurder dan wel beheerder niet tijdig kan worden gekeurd, behoudt het merk van goedkeuring zijn geldigheid gedurende ten hoogste vier maanden na afloop van de uiterste geldigheidsdatum.

8.

De aangewezen instelling voorziet het merk van goedkeuring, bedoeld in het derde lid, voor een attractietoestel van een uniek registratienummer.

§ 4. Unieke registratienummers

Artikel 9

De aangewezen instelling vraagt het unieke registratienummer, bedoeld in artikel 7, derde lid, van het besluit aan bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit en registreert dit onverwijld in het daartoe bestemde register.

§ 5. Normen

Artikel 10

Als normen, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het besluit worden aangewezen de in bijlage V bij deze regeling vermelde normen.

§ 6. Slotbepalingen

Artikel 11

De Nadere regels attractie- en speeltoestellen wordt ingetrokken.

Artikel 12

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juli 2023.

Artikel 13

Deze regeling wordt aangehaald als: Warenwetregeling attractie- en speeltoestellen.

Bijlage I. Voorwaarden waaraan aangewezen instellingen en onderaannemers moeten voldoen

(bijlage als bedoeld in artikel 2 van de Warenwetregeling attractie- en speeltoestellen)

Bijlage II. Matrix voor de periodiciteit van de keuring van attractietoestellen

(bijlage als bedoeld in de artikelen 5, tweede lid, en 7, eerste lid, van de Warenwetregeling attractie- en speeltoestellen)

Ten aanzien van attractietoestellen wordt gebruik gemaakt van één van de volgende drie keuringsregimes: jaarlijks, tweejaarlijks en driejaarlijks.

Voor de indeling in één van de drie keuringsregimes wordt uitgegaan van onderstaande matrix. In de matrix wordt op drie criteria getoetst:

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.