← Geldende tekst · Geschiedenis

Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 14 april 2023, nr. HO&S/35600834, houdende nadere regels inzake de macrodoelmatigheid van het opleidingsaanbod in het hoger onderwijs (Regeling macrodoelmatig opleidingsaanbod hoger onderwijs 2023)

Geldende tekst a fecha 2023-04-29

Gelet op de artikelen 2:15, eerste lid, en 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht en de artikel 6.2 vierde en tiende lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;

Besluit:

Paragraaf 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. Begripsbepalingen
Artikel 2. Instellingen en reikwijdte

Deze regeling is van toepassing op universiteiten, hogescholen, de Open Universiteit en de levensbeschouwelijke universiteiten als bedoeld in artikel 1.8 van de wet.

Paragraaf 2. Procedure

Artikel 3. Kenbaar maken voornemen tot aanvraag nieuwe opleiding
1.

Het instellingsbestuur maakt zoveel als mogelijk aan de CDHO het voornemen tot het starten van een nieuwe opleiding kenbaar voorafgaand aan de aanvraag als bedoeld in artikel 4, tenzij het een clusteraanvraag in de zin van artikel 8 betreft.

2.

Het instellingsbestuur kan het voornemen tot een aanvraag nieuwe opleiding ieder kalenderjaar uiterlijk op 15 maart respectievelijk 15 september kenbaar maken ten behoeve van publicatie door de CDHO.

3.

De CDHO publiceert uiterlijk op 31 maart en 30 september van ieder kalenderjaar een overzicht op haar website van de door haar in de zes maanden daarvoor ontvangen voornemens.

4.

Nadat het voornemen door de CDHO is gepubliceerd, dient het instellingsbestuur binnen 12 maanden de aanvraag als bedoeld in artikel 4 in.

5.

Bij een voornemen, als bedoeld in het eerste lid, wordt vermeld:

Artikel 4. Indienen aanvraag
1.

De aanvraag wordt bij voorkeur elektronisch ingediend. Een alternatief is indiening per post.

2.

Voor de indiening van de aanvraag, wordt het hiervoor beschikbare aanvraagformulier op de website van de CDHO gebruikt. Het instellingsbestuur kan daarin een toelichting geven op aspecten van de aanvraag die zij in aanvulling op de verstrekte gegevens relevant acht.

3.

Het instellingsbestuur geeft bij de aanvraag aan in hoeverre over een nieuwe opleiding is overlegd met andere belanghebbende instellingen en wat de uitkomst van dit overleg was.

Artikel 5. Beoordelen aanvraag
1.

De CDHO stelt daarvoor in aanmerking komende belanghebbenden in de gelegenheid om binnen een termijn van twee weken hun zienswijze te geven op een aanvraag door openbaarmaking van het ingediende aanvraagformulier en de eventuele aanvullende toelichting op haar website.

2.

De aanvraag wordt beoordeeld aan de hand van de door het instellingsbestuur aangeleverde bescheiden en eventueel ingediende zienswijzen. De CDHO kan daarbij informatie betrekken die zij relevant acht. Indien deze informatie wordt gebruikt, licht de CDHO dit toe in het advies.

3.

Indien meerdere gelijksoortige dan wel identieke aanvragen van verschillende instellingsbesturen tegelijkertijd ter beoordeling voorliggen of wanneer een instellingsbestuur tegelijkertijd meerdere aanvragen indient, worden deze beoordeeld in onderling verband.

4.

Bij het beoordelen van een aanvraag maakt de onderbouwde inschatting van de verwante instroom, inclusief opleidingen die recent een positief macrodoelmatigheidsbesluit hebben ontvangen maar nog niet zijn gestart, onderdeel uit van het beoordelen van de ruimte voor de opleiding.

Paragraaf 3. Nieuwe opleiding

Artikel 6. Criteria voor het starten van een nieuwe opleiding
1.

De minister stemt in ieder geval in met een voornemen tot het verzorgen van een nieuwe opleiding in de zin van artikel 6.2, eerste lid, van de wet indien het instellingsbestuur heeft aangetoond dat:

2.

De arbeidsmarktbehoefte als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, dient door het instellingsbestuur in ieder geval kwantitatief te worden onderbouwd. De arbeidsmarktbehoefte kan aanvullend kwalitatief worden onderbouwd.

3.

Voor de onderbouwing van de ruimte bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, toont het instellingsbestuur aan:

4.

Bij de noodzaak als bedoeld in het derde lid, onderdeel a, wordt onderbouwd dat de nieuwe opleiding voorziet in een noodzakelijke aanvulling op het eigen en landelijke bestaande opleidingsaanbod en waarom het niet mogelijk is om de gewenste ontwikkeling vorm te geven via het landelijke bestaande opleidingsaanbod. Voorts wordt onderbouwd dat de komst van de nieuwe opleiding geen negatieve gevolgen heeft voor de spreiding van het landelijke bestaande opleidingsaanbod.

Artikel 7. Aanvullend criterium wo-opleidingen bij hogescholen en hbo-opleidingen bij universiteiten
1.

Indien een hogeschool voornemens is om een wo-opleiding te verzorgen, toont het instellingsbestuur, in aanvulling op artikel 6, aan dat er sprake is van een langdurige samenwerking met een universiteit.

2.

Indien een universiteit voornemens is om een hbo-opleiding te verzorgen, toont het instellingsbestuur, in aanvulling op artikel 6, aan dat er sprake is van een langdurige samenwerking met een hogeschool.

Artikel 8. Vrijstelling van de individuele macrodoelmatigheidstoets door middel van een clusteraanvraag
1.

Indien een clusteraanvraag wordt ingediend, vindt er geen individuele macrodoelmatigheidstoets plaats en is artikel 6 niet van toepassing op de opleidingen die onderdeel zijn van de clusteraanvraag indien:

2.

Indien de minister de clusteraanvraag onvoldoende onderbouwd acht, krijgt de sector eenmaal de gelegenheid de clusteraanvraag te verbeteren.

3.

Indien de minister van oordeel is dat niet is voldaan aan de voorwaarden opgenomen in het eerste lid, onderdelen a en b, stelt zij de instelling in de gelegenheid om een individuele macrodoelmatigheidstoets te doorlopen.

4.

Indien de minister de clusteraanvraag voldoende onderbouwd acht, dienen de betrokken instellingsbesturen binnen achttien maanden een verzoek om vrijstelling in bij de CDHO.

Paragraaf 4. Verzorgen van een bestaande opleiding of een gedeelte ervan buiten een vestigingsplaats of het openbaar lichaam BES

Artikel 9. Instemming met het (gedeeltelijk) verzorgen van een bestaande opleiding op een nieuwe vestigingsplaats
1.

De minister stemt in met een voornemen voor een (gedeeltelijke) nevenvestiging van een bestaande opleiding als bedoeld in artikel 7.17, tweede lid, van de wet indien voldaan is aan artikel 6.

2.

De minister stemt in met een voornemen voor een (gedeeltelijke) verplaatsing van een bestaande opleiding als bedoeld in artikel 7.17, tweede lid, van de wet indien het instellingsbestuur aantoont dat de verplaatsing geen nadelige gevolgen heeft voor de spreiding van het landelijke opleidingsaanbod.

3.

In geval van het gedeeltelijk verzorgen van een opleiding buiten een vestigingsplaats daarvan is de instemming van de minister enkel nodig indien:

4.

De in het vorige lid bij onderdelen c en d genoemde normen hebben geen betrekking op de situatie van een student die:

Paragraaf 5. Samenvoegen van bestaande opleidingen

Artikel 10. Criteria voor het samenvoegen van bestaande opleidingen
1.

De minister stemt, zonder een macrodoelmatigheidstoets, in met het voornemen om bestaande opleidingen samen te voegen tot:

2.

In afwijking van het eerste lid, is de macrodoelmatigheidstoets vereist indien de samengevoegde opleiding wordt verzorgd in een nieuwe vestigingsplaats danwel in een nevenvestiging. In dat geval dient het instellingsbestuur aan te tonen dat de nieuwe vestigingsplaats danwel nevenvestiging van de samengevoegde opleiding geen nadelige gevolgen heeft voor de spreiding van het landelijke opleidingsaanbod.

3.

De in het eerste lid genoemde instemming wordt niet verleend als:

Artikel 11. Benodigde informatie bij het samenvoegen van bestaande opleidingen

De aanvraag tot samenvoeging gaat vergezeld van de volgende informatie:

Paragraaf 6. Gezamenlijk verzorgen van een nieuwe opleiding of afstudeerrichting

Artikel 12. Criteria voor het gezamenlijk verzorgen van een nieuwe opleiding

De minister stemt in met een voornemen tot het gezamenlijk verzorgen van een nieuwe opleiding of een afstudeerrichting als bedoeld in artikel 7.3c van de wet indien is voldaan aan artikel 6 van deze regeling.

Paragraaf 7. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 13. Overgangsbepaling

Een aanvraag die vóór de inwerkingtreding van deze regeling is ingediend, alsmede een bezwaarschrift tegen een besluit op dat voornemen, wordt overeenkomstig de Regeling macrodoelmatigheid hoger onderwijs afgehandeld, tenzij toepassing van de onderhavige regeling tot een voor de aanvrager, positief advies dan wel een positief besluit leidt.

Artikel 14. Inwerkingtreding

Onder gelijktijdige intrekking van de Regeling macrodoelmatigheid hoger onderwijs, treedt deze regeling in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Artikel 15. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling macrodoelmatig opleidingsaanbod hoger onderwijs 2023.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.