Wet van 24 maart 2023 tot algemene regels inzake het elektronisch verkeer in het publieke domein en inzake de generieke digitale infrastructuur (Wet digitale overheid)
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is algemene regels te stellen met het oog op de verdere digitalisering van het openbaar bestuur en daartoe standaarden voor elektronisch verkeer verplicht te stellen, algemene regels te stellen over informatieveiligheid en tevens regels te stellen over de generieke digitale infrastructuur, waaronder elektronische dienstverlening in het publieke en semipublieke domein aan burgers en bedrijven;
Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goed vinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk 1. Algemeen
Hoofdstuk 2. Algemene regels
Artikel 3. Standaarden
De volgende organen passen de ingevolge het tweede lid aangewezen standaarden voor elektronisch verkeer toe, voor zover die standaard ingevolge het derde lid op hen van toepassing is:
- a. bestuursorganen;
- b. organen, personen en colleges als bedoeld in artikel 1:1, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht;
- c. rechtspersonen met een wettelijke taak als bedoeld in artikel 1.1 van de Comptabiliteitswet 2016.
Bij algemene maatregel van bestuur kan een standaard worden aangewezen, indien:
- a. aanwijzing van die standaard noodzakelijk en proportioneel is gelet op de goede werking, de veiligheid, de betrouwbaarheid, de duurzame toegankelijkheid of de doelmatigheid van het elektronische verkeer, dan wel noodzakelijk is ter uitvoering van verdragen of bindende besluiten van volkenrechtelijke organisaties;
- b. de standaard tot stand is gekomen volgens een voor eenieder toegankelijke procedure, en
- c. de standaard openbaar toegankelijk en kosteloos bruikbaar is en over de specificaties ervan blijvend vrijelijk kan worden beschikt of waarvan de specificaties blijvend kunnen worden verkregen tegen een redelijke vergoeding.
Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald:
- a. het functionele toepassingsbereik van een aangewezen standaard,
- b. de organen waarvoor de verplichting tot toepassing van een aangewezen standaard geldt, en
- c. de datum waarop de verplichting tot toepassing van een aangewezen standaard ingaat.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld. Onder meer kan worden bepaald dat organen op hun website een actuele verklaring over de toepassing van de aangewezen standaard publiceren en kan worden bepaald dat organen aan Onze Minister een verklaring van een auditor overleggen waaruit blijkt of de aangewezen standaard wordt toegepast. In voorkomend geval worden regels gesteld over de wijze van rapportage respectievelijk publicatie.
Onze Minister kan een aanwijzing geven aan een orgaan waarvoor de verplichting tot toepassing van een aangewezen standaard geldt, indien dit orgaan een gedragslijn hanteert die strijdig is met een aangewezen standaard.
Hoofdstuk 2. Algemene regels
Hoofdstuk 4. Toegang tot elektronische dienstverlening
Hoofdstuk 3. De generieke digitale infrastructuur
Hoofdstuk 6. Naleving
Hoofdstuk 7. Financiële bepalingen
Artikel 20. Leges voor verstrekking publiek identificatiemiddel
De kosten die het Rijk maakt samenhangend met de productie en de verstrekking van een publiek identificatiemiddel worden door het Rijk ten laste gebracht van de verkrijger van dit middel.
Bij ministeriële regeling wordt, voor zover deze vergoeding niet krachtens een andere wet wordt vastgesteld, per publiek identificatiemiddel het bedrag ter vergoeding van de kosten, bedoeld in het eerste lid, vastgesteld en kan de wijze van betaling worden vastgesteld.
Artikel 21. Doorberekening kosten
De kosten die het Rijk maakt samenhangend met de uitvoering van de artikelen 5 en 9 worden door Onze Minister ten laste gebracht van de bestuursorganen, aangewezen organisaties en andere organen die het betreft. Bij ministeriële regeling worden hierover regels gesteld.
Artikel 22. Doorberekening aanvraag erkenning en toezicht op naleving erkenningseisen
Onze Minister kan een heffing opleggen ter vergoeding van kosten overeenkomstig een door hem vastgesteld tarief ter zake van de volgende handelingen:
- a. de behandeling van een aanvraag tot erkenning als bedoeld in de artikelen 9 en 11;
- b. het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 9 en 13.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de hoogte en het opleggen van de heffing, waarbij onderscheid kan worden gemaakt tussen verschillende categorieën handelingen als bedoeld in het eerste lid.
Hoofdstuk 8. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 23. Evaluatie
Onze Minister zendt binnen drie jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. In het bijzonder wordt hierbij aandacht geschonken aan de getroffen maatregelen op het gebied van beveiliging, privacybescherming en de toegankelijkheid van elektronische dienstverlening.
Artikel 23a
vervallen
Artikel 24. Overgangsrecht bedrijfs- en organisatiemiddel
Een middelenuitgever of authenticatiedienst die onmiddellijk voor inwerkingtreding van dit artikel partij was bij een privaat stelsel van afspraken aangaande elektronische toegangsdiensten met de Staat wordt gedurende een periode van 18 maanden, gerekend van de dag na inwerkingtreding van dit artikel, geacht erkend te zijn op grond van artikel 11, eerste, onderscheidenlijk tweede lid met betrekking tot het bedrijfs- en organisatiemiddel dat door hem in het kader van die afspraken wordt uitgegeven. Gedurende die 18 maanden wordt het betrokken bedrijfs- en organisatiemiddel geacht een erkend bedrijfs- en organisatiemiddel te zijn, met uitzondering van een bedrijfs- en organisatiemiddel dat binnen het stelsel functioneert op het niveau 1.
Een ontsluitende dienst of een machtigingsdienst die onmiddellijk voor inwerkingtreding van deze wet partij was bij een privaat stelsel van afspraken met de Staat aangaande elektronische toegangsdiensten, wordt gedurende een periode van 18 maanden, gerekend van de dag na inwerkingtreding van deze wet, geacht erkend te zijn op grond van artikel 11, derde lid.
Voor erkenning overeenkomstig dit overgangsrecht heeft te gelden dat een dienst of middel dat is toegetreden tot het private stelsel op niveau 4, niveau 3, niveau 2 of niveau 2+ wordt geacht erkend te zijn op het betrouwbaarheidsniveau hoog, substantieel onderscheidenlijk laag.
Dit artikel is niet van toepassing op partijen die binnen het private stelsel, bedoeld in het eerste en tweede lid, uitsluitend activiteiten op het niveau 1 uitvoeren.
Een bedrijfs- of organisatiemiddel dat voor inwerkingtreding van artikel 11 werd gebruikt voor elektronische dienstverlening door een bestuursorgaan of aangewezen organisatie aan een specifieke doelgroep, gelet op de aard van de dienstverlening of de aard van het door de doelgroep uitgeoefende bedrijf of beroep, wordt geacht op grond van artikel 15, vijfde lid, aangewezen te zijn gedurende een periode van ten hoogste 18 maanden, gerekend van de dag na inwerkingtreding van deze wet. Deze erkenning van rechtswege vervalt na 18 maanden, gerekend van de dag na inwerkingtreding van deze wet, of zoveel eerder als Onze Minister dat middel op grond van artikel 15, vijfde lid, heeft aangewezen.
Artikel 25. Parlementaire betrokkenheid bij gedelegeerde regelgeving
Een voordracht voor een krachtens de artikelen 4, 5, vijfde en zesde lid, 9, 11, 13 en 22 te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
De voordracht voor een krachtens artikel 16, vierde lid, vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd, tenzij binnen deze termijn door of namens een van de Kamers of door ten minste een vijfde van het grondwettelijk aantal leden van een van de Kamers de wens te kennen wordt gegeven het onderwerp van de algemene maatregel van bestuur bij wet te regelen.
Een krachtens artikel 5, zesde lid, vastgestelde algemene maatregel van bestuur wordt aan beide Kamers der Staten-Generaal overgelegd. Hij treedt in werking op een tijdstip dat nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken bij koninklijk besluit wordt vastgesteld, tenzij binnen die termijn door of namens een van de Kamers of door tenminste een vijfde van het grondwettelijk aantal leden van een van de Kamers de wens te kennen wordt gegeven dat het onderwerp van de algemene maatregel van bestuur bij wet wordt geregeld. In dat geval wordt een daartoe strekkende voorstel van wet zo spoedig mogelijk ingediend. Indien het voorstel van wet wordt ingetrokken of indien een van de Kamers der Staten-Generaal besluit het voorstel niet aan te nemen, wordt de algemene maatregel van bestuur ingetrokken.
Artikel 26. Innovatie
Bij algemene maatregel van bestuur kan bij wijze van experiment, met het oog op het onderzoeken van nieuwe methoden waarmee authenticatie doeltreffender en veiliger kan plaatsvinden, worden afgeweken van de bij of krachtens deze wet geldende bepalingen.
Bij toepassing van het eerste lid wordt geregeld door welke bestuursorganen of aangewezen organisaties, op welke wijze en gedurende welke periode van de wet wordt afgeweken.
Een experiment als bedoeld in het eerste lid duurt ten hoogste vier jaar.
Onze Minister zendt negen maanden voor het einde van de werkingsduur van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van het experiment, alsmede een standpunt inzake de voortzetting anders dan als experiment.
Artikel 27. Wijziging Wegenverkeerswet 1994
Wijzigt de Wegenverkeerswet 1994.
Artikel 28. Omhangen
Na de inwerkingtreding van deze wet berust
- a. het Besluit verwerking persoonsgegevens generieke digitale infrastructuur op artikel 16, vierde lid, van deze wet;
- b. het Tijdelijk besluit digitale toegankelijkheid overheid op artikel 3, tweede en derde lid, van deze wet.
Artikel 29. Inwerkingtreding
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
De artikelen 3 en 20 van deze wet treden in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst.
De in de artikelen 7 en 15 opgenomen acceptatieplichten zijn voor een bestuursorgaan of aangewezen organisatie niet eerder van toepassing dan nadat dat bestuursorgaan of die aangewezen organisatie kan worden aangesloten op de in artikel 5, eerste lid, onderdelen a tot en met e, en tweede lid bedoelde infrastructuur en voorzieningen overeenkomstig het bij regeling van Onze Minister, gehoord Onze Ministers die het mede aangaat, op te stellen aansluitschema. Het aansluitschema kan erin voorzien dat de acceptatieplichten voor verschillende diensten van een bestuursorgaan of aangewezen organisatie op verschillende momenten van toepassing worden. De regeling met aansluitschema wordt gepubliceerd in de Staatscourant.
Artikel 30. Citeertitel
Deze wet wordt aangehaald als: Wet digitale overheid.
Bijlage. bij artikel 2, tweede lid, onder a, van de Wet digitale overheid
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 1. Definities
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
- –. aangewezen organisatie: organisatie als bedoeld in artikel 2, tweede lid;
- –. attribuut: uniek kenmerk of gegeven van een natuurlijke persoon, onderneming of rechtspersoon;
- –. authenticatie: elektronisch proces voor de verificatie en bevestiging van de identiteit van een natuurlijke persoon, onderneming of rechtspersoon;
- –. authenticatiedienst: partij die op basis van een identificatiemiddel een authenticatieverklaring afgeeft;
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.