Regeling van de Minister voor Natuur en Stikstof van 5 juni 2023, nr. WJZ/ 27312647, houdende regels voor de verstrekking van subsidie voor het sluiten van veehouderijlocaties voor de reductie van stikstofdepositie op natuurgebieden (Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties voor stikstofreductie)
Gelet op artikel 3 van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies;
Besluit:
§ 1. Algemeen
Artikel 1. Begripsomschrijvingen
In deze regeling wordt verstaan onder:
- AERIUS Check: rekeninstrument voor de vaststelling van de omvang van de stikstofvracht, beschikbaar op www.aerius.nl;
- dierenverblijf: gebouw voor het houden van landbouwhuisdieren, met uitzondering van ruimte voor uitloop;
- diersoorten met productierecht: melkvee, kippen, kalkoenen en varkens;
- landbouwhuisdier: zoogdier of vogel voor de productie van vlees, eieren, melk, wol of veren of een paard of pony voor het fokken;
- melkvee: dieren als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel kk, van de Meststoffenwet;
- minister: Minister voor Natuur en Stikstof;
- Natura 2000-gebied: Natura 2000-gebied als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet natuurbescherming, dan wel, na inwerkingtreding van de Omgevingswet, als bedoeld in die wet;
- natuurvergunning: vergunning als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming of omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit als bedoeld in artikel 2.2aa, onderdeel a, van het Besluit omgevingsrecht dan wel, na de inwerkingtreding van de Omgevingswet, artikel 5.1, eerste lid, onderdeel e, van de Omgevingswet;
- omgevingsrechtelijke melding: melding op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer dan wel, na de inwerkingtreding van de Omgevingswet, melding als bedoeld in artikel 4.808 van het Besluit activiteiten leefomgeving;
- omgevingsvergunning beperkte milieutoets: vergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel i, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;
- omgevingsvergunning milieu: vergunning verleend krachtens artikel 2.1, eerste lid, onderdeel e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, dan wel, na inwerkingtreding van de Omgevingswet, vergunning voor een milieubelastende activiteit als bedoeld in die wet;
- overbelast Natura 2000-gebied: Natura 2000-gebied dat is vermeld in bijlage 1;
- productiecapaciteit: dierenverblijven, mest- en voeropslagen;
- productierecht: productierecht als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel aa, van de Meststoffenwet, dat wordt uitgedrukt in:
- a. voor fosfaatrecht: kilogrammen fosfaat;
- b. voor varkensrecht: varkenseenheden, overeenkomstig de normen van bijlage II bij de Meststoffenwet;
- c. voor pluimveerecht: pluimvee-eenheden, overeenkomstig de normen van bijlage II bij de Meststoffenwet;
- stikstofvracht: het totaal van de stikstofdepositie, uitgedrukt in mol stikstof per jaar, die door een veehouderijlocatie wordt veroorzaakt op een overbelast Natura 2000-gebied;
- veehouder: natuurlijke persoon of rechtspersoon die of samenwerkingsverband van natuurlijke personen of rechtspersonen dat een veehouderij drijft;
- veehouderij: onderneming voor het houden van landbouwhuisdieren;
- veehouderij met productierecht: veehouderij voor het houden of het mede houden van diersoorten met productierecht;
- veehouderijlocatie: vestigingsplaats van een veehouderij, bestaande uit het erf, bedoeld in artikel 1 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht, dan wel, na inwerkingtreding van de Omgevingswet, bedoeld in bijlage I, onder A, bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, van de vestiging.
Artikel 2. Bepaling stikstofvracht
De stikstofvracht wordt bepaald met gebruik van AERIUS Check.
Bij de in het eerste lid bedoelde berekening wordt uitgegaan van:
- a. het aantal landbouwhuisdieren dat gemiddeld in 2021 op de locatie is gehouden, onderscheiden naar de diercategorieën, vermeld in bijlage 1 van de Regeling ammoniak en veehouderij, dan wel, na inwerkingtreding van de Omgevingswet, bijlagen V en VI van de Omgevingsregeling;
- b. het huisvestingssysteem, genoemd in bijlage 1 van de Regeling ammoniak en veehouderij, dan wel, na inwerkingtreding van de Omgevingswet, bijlagen V en VI van de Omgevingsregeling, waarin de onderscheidenlijke diercategorieën in 2021 zijn gehouden.
Indien de veehouder aannemelijk kan maken dat de situatie in 2021 niet representatief is voor het jaarlijks gemiddeld gehouden aantal landbouwhuisdieren, kan worden uitgegaan van het aantal landbouwhuisdieren dat gemiddeld is gehouden in 2019 of 2020.
Artikel 3. Kaderbesluit nationale EZK- en LNV-subsidies
De artikelen 6, 22, 23, 26, 28, 36, 36a, 41, 43, 52 van het Kaderbesluit nationale EZK- en LNV-subsidies zijn van overeenkomstige toepassing.
§ 2. Criteria voor subsidieverstrekking
Artikel 4. Grondslag
De minister kan een veehouder die een veehouderij met productierecht drijft, op aanvraag subsidie verstrekken voor de onomkeerbare sluiting van een veehouderijlocatie indien de stikstofvracht die deze locatie veroorzaakt op een overbelast Natura 2000-gebied, ten minste gelijk is aan de minimale stikstofvracht die voor dat gebied is vermeld in bijlage 1.
Voor subsidieverstrekking op grond van het eerste lid komt niet in aanmerking een veehouder die artikel 19, eerste lid, artikel 20, eerste lid, of artikel 21b, eerste lid, van de Meststoffenwet heeft overtreden.
Voor subsidieverstrekking op grond van het eerste lid komt niet in aanmerking een veehouder wiens veehouderij niet voldoet aan de in artikel 2, eerste lid, van bijlage I bij Verordening (EU) nr. 2472/2022 vastgestelde criteria.
Artikel 5. Vereisten
Er is sprake van een onomkeerbare sluiting van een veehouderijlocatie als bedoeld in artikel 4, eerste lid, indien:
- a. niet langer landbouwhuisdieren worden gehouden op de locatie;
- b. de dierlijke meststoffen zijn verwijderd van de locatie;
- c. de veehouder overeenkomstig artikel 31, eerste lid, van de Meststoffenwet een kennisgeving heeft gedaan van het geheel of gedeeltelijk vervallen van zijn productierecht, waarbij ten minste het productierecht voor een zodanige omvang vervalt als is vereist voor het houden van het hierna vermelde percentage van het aantal dieren, uitgedrukt in varkenseenheden, pluimvee-eenheden respectievelijk kilogrammen fosfaat, dat gemiddeld in het voor de berekening van de stikstofvracht gebruikte referentiejaar op de locatie is gehouden:
- –. varkens: 80%;
- –. kippen en kalkoenen: 80%;
- –. melkvee: 95%;
- d. al naar gelang de toepasselijke verplichtingen op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Wet milieubeheer, dan wel, na de inwerkingtreding van de Omgevingswet, de Omgevingswet en het Besluit activiteiten leefomgeving:
- 1°. de veehouder bij het bevoegd gezag een omgevingsrechtelijke melding heeft gedaan dat hij op de locatie niet langer landbouwhuisdieren houdt en, indien de veehouder op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht tevens dient te beschikken over een omgevingsvergunning beperkte milieutoets, het bevoegd gezag die vergunning heeft ingetrokken; of
- 2°. het bevoegd gezag de omgevingsvergunning milieu voor de locatie heeft ingetrokken of zodanig heeft aangepast dat het niet langer is toegestaan op de locatie landbouwhuisdieren te houden;
- e. in het geval de veehouder beschikt over een natuurvergunning voor de locatie: deze vergunning is ingetrokken tenzij onderdeel f van toepassing is;
- f. in het geval de veehouder voornemens is om op de locatie na de sluiting andere activiteiten te gaan verrichten, het bevoegd gezag op verzoek van de veehouder een besluit heeft genomen:
- 1°. op grond waarvan de toegestane stikstofemissie vanaf de locatie niet meer bedraagt dan de stikstofemissie ten gevolge van die activiteiten, met een maximum van 15% van de stikstofemissie van de activiteiten waarvoor voorheen toestemming was verleend,
- 2°. waarbij voor zover het besluit een wijziging van een natuurvergunning betreft de vergunninghouder wordt verplicht om de toestemming voor de stikstofemissie van de andere activiteiten te laten intrekken ten behoeve van een of meer Natura 2000-gebieden, wanneer hij niet langer gebruik maakt van die toestemming;
- g. het bevoegde bestuursorgaan van de gemeente binnen de grenzen waarvan de veehouderijlocatie zich bevindt, een verzoek van de veehouder in behandeling heeft genomen om het bestemmingsplan dan wel, na inwerkingtreding van de Omgevingswet, het omgevingsplan, zodanig aan te passen dat op de locatie niet langer een veehouderij kan worden gevestigd;
- h. de veehouder zich met gebruikmaking van de in bijlage 2 opgenomen modelovereenkomst met de Staat der Nederlanden heeft verbonden om: en
- 1°. niet langer op de locatie landbouwhuisdieren te houden, noch als persoon, noch tezamen met anderen in de vorm van een rechtspersoon of samenwerkingsverband;
- 2°. zeker te stellen dat na al dan niet tijdelijke overdracht of ingebruikgeving van de locatie of een deel daarvan aan een verkrijger of gebruiker evenmin op die locatie landbouwhuisdieren worden gehouden; en
- 3°. niet op een andere locatie in Nederland of een andere lidstaat van de Europese Unie dezelfde diersoorten met productierecht te gaan houden die werden gehouden op de locatie die met subsidie op grond van deze regeling is gesloten, noch als persoon, noch tezamen met anderen in de vorm van een rechtspersoon of samenwerkingsverband;
- i. de voor de veehouderij met productierecht op de locatie gebruikte productiecapaciteit is afgebroken en verwijderd.
De minister kan ontheffing verlenen van het vereiste, bedoeld in het eerste lid, onderdeel i, voor zover de veehouder productiecapaciteit langdurig gaat gebruiken voor andere activiteiten dan voor een veehouderij, mits het bevoegd gezag op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Wet milieubeheer dan wel, na de inwerkingtreding van de Omgevingswet, op grond van die wet, met dat gebruik instemt.
Artikel 6. Afwijzingsgronden
De aanvraag van de veehouder wordt afgewezen indien de veehouder op de veehouderijlocatie niet daadwerkelijk een veehouderij met productierecht drijft en voor zover de desbetreffende productiecapaciteit niet onafgebroken gedurende de vijf jaren voorafgaande aan het tijdstip van indiening van de aanvraag op bedrijfseconomisch gangbare wijze gebruikt is.
De aanvraag wordt afgewezen indien de veehouder:
- a. zich reeds heeft verplicht om de veehouderijlocatie te sluiten of reeds een aanvang heeft gemaakt met de sluiting van de locatie;
- b. voor de locatie in aanmerking komt voor subsidie op grond van de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties met piekbelasting; of
- c. ruimte voor stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied die voor de veehouderijlocatie bestaat of bestond ingevolge de bestaande vergunningen, in het kader van extern salderen geheel of gedeeltelijk ter beschikking stelt of heeft gesteld voor andere activiteiten met het oog op een daarvoor aangevraagde of aan te vragen natuurvergunning.
De aanvraag kan worden afgewezen indien de veehouder niet voldoet of niet heeft voldaan aan de Unienormen of aan de wettelijke vereisten voor het drijven van een veehouderij met productierecht.
Alleen indien de aanvrager voldoet aan de normen van de Europese Unie, komt hij voor subsidie op grond van deze regeling in aanmerking. Een aanvraag wordt afgewezen indien de aanvrager niet aan de normen van de Europese Unie voldoet en zijn activiteiten als veehouder moet beëindigen.
§ 3. Subsidiebedrag
Artikel 7. Subsidiecomponenten
De subsidie omvat:
- a. een bijdrage in verband met het geheel of gedeeltelijk vervallen van het productierecht; en
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.