Regeling van de Minister voor Natuur en Stikstof van 5 juni 2023, nr. WJZ/ 27312647, houdende regels voor de verstrekking van subsidie voor het sluiten van veehouderijlocaties voor de reductie van stikstofdepositie op natuurgebieden (Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties voor stikstofreductie)

Type Ministeriële regeling
Publication 2025-07-01
State In force
Source BWB
artikelen 31
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op artikel 3 van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies;

Besluit:

§ 1. Algemeen

Artikel 1. Begripsomschrijvingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • AERIUS Check: rekeninstrument voor de vaststelling van de omvang van de stikstofvracht, beschikbaar op www.aerius.nl;
  • dierenverblijf: gebouw voor het houden van landbouwhuisdieren, met uitzondering van ruimte voor uitloop;
  • diersoorten met productierecht: melkvee, kippen, kalkoenen en varkens;
  • landbouwhuisdier: zoogdier of vogel voor de productie van vlees, eieren, melk, wol of veren of een paard of pony voor het fokken;
  • minister: Minister voor Natuur en Stikstof;
  • overbelast Natura 2000-gebied: Natura 2000-gebied dat is vermeld in bijlage 1;
  • productiecapaciteit: dierenverblijven, mest- en voeropslagen;
  • a. voor fosfaatrecht: kilogrammen fosfaat;
  • stikstofvracht: het totaal van de stikstofdepositie, uitgedrukt in mol stikstof per jaar, die door een veehouderijlocatie wordt veroorzaakt op een overbelast Natura 2000-gebied;
  • veehouder: natuurlijke persoon of rechtspersoon die of samenwerkingsverband van natuurlijke personen of rechtspersonen dat een veehouderij drijft;
  • veehouderij: onderneming voor het houden van landbouwhuisdieren;
  • veehouderij met productierecht: veehouderij voor het houden of het mede houden van diersoorten met productierecht;
Artikel 2. Bepaling stikstofvracht
1.

De stikstofvracht wordt bepaald met gebruik van AERIUS Check.

2.

Bij de in het eerste lid bedoelde berekening wordt uitgegaan van:

3.

Indien de veehouder aannemelijk kan maken dat de situatie in 2021 niet representatief is voor het jaarlijks gemiddeld gehouden aantal landbouwhuisdieren, kan worden uitgegaan van het aantal landbouwhuisdieren dat gemiddeld is gehouden in 2019 of 2020.

Artikel 3. Kaderbesluit nationale EZK- en LNV-subsidies

De artikelen 6, 22, 23, 26, 28, 36, 36a, 41, 43, 52 van het Kaderbesluit nationale EZK- en LNV-subsidies zijn van overeenkomstige toepassing.

§ 2. Criteria voor subsidieverstrekking

Artikel 4. Grondslag
1.

De minister kan een veehouder die een veehouderij met productierecht drijft, op aanvraag subsidie verstrekken voor de onomkeerbare sluiting van een veehouderijlocatie indien de stikstofvracht die deze locatie veroorzaakt op een overbelast Natura 2000-gebied, ten minste gelijk is aan de minimale stikstofvracht die voor dat gebied is vermeld in bijlage 1.

2.

Voor subsidieverstrekking op grond van het eerste lid komt niet in aanmerking een veehouder die artikel 19, eerste lid, artikel 20, eerste lid, of artikel 21b, eerste lid, van de Meststoffenwet heeft overtreden.

3.

Voor subsidieverstrekking op grond van het eerste lid komt niet in aanmerking een veehouder wiens veehouderij niet voldoet aan de in artikel 2, eerste lid, van bijlage I bij Verordening (EU) nr. 2472/2022 vastgestelde criteria.

Artikel 5. Vereisten
1.

Er is sprake van een onomkeerbare sluiting van een veehouderijlocatie als bedoeld in artikel 4, eerste lid, indien:

  • a. niet langer landbouwhuisdieren worden gehouden op de locatie;
  • b. de dierlijke meststoffen zijn verwijderd van de locatie;
  • c. de veehouder overeenkomstig artikel 31, eerste lid, van de Meststoffenwet een kennisgeving heeft gedaan van het geheel of gedeeltelijk vervallen van zijn productierecht, waarbij ten minste het productierecht voor een zodanige omvang vervalt als is vereist voor het houden van het hierna vermelde percentage van het aantal dieren, uitgedrukt in varkenseenheden, pluimvee-eenheden respectievelijk kilogrammen fosfaat, dat gemiddeld in het voor de berekening van de stikstofvracht gebruikte referentiejaar op de locatie is gehouden:
  • –. varkens: 80%;
  • –. kippen en kalkoenen: 80%;
  • –. melkvee: 95%;
  • 1°. de veehouder bij het bevoegd gezag een omgevingsrechtelijke melding heeft gedaan dat hij op de locatie niet langer landbouwhuisdieren houdt en, indien de veehouder op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht tevens dient te beschikken over een omgevingsvergunning beperkte milieutoets, het bevoegd gezag die vergunning heeft ingetrokken; of
  • 2°. het bevoegd gezag de omgevingsvergunning milieu voor de locatie heeft ingetrokken of zodanig heeft aangepast dat het niet langer is toegestaan op de locatie landbouwhuisdieren te houden;
  • e. in het geval de veehouder beschikt over een natuurvergunning voor de locatie: deze vergunning is ingetrokken tenzij onderdeel f van toepassing is;
  • f. in het geval de veehouder voornemens is om op de locatie na de sluiting andere activiteiten te gaan verrichten, het bevoegd gezag op verzoek van de veehouder een besluit heeft genomen:
  • 1°. op grond waarvan de toegestane stikstofemissie vanaf de locatie niet meer bedraagt dan de stikstofemissie ten gevolge van die activiteiten, met een maximum van 15% van de stikstofemissie van de activiteiten waarvoor voorheen toestemming was verleend,
  • 2°. waarbij voor zover het besluit een wijziging van een natuurvergunning betreft de vergunninghouder wordt verplicht om de toestemming voor de stikstofemissie van de andere activiteiten te laten intrekken ten behoeve van een of meer Natura 2000-gebieden, wanneer hij niet langer gebruik maakt van die toestemming;
  • g. het bevoegde bestuursorgaan van de gemeente binnen de grenzen waarvan de veehouderijlocatie zich bevindt, een verzoek van de veehouder in behandeling heeft genomen om het bestemmingsplan dan wel, na inwerkingtreding van de Omgevingswet, het omgevingsplan, zodanig aan te passen dat op de locatie niet langer een veehouderij kan worden gevestigd;
  • h. de veehouder zich met gebruikmaking van de in bijlage 2 opgenomen modelovereenkomst met de Staat der Nederlanden heeft verbonden om: en
  • 1°. niet langer op de locatie landbouwhuisdieren te houden, noch als persoon, noch tezamen met anderen in de vorm van een rechtspersoon of samenwerkingsverband;
  • 2°. zeker te stellen dat na al dan niet tijdelijke overdracht of ingebruikgeving van de locatie of een deel daarvan aan een verkrijger of gebruiker evenmin op die locatie landbouwhuisdieren worden gehouden; en
  • 3°. niet op een andere locatie in Nederland of een andere lidstaat van de Europese Unie dezelfde diersoorten met productierecht te gaan houden die werden gehouden op de locatie die met subsidie op grond van deze regeling is gesloten, noch als persoon, noch tezamen met anderen in de vorm van een rechtspersoon of samenwerkingsverband;
  • i. de voor de veehouderij met productierecht op de locatie gebruikte productiecapaciteit is afgebroken en verwijderd.
2.

De minister kan ontheffing verlenen van het vereiste, bedoeld in het eerste lid, onderdeel i, voor zover de veehouder productiecapaciteit langdurig gaat gebruiken voor andere activiteiten dan voor een veehouderij, mits het bevoegd gezag op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Wet milieubeheer dan wel, na de inwerkingtreding van de Omgevingswet, op grond van die wet, met dat gebruik instemt.

Artikel 6. Afwijzingsgronden
1.

De aanvraag van de veehouder wordt afgewezen indien de veehouder op de veehouderijlocatie niet daadwerkelijk een veehouderij met productierecht drijft en voor zover de desbetreffende productiecapaciteit niet onafgebroken gedurende de vijf jaren voorafgaande aan het tijdstip van indiening van de aanvraag op bedrijfseconomisch gangbare wijze gebruikt is.

2.

De aanvraag wordt afgewezen indien de veehouder:

  • a. zich reeds heeft verplicht om de veehouderijlocatie te sluiten of reeds een aanvang heeft gemaakt met de sluiting van de locatie;
  • c. ruimte voor stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied die voor de veehouderijlocatie bestaat of bestond ingevolge de bestaande vergunningen, in het kader van extern salderen geheel of gedeeltelijk ter beschikking stelt of heeft gesteld voor andere activiteiten met het oog op een daarvoor aangevraagde of aan te vragen natuurvergunning.
3.

De aanvraag kan worden afgewezen indien de veehouder niet voldoet of niet heeft voldaan aan de Unienormen of aan de wettelijke vereisten voor het drijven van een veehouderij met productierecht.

4.

Alleen indien de aanvrager voldoet aan de normen van de Europese Unie, komt hij voor subsidie op grond van deze regeling in aanmerking. Een aanvraag wordt afgewezen indien de aanvrager niet aan de normen van de Europese Unie voldoet en zijn activiteiten als veehouder moet beëindigen.

§ 3. Subsidiebedrag

Artikel 7. Subsidiecomponenten

De subsidie omvat:

  • a. een bijdrage in verband met het geheel of gedeeltelijk vervallen van het productierecht; en
  • b. een bijdrage in verband met het verlies van de waarde van de voor de veehouderij met productierecht op de veehouderijlocatie gebruikte productiecapaciteit als gevolg van de onomkeerbare sluiting van de veehouderijlocatie, behoudens voor zover ontheffing van de verplichting tot afbraak en verwijdering van de productiecapaciteit is verleend op grond van artikel 5, tweede lid.
Artikel 8. Bijdrage vervallen productierecht
1.

De in artikel 7, onder a, bedoelde bijdrage bedraagt 100% van de waarde van het geheel of gedeeltelijk vervallen productierecht, voor zover dat vervallen productierecht niet meer bedraagt dan het productierecht dat vereist is voor het aantal dieren, uitgedrukt in varkenseenheden, pluimvee-eenheden respectievelijk kilogrammen fosfaat, dat gemiddeld in het voor de berekening van de stikstofvracht gebruikte referentiejaar op de veehouderijlocatie is gehouden.

2.

De in het eerste lid bedoelde waarde wordt bepaald op basis van:

  • a. de marktwaarde van het productierecht benodigd voor een varkenseenheid, respectievelijk een pluimvee-eenheid of een kilogram fosfaat; en
  • b. de omvang van het productierecht dat vervalt.
3.

De minister stelt met het oog op de toepassing van dit artikel de marktwaarde van het productierecht benodigd voor een varkenseenheid, een pluimvee-eenheid en een kilogram fosfaat vast aan de hand van de actuele marktprijs, waarbij voor zover het gaat om varkensrecht en pluimveerecht onderscheid wordt gemaakt tussen de concentratiegebieden Zuid en Oost, aangeduid in bijlage I van de Meststoffenwet, en het overige gebied, en maakt deze bedragen uiterlijk bekend op de dag voor de aanvang van de openstellingsperiode, bedoeld in artikel 10, eerste lid.

Artikel 9. Bijdrage waardeverlies
1.

De in artikel 7, onderdeel b, bedoelde bijdrage bedraagt 100% van de gecorrigeerde vervangingswaarde van de voor de veehouderij met productierecht op de veehouderijlocatie gebruikte productiecapaciteit, behoudens voor zover ontheffing van de verplichting tot afbraak en verwijdering van de productiecapaciteit is verleend op grond van artikel 5, tweede lid.

2.

De gecorrigeerde vervangingswaarde, bedoeld in het eerste lid, wordt bepaald door per dierenverblijf het aantal m2 van het dierenverblijf te vermenigvuldigen met het bedrag dat in bijlage 3 is vermeld voor het desbetreffende dierenverblijf, uitgaand van de levensduur, uitgedrukt in jaren en maanden, van de romp van het dierenverblijf op het tijdstip dat is voldaan aan de vereisten, vermeld in artikel 5, eerste lid, onderdelen a, b en c.

§ 4. Aanvraag tot subsidieverlening

Artikel 10. Openstellingsperiode en subsidieplafond
1.

Subsidieaanvragen kunnen worden ingediend in de periode van 3 juli 2023 tot en met 1 december 2023.

2.

Het subsidieplafond voor de verstrekking van subsidies op aanvragen die zijn ingediend in de in het eerste lid bedoelde periode, bedraagt € 1.102.000.000,–.

Artikel 11. Aanvraag subsidieverlening
1.

Een subsidieaanvraag wordt ingediend bij de minister met gebruikmaking van een daartoe door de minister ter beschikking gesteld middel.

2.

Indien op grond van de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties met piekbelasting een aanvraag is ingediend in het tijdvak, bedoeld in artikel 10, eerste lid, die niet in aanmerking komt voor toewijzing op grond van die regeling, wordt de aanvraag aangemerkt als aanvraag op grond van deze regeling. In dat geval wordt de aanvraag geacht te zijn gedaan op het tijdstip waarop de oorspronkelijke aanvraag is ingediend en zo nodig is aangevuld om te voldoen aan de wettelijke voorschriften.

3.

De aanvraag bevat ten minste de volgende gegevens:

  • a. gegevens over de aanvrager, waaronder contactgegevens en het nummer waaronder zijn onderneming geregistreerd is bij de Kamer van Koophandel;
  • b. de veehouderijlocatie van de aanvrager waarop de aanvraag betrekking heeft;
  • c. het gemiddelde aantal dieren van de diersoorten met productierecht, uitgedrukt in varkenseenheden, pluimvee-eenheden respectievelijk kilogrammen fosfaat, dat op de veehouderijlocatie is gehouden in het voor de berekening van de stikstofvracht gebruikte referentiejaar;
  • d. de omvang van het productierecht, uitgedrukt in varkenseenheden, pluimvee-eenheden respectievelijk kilogrammen fosfaat, dat zal vervallen;
  • e. een opgave of de aanvrager voor de veehouderijlocatie beschikt over een natuurvergunning;
  • f. een opgave van de voor de veehouderij met productierecht op de veehouderijlocatie gebruikte productiecapaciteit, met vermelding, voor zover het een dierenverblijf betreft, van:
  • 1°. de datum waarop voor het eerst landbouwhuisdieren in het dierenverblijf zijn gehouden, en
  • 2°. de oppervlakte van het dierenverblijf, uitgedrukt in m2, uitgaand van de buitenmaten van het dierenverblijf.
4.

Bij de aanvraag worden de volgende bescheiden gevoegd:

  • a. een kopie van, voor zover van toepassing, de omgevingsrechtelijke melding, de omgevingsvergunning beperkte milieutoets of de omgevingsvergunning milieu en de natuurvergunning betreffende de veehouderijlocatie waarop de aanvraag betrekking heeft;
  • b. een verklaring van de aanvrager dat:
  • 1°. hij op de veehouderijlocatie daadwerkelijk een veehouderij met productierecht drijft;
  • 2°. de voor de veehouderij met productierecht op de veehouderijlocatie gebruikte productiecapaciteit onafgebroken gedurende de vijf jaren voorafgaande aan de aanvraag op bedrijfseconomisch gangbare wijze is gebruikt;
  • c. een kopie van de uitkomsten van de berekening van de stikstofvracht op één of meer overbelaste Natura 2000-gebieden;
  • e. een actuele kaart van de veehouderijlocatie, met aanduiding van de voor de veehouderij met productierecht gebruikte productiecapaciteit;
  • f. een kopie van de bouwtekening van de dierenverblijven waar de aanvraag betrekking op heeft;

§ 5. Verdeling subsidieplafond

Artikel 12. Verdeling subsidieplafond
1.

De minister verdeelt het in artikel 10, tweede lid, bedoelde subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen.

2.

De minister rangschikt een aanvraag hoger naarmate de totale stikstofvracht van de desbetreffende veehouderijlocatie op overbelaste Natura 2000-gebieden groter is, afgezet tegen de hoogte van het subsidiebedrag.

§ 6. Verplichtingen van de subsidieontvanger

Artikel 13. Fasering sluiting van een veehouderijlocatie
1.

De subsidieontvanger voldoet aan:

  • a. het vereiste, vermeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel h, door de in die bepaling bedoelde overeenkomst binnen zes maanden na de subsidieverlening ondertekend aan de minister te zenden;
  • c. de vereisten, vermeld in artikel 5, eerste lid, onderdelen d, e, f en i, voor zover van toepassing, binnen 28 maanden nadat de overeenkomst, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel h, is gesloten, met dien verstande dat de subsidieontvanger, voor zover van toepassing, binnen twaalf maanden nadat de overeenkomst, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel h, is gesloten, bij het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdelen d en f, een of meer aanvragen indient tot het nemen van besluiten als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdelen d, e respectievelijk f.
2.

Het afbreken en verwijderen van de productiecapaciteit, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel i, vindt niet eerder plaats dan nadat de minister heeft geconstateerd dat uitvoering is gegeven aan de in artikel 5, eerste lid, onderdelen a en b, bedoelde vereisten.

Artikel 14. Informatieverplichting voortgang
1.

De subsidieontvanger verstrekt de minister op diens verzoek informatie over de uitvoering van de in artikel 5, eerste lid, bedoelde vereisten.

2.

De subsidieontvanger verstrekt de minister informatie over de wijze waarop uitvoering is gegeven aan de in artikel 5, eerste lid, onderdelen a, b, c, d, e, f en g bedoelde vereisten.

3.

De in het tweede lid bedoelde informatieverstrekking vindt plaats met gebruikmaking van een daartoe door de minister ter beschikking gesteld middel.

4.

Bij de informatieverstrekking worden de volgende bescheiden gevoegd:

  • b. een kopie van de omgevingsrechtelijke melding, dan wel intrekking of wijziging van de omgevingsvergunning beperkte milieutoets of omgevingsvergunning milieu, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel d;
  • e. een kopie van het verzoek, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel g, en van een bericht van de gemeente waaruit blijkt dat het verzoek in behandeling is genomen.
Artikel 15. Overige verplichtingen
1.

De subsidieontvanger houdt zich aan de verplichtingen die hij jegens de Staat der Nederlanden is aangegaan op grond van artikel 5, eerste lid, onderdeel h.

2.

De subsidieontvanger stelt geen ruimte voor stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied die voor de veehouderijlocatie bestaat of bestond ingevolge de bestaande vergunningen, in het kader van extern salderen geheel of gedeeltelijk ter beschikking voor andere activiteiten met het oog op een daarvoor aangevraagde of aan te vragen natuurvergunning.

§ 7. Gegevensverwerking

Artikel 16. Gegevensverwerking
1.

De minister kan voor een beoordeling van de juistheid van de informatie die is verstrekt bij de indiening van aanvragen op grond van deze regeling gebruikmaken van de daarvoor noodzakelijke gegevens die zijn opgenomen in registraties op grond van de Meststoffenwet, de Wet dieren, de Landbouwwet, de Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 (PB EU 2016, L 84) en de Gedelegeerde verordening (EU) 2019/2035 van de Commissie (Pb EU 2019, L 314).

2.

De minister kan met het oog op de uitvoering van deze regeling gegevens over aanvragen op grond van deze regelingen verstrekken aan het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel d respectievelijk f.

3.

De minister kan gegevens die de subsidieontvanger heeft verschaft in het kader van de subsidieverstrekking gebruiken voor:

§ 8. Bevoorschotting

Artikel 17. Bevoorschotting
1.

De minister verstrekt de subsidieontvanger uiterlijk zes weken na ontvangst van de ondertekende overeenkomst, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel h, een voorschot van 20% van het subsidiebedrag.

2.

De minister verstrekt de subsidieontvanger een voorschot van 60% van het subsidiebedrag uiterlijk zes weken nadat aan de hand van de in artikel 14, tweede lid, bedoelde informatieverstrekking is vastgesteld dat uitvoering is gegeven aan de in artikel 5, eerste lid, onderdelen a, b, c en g bedoelde vereisten en dat de subsidieontvanger, voor zover van toepassing, bij het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdelen d en f, een of meer aanvragen heeft ingediend tot het nemen van een besluit als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdelen d, e respectievelijk f.

§ 9. Subsidievaststelling

Artikel 18. Subsidievaststelling

De aanvraag om subsidievaststelling wordt uiterlijk dertien weken na afloop van de in artikel 13, eerste lid, onderdeel c, bedoelde termijn van 28 maanden ingediend met gebruikmaking van een middel dat door de minister beschikbaar wordt gesteld.

§ 10. Slotbepalingen

Artikel 19. Staatssteun
1.

De subsidie, bedoeld in artikel 4, eerste lid, bevat staatssteun.

2.

De minister maakt, gelet op de Richtsnoeren voor staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden (2022/C 485/01), na de datum van de subsidievaststelling de volgende gegevens over de subsidieverstrekking bekend:

  • a. de naam van de subsidieontvanger;
  • b. de hoogte van het verstrekte subsidiebedrag;
  • c. de datum van de subsidievaststelling;
  • d. het feit dat de subsidieverstrekking betrekking heeft op een onderneming die voldoet aan de in artikel 2, eerste lid van bijlage I bij Verordening (EU) nr. 2472/2022 vastgestelde criteria;
  • e. de provincie op het grondgebied waarvan de locatie zich bevindt;
  • f. de voornaamste economische sector waarin de subsidieontvanger ten tijde van de subsidieaanvraag actief was.
3.

De gegevens, bedoeld in het tweede lid, blijven ten minste tien jaar openbaar beschikbaar.

Artikel 20. Inwerkingtreding
1.

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

2.

Deze regeling vervalt vijf jaren na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend.

Artikel 21. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties voor stikstofreductie.

Bijlage 1. behorende bij artikel 1 en artikel 4, eerste lid, van de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties voor stikstofreductie

Natuurgebied nummer Natuurgebied Minimale stikstofvracht (mol N/jaar)
1 Waddenzee 1
2 Duinen en Lage Land Texel 490
3 Duinen Vlieland 10
4 Duinen Terschelling 59
5 Duinen Ameland 116
6 Duinen Schiermonnikoog 107
7 Noordzeekustzone 1
13 Alde Feanen 77
15 Van Oordt’s Mersken 12
16 Wijnjeterper Schar 18
17 Bakkeveense Duinen 27
18 Rottige Meenthe & Brandemeer 90
21 Lieftinghsbroek 9
22 Norgerholt 9
23 Fochteloërveen 265
24 Witterveld 56
25 Drentsche Aa-gebied 98
26 Drouwenerzand 20
27 Drents-Friese Wold & Leggelderveld 1158
28 Elperstroomgebied 5
29 Holtingerveld 124
30 Dwingelderveld 589
31 Mantingerbos 6
32 Mantingerzand 81
33 Bargerveen 192
34 Weerribben 352
35 De Wieden 260
36 Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht 5
37 Olde Maten & Veerslootslanden 12
38 Rijntakken 53
39 Vecht- en Beneden-Reggegebied 287
40 Engbertsdijksvenen 151
41 Boetelerveld 32
42 Sallandse Heuvelrug 162
43 Wierdense Veld 50
44 Borkeld 35
45 Springendal & Dal van de Mosbeek 108
46 Bergvennen & Brecklenkampse Veld 33
47 Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek 76
48 Lemselermaten 9
49 Dinkelland 32
50 Landgoederen Oldenzaal 70
51 Lonnekermeer 7
53 Buurserzand & Haaksbergerveen 143
54 Witte Veen 13
55 Aamsveen 12
57 Veluwe 5300
58 Landgoederen Brummen 23
60 Stelkampsveld 7
61 Korenburgerveen 97
62 Willinks Weust 9
63 Bekendelle 20
64 Wooldse Veen 6
65 Binnenveld 7
69 De Bruuk 14
70 Lingegebied & Diefdijk-Zuid 53
71 Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem 1
81 Kolland & Overlangbroek 10
82 Uiterwaarden Lek 9
83 Botshol 20
84 Duinen Den Helder-Callantsoog 46
85 Zwanenwater & Pettemerduinen 68
86 Schoorlse Duinen 201
87 Noordhollands Duinreservaat 478
88 Kennemerland-Zuid 244
89 Eilandspolder 1
90 Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder 34
91 Polder Westzaan 17
92 Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske 48
94 Naardermeer 47
95 Oostelijke Vechtplassen 59
96 Coepelduynen 9
97 Meijendel & Berkheide 165
98 Westduinpark & Wapendal 15
99 Solleveld & Kapittelduinen 39
100 Voornes Duin 131
101 Duinen Goeree & Kwade Hoek 50
103 Nieuwkoopse Plassen & De Haeck 101
105 Zouweboezem 1
112 Biesbosch 10
113 Voordelta 6
114 Krammer-Volkerak 30
115 Grevelingen 135
116 Kop van Schouwen 144
117 Manteling van Walcheren 124
118 Oosterschelde 5
121 Yerseke en Kapelse Moer 1
122 Westerschelde & Saeftinghe 3
123 Zwin & Kievittepolder 1
124 Groote Gat 1
125 Canisvliet 1
128 Brabantse Wal 1167
129 Ulvenhoutse Bos 30
130 Langstraat 11
131 Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen 189
132 Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek 13
133 Kampina & Oisterwijkse Vennen 214
134 Regte Heide & Riels Laag 49
135 Kempenland-West 248
136 Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux 217
137 Strabrechtse Heide & Beuven 171
138 Weerter- en Budelerbergen & Ringselven 621
139 Deurnsche Peel & Mariapeel 801
140 Groote Peel 470
141 Oeffelter Meent 3
142 Sint Jansberg 72
143 Zeldersche Driessen 8
144 Boschhuizerbergen 41
145 Maasduinen 1432
146 Sarsven en De Banen 29
147 Leudal 45
148 Swalmdal 10
149 Meinweg 353
150 Roerdal 25
153 Bunder- en Elslooërbos 40
154 Geleenbeekdal 65
155 Brunssummerheide 46
156 Bemelerberg & Schiepersberg 22
157 Geuldal 1373
158 Kunderberg 9
159 Sint Pietersberg & Jekerdal 10
160 Savelsbos 127
161 Noorbeemden & Hoogbos 3

Bijlage 2. behorende bij artikel 5, eerste lid, onderdeel h, van de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties voor stikstofreductie

Modelovereenkomst

... (naam), in zijn/haar hoedanigheid van privé persoon en als natuurlijke persoon of rechtspersoon die of samenwerkingsverband van natuurlijke personen of rechtspersonen dat een veehouderij drijft, verder te noemen: de veehouder en

de Staat, vertegenwoordigd door de Minister voor Natuur en Stikstof, namens deze, ....... van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland.

overwegende:

dat de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties voor stikstofreductie (verder: de regeling), artikel 5, eerste lid, onderdeel h, als voorwaarde bevat voor subsidieverstrekking dat de subsidie ontvangende veehouder zich bij overeenkomst moet hebben verbonden om:

dat de aanvraag van de veehouder om subsidie op grond van de regeling te ontvangen voor het beëindigen van de veehouderijlocatie met adres ... (verder te noemen: de locatie), is toegewezen;

komen het volgende overeen:

Bijlage 3. behorende bij artikel 9, tweede lid, van de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties voor stikstofreductie: gecorrigeerde vervangingswaarde per m2 van dierenverblijven1In verband met het vereiste van artikel 6, eerste lid, over voorafgaand gebruik gedurende vijf jaar, wordt geen subsidie verstrekt voor een dierenverblijf dat minder dan vijf jaar tevoren in gebruik is genomen. Daarom is toepassing van de gecorrigeerde vervangingswaarden van een dierenverblijf tot vijf jaar oud niet aan de orde en om die reden zijn deze waarden in de tabel grijs gemarkeerd.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)