Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 13 juni 2023, kenmerk 3608755-1047372-PDCV, houdende het verstrekken van een specifieke uitkering aan GGD’en voor het in stand houden van een infrastructuur ten behoeve van de basiscapaciteit COVID-19-vaccinatie en het toedienen van COVID-19-vaccinaties

Type Ministeriële regeling
Publication 2026-07-08
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op artikel 3 van de Kaderwet VWS-subsidies;

Besluit:

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

Artikel 2. Toepasselijkheid Awb en Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS
1.

Op deze regeling zijn de artikelen 4:35, 4:37 tot en met 4:39, 4:46, 4:48 tot en met 4:50, 4:56 en 4:57 van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing.

2.

Op deze regeling is de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS niet van toepassing met uitzondering van de artikelen 5.1, 5.2, 5.4 en 5.7.

Artikel 3. Uitkering COVID-19-vaccinatie
1.

De minister verstrekt per GGD een uitkering voor de periode van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2026 voor het toedienen van COVID-19-vaccinaties in het kader van het COVID-19-vaccinatieprogramma.

2.

De GGD kan de infrastructuur die specifiek voor COVID-19-vaccinaties is opgebouwd, in de periode van 1 september 2026 tot en met 31 december 2026 inzetten voor andere activiteiten, voor zover het activiteiten zijn die vallen onder de algemene infectieziektebestrijding op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet publieke gezondheid.

3.

De hoogte van de uitkering wordt bepaald op basis van een vast bedrag per toegediende vaccinatie ter hoogte van € 25,62.

4.

De uitkering per GGD voor het toedienen van COVID-19-vaccinaties bedraagt ten hoogste het bedrag zoals genoemd in de vijfde kolom van de tabel in de bijlage bij deze regeling.

Artikel 4. Aanvullende uitkering
1.

In het bedrag per toegediende vaccinatie, genoemd in artikel 3, derde lid, wordt het aandeel dat bestemd is voor indirecte personele kosten vastgesteld op 26,3%.

2.

De minister kan aan een GGD een aanvullende uitkering verstrekken van ten hoogste het verschil tussen:

3.

Een aanvullende uitkering per GGD als bedoeld in het tweede lid, bedraagt ten hoogste het bedrag zoals genoemd in de vierde kolom van de bijlage bij deze regeling.

Artikel 5. Dienst van algemeen economisch belang

De GGD wordt voor het uitvoeren van de activiteiten, bedoeld in artikel 3, eerste lid, belast met een dienst van algemeen economisch belang.

Artikel 6. Dubbelfinanciering

Er wordt geen uitkering verstrekt aan een GGD voor activiteiten waarvoor hij al een vergoeding van overheidswege ontvangt.

Artikel 7. Aanvraag, verlening en bevoorschotting
1.

De aanvraag tot verlening van een specifieke uitkering als bedoeld in artikel 3, eerste lid, wordt uiterlijk op 31 augustus 2026 ontvangen.

2.

Voor de aanvraag tot verlening wordt een door de minister vastgesteld formulier gebruikt.

3.

De minister beslist binnen 13 weken na sluiting van de aanvraagtermijn, genoemd in het eerste lid, op een aanvraag tot verlening van een specifieke uitkering.

4.

Het besluit tot verlening vermeldt in elk geval voor welke activiteiten de uitkering wordt verleend, het bedrag van de uitkering, de periode waarvoor de uitkering wordt verleend en de wijze waarop de verantwoording plaatsvindt.

5.

De Minister verleent bij het besluit tot verlening van de uitkering een voorschot van 100% dat in één keer wordt betaald.

Artikel 8. Verplichtingen verbonden aan de uitkering
1.

De GGD doet de Minister uiterlijk 4 weken na afloop van elk kwartaal na ontvangst van een uitkering verslag over het toegediende aantal vaccinaties.

2.

Onverminderd het eerste lid informeert de GGD de Minister op verzoek over de voortgang van de activiteiten en de daaraan verbonden aantallen en kosten waarvoor een uitkering is verleend.

3.

Indien de GGD de infrastructuur die specifiek voor COVID-19-vaccinaties is opgebouwd, inzet voor activiteiten als bedoeld in artikel 3, tweede lid, doet de GGD hiervan onverwijld schriftelijk mededeling aan de Minister.

4.

De GGD draagt er zorg voor:

Artikel 9. Verantwoording
1.

De GGD legt verantwoording af over de besteding van de uitkering op de wijze als bepaald in artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet.

2.

Indien de GGD de infrastructuur die specifiek voor COVID-19-vaccinaties is opgebouwd, inzet voor activiteiten als bedoeld in artikel 3, tweede lid, rekent de GGD de aan de infrastructuur verbonden kosten naar verhouding toe aan deze andere inzet.

Artikel 10. Vaststelling en terugvordering
1.

De Minister besluit uiterlijk 37 weken na ontvangst van de informatie ten behoeve van de verantwoording, bedoeld in artikel 9, eerste lid, over de vaststelling van de uitkering.

2.

De uitkering wordt vastgesteld op ten hoogste het aantal daadwerkelijk toegediende vaccinaties vermenigvuldigd met het in artikel 3, derde lid, genoemde bedrag.

3.

Indien de gerealiseerde kosten de uitkering, bedoeld in het eerste lid, overstijgen wordt de aanvullende uitkering, bedoeld in artikel 4, vastgesteld op het verschil tussen de gerealiseerde kosten en de uitkering, bedoeld in het eerste lid, tot ten hoogste het bij de verlening van de aanvullende uitkering genoemde bedrag.

4.

Indien het aantal vaccinaties in 2026 85% of lager bedraagt dan het aantal ingeschatte vaccinaties, zoals genoemd in de tweede kolom van de tabel in de bijlage bij deze regeling, wordt de uitkering aan een GGD vastgesteld op 85% van het in de verleningsbeschikking genoemde bedrag.

5.

Indien de informatie ten behoeve van de verantwoording te laat, niet of niet volledig wordt verstrekt, kan de Minister de uitkering op een lager bedrag vaststellen, aan de hand van de gegevens die tot het besluit tot vaststelling beschikbaar zijn gesteld.

Artikel 11. Hardheidsclausule

De Minister kan een of meer bepalingen van deze regeling buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing gelet op het belang dat de desbetreffende bepaling beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Artikel 12. Inwerkingtreding en vervaldatum
1.

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juli 2023. Indien de Staatscourant waarin deze regeling wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 30 juni 2023, treedt zij in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst, en werkt zij terug tot en met 1 juli 2023.

2.

Deze regeling vervalt met ingang van 1 januari 2029 met dien verstande dat de regeling van toepassing blijft op uitkeringen die op grond van de regeling zijn verleend.

Artikel 13. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling specifieke uitkering COVID-19-vaccinatie.

Bijlage. Tabel met het maximale uitkeringsbedrag per GGD voor de periode van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2026 (bijlage als bedoeld in artikel 3, vierde lid, en artikel 4, derde lid)

Onderstaand is een lijst opgenomen waarin de GGD’en staan en het maximale uitkeringsbedrag dat zij kunnen ontvangen op grond van artikel 3, vijfde lid, voor de periode 1 januari 2026 tot en met 31 december 2026.

De bedragen zijn per GGD gebaseerd op het door het RIVM geprognotiseerde aantal vaccinaties per GGD en de vergoeding per vaccinatie (artikel 3, derde lid). De vastgestelde aantallen bestaan uit:

Prognose aantal vaccinaties uitkering prijs per prik maximaal aanvullende uitkering Totaal uitkering
GGD Amsterdam 73.804 € 1.890.858 € 177.575 € 2.068.433
GGD Brabant-Zuidoost 91.747 € 2.350.558 € 176.962 € 2.527.520
GGD Drenthe 60.459 € 1.548.960 € 139.599 € 1.688.559
GGD Flevoland 30.640 € 784.997 € 81.369 € 866.366
GGD Fryslân 62.567 € 1.602.967 € 117.552 € 1.720.519
GGD Gelderland-Midden 86.144 € 2.207.009 € 181.389 € 2.388.398
GGD Gelderland-Zuid 62.526 € 1.601.916 € 133.461 € 1.735.377
GGD Gooi en Vechtstreek 29.839 € 764.475 € 68.661 € 833.136
GGD Groningen 62.105 € 1.591.130 € 109.803 € 1.700.934
GGD Haaglanden 97.759 € 2.504.586 € 287.486 € 2.792.072
GGD Hart voor Brabant 119.279 € 3.055.928 € 240.657 € 3.296.585
GGD Hollands Midden 75.869 € 1.943.764 € 179.360 € 2.123.124
GGD Hollands Noorden 74.040 € 1.896.905 € 149.080 € 2.045.984
GGD IJsselland 54.555 € 1.397.699 € 113.604 € 1.511.303
GGD Kennemerland 65.808 € 1.686.001 € 117.963 € 1.803.964
GGD Limburg-Noord 57.846 € 1.482.015 € 107.883 € 1.589.898
GGD Noord- en Oost-Gelderland 96.604 € 2.474.994 € 203.793 € 2.678.787
GGD Regio Utrecht 138.912 € 3.558.925 € 297.937 € 3.856.862
GGD Rotterdam-Rijnmond 110.865 € 2.840.361 € 165.264 € 3.005.626
GGD Twente 60.312 € 1.545.193 € 123.441 € 1.668.635
GGD West-Brabant 79.447 € 2.035.432 € 164.146 € 2.199.578
GGD Zaanstreek-Waterland 32.406 € 830.242 € 83.121 € 913.362
GGD Zeeland 48.742 € 1.248.770 € 115.470 € 1.364.240
GGD Zuid-Holland Zuid 51.262 € 1.313.332 € 100.370 € 1.413.703
GGD Zuid-Limburg 63.983 € 1.639.244 € 138.487 € 1.777.732
Totaal 1.787.520 € 45.796.262 € 3.774.432 € 49.570.695

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.