Regeling van de Minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen van 19 juni 2023, 2022-0000127186, ter uitwerking van bepalingen uit het Vrijstellings- en boetebesluit Wet Bpf 2000 (Regeling vrijstellingen Wet Bpf2000)

Type Ministeriële regeling
Publication 2026-04-10
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op de artikelen 5, vierde lid, 7, negende lid, en 7b, vijfde lid, van het Vrijstellings- en boetebesluit Wet Bpf 2000;

Besluit:

Artikel 1. Performancetoets
1.

Ten behoeve van de performancetoets, uit te voeren op de wijze beschreven in de bijlage bij deze regeling, stelt het bedrijfstakpensioenfonds jaarlijks het beleggingsbeleid voor het daarop volgende kalenderjaar vast waarbij een adequate verdeling van de beleggingen is gemaakt in vastrentende en zakelijke waarden. Van een adequate verdeling tussen vastrentende en zakelijke waarden is sprake indien aannemelijk gemaakt kan worden dat die verdeling:

2.

Als benchmark als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van het Vrijstellings- en boetebesluit Wet Bpf 2000 stelt het bedrijfstakpensioenfonds een normportefeuille vast. De normportefeuille wordt jaarlijks voor het daarop volgende kalenderjaar vastgesteld en is gebaseerd op de in het eerste lid bedoelde verdeling van beleggingen in vastrentende waarden en zakelijke waarden, waarbij deze verdeling verder onderverdeeld wordt naar beleggingscategorieën en landen of sectoren waarin belegd wordt en waarbij deze onderverdeling voorzien wordt van herbeleggingsindices voor het daarop volgende jaar die breed samengesteld, belegbaar en objectief meetbaar zijn. Indien geen representatieve openbare herbeleggingsindex bestaat of van toepassing is, kan een representatieve lokale rentemarktindex vermeerderd met 1 procentpunt of een representatieve niet-openbare herbeleggingsindex worden gebruikt. Bij de vaststelling van de normportefeuille geeft het bestuur van het bedrijfstakpensioenfonds aan welk beleid wordt gehanteerd voor de periodieke herschikking van de in de normportefeuille vastgelegde verdeling in vastrentende en zakelijke waarden.

3.

In afwijking van het eerste en tweede lid kan het bedrijfstakpensioenfonds een eenmaal vastgesteld beleggingsbeleid respectievelijk vastgestelde normportefeuille in de loop van een jaar voor het op dat moment nog resterende deel van dat jaar maximaal twee maal opnieuw vaststellen indien door een onvoorziene substantiële wijziging in de verplichtingenstructuur of door een substantiële wijziging in de waarde van de beleggingen niet langer sprake is van een adequate verdeling tussen vastrentende en zakelijke waarden als bedoeld in het eerste en tweede lid. Aan het besluit tot hernieuwde vaststelling ligt een risico-analyse ten grondslag waarbij ook de verplichtingen van het bedrijfstakpensioenfonds zijn betrokken.

4.

Het bedrijfstakpensioenfonds:

Artikel 2. Performancetoets na fusie

Indien de fusie van twee of meer bedrijfstakpensioenfondsen tot een nieuw bedrijfstakpensioenfonds heeft plaatsgevonden in de loop van een kalenderjaar wordt de performancetoets van het nieuwe bedrijfstakpensioenfonds over het kalenderjaar van de fusie als volgt berekend:

Artikel 3. Verzekeringstechnisch nadeel
1.

Het verzekeringstechnisch nadeel, bedoeld in de artikelen 7, vierde lid, en 7b, derde lid, van het Vrijstellings- en boetebesluit Wet Bpf 2000, vanuit de risicopremie en de premie voor nabestaanden- en arbeidsongeschiktheidspensioen is gezamenlijk het verzekeringstechnisch nadeel.

2.

Het verzekeringstechnisch nadeel is niet negatief en een uitkomst kleiner dan nul wordt op nul gesteld.

3.

De compensatie ter vergoeding van het verzekeringstechnisch nadeel heeft mede betrekking op de kosten die redelijkerwijs verbonden zijn aan de behandeling van het vrijstellingsverzoek.

4.

Indien er op de dag van uittreding sprake is van een financieringsachterstand dan wel onderdekking, mag dit er niet toe leiden dat de financieringsachterstand wordt verhaald op de bij het bedrijfstakpensioenfonds achterblijvende werkgevers. De werkgever aan wie de vrijstelling is verleend dient dan op dezelfde wijze als de achterblijvende werkgevers bij te dragen in de financiering van de achterstand. Partijen kunnen overeen komen dat dit in een keer wordt afgerekend

Artikel 4. Rekenregels verzekeringstechnisch nadeel
1.

De hoogte van de compensatie ter vergoeding van het verzekeringstechnisch nadeel bij vrijstelling wordt berekend met inachtneming van dit artikel.

2.

De solidariteitsbijdrage als gevolg van het uittreden uit het bedrijfstakpensioenfonds voor de risicopremie wordt berekend vanuit het renterisico, het arbeidsongeschiktheidsrisico en het micro- en macro-langlevenrisico met de volgende berekeningen:

3.

De solidariteitsbijdragen als gevolg van het uittreden uit het bedrijfstakpensioenfonds voor de premie voor nabestaandenpensioen en arbeidsongeschiktheidspensioen wordt berekend als volgt:

Artikel 5. Actuariële gelijkwaardigheid
1.

Ten minste eens in de vijf jaar wordt door het bedrijfstakpensioenfonds getoetst of de regeling van de werkgever aan wie vrijstelling is verleend actuarieel gelijkwaardig is als bedoeld inartikel 7, vijfde lid, van het Vrijstellings- en boetebesluit Wet Bpf 2000. Indien in de tussenliggende periode sprake is van een wijziging in de regeling van het bedrijfstakpensioenfonds dan wel in de regeling van de werkgever aan wie vrijstelling is verleend die zo ingrijpend is dat mag worden aangenomen dat daarvan een reële invloed op de onderstaande berekening zal uitgaan, kan het bedrijfstakpensioenfonds beslissen dat de toets frequenter wordt uitgevoerd. De werkgever aan wie vrijstelling is verleend, zendt van iedere wijziging in de pensioenregeling een afschrift aan het bedrijfstakpensioenfonds.

2.

De werkgever die een vrijstelling heeft of aanvraagt bij een bedrijfstakpensioenfonds toont kwantitatief de actuariële gelijkwaardigheid aan. De actuariële gelijkwaardigheid kan in afwijking van de vorige zin kwalitatief worden aangetoond, indien zowel de werkgever die een vrijstelling heeft of aanvraagt bij een bedrijfstakpensioenfonds als dat bedrijfstakpensioenfonds hiermee instemt.

3.

Bij de toetsing van de kwantitatieve actuariële gelijkwaardigheid wordt de volgende procedure in acht genomen:

4.

De pensioenregeling van de werkgever en de regeling van het bedrijfstakpensioenfonds worden met elkaar vergeleken op basis van een berekening van de contante waarde van de uitkeringsstromen over een toekomstige periode van 100 jaar waarbij ontslag van een individuele deelnemer leidt tot uitkering van de wettelijke overdrachtswaarde. De geschatte pensioenverplichtingen over 100 jaar worden in de uitkeringsstroom over de periode van 100 jaar opgenomen. Deze berekening vindt plaats met het actieve deelnemersbestand van de werkgever en met het op dat moment actuele modelbestand van het bedrijfstakpensioenfonds.

5.

Indien de contante waarde van de toekomstige uitkeringsstromen volgens de pensioenregeling van de werkgever ten minste gelijk is aan 95% van de contante waarde van de uitkeringsstromen van de regeling van het bedrijfstakpensioenfonds, wordt kwantitatieve gelijkwaardigheid geacht aanwezig te zijn, waarbij deze kwantitatieve gelijkwaardigheid wordt aangetoond door middel van een deterministische analyse op basis van het actieve deelnemersbestand van de werkgever of van het modelbestand van het bedrijfstakpensioenfonds. Indien zowel de werkgever die een vrijstelling heeft of aanvraagt bij een bedrijfstakpensioenfonds als het bedrijfstakpensioenfonds hiermee instemt, kan de kwantitatieve gelijkwaardigheid in afwijking van de vorige zin ook worden aangetoond door middel van een stochastische analyse.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.