Staffelbesluit pensioenen
De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.
Dit besluit is een actualisering van het Staffelbesluit pensioenen van 20 december 2019, nr. 2019-21333 in verband met de inwerkingtreding van de Wet toekomst pensioenen per 1 juli 2023. Tevens zijn de berekeningsgrondslagen geactualiseerd.
1. Inleiding
De inwerkingtreding van de Pensioenwet per 1 januari 2007 heeft in de praktijk geleid tot de ontwikkeling van zowel individuele als collectieve premieovereenkomsten en kapitaalovereenkomsten. Na inwerkingtreding van de Wet toekomst pensioenen per 1 juli 2023 zijn deze overeenkomsten niet meer toegestaan. Echter, met toepassing van artikel 220i van de Pensioenwet, dan wel artikel 214g van de Wet verplichte beroepspensioenregeling en artikel 38q van de Wet op de loonbelasting 1964 kunnen bestaande overeenkomsten ook na 30 juni 2023 tijdelijk worden voortgezet. Gebleken is dat de fiscale kwalificaties van de individuele en collectieve premieovereenkomsten en kapitaalovereenkomsten niet duidelijk waren. Daarom verduidelijkt dit besluit, evenals de voorgaande besluiten de fiscale regels voor pensioenregelingen die de Pensioenwet tot 1 juli 2023 aanduidde als een premie- of kapitaalovereenkomst. Ook wijst het besluit sommige soorten premie- en kapitaalovereenkomsten aan als fiscale pensioenregelingen. Net als de voorgenoemde besluiten bevat dit besluit ‘nettostaffels’. Deze staffels bevatten geen opslag voor kosten en ook geen opslag voor premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid. Het gebruik van de staffels kan bijdragen aan betere transparantie van kosten in pensioenregelingen. De aanwijzingen als pensioenregeling in dit besluit berusten op artikel 19d, onderdeel a, juncto artikel 38q van de Wet op de loonbelasting 1964 en vinden plaats met instemming van de Minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen.
1.1. Wijzigingen
Dit besluit is een actualisering van het Staffelbesluit pensioenen van 20 december 2019, nr. 2019-21333, in verband met de inwerkingtreding van de Wet toekomst pensioenen per 1 juli 2023. Tevens zijn de berekeningsgrondslagen geactualiseerd.
Afgezien van enkele redactionele verbeteringen, zijn de volgende wijzigingen aangebracht:
1.2. Indeling
Dit besluit is aanvullend gewijzigd bij besluit van 12 juni 2024, nr. 2024-10674, (Stcrt. 2024-xxxx). De wijzigingen betreffen de aanpassing van onderdeel 9.2. Daarnaast zijn de staffels in bijlage I, IV en VII uitgebreid. Ook zijn enkele redactionele wijzigingen aangebracht. In onderdeel 9. worden onder bepaalde voorwaarden regelingen met een premieovereenkomst waarin voor werknemers van 18 jaar of 19 jaar wordt uitgegaan van het premiepercentage voor de leeftijdsklasse van 20 jaar tot en met 24 jaar, aangewezen als pensioenregeling. Onderdeel 9.2. bevat deze voorwaarden. Twee voorwaarden (voorwaarden a en c) zijn aangepast. De premiestaffels in bijlage I, IV en VII zijn uitgebreid voor werknemers die doorwerken nadat ze de leeftijd van 68 jaar hebben bereikt tot ten hoogste het moment waarop de leeftijd wordt bereikt van vijf jaar na de AOW-leeftijd.
1.2. Indeling
1.3. Gebruikte begrippen en afkortingen
In artikel 10 PW is bepaald dat een pensioenovereenkomst kan inhouden:
In artikel 10 PW is bepaald dat een pensioenovereenkomst kan inhouden:
In artikel 10 PW is bepaald dat een pensioenovereenkomst kan inhouden:
Blijkens de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2005/06, 30 413, nr. 3, blz. 32–33) maken partijen bij een premieovereenkomst primair een afspraak over de hoogte van de periodiek ten behoeve van pensioen beschikbaar te stellen premie.
3. De zuivere premieovereenkomst en de premieovereenkomst waarbij de premie onmiddellijk wordt omgezet in een aanspraak op kapitaal
3. De zuivere premieovereenkomst en de premieovereenkomst waarbij de premie onmiddellijk wordt omgezet in een aanspraak op kapitaal
De in onderdeel 2., onder a, genoemde zuivere premieovereenkomst is fiscaal altijd een beschikbare-premieregeling. Deze pensioenregeling moet voldoen aan de fiscale kaders die zijn beschreven in artikel 18a, derde lid, Wet LB. Ook de in onderdeel 2., onder b, genoemde premieovereenkomst waarbij de premie onmiddellijk wordt omgezet in een aanspraak op kapitaal moet fiscaal voldoen aan de fiscale kaders die zijn beschreven in artikel 18a, derde lid, Wet LB. Een dergelijke premieovereenkomst vertoont na de omzetting van de premie in een aanspraak op kapitaal grote overeenkomsten met een kapitaalovereenkomst in de zin van artikel 10 PW. Een groot verschil tussen beide is echter dat bij de premieovereenkomst waarbij de premie onmiddellijk wordt omgezet in een aanspraak op kapitaal de overeengekomen premie is toegezegd en deze premie daarom niet kan worden verlaagd. Deze mogelijkheid moet wel aanwezig zijn bij de zuivere kapitaalovereenkomst. Zie bijlage II, voorwaarde b, onder 4. De beschikbare premie moet daarom bij de premieovereenkomst waarbij de premie onmiddellijk wordt omgezet in een aanspraak op kapitaal voldoen aan de uitgangspunten van artikel 18a, derde lid, Wet LB.
De in onderdeel 2., onder a, genoemde zuivere premieovereenkomst is fiscaal altijd een beschikbare-premieregeling. Deze pensioenregeling moet voldoen aan de fiscale kaders die zijn beschreven in artikel 18a, derde lid, Wet LB. Ook de in onderdeel 2., onder b, genoemde premieovereenkomst waarbij de premie onmiddellijk wordt omgezet in een aanspraak op kapitaal moet fiscaal voldoen aan de fiscale kaders die zijn beschreven in artikel 18a, derde lid, Wet LB. Een dergelijke premieovereenkomst vertoont na de omzetting van de premie in een aanspraak op kapitaal grote overeenkomsten met een kapitaalovereenkomst in de zin van artikel 10 PW. Een groot verschil tussen beide is echter dat bij de premieovereenkomst waarbij de premie onmiddellijk wordt omgezet in een aanspraak op kapitaal de overeengekomen premie is toegezegd en deze premie daarom niet kan worden verlaagd. Deze mogelijkheid moet wel aanwezig zijn bij de zuivere kapitaalovereenkomst. Zie bijlage II, voorwaarde b, onder 4. De beschikbare premie moet daarom bij de premieovereenkomst waarbij de premie onmiddellijk wordt omgezet in een aanspraak op kapitaal voldoen aan de uitgangspunten van artikel 18a, derde lid, Wet LB.
3.2. Grondslagen en uitgangspunten
Onderdeel 3.2. geeft de grondslagen voor de vaststelling van de nettostaffels. Onderdeel 3.3. bevat de aanwijzing van regelingen die de staffels hanteren. In bijlage I zijn de staffels zelf opgenomen tezamen met de voorwaarden en aandachtspunten die bij de toepassing ervan van belang zijn.
Artikel 18a, derde lid, Wet LB bepaalt dat een op een beschikbare-premiestelsel gebaseerd OP tijdsevenredig moet worden opgebouwd. Het stelsel moet zijn gericht op een pensioen dat na 40 jaren opbouw niet meer bedraagt dan 75 percent van het gemiddelde pensioengevend loon tot dat tijdstip. Het artikel bevat verder voorschriften voor de vaststelling van de premie (vaststelling per leeftijdsklasse, de in beginsel te veronderstellen loopbaanontwikkeling en de te hanteren rekenrente en inflatie). Voor het PP op basis van een beschikbare-premiestelsel bepaalt artikel 18b, derde lid, Wet LB dat de uitgangspunten van artikel 18a, derde lid, Wet LB van overeenkomstige toepassing zijn.
Artikel 18a, derde lid, Wet LB bepaalt dat een op een beschikbare-premiestelsel gebaseerd OP tijdsevenredig moet worden opgebouwd. Het stelsel moet zijn gericht op een pensioen dat na 40 jaren opbouw niet meer bedraagt dan 75 percent van het gemiddelde pensioengevend loon tot dat tijdstip. Het artikel bevat verder voorschriften voor de vaststelling van de premie (vaststelling per leeftijdsklasse, de in beginsel te veronderstellen loopbaanontwikkeling en de te hanteren rekenrente en inflatie). Voor het PP op basis van een beschikbare-premiestelsel bepaalt artikel 18b, derde lid, Wet LB dat de uitgangspunten van artikel 18a, derde lid, Wet LB van overeenkomstige toepassing zijn.
3.3. Aanwijzing
In bijlage I van dit besluit geef ik een beperkt aantal algemeen toepasbare nettostaffels. Deze staffels zijn gericht op een opbouw volgens het middelloonstelsel. Ze bevatten geen opslag voor kosten en ook geen opslag voor premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid. De variatie in opbouw als gevolg van de AOW-franchise wordt in de staffels voorkomen door uit te gaan van een percentage van de pensioengrondslag in plaats van een percentage van het pensioengevend loon.
3.3. Aanwijzing
4. De kapitaalovereenkomst
Dit onderdeel betreft de fiscale behandeling van de pensioenovereenkomsten die artikel 10 PW aanduidt als kapitaalovereenkomsten. Onderdeel 4.3. bevat de aanwijzing van deze kapitaalovereenkomsten als pensioenregeling. In bijlage II volgen de voorwaarden voor aanwijzing.
4.1. Inleiding
Dit onderdeel betreft de fiscale behandeling van de pensioenovereenkomsten die artikel 10 PW aanduidt als kapitaalovereenkomsten. Onderdeel 4.3. bevat de aanwijzing van deze kapitaalovereenkomsten als pensioenregeling. In bijlage II volgen de voorwaarden voor aanwijzing.
4.2. Indeling kapitaalovereenkomsten
In de praktijk kan onduidelijkheid bestaan over de fiscale behandeling van kapitaalovereenkomsten. Hoofdstuk IIB Wet LB (tekst vanaf 1 juli 2023) in combinatie met artikel 38q Wet LB (tekst vanaf 1 juli 2023) kent geen pensioenregelingen met kapitaalovereenkomsten, maar alleen uitkeringsovereenkomsten zoals eindloonregelingen en middelloonregelingen enerzijds en beschikbare-premieregelingen anderzijds. Kapitaalovereenkomsten hebben met beschikbare-premieregelingen gemeen dat de te verkrijgen pensioenuitkeringen niet van tevoren vaststaan. Regelingen met kapitaalovereenkomsten voldoen evenwel niet aan de in artikel 18a, derde lid, Wet LB genoemde voorwaarden voor beschikbare-premieregelingen. Daarom bestaat er aanleiding deze regelingen aan te wijzen als pensioenregeling.
4.3. Aanwijzing
Ik wijs regelingen met een kapitaalovereenkomst aan als pensioenregeling. Het moet gaan om pensioenregelingen die in overeenstemming zijn met de in bijlage II opgenomen voorwaarden en bijzonderheden. De regelingen moeten overigens verder ook voldoen aan de voorwaarden van hoofdstuk IIB Wet LB (tekst vanaf 1 juli 2023) in combinatie met artikel 38q Wet LB (tekst vanaf 1 juli 2023).
5. De premieovereenkomst waarbij de premie direct verplicht wordt omgezet in een aanspraak op een uitkering
Een regeling met een premieovereenkomst waarbij de pensioenovereenkomst bepaalt dat de premie direct verplicht wordt omgezet in een aanspraak op een uitkering moet primair worden getoetst aan de fiscale kaders voor beschikbare-premieregelingen van artikel 18a, derde lid, Wet LB, dan wel bijlage I. Na de omzetting van de premie in een recht op uitkering ontstaat evenwel een regeling die vergelijkbaar is met een middelloonregeling. Hoewel dergelijke regelingen voor de toepassing van de PW zijn te duiden als een premieovereenkomst, zijn deze regelingen fiscaal veelal aan te merken als een middelloonregeling. De aan te kopen middelloonaanspraken, inclusief een eventueel recht op indexatie, moeten binnen de kaders van hoofdstuk IIB Wet LB (tekst vanaf 1 juli 2023) in combinatie met artikel 38q Wet LB (tekst vanaf 1 juli 2023) blijven. Premieovereenkomsten waarbij de premie direct wordt omgezet in een aanspraak op een uitkering, maken gebruik van elementen van zowel het middelloon- als het beschikbare-premiestelsel. Dit in tegenstelling tot echte uitkeringsovereenkomsten, zoals eindloon- en middelloonregelingen, die direct kunnen worden getoetst aan de kaders van hoofdstuk IIB Wet LB (tekst vanaf 1 juli 2023) in combinatie met artikel 38q Wet LB (tekst vanaf 1 juli 2023). Om de fiscale aanvaardbaarheid buiten twijfel te stellen, wijs ik deze regelingen voor zover dat nodig is hierna aan als pensioenregeling.
5.1. Aanwijzing
Ik wijs, voor zover nodig, regelingen met een premieovereenkomst waarbij de premie direct wordt omgezet in een aanspraak op een uitkering aan als pensioenregeling. Hierbij gelden de voorwaarden en bijzonderheden van bijlage III bij dit besluit. De regelingen moeten overigens verder ook voldoen aan de voorwaarden van hoofdstuk IIB Wet LB (tekst vanaf 1 juli 2023) in combinatie met artikel 38q Wet LB (tekst vanaf 1 juli 2023).
In de praktijk hanteren verzekeraars van zowel individuele als collectieve pensioenproducten premieovereenkomsten die niet binnen de huidige kaders van artikel 18a, derde lid, Wet LB blijven. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan premieovereenkomsten waarbij de beschikbare premie in afwijking van de grondslagen, genoemd in artikel 18a, derde lid, Wet LB, wordt berekend tegen een rekenrente van 3%. Met deze premies in combinatie met de resultaten uit de beleggingen streeft men naar de opbouw van een pensioen binnen de maximale fiscale grenzen van een middelloonpensioen.
In de praktijk hanteren verzekeraars van zowel individuele als collectieve pensioenproducten premieovereenkomsten die niet binnen de huidige kaders van artikel 18a, derde lid, Wet LB blijven. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan premieovereenkomsten waarbij de beschikbare premie in afwijking van de grondslagen, genoemd in artikel 18a, derde lid, Wet LB, wordt berekend tegen een rekenrente van 3%. Met deze premies in combinatie met de resultaten uit de beleggingen streeft men naar de opbouw van een pensioen binnen de maximale fiscale grenzen van een middelloonpensioen.
6.1. Aanwijzing van regelingen met een premieovereenkomst gericht op een fiscaal aanvaardbaar maximaal middelloonpensioen
In beide gevallen is het streven om een pensioen op te bouwen dat vergelijkbaar is met een fiscaal maximaal middelloonpensioen. Dit gegeven vormt voor mij aanleiding om de twee beschreven varianten van de afwijkende premieovereenkomst hierna aan te wijzen als pensioenregeling.
6.1. Aanwijzing van regelingen met een premieovereenkomst gericht op een fiscaal aanvaardbaar maximaal middelloonpensioen
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.