Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 25 juni 2023, Min-BuZa.2023.15455-30, tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Subsidieprogramma Versnelling Weerbaarheid Voedselsystemen Afrika)

Type Ministeriële regeling
Publication 2023-07-11
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op de artikelen 6 en 7 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken;

Gelet op artikelen 5.1 en 10.2 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006;

Besluit:

Artikel 1

Voor subsidieverlening op grond van de artikelen 5.1 en 10.2 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 met het oog op de financiering van activiteiten die gericht zijn op het verbeteren van lokale voedselsystemen, gelden voor de periode vanaf inwerkingtreding van dit besluit tot en met 31 december 2026 de als bijlage bij dit besluit gevoegde beleidsregels.

Artikel 2
1.

Aanvragen voor subsidie in het kader van het Subsidieprogramma Versnelling Weerbaarheid Voedselsystemen Afrika worden ingediend van 2 oktober 2023, 9:00 uur tot en met 18 december 2023, 15:00 uur Nederlandse tijd.

2.

Aanvragen voor subsidie in het kader van het Subsidieprogramma Versnelling Weerbaarheid Voedselsystemen Afrika worden ingediend aan de hand van een door de Minister beschikbaar gesteld formulier en voorzien van de op het aanvraagformulier gevraagde bescheiden.1https://english.rvo.nl/accelerating-resilient-food-systems-africa-arfsa

Artikel 3

Voor subsidieverlening in het kader van het Subsidieprogramma Versnelling Weerbaarheid Voedselsystemen Afrika geldt voor aanvragen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, een subsidieplafond van € 12 miljoen.

Artikel 4
1.

De verdeling van het subsidieplafond bedoeld in artikel 3, vindt plaats op grond van een beoordeling overeenkomstig de maatstaven die in de bijlage bij dit besluit zijn neergelegd, met dien verstande dat uit alle aanvragen die voldoen aan de maatstaven, de aanvragen die het beste voldoen aan die maatstaven het eerst voor subsidieverlening in aanmerking komen.

2.

Uit oogpunt van doelmatigheid zullen per doelland, genoemd in annex 1 van de bijlage bij dit besluit, niet meer dan twee subsidieaanvragen in aanmerking kunnen komen voor subsidieverlening. Indien twee of meer van de aanvragen die betrekking hebben op hetzelfde doelland in gelijke mate voldoen aan de maatstaven, wordt de rangschikking van de gelijk scorende aanvragen bepaald door loting.

Artikel 5

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en vervalt met ingang van 1 januari 2027, met dien verstande dat het besluit van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend.

Bijlage

1. Achtergrond

Al sinds 2015 neemt de voedselonzekerheid wereldwijd weer toe. Grote grensoverschrijdende uitdagingen van de 21e eeuw, zoals klimaatverandering, pandemieën, conflicten en persistente armoede liggen hieraan ten grondslag. Met name in Afrika blijft de mate van zelfvoorziening en regionale handel in de landbouw, landbouwproducten en landbouw-gerelateerde inputketens nog sterk achter. Dit creëert afhankelijkheden van internationale handel die kwetsbaar blijken. De oorlog in Oekraïne maakt dat eens te meer pijnlijk duidelijk, zowel voor landbouwproducten als voor landbouw-inputs zoals kunstmest of alternatieven daarvoor. De huidige mondiale voedselcrisis wordt dus niet alleen aangejaagd door klimaatverandering en lokale conflicten, maar zeker ook door de oorlog in Oekraïne. Daarnaast wordt ook de landbouwproductie voor de komende seizoenen bedreigd door een gebrek aan inputs of de hoge prijzen daarvan, die ze de facto ontoegankelijk maken voor kwetsbare boerenbedrijven en huishoudens.

De langjarige inzet van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit is er op gericht een bijdrage te leveren aan voedselzekerheid (SDG22SDG staat voor Sustainable Development Goals). In het licht van de huidige crisis moet die verder worden geïntensiveerd. Specifiek de weerbaarheid van de voedselsystemen ten opzichte van geopolitieke conflicten en klimaatverandering vraagt extra aandacht. De verwachting is dat, gebaseerd op lokale, al of niet door Nederlandse of internationale partijen al gesteunde, initiatieven, het mogelijk moet zijn om impact te versnellen of te vergroten met een extra inzet of toepassing van beschikbare (bestaande) kennis of innovaties.

Met het Subsidieprogramma Versnelling Weerbaarheid Voedselsystemen Afrika (hierna: subsidieprogramma), aangekondigd in een brief aan de Tweede Kamer van 23 december 20223Stappenplan-ter-verbetering-van-mondiale-voedselzekerheid (overheid.nl), wordt beoogd een impuls te geven aan de weerbaarheid van lokale voedselsystemen in Afrika door het verhogen van de productiviteit, stabiliteit (inclusief t.a.v. klimaatverandering en marktprijzen), zelfredzaamheid en lokale waarde-toevoeging. Het draagt daarmee bij aan voedselzekerheid en de beleidsmatig al eerder gestelde doelen voor 2030 om 32 miljoen kwetsbare mensen uit ondervoeding te helpen, de inkomens en productiviteit van 8 miljoen kleinschalige voedselproducenten te verdubbelen en 8 miljoen hectare land in duurzaam beheer te laten komen. De doelgroep van het subsidieprogramma wordt gevormd door voedsel-onzekere mensen en voedselproducenten, met prioriteit voor kwetsbare kleinschalige boerenbedrijven/huishoudens.

2. Uitvoerder

De Minister heeft de uitvoering van het subsidieprogramma opgedragen aan RVO, agentschap van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat. RVO zal het subsidieprogramma uitvoeren namens de Minister op grond van een aan RVO verleend mandaat.

3. Begrippen

In het subsidieprogramma wordt verstaan onder:

4. Subsidieprogramma Versnelling Weerbaarheid Voedselsystemen Afrika

4.1. Doel

Het subsidieprogramma heeft als doel om een impuls te geven aan de weerbaarheid van lokale voedselsystemen door het verhogen van de productiviteit, stabiliteit (inclusief klimaatweerbaarheid), zelfredzaamheid en lokale waarde-toevoeging voor (sub)nationale en regionale markten in Afrika en Jemen.

Het gaat hier om activiteiten die bestaande hierop gerichte processen en projecten versnellen of opschalen. Waarbij bestaande kennis en innovaties worden ingezet om de lokale voedselsystemen te verbeteren en weerbaar te maken. De activiteiten dragen daarmee bij aan voedsel- en voedingszekerheid voor kwetsbare groepen producenten en consumenten in Afrika en Jemen. Het subsidieprogramma is niet gericht op export-waardeketens buiten de regionale markten in Afrika en Jemen.

De activiteiten moeten klimaat-adaptief zijn en gender sensitief of gender transformatief. Belangrijke aandachtsgebieden zijn weerbare voedselproductie (zoals versterken agro-ecologie en biodiversiteit), landbouw-inputs (voorziening of lokale productie) en watergebruik, bodemvruchtbaarheid (inclusief kunstmest en alternatieven), lokale waarde-toevoeging in landbouw of voedselketens of het tegengaan van verliezen na de oogst, of beleid of institutionele versterking die gericht zijn op het vergroten van de zelfredzaamheid van de beoogde doelgroep zoals beschreven onder 4.2 of het verminderen van kwetsbaarheden in agro-food markten.

Het subsidieprogramma is gericht op subsidiëring van activiteiten in de doellanden zoals opgenomen in annex 1 bij deze beleidsregels (de landen opgenomen in deze annex sluiten aan bij de beleidsnota Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking5www.rijksoverheid.nl/documenten/beleidsnotas/2022/06/24/beleidsnotitie-buitenlandse-handel-en-ontwikkelingssamenwerking).

4.2. Doelgroep

De begunstigden van het subsidieprogramma zijn voedsel-onzekere mensen en voedselproducenten, en dan met name de kwetsbare kleinschalige boerenbedrijven/huishoudens. Daarbij geldt een bijzondere aandacht voor de vrouwen en jongeren binnen deze doelgroep.

4.3. Wie kunnen in aanmerking komen voor een subsidie

Subsidies in het kader van het subsidieprogramma zijn bedoeld voor samenwerkingsverbanden, namens welke een penvoerder een subsidie aanvraagt voor activiteiten als zijnde een project, waarbij een penvoerder per groep6een economische eenheid waarin rechtspersonen en vennootschappen organisatorisch zijn verbonden of per fiscale eenheid7een groep van meerdere ondernemingen die gezien wordt als één onderneming voor een bepaaldebelastingsoort maximaal tweemaal in aanmerking kan komen voor subsidie.

Aan een samenwerkingsverband kunnen maatschappelijke organisaties, ondernemingen en kennisinstellingen deelnemen.

Aan (de partners van) het samenwerkingsverband worden de volgende eisen gesteld:

De partners van het samenwerkingsverband moeten een integriteitsbeleid hebben vastgesteld. De partners moeten tevens procedures hebben ingevoerd om aan dat beleid invulling te kunnen geven binnen de eigen organisatie. Dit integriteitsbeleid en deze procedures zijn er om ernstige vormen van grensoverschrijdend gedrag, daaronder begrepen seksuele misdragingen, jegens medewerkers en derden bij de uitvoering van de activiteiten waarop de aanvraag betrekking heeft, door de partners en de door hen ingeschakelde partijen, zo veel mogelijk te voorkomen, in voorkomend geval te onderzoeken, met passende maatregelen zo spoedig mogelijk te doen beëindigen en de gevolgen daarvan te mitigeren. De procedures zijn zodanig ingericht dat een tijdige melding van incidenten aan RVO is gewaarborgd.

4.4. Adviestraject

Als een penvoerder overweegt namens een samenwerkingsverband een aanvraag voor subsidie in te dienen, dan geldt een verplicht adviestraject aan de hand van een daartoe ingediende ‘quick scan’ op basis van het daartoe door RVO beschikbaar gestelde format.8english.rvo.nl/arfsa Het adviestraject eindigt met een advies van een RVO-adviseur. De uitkomst van het adviestraject is niet bindend. Het staat vrij om na het advies wel of niet een subsidieaanvraag in te dienen. Als de aanvrager vervolgens besluit om een aanvraag in te dienen is en blijft het altijd de verantwoordelijkheid van de aanvrager om aan te tonen dat aan de vereisten om voor subsidie in aanmerking te komen wordt voldaan.

Aangezien de quick scans de basis vormen voor het uitwerken en indienen van een subsidieaanvraag, kunnen deze uiterlijk tot en met 4 september 2023 worden ingediend bij RVO. Dit zodat RVO voldoende tijd heeft voor de beoordeling van de quick scan en de aanvrager voldoende tijd heeft voor het verwerken van het quick scan advies in een eventuele subsidieaanvraag.

4.5. Subsidiabele activiteiten

Om in aanmerking te kunnen komen voor een subsidie in het kader van het subsidieprogramma moet het gaan om activiteiten die:

Indien er sprake is van het geografisch opschalen van bestaande activiteiten zal worden getoetst of het voorgestelde uitbreidingsgebied voldoende additioneel is.

Het project moet resultaten opleveren in één of meerdere van de doellanden opgenomen in annex 1 bij deze beleidsregels, en bijdragen aan het resultatenkader voedselzekerheid als weergegeven in annex 2 bij deze beleidsregels.

In ieder geval wordt geen subsidie verleend voor de volgende activiteiten:

4.6. Looptijd van de activiteiten

De activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd moeten in maximaal 3 jaar worden uitgevoerd, waarbij geldt dat de uitvoering uiterlijk drie maanden na subsidieverlening van start moet gaan.

4.7. Omvang van de subsidie

De omvang van de aangevraagde subsidie is niet lager dan € 1.000.000.

De subsidie bedraagt per aanvraag maximaal € 2.000.000, en per onderneming in het samenwerkingsverband maximaal € 500.000, waarbij geldt dat:

Het deel van de totale subsidiabele kosten waarvoor geen subsidie wordt verstrekt moet door de partners van het samenwerkingsverband zelf worden gefinancierd, dit wordt ook wel de eigen bijdrage genoemd. Dit mag niet worden gefinancierd met middelen die verkregen zijn door middel van een directe of indirecte subsidie of bijdrage ten laste van de begroting van het Ministerie van Buitenlandse Zaken.

5. Subsidiabele kosten

5.1. Uitgangspunten

Voor het bepalen van (de omvang van) de kosten die in aanmerking kunnen worden genomen bij het bepalen van de hoogte van de te verlenen subsidie gelden de volgende uitgangspunten:

5.2. Subsidiabele kosten

Subsidiabele kosten zijn de volgende door de partners van het samenwerkingsverband zelf te maken kosten voor:

Waarbij de volgende kostensoorten van toepassing zijn:

5.3. Niet-subsidiabele kosten

Niet subsidiabel zijn in ieder geval de volgende kosten:

6. Aanvraag

6.1. Vereisten

Voordat een penvoerder een aanvraag doet voor subsidie voor een project in het kader van het subsidieprogramma, dient hij een advies van RVO te hebben verkregen zoals beschreven in paragraaf 4.4 (advies naar aanleiding van ‘quick scan’).

De aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van een daartoe door RVO beschikbaar gesteld middel en voorzien van de daarin genoemde bijlagen waarvoor modellen beschikbaar worden gesteld door RVO.11english.rvo.nl/arfsa

De aanvraag wordt opgesteld in de Engelse taal en bevat in ieder geval:

Tevens moeten de partners verklaren op de hoogte te zijn en te zullen handelen naar de OESO richtlijnen.12www.oesorichtlijnen.nl Ook dienen de partners op de hoogte te zijn van de FMO-uitsluitingslijst en geen activiteiten uit te voeren die op deze lijst benoemd staan.13www.fmo.nl/exclusion-list De partners dienen te verklaren van deze richtlijnen op de hoogte te zijn en deze te onderschrijven. De partners dienen feiten of omstandigheden die wijzen op het schenden van deze richtlijnen onverwijld te melden bij RVO. Partners moeten open staan voor verbetering als dat wordt geïdentificeerd.

6.2. Herstelperiode

In het kader van de aanvraagprocedure wordt met nadruk gewezen op artikel 7, derde lid, van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken. Mocht een aanvraag onvolledig worden ingediend, dan kan de Minister (met gebruikmaking van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht) vragen om een aanvulling. Als datum en tijd van ontvangst van de aanvraag zal vervolgens gelden de datum en tijd waarop de aanvulling is ontvangen; na de deadline voor het indienen van aanvragen is een aanvulling niet meer mogelijk. Hoe korter voor het verstrijken van de deadline voor het indienen van aanvragen een aanvraag wordt ingediend, hoe groter het risico dat RVO geen toepassing zal geven aan de bevoegdheid om een aanvulling te vragen; dit in verband met de tijd die is gemoeid met het controleren van alle aanvragen op volledigheid en de tijd die nodig is om een aanvulling te vragen en in te dienen. In dat geval zal de aanvraag derhalve niet meer kunnen worden aangevuld, maar zal deze worden beoordeeld zoals hij primair is ingediend. Dit kan leiden tot een lagere rangschikking of zelfs afwijzing van de subsidieaanvraag.

Daarnaast geldt in het algemeen dat het niet volledig indienen van aanvragen of onvoldoende onderbouwen van (onderdelen van) de aanvraag mogelijk leidt tot afwijzing van een subsidieaanvraag op basis van het niet of niet in voldoende mate voldoen aan de aan aanvragen gestelde vereisten en criteria.

Kortheidshalve verwijzen naar andere onderdelen van de aanvraag, websites of bijlagen is niet voldoende, tenzij in de aanvraagdocumenten uitdrukkelijk is aangegeven dat daarmee (geheel of gedeeltelijk) kan worden volstaan. Indien onderdelen van de aanvraagdocumenten niet worden ingevuld loopt de aanvrager het risico op afwijzing van de aanvraag.

7. Beoordeling en verdeling beschikbare middelen

De bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht, het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken en de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 zijn onverkort van toepassing op de beoordeling van aanvragen en de uiteindelijke subsidieverstrekking in het kader van het subsidieprogramma. De aanvragen worden beoordeeld met inachtneming van deze regelgeving en overeenkomstig de maatstaven die in het subsidieprogramma zijn neergelegd.

Om voor subsidie in aanmerking te kunnen komen dient de aanvraag te voldoen aan de hiervoor, in het bijzonder in paragraaf 4 tot en met 6, opgenomen vereisten. Slechts de aanvragen die daaraan voldoen worden inhoudelijk beoordeeld op kwaliteit aan de hand van de hierna volgende criteria, waaraan eveneens (in voldoende mate; minimaal 70 punten van de maximaal 100 te behalen punten) moet worden voldaan om in aanmerking te kunnen komen voor subsidie.

De brede OS-relatie landen zoals opgenomen in de annex 1 bij deze beleidsregels krijgen 5 bonuspunten.

Per doelland komt de aanvrager die het beste aan de criteria voldoet als eerste in aanmerking voor subsidie, daarna de aanvrager die als tweede in de beoordeling is geëindigd.

De volgende criteria zijn van toepassing, waarbij per set van criteria het minimaal benodigde en maximale aantal te behalen punten is aangegeven:

Beleidsbijdrage (minimaal 28, maximaal 40 punten)

Staat van dienst (minimaal 28, maximaal 40 punten)

Duurzaamheid (minimaal 14, maximaal 20 punten)

Ter ondersteuning van de beoordeling kan RVO verificatieactiviteiten uitvoeren ter controle van de in de aanvraag gemaakte aannames en stellingnames. Hiervoor kan RVO contact zoeken met de projectpartners en relevante stakeholders.

RVO kan tijdens de inhoudelijke beoordeling ook advies inwinnen bij externe experts. De Ambassades van het Koninkrijk der Nederlanden worden altijd gevraagd om input voor de beoordeling van de aanvragen op het criterium Beleidsbijdrage, in het bijzonder de factoren betreffende de aansluiting van de aanvragen op hun beleid en de inbedding in de lokale context.

8. Afwijzingsgronden

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.