Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van 6 juli 2023, nr. 39326205, houdende vaststelling van het Advieskader nieuwe scholen 2023

Type Ministeriële regeling
Publication 2026-08-01
Laatst bijgewerkt 2026-08-05
State In force
Source BWB
artikelen 4
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op artikel 75, elfde lid van de Wet op het primair onderwijs, artikel 4.5, negende lid van de Wet op het voortgezet onderwijs 2020 en artikel 75, tiende lid van de Wet op het primair onderwijs BES;

Gezien de voordracht van de Inspecteur-generaal van het onderwijs van 23 juni 2023, nr. 38654546

Besluit:

Artikel 1

De beleidsregel Advieskader nieuwe scholen 2023 (bijlage) wordt vastgesteld.

Artikel 2

Het Besluit van de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, van 9 december 2020, nr. 25930973, tot vaststelling van beleidsregel houdende Advieskader nieuwe scholen wordt ingetrokken.

Artikel 3

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 augustus 2023.

Artikel 4

Dit besluit wordt aangehaald als: Beleidsregel advieskader nieuwe scholen 2023.

Bijlage. Advieskader nieuwe scholen voor een kwaliteitstoets op aanvragen van nieuwe scholen voor basisonderwijs en voortgezet onderwijs

Versie per 1 augustus 2026

Inhoud

1. Inleiding

Het advieskader nieuwe scholen (hierna: advieskader) van de Inspectie van het Onderwijs (hierna: inspectie) beschrijft de wijze waarop de inspectie over de te verwachten kwaliteit van onderwijs van nieuwe scholen adviseert aan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de minister).

De inleiding beschrijft allereerst het wettelijk kader dat ten grondslag ligt aan de adviestaak van de inspectie met betrekking tot nieuwe scholen en vervolgens de reikwijdte en werking van het advieskader. De inleiding sluit af met een leeswijzer.

Deze versie van het advieskader treedt op 1 augustus 2026 in werking.

1.1. Wettelijk kader toezicht op nieuwe scholen

In de Wet Meer Ruimte voor Nieuwe Scholen (hierna: de wet)1Formeel: Wijziging van diverse onderwijswetten door het wijzigen van de systematiek van het in aanmerking brengen voor bekostiging van nieuwe openbare en bijzondere scholen zodat er meer ruimte is voor een nieuw onderwijsaanbod (Stb. 2020, 160). is de procedure voor het starten van nieuwe openbare en bijzondere scholen in het basis- en voorgezet onderwijs geregeld. Het bestuur dient bij de minister een aanvraag in voor bekostiging van een openbare of een bijzondere school (art. 74, eerste lid, Wet op het primair onderwijs (hierna: WPO), art. 4.5, eerste lid, Wet voortgezet onderwijs 2020 (hierna: WVO 2020). De wet bepaalt dat de inspectie de minister adviseert of de aanvraag voldoet aan specifieke in de wet opgenomen verplichtingen (art. 75, eerste lid, WPO en art. 4.5, derde lid, WVO 2020). Deze adviesverplichting is ook van toepassing op Caribisch Nederland (art. 75, eerste lid, Wet primair onderwijs BES(hierna: WPO BES) en art. 11.45, derde lid, WVO 2020).

1.2. Deugdelijkheidseisen en overige elementen van kwaliteit

De inspectie heeft op basis van art. 3 van de WOT onder andere de volgende taken: toezicht op de bij wet geregelde deugdelijkheidseisen en het stimuleren van de kwaliteit van het onderwijs. In de reguliere onderzoekskaders maakt de inspectie onderscheid tussen deze taken. De wet sluit daarop aan door onderscheid te maken tussen de wettelijke deugdelijkheidseisen als basis voor het advies van de inspectie en de overige elementen van kwaliteit. De inspectie zal daarom ook in dit advieskader daarop aansluiten.

Deugdelijkheidseisen zijn, behalve of krachtens objectiveerbare, zo veel mogelijk op het niveau van de wet geregelde, algemene kwaliteitsnormen, ook bekostigingsvoorwaarden, die overigens de vrijheid van richting en inrichting ongemoeid laten. Deugdelijkheidseisen zijn ook bekostigingsvoorwaarden, waarop de school kan worden aangesproken. De aanvraag tot het opnemen van een nieuwe school in de bekostiging moet een beschrijving omvatten van hoe de initiatiefnemer zal omgaan met de zes bij wet geregelde deugdelijkheidseisen.

De inspectie baseert haar advies over de te verwachten kwaliteit van een nieuwe school op de informatie die de initiatiefnemer geeft over deze deugdelijkheidseisen. Daarnaast is het voor de initiatiefnemers verplicht om over negen overige elementen van kwaliteit informatie te verschaffen bij de aanvraag. Het gaat hier om zaken die van belang worden geacht voor de onderwijskwaliteit – en die na de start van de school ook deugdelijkheidseis zijn, maar waarvan ten tijde van de aanvraag nog niet beoordeeld kan worden hoe de invulling zal zijn. Door deze elementen wel op te nemen in de aanvraag wordt de initiatiefnemer zich bewust van het belang van deze zaken voor een succesvolle uitwerking van het initiatief. Vanuit de stimuleringsfunctie bekijkt de inspectie hoe deze elementen voor het betreffende initiatief bijdragen aan de onderwijskwaliteit. Ook kan de inspectie suggesties geven voor verbetering. De inspectie geeft in haar advies aan de minister geen oordeel over de invulling van deze negen elementen. De invulling van deze elementen kan dan ook geen reden zijn om een negatief advies te geven. Na een positief besluit van de minister vormt deze informatie input voor het toezicht voorafgaand en na de start van de school.

1.3. Object van toezicht: de initiatiefnemer als bevoegd gezag

In het primair onderwijs vormen de school en het bestuur2Met ‘bestuur’ bedoelen we in dit advieskader het bevoegd gezag, waarvan ook het interne toezicht deel uitmaakt. het object van toezicht. In het voortgezet onderwijs vormen de onderwijssoort(en) binnen de school (BRIN|VEST) en het bestuur het object van toezicht. Het object van toezicht is datgene wat de inspectie onderzoekt om tot haar advies over het initiatief te komen.

Echter, bij de initiatieven is sprake van een bijzondere situatie. Het gaat immers niet om toezicht op een functionerende school, want de school is nog niet voor bekostiging in aanmerking gebracht. In situaties waarin het advieskader van toepassing is, adviseert de inspectie of de aanvraag voldoet aan bepaalde in de wet opgenomen verplichtingen. De wet gaat ervan uit dat sprake is van een bestuur van de nieuwe school voor primair onderwijs of voortgezet onderwijs. Uit de toelichting op het wetsvoorstel blijkt ook dat sprake is van initiatiefnemers van de nieuwe school. De initiatiefnemer wordt in het advieskader gezien als degene die het bevoegd gezag vertegenwoordigt.

Met de term ‘initiatiefnemer’ wordt in dit advieskader dus zowel een bestaand als een nieuw bestuur dat een school3Naast het stichten van een school geldt dit advieskader ook voor, voor wat betreft PO, het verzelfstandigen van een nevenvestiging en, voor wat betreft VO, het stichten van een nevenvestiging, het splitsen van een school, het toevoegen van een schoolsoort en het toevoegen van een nieuw vmbo-profiel. wil stichten bedoeld. Met het begrip ‘school’ in de tekst over de periode voorafgaand aan het besluit tot bekostiging wordt de op te richten school bedoeld.

1.4. Werking en evaluatie

Het voorliggende advieskader is van kracht met ingang van 1 augustus 2026. Het advieskader is vastgesteld op grond van art. 75, elfde lid, WPO, art. 75, tiende lid, WPO BES, art. 4.5, negende lid, WVO 2020 en art. 11.45, zevende lid, WVO 2020. Het advieskader is een beleidsregel als bedoeld in titel 4.3 van de Algemene wet bestuursrecht. De inspectie legt hiermee haar werkwijze voor advisering en wetsinterpretatie vast. Deze wetsinterpretatie bouwt voort op de interpretaties in de onderzoekskaders voor regulier toezicht op het primair en voortgezet onderwijs.

De inspectie heeft met vertegenwoordigers van het onderwijsveld en andere betrokkenen (de ‘ringen’) overleg gevoerd over het advieskader. Over deze wetsinterpretatie is overeenstemming met het onderwijsveld bereikt. Tevens zijn bij de totstandkoming van het definitieve advieskader de reacties op de internetconsultatie betrokken.

Evaluatie van de werking en de effecten van het advieskader vindt plaats in relatie tot de evaluatie van de wet en met bericht aan het parlement uiterlijk vijf jaar na de datum van inwerkingtreding daarvan, zijnde 1 november 2020. Ook na tien en vijftien jaar vindt evaluatie plaats.

Nieuwe wetgeving wordt bij het advies betrokken zodra deze is ingegaan. Daartoe wordt het advieskader geactualiseerd, door de minister vastgesteld en op de website van de inspectie gepubliceerd. Daarnaast kunnen ook ervaringen met dit advieskader, ontwikkelingen in de samenleving, of in de verschillende sectoren leiden tot een vervroegde bijstelling van (delen van) dit advieskader.

1.5. Opbouw en leeswijzer

Dit advieskader beschrijft allereerst in hoofdstuk 2 de taken van de inspectie in de wet. Daarna volgt een inhoudelijk deel en beschrijving van de deugdelijkheidseisen en overige elementen van kwaliteit (hoofdstuk 3). Het daaropvolgende hoofdstuk 4 beschrijft hoe het advies van de inspectie over deze onderdelen tot stand komt. In de regeling van de werkwijze (hoofdstuk 5) wordt uiteengezet hoe het advies aan de minister tot stand komt. Ten slotte is de uitwerking voor Caribisch Nederland opgenomen (hoofdstuk 6).

2. Meer ruimte voor nieuwe scholen

2.1. Meer ruimte voor nieuwe scholen op hoofdlijnen

De wet regelt de voorwaarden voor een toekomstbestendig, kwalitatief goed en gevarieerd onderwijsaanbod, dat aansluit bij de wensen van ouders en leerlingen.

Of een school in aanmerking komt voor bekostiging wordt bepaald aan de hand van de vraag of de school in staat zal zijn voldoende leerlingen aan zich te binden en of de te verwachten kwaliteit van de school voldoende is. De belangstelling voor het initiatief kan worden aangetoond met ouderverklaringen. In uitzonderingssituaties kan gebruik gemaakt worden van een marktonderzoek. Op basis van deze informatie en demografische gegevens wordt deze belangstellingsmeting omgezet naar een leerlingenprognose voor de lange termijn.

Het oordeel van de minister over het in aanmerking komen voor bekostiging wordt daarnaast gebaseerd op waarborgen voor de te verwachten kwaliteit. Met het aanpassen van de stichtingsprocedure voor nieuwe scholen is het belangrijk dat alleen de scholen die naar verwachting voldoende kwaliteit zullen leveren van start gaan. Dit sluit aan bij de verantwoordelijkheid van de regering om zorg te dragen voor de onderwijskwaliteit, zoals opgenomen in art. 23 van de Grondwet.

Daarnaast zijn er nog andere voorwaarden waar een initiatief aan moet voldoen. Een overzicht van deze vereisten en het proces voor aanvraag is te vinden op de website van DUO (www.duo.nl).

Omdat niet kan worden uitgesloten dat er een school van start gaat die in de praktijk toch onvoldoende kwaliteit levert, maakt de wet het ook mogelijk om van dergelijke nieuwe scholen de bekostiging na twee jaar te beëindigen.

2.2. Uitgangspunten van de adviesrol van de inspectie

Het eigenaarschap van de onderwijskwaliteit ligt bij de besturen en hun scholen. Het bestuur is eindverantwoordelijk voor de kwaliteit en continuïteit van het onderwijs op de betreffende scholen.

Vanuit de waarborgfunctie voert de inspectie een kwaliteitstoets uit. Nog voor de start wordt een aanvraag tot het starten van een nieuwe school getoetst op de zes deugdelijkheidseisen die inzicht geven in de te verwachten kwaliteit van de school.

Vanuit de stimuleringsfunctie maakt de inspectie in het gesprek over de overige elementen van kwaliteit de initiatiefnemer bewust van aandachtspunten die van belang zijn bij het starten van een nieuwe school. Dit verhoogt de kans dat de scholen die van start gaan succesvol zullen zijn.

3. Het advieskader

3.1. Opbouw van het advieskader

In de wet zijn zes deugdelijkheidseisen omschreven waar de inspectie voorafgaand aan de start van een nieuwe school op toetst. Daarnaast is het voor de initiatiefnemers verplicht om over negen overige elementen van kwaliteit informatie te verschaffen bij de aanvraag.

De aanvraag tot het voor bekostiging in aanmerking brengen van een nieuwe school moet een beschrijving omvatten van hoe de initiatiefnemer zal omgaan met deze zes deugdelijkheidseisen. De inspectie baseert haar advies over de te verwachten kwaliteit van een nieuwe school op de informatie die de initiatiefnemer geeft over zes bij wet geregelde deugdelijkheidseisen, verderop aangeduid als D1 tot en met D6. Het gaat hierbij om:

1 De deugdelijkheidseisen corresponderen met de wettelijke eisen art. 74, tweede lid onder b WPO en art. 4.5a, tweede lid, onder b, WVO 2020.

De overige elementen van kwaliteit hebben betrekking op de volgende onderdelen, verderop omschreven als OE1 tot en met OE9:

1 Overige elementen van kwaliteit corresponderen met de 9 punten uit de art. 74, derde lid WPO en art. 4.5a, derde lid, WVO 2020.

In de volgende paragrafen van dit hoofdstuk zijn de deugdelijkheidseisen en overige elementen van kwaliteit verder uitgewerkt. De wetgeving voor Caribisch Nederland wijkt op onderdelen af. Daarom is de uitwerking van de deugdelijkheidseisen en overige elementen van kwaliteit voor Caribisch Nederland opgenomen in hoofdstuk 6.

3.2. Uitwerking deugdelijkheidseisen

Deze paragraaf beschrijft per deugdelijkheidseis wanneer de initiatiefnemer aan deze eis voldoet. Daarnaast wordt de wettelijke onderbouwing bij elke deugdelijkheidseis beschreven, net zoals dat in de reguliere onderzoekskaders voor primair en voortgezet onderwijs te vinden is. De selectie van deze deugdelijkheidseisen voor het advieskader is beschreven in art. 74, tweede lid onder b van de WPO en art. 4.5a, tweede lid, onder b, WVO 2020.

1 Eindnoot:

Doelgericht, samenhangend en herkenbaar

De wet vraagt om actief burgerschap en sociale cohesie op doelgerichte en samenhangende wijze te bevorderen. Of het onderwijs doelgericht is, blijkt uit de formulering van geconcretiseerde leerdoelen die de school bereiken wil voor bevordering van basiswaarden en sociale en maatschappelijke competenties. Of het onderwijs samenhangend is, blijkt uit de logische opbouw van de leerstof en aanpak waarmee de school de leerdoelen bereiken wil. Of het onderwijs gericht op bevordering van burgerschap herkenbaar is, blijkt uit de realisering van de geplande leerstof en aanpak.

Basiswaarden van de democratische rechtsstaat

Bevordering van basiswaarden vormt een belangrijk aspect van de wettelijke burgerschapsopdracht. Basiswaarden van de democratische rechtsstaat (hierna: basiswaarden) weerspiegelen de algemene, breed erkende essentiële waarden waarop onze democratische manier van samenleven is gebaseerd. Ze zijn breed gelegitimeerd, verankerd in de nationale en internationale rechtsorde en neergelegd in onder meer de Nederlandse Grondwet en de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. Basiswaarden zijn kort gezegd basale, minimale en breed onderschreven waarden die de democratische rechtsstaat schragen.

De basiswaarden waarom het in het onderwijs gaat, zijn vastgelegd en uitgewerkt in het wettelijk kader in de gewijzigde burgerschapsopdracht in de onderwijswetten voor funderend onderwijs (Wet van 23 juni 2021 tot wijziging van een aantal onderwijswetten in verband met verduidelijking van de burgerschapsopdracht aan scholen in het funderend onderwijs, Stb. 2021, 320; Memorie van toelichting en Nota naar aanleiding van het verslag, Tweede Kamer der Staten-Generaal, vergaderjaar 2019–2020, 35 352 nr. 3 en nr. 6). Die uitwerking vormt het (hiertoe begrensde) uitgangspunt voor het inspectietoezicht op basiswaarden. De navolgende uitwerking en formuleringen zijn aan dit wettelijk kader ontleend.

Basiswaarden van de democratische rechtsstaat

Het respect voor de menselijke waardigheid zonder onderscheid des persoons staat aan de basis van de drie basiswaarden van de democratische, pluriforme en Nederlandse rechtsstaat: vrijheid, gelijkwaardigheid en solidariteit. De basiswaarde vrijheid wordt bevorderd door aandacht voor vrijheid van meningsuiting en autonomie. Gelijkwaardigheid wordt bevorderd in de vorm van het gelijkheidsbeginsel en het afwijzen van discriminatie.

Solidariteit wordt bevorderd door verdraagzaamheid, begrip en verantwoordelijkheidsbesef en het afwijzen van onverdraagzaamheid. Dit betekent dat scholen aandacht besteden aan vrijheid van meningsuiting, het gelijkheidsbeginsel, begrip, verdraagzaamheid, het afwijzen van onverdraagzaamheid en discriminatie, en autonomie en verantwoordelijkheidsbesef. Deze elementen vormen in de onderwijspraktijk de minimale kern waaraan een school moet voldoen bij de bevordering van respect voor en de kennis van basiswaarden.

De burgerschapswet creëert geen nieuwe basiswaarden. Ook onder de eerdere wettelijke opdracht was sprake van bevordering van deze basiswaarden. Wel is het gewicht daarvan groter geworden. In aansluiting bij deze wettelijke kaders en ter bevordering van de continuïteit voor onderwijspraktijk en inspectietoezicht wordt in de op praktijk gerichte operationalisering uitsluitend uitgegaan van de volgende uitwerkingen. Deze uitwerkingen zijn gericht op concrete toepassing in de dagelijkse schoolpraktijk en geformuleerd op voor alle betrokkenen (inclusief leerlingen) toegankelijke wijze:

• Vrijheid van meningsuiting betekent dat je mag zeggen of schrijven wat je denkt of tegen de opvatting van anderen in mag gaan. Iedereen mag dus ook zijn of haar geloof uitdragen, of zijn of haar mening aan anderen voorhouden. Daarbij moet je je wel houden aan de wet.

• Het gelijkheidsbeginsel (ook wel gelijkheid of gelijkwaardigheid genoemd) betekent dat mensen van gelijke waarde zijn. Daarbij maakt het niet uit wat je denkbeelden zijn of wat je gelooft. Je hoeft niet te vinden dat die denkbeelden of gebruiken zelf waardevol zijn, maar wel dat mensen met andere denkbeelden en gebruiken niet minder waard zijn dan jij of dan jouw groep.

• Begrip voor anderen betekent dat je probeert te begrijpen waarom mensen of groepen bepaalde denkbeelden of gebruiken hebben: wat is de achtergrond daarvan en waarom is dat belangrijk voor een ander?

• Verdraagzaamheid (ook wel tolerantie genoemd) betekent dat je de mening of het gedrag van een ander accepteert, ook al ben je het er helemaal niet mee eens. En het betekent ook dat je iedereen de ruimte wilt geven om zo’n mening of zulk gedrag te hebben. Natuurlijk moet iedereen zich daarbij wel houden aan de wet.

• Afwijzen van onverdraagzaamheid: onverdraagzaamheid (ook wel intolerantie genoemd) is het tegenovergestelde van tolerantie. Het betekent dat je vindt dat andere mensen of groepen, dingen waar jij het niet mee eens bent niet zouden mogen denken of doen; en dat je het niet nodig vindt dat ieder de ruimte krijgt om zo’n mening of zulk gedrag te hebben.

• Afwijzen van discriminatie: discriminatie betekent dat mensen of groepen bij anderen achtergesteld worden of dat je vindt dat er voor mensen met andere denkbeelden of gebruiken niet zoveel ruimte hoeft te zijn of dat die denkbeelden of gebruiken misschien zelfs verboden moeten worden.

• Autonomie betekent dat iedereen zelf kan bepalen wie hij/zij wil zijn en hoe hij/zij zijn/haar leven wil leiden. Iedereen is dus bijvoorbeeld vrij om zelf te bepalen welke denkbeelden of welk geloof voor hem/haar belangrijk zijn/is. Daarbij moet je je wel houden aan de wet.

• Verantwoordelijkheidsbesef betekent dat mensen verantwoordelijkheid willen nemen voor wat ze zeggen en doen (en wat ze niet zeggen en doen) en dat ze daarbij rekening willen houden met wat dat voor anderen betekent. Daarbij is vooral belangrijk dat je probeert anderen niet te schaden en dat je de samenleving en de democratie wilt helpen om goed te functioneren. Hoe je dat doet, mag iedereen zelf weten.

Reikwijdte

Actieve bevordering van de basiswaarden van de democratische rechtsstaat neemt binnen de wettelijke opdracht een centrale plaats in. Van scholen wordt verwacht dat zij werken aan borging en overdracht van de basiswaarden. Ten overvloede zij daarbij opgemerkt dat uit deze opdracht ook volgt dat onderwijs of handelen van de school niet in strijd met basiswaarden kan zijn. Goed burgerschapsonderwijs sluit aan bij de leefwereld van leerlingen en de interesses, problemen en risico’s die hiermee gepaard gaan. Uitgangspunt bij het toezicht is dat scholen blijk geven van inzicht in hun leerlingenpopulatie en hun leefwereld en dit, indien nodig, vertalen naar het onderwijs. Verder is van belang dat basiswaarden structureel onderdeel zijn van de schoolcultuur en dat deze daarmee in overeenstemming is. De inspectie ziet toe op de naleving daarvan via de zorg van het bestuur voor een schoolcultuur waarin alle betrokkenen basiswaarden als centrale spelregels hanteren en voorleven en voor een omgeving waarin leerlingen worden gestimuleerd actief te oefenen met de omgang met basiswaarden.

1 De basisondersteuningsvoorzieningen, die gelden voor alle scholen behorend tot het betreffende samenwerkingsverband, zijn beschreven in het ondersteuningsplan van het betreffende samenwerkingsverband. De aanvraag beschrijft alleen de extra ondersteuning die de school biedt.

1 In geval van een nieuwe rechtspersoon geldt dat in de oprichtingsakte wordt vermeld wie de bestuurders en intern toezichthouders zijn. Bij oprichting van een nieuwe rechtspersoon is er daarom nog geen sprake van openbare profielen.

3.3. Uitwerking overige elementen van kwaliteit

Deze paragraaf beschrijft per overig element van kwaliteit welke informatie van de initiatiefnemer verwacht wordt. Daarnaast is, waar van toepassing, de wettelijke onderbouwing bij elk onderdeel beschreven, net zoals dat in de reguliere onderzoekskader is gedaan. Daar waar nodig is onderscheid gemaakt tussen basisonderwijs en voortgezet onderwijs. De selectie van deze overige elementen voor het advieskader is beschreven in art. 74, derde lid, WPO en art. 4.5a, derde lid, WVO 2020.

Deze paragraaf beschrijft per overig element van kwaliteit welke informatie van de initiatiefnemer verwacht wordt. Daarnaast is, waar van toepassing, de wettelijke onderbouwing bij elk onderdeel beschreven, net zoals dat in de reguliere onderzoekskader is gedaan. Daar waar nodig is onderscheid gemaakt tussen basisonderwijs en voortgezet onderwijs. De selectie van deze overige elementen voor het advieskader is beschreven in art. 74, derde lid, WPO en art. 4.5a, derde lid, WVO 2020.

Vanuit de stimuleringsfunctie maakt de inspectie in het gesprek over de overige elementen van kwaliteit de initiatiefnemer bewust van aandachtspunten die van belang zijn bij het starten van een nieuwe school. Dit verhoogt de kans dat de scholen die van start gaan succesvol zullen zijn.

De inspectie geeft in haar advies aan de minister geen oordeel over de invulling van deze negen elementen. De invulling van deze elementen kan dan ook geen reden zijn om een negatief advies te geven. Na een positief advies van de minister vormt deze informatie input voor het toezicht voorafgaand en na de start van de school.

1 Art. 74, lid 3, onderdeel b, WPO en art. 4.5a, lid 3, onderdeel b, WVO 2020

1 Art. 74, lid 3, onderdeel c, WPO en art. 4.5a, lid 3, onderdeel c, WVO 2020

1 Art. 74, lid 3, onderdeel d, WPO en art. 4.5a, lid 3, onderdeel d, WVO 2020

1 Art. 74, lid 3, onderdeel e, WPO en art. 4.5a, lid 3, onderdeel e, WVO 2020

1 Art. 74, lid 3, onderdeel f, WPO en art. 4.5a, lid 3, onderdeel f, WVO 2020

2 Zowel huisvesting als kinderopvang zijn na de start van de school geen deugdelijkheidseisen waaraan voldaan moet worden.

7 Art. 74, lid 3, onderdeel g, WPO en art. 4.5, lid 3, onderdeel g, WVO 2020

1 Art. 4.5, lid 3, onderdeel h, WVO 2020

2 Art. 4.5, lid 3, onderdeel h, WVO 2020

1 Art. 74, lid 3, onderdeel i, WPO en art. 4.5a, lid 3, onderdeel i, WVO 2020

4. Normering en totstandkoming advies

In dit hoofdstuk is beschreven hoe de inspectie met behulp van het advieskader uit hoofdstuk 3 tot een advies komt over de te verwachten kwaliteit van het onderwijs bij nieuwe initiatieven.

4.1. Normering deugdelijkheidseisen

Op het moment dat het initiatief aan alle deugdelijkheidseisen voldoet, is het advies aan de inspectie aan de minister inzake het in aanmerking brengen voor bekostiging van een nieuwe school positief. Als aan één of meerdere van de deugdelijkheidseisen niet wordt voldaan, geeft de inspectie een negatief advies af. De minister besluit vervolgens of het initiatief voor bekostiging in aanmerking komt en betrekt daarbij het advies van de inspectie.

4.2. Hoe komt de inspectie tot haar advies?

Het advies van de inspectie heeft een wettelijke basis en komt tot stand na analyse van documenten die bij de aanvraag zijn aangeleverd en een gesprek met de initiatiefnemer. In voorkomende gevallen kan informatie van derden worden opgehaald en betrokken. De inspectie stelt een conceptadvies op en geeft de initiatiefnemer twee weken de tijd daarop te reageren. Op basis van de reactie van de initiatiefnemer op het conceptadvies en eventueel daarbij aangeleverde aanvullende documenten kan het advies worden bijgesteld.

Het advies komt in overleg tussen minimaal twee inspecteurs en eventueel na consultatie van juristen tot stand. Referenten beoordelen het conceptadvies voordat het naar de initiatiefnemer wordt verstuurd. Met deze werkwijze komt de inspectie tot een afgewogen advies.

5. Werkwijze advisering

Hiervoor is beschreven hoe het advies van de inspectie over de aanvraag tot stand komt en welke deugdelijkheidseisen daarbij betrokken worden. In dit hoofdstuk worden de hoofdlijnen van de werkwijze beschreven.

5.1. Doel en onderzoeksvragen

De adviesprocedure heeft tot doel een antwoord te formuleren op de volgende centrale vraag.

5.2. Voorbereiding

5.2.1. Informatie naar DUO

De beoogde startdatum van de bekostiging is 1 augustus van het jaar X. Een initiatiefnemer levert voor 1 november van het jaar X–2 de aanvraag met de vereiste informatie aan bij DUO. De inspectie ontvangt deze informatie van DUO.

Voor verzelfstandiging van een nevenvestiging in het primair onderwijs geldt dat de bekostiging aanvangt op 1 augustus van het jaar na indiening van de aanvraag.

5.2.2. Expertanalyse

Ook in de situatie van de verzelfstandiging van een dislocatie of nevenvestiging in het po, de splitsing van een vo-school of vo-scholengemeenschap, het stichten van een extra schoolsoort in het vo of het stichten van een extra vbo-profiel dient de initiatiefnemer toe te lichten hoe hij invulling geeft aan de deugdelijkheidseisen en overige elementen van kwaliteit. De initiatiefnemer kan hiervoor ook bestaande documenten aanleveren. Bij deze bestaande documenten moet de initiatiefnemer duidelijk maken over welke deugdelijkheidseis of overig element van kwaliteit het document informatie bevat en dat de documenten ook gaan over de situatie die geldt vanaf de oprichting van de nieuwe school, scholengemeenschap, schoolsoort of vbo-profiel.

5.2.2. Expertanalyse

De inspectie ordent en analyseert informatie in de aanvraag voor de nieuwe school en beschrijft in een expertanalyse hoe deze informatie zich verhoudt tot de deugdelijkheidseisen en de overige elementen van kwaliteit. De inspectie kan bij de aanvraag tot verzelfstandiging van een al bestaande locatie ook een recent inspectierapport over deze locatie betrekken bij de expertanalyse. De expertanalyse maakt duidelijk op welke onderdelen nadere toelichting vereist is en welke overige elementen van kwaliteit aandacht vragen in het gesprek.

De inspectie nodigt de initiatiefnemer uit voor een gesprek over de aanvraag. Het gesprek heeft verschillende functies:

5.4. Afronding

5.4. Afronding

De inspectie stelt op basis van het gesprek een conceptadvies op. Dit gebeurt door per deugdelijkheidseis aan te geven wat de conclusie erover is (voldoet wel of niet aan de deugdelijkheidseis), een onderbouwing van deze conclusie en een toelichting op de wijze waarop de conclusie tot stand is gekomen.

De inspectie stelt op basis van het gesprek een conceptadvies op. Dit gebeurt door per deugdelijkheidseis aan te geven wat de conclusie erover is (voldoet wel of niet aan de deugdelijkheidseis), een onderbouwing van deze conclusie en een toelichting op de wijze waarop de conclusie tot stand is gekomen.

5.4.2. Advies aan de minister

Ook bevat het conceptadvies een korte weergave van het gesprek over de overige elementen van kwaliteit en eventuele overige gespreksonderwerpen. De initiatiefnemer krijgt twee weken de tijd om te reageren op het conceptadvies en, desgewenst, aanvullende informatie over de deugdelijkheidseisen schriftelijk aan te leveren.

5.4.2. Advies aan de minister

De inspectie adviseert op basis van de aanvraag, het gesprek en de reactie op het conceptadvies (met inbegrip van eventueel aangeleverde informatie) de minister schriftelijk over zijn te nemen besluit over de aanvraag. De inspectie geeft de minister ook informatie over de overige elementen van kwaliteit, maar betrekt dit niet in haar advies.

5.5. Besluit van de minister

Op basis van het advies van de inspectie besluit de minister voor 1 juni van het jaar X–14Voor een verzelfstandiging van een nevenvestiging in het basisonderwijs geldt X i.p.v. X–1 om de school al dan niet voor bekostiging in aanmerking te brengen en publiceert dit besluit in de Staatscourant. Dit besluit geeft tevens het advies van de inspectie weer. Tegen het advies van de inspectie staan geen bezwaar en beroep open, het is immers geen besluit. Tegen het besluit van de minister staan wel bezwaar en beroep open.

De initiatiefnemer dient zijn aanvraag tot bekostiging uiterlijk 1 november van het jaar X–2 in. De inspectie adviseert uiterlijk 1 mei van het jaar X–1 aan de minister, zodat de minister voor 1 juni van het jaar X–1 een besluit kan nemen over het al dan niet voor bekostiging in aanmerking brengen van een nieuwe school.

5.7. Inrichten vervolgtoezicht

Voor verzelfstandiging van een nevenvestiging in het basisonderwijs geldt dat de bekostiging aanvangt op 1 augustus van het jaar na indiening van de aanvraag.

Het toezicht na een positief besluit wordt als volgt ingericht:

Documentatie aanleveren: uiterlijk voor 1 april

Zo spoedig mogelijk na ontvangst van de beschikking waarin is vermeld dat de bekostiging een aanvang zal nemen, doch uiterlijk vier maanden voorafgaande aan de aanvang van de bekostiging, toont het bevoegd gezag bij de inspectie aan dat het ten aanzien van die instelling kan voldoen aan de vereisten met betrekking tot (art. 11a, eerste lid, WOT):

Indien de inspectie het noodzakelijk vindt, neemt zij tussen het moment van het positieve besluit en de daadwerkelijk start van de school contact op met de school om aanvullende informatie te verzamelen.

Documentatie aanleveren: uiterlijk voor 1 september

Binnen een maand na aanvang van de bekostiging van een instelling verstrekt de instelling aan de inspectie gegevens met betrekking tot (art. 11b, eerste lid, WOT):

Risicoanalyse

6. Deugdelijkheidseisen en overige elementen van kwaliteit voor Caribisch Nederland

Op basis van deze informatie maakt de inspectie uiterlijk drie maanden nadat de bekostiging is gestart een risicoanalyse en besluit de inspectie hoe ze het vervolgtoezicht op de nieuwe school inricht. De inspectie voert in elk geval in het eerste jaar na de start van de bekostiging van de school een kwaliteitsonderzoek uit, conform het betreffende reguliere onderzoekskader. Dit kwaliteitsonderzoek wordt uitgevoerd door inspecteurs die niet betrokken zijn geweest bij de adviesprocedure over de betreffende school. Op basis van de uitkomsten van dit kwaliteitsonderzoek bepaalt de inspectie bij nieuwe besturen wanneer zij een vierjaarlijks onderzoek bij bestuur en scholen uitvoert. Bij bestaande besturen kan het leiden tot een aanpassing van de planning van het vierjaarlijks onderzoek.

6. Deugdelijkheidseisen en overige elementen van kwaliteit voor Caribisch Nederland

In dit hoofdstuk zijn de deugdelijkheidseisen en overige elementen van kwaliteit voor Caribisch Nederland uitgewerkt. De normering en werkwijze voor Caribisch Nederland is dezelfde als beschreven in hoofdstuk 4 en 5.

Deze paragraaf beschrijft per deugdelijkheidseis wanneer de initiatiefnemer aan deze eis voldoet. Daarnaast wordt de wettelijke onderbouwing bij elke deugdelijkheidseis beschreven, net zoals dat in de reguliere onderzoekskaders voor primair en voortgezet onderwijs is gedaan. De selectie van deze deugdelijkheidseisen voor het advieskader is beschreven in art. 72, derde lid onder b van de WPO BES en art. 11.45a, tweede lid onder b, WVO 2020.

1 De deugdelijkheidseisen corresponderen met de wettelijke eisen art. 72, derde lid onder b WPO BES en art. 11.45a, tweede lid onder b WVO 2020

Doelgericht, samenhangend en herkenbaar

De wet vraagt om actief burgerschap en sociale cohesie op doelgerichte en samenhangende wijze te bevorderen. Of het onderwijs doelgericht is, blijkt uit de formulering van geconcretiseerde leerdoelen die de school bereiken wil voor bevordering van basiswaarden en sociale en maatschappelijke competenties. Of het onderwijs samenhangend is, blijkt uit de logische opbouw van de leerstof en aanpak waarmee de school de leerdoelen bereiken wil. Of het onderwijs gericht op bevordering van burgerschap herkenbaar is, blijkt uit de realisering van de geplande leerstof en aanpak.

Basiswaarden van de democratische rechtsstaat

Bevordering van basiswaarden vormt een belangrijk aspect van de wettelijke burgerschapsopdracht. Basiswaarden van de democratische rechtsstaat (hierna: basiswaarden) weerspiegelen de algemene, breed erkende essentiële waarden waarop onze democratische manier van samenleven is gebaseerd. Ze zijn breed gelegitimeerd, verankerd in de nationale en internationale rechtsorde en neergelegd in onder meer de Nederlandse Grondwet en de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. Basiswaarden zijn kort gezegd basale, minimale en breed onderschreven waarden die de democratische rechtsstaat schragen.

De basiswaarden waarom het in het onderwijs gaat, zijn vastgelegd en uitgewerkt in het wettelijk kader in de gewijzigde burgerschapsopdracht in de onderwijswetten voor funderend onderwijs (Wet van 23 juni 2021 tot wijziging van een aantal onderwijswetten in verband met verduidelijking van de burgerschapsopdracht aan scholen in het funderend onderwijs, Stb. 2021, 320; Memorie van toelichting en Nota naar aanleiding van het verslag, Tweede Kamer der Staten-Generaal, vergaderjaar 2019–2020, 35 352 nr. 3 en nr. 6). Die uitwerking vormt het (hiertoe begrensde) uitgangspunt voor het inspectietoezicht op basiswaarden. De navolgende uitwerking en formuleringen zijn aan dit wettelijk kader ontleend.

Basiswaarden van de democratische rechtsstaat

Het respect voor de menselijke waardigheid zonder onderscheid des persoons staat aan de basis van de drie basiswaarden van de democratische, pluriforme en Nederlandse rechtsstaat: vrijheid, gelijkwaardigheid en solidariteit. De basiswaarde vrijheid wordt bevorderd door aandacht voor vrijheid van meningsuiting en autonomie. Gelijkwaardigheid wordt bevorderd in de vorm van het gelijkheidsbeginsel en het afwijzen van discriminatie.

Solidariteit wordt bevorderd door verdraagzaamheid, begrip en verantwoordelijkheidsbesef en het afwijzen van onverdraagzaamheid. Dit betekent dat scholen aandacht besteden aan vrijheid van meningsuiting, het gelijkheidsbeginsel, begrip, verdraagzaamheid, het afwijzen van onverdraagzaamheid en discriminatie, en autonomie en verantwoordelijkheidsbesef. Deze elementen vormen in de onderwijspraktijk de minimale kern waaraan een school moet voldoen bij de bevordering van respect voor en de kennis van basiswaarden.

De burgerschapswet creëert geen nieuwe basiswaarden. Ook onder de eerdere wettelijke opdracht was sprake van bevordering van deze basiswaarden. Wel is het gewicht daarvan groter geworden. In aansluiting bij deze wettelijke kaders en ter bevordering van de continuïteit voor onderwijspraktijk en inspectietoezicht wordt in de op praktijk gerichte operationalisering uitsluitend uitgegaan van de volgende uitwerkingen. Deze uitwerkingen zijn gericht op concrete toepassing in de dagelijkse schoolpraktijk en geformuleerd op voor alle betrokkenen (inclusief leerlingen) toegankelijke wijze:

• Vrijheid van meningsuiting betekent dat je mag zeggen of schrijven wat je denkt of tegen de opvatting van anderen in mag gaan. Iedereen mag dus ook zijn of haar geloof uitdragen, of zijn of haar mening aan anderen voorhouden. Daarbij moet je je wel houden aan de wet.

• Het gelijkheidsbeginsel (ook wel gelijkheid of gelijkwaardigheid genoemd) betekent dat mensen van gelijke waarde zijn. Daarbij maakt het niet uit wat je denkbeelden zijn of wat je gelooft. Je hoeft niet te vinden dat die denkbeelden of gebruiken zelf waardevol zijn, maar wel dat mensen met andere denkbeelden en gebruiken niet minder waard zijn dan jij of dan jouw groep.

• Begrip voor anderen betekent dat je probeert te begrijpen waarom mensen of groepen bepaalde denkbeelden of gebruiken hebben: wat is de achtergrond daarvan en waarom is dat belangrijk voor een ander?

• Verdraagzaamheid (ook wel tolerantie genoemd) betekent dat je de mening of het gedrag van een ander accepteert, ook al ben je het er helemaal niet mee eens. En het betekent ook dat je iedereen de ruimte wilt geven om zo’n mening of zulk gedrag te hebben. Natuurlijk moet iedereen zich daarbij wel houden aan de wet.

• Afwijzen van onverdraagzaamheid: onverdraagzaamheid (ook wel intolerantie genoemd) is het tegenovergestelde van tolerantie. Het betekent dat je vindt dat andere mensen of groepen, dingen waar jij het niet mee eens bent niet zouden mogen denken of doen; en dat je het niet nodig vindt dat ieder de ruimte krijgt om zo’n mening of zulk gedrag te hebben.

• Afwijzen van discriminatie: discriminatie betekent dat mensen of groepen bij anderen achtergesteld worden of dat je vindt dat er voor mensen met andere denkbeelden of gebruiken niet zoveel ruimte hoeft te zijn of dat die denkbeelden of gebruiken misschien zelfs verboden moeten worden.

• Autonomie betekent dat iedereen zelf kan bepalen wie hij/zij wil zijn en hoe hij/zij zijn/haar leven wil leiden. Iedereen is dus bijvoorbeeld vrij om zelf te bepalen welke denkbeelden of welk geloof voor hem/haar belangrijk zijn/is. Daarbij moet je je wel houden aan de wet.

• Verantwoordelijkheidsbesef betekent dat mensen verantwoordelijkheid willen nemen voor wat ze zeggen en doen (en wat ze niet zeggen en doen) en dat ze daarbij rekening willen houden met wat dat voor anderen betekent. Daarbij is vooral belangrijk dat je probeert anderen niet te schaden en dat je de samenleving en de democratie wilt helpen om goed te functioneren. Hoe je dat doet, mag iedereen zelf weten.

Reikwijdte

Actieve bevordering van de basiswaarden van de democratische rechtsstaat neemt binnen de wettelijke opdracht een centrale plaats in. Van scholen wordt verwacht dat zij werken aan borging en overdracht van de basiswaarden. Ten overvloede zij daarbij opgemerkt dat uit deze opdracht ook volgt dat onderwijs of handelen van de school niet in strijd met basiswaarden kan zijn. Goed burgerschapsonderwijs sluit aan bij de leefwereld van leerlingen en de interesses, problemen en risico’s die hiermee gepaard gaan. Uitgangspunt bij het toezicht is dat scholen blijk geven van inzicht in hun leerlingenpopulatie en hun leefwereld en dit, indien nodig, vertalen naar het onderwijs. Verder is van belang dat basiswaarden structureel onderdeel zijn van de schoolcultuur en dat deze daarmee in overeenstemming is. De inspectie ziet toe op de naleving daarvan via de zorg van het bestuur voor een schoolcultuur waarin alle betrokkenen basiswaarden als centrale spelregels hanteren en voorleven en voor een omgeving waarin leerlingen worden gestimuleerd actief te oefenen met de omgang met basiswaarden.

1 In geval van een nieuwe rechtspersoon geldt dat in de oprichtingsakte wordt vermeld wie de bestuurders en intern toezichthouders zijn. Bij oprichting van een nieuwe rechtspersoon is er daarom nog geen sprake van openbare profielen.

6.2. Uitwerking overige elementen van kwaliteit voor Caribisch Nederland

2 Idem

Deze paragraaf beschrijft per overig element van kwaliteit welke informatie van de initiatiefnemer verwacht wordt. Daarnaast is, waar van toepassing, de wettelijke onderbouwing bij elk onderdeel beschreven, net zoals dat in de reguliere onderzoekskaders is gedaan. De selectie van deze overige elementen voor het advieskader is beschreven in art. 72, vierde lid van de WPO BES en art. 11.45a, derde lid, WVO 2020.

De overige elementen van kwaliteit hebben betrekking op de volgende onderdelen, verderop omschreven als OE1 tot en met OE8:

1 Overige elementen van kwaliteit corresponderen met de 8 punten uit de art. 72, vierde lid WPO BES en art. 11.45a, derde lid WVO 2020

De inspectie betrekt deze acht overige elementen van kwaliteit niet in het advies aan de minister. Deze overige elementen van kwaliteit worden vanuit de stimuleringsfunctie gebruikt om de initiatiefnemer bewust te maken van aandachtspunten die van belang zijn bij het starten van een nieuwe school. Daarbij kan de inspectie ook wijzen op mogelijke lacunes in de plannen. Dit verhoogt de kans dat de scholen die van start gaan succesvol zullen zijn, zowel op de korte als op de lange termijn. De informatie over deze overige elementen van kwaliteit wordt verder gebruikt bij het inrichten van het toezicht na de start van de school. Na de start dienen deze onderdelen, voor zover het deugdelijkheidseisen betreffen, op orde te zijn.

1 WPO BES, art. 72, lid 4, onderdeel a en WVO 2020, art. 11.45a, lid 3, onderdeel a

1 WPO BES, art. 72, lid 4, onderdeel b en WVO 2020, art. 11.45a, lid 3, onderdeel b

1 WPO BES, art. 72, lid 4, onderdeel c en WVO 2020, art. 11.45a, lid 3, onderdeel c

1 WPO BES, art. 72, lid 4, onderdeel d en WVO 2020, art. 11.45a, lid 3, onderdeel d

1WPO BES, art. 72, lid 4, onderdeel e en WVO 2020, art. 11.45a, lid 3, onderdeel e

1 WPO BES, art. 72, lid 4, onderdeel f en WVO 2020, art. 11.45a, lid 3, onderdeel f

2 Zowel huisvesting als kinderopvang zijn na de start van de school geen deugdelijkheidseisen waaraan voldaan moet worden

1 WPO BES, art. 72, lid 4, onderdeel g en WVO 2020, art.11.45a, lid 3, onderdeel g

Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Ook in de situatie van de verzelfstandiging van een dislocatie of nevenvestiging in het po, de splitsing van een vo-school of vo-scholengemeenschap, het stichten van een extra schoolsoort in het vo of het stichten van een extra vbo-profiel dient de initiatiefnemer toe te lichten hoe hij invulling geeft aan de deugdelijkheidseisen en overige elementen van kwaliteit. De initiatiefnemer kan hiervoor ook bestaande documenten aanleveren. Bij deze bestaande documenten moet de initiatiefnemer duidelijk maken over welke deugdelijkheidseis of overig element van kwaliteit het document informatie bevat en dat de documenten ook gaan over de situatie die geldt vanaf de oprichting van de nieuwe school, scholengemeenschap, schoolsoort of vbo-profiel.

5.2.2. Expertanalyse

De inspectie ordent en analyseert informatie in de aanvraag voor de nieuwe school en beschrijft in een expertanalyse hoe deze informatie zich verhoudt tot de deugdelijkheidseisen en de overige elementen van kwaliteit. De inspectie kan bij de aanvraag tot verzelfstandiging van een al bestaande locatie ook een recent inspectierapport over deze locatie betrekken bij de expertanalyse. De expertanalyse maakt duidelijk op welke onderdelen nadere toelichting vereist is en welke overige elementen van kwaliteit aandacht vragen in het gesprek.

5.3. Gesprek met initiatiefnemer

Wanneer de initiatiefnemer niet ingaat op de uitnodiging voor het gesprek met de inspectie, leidt dit tot een negatief advies van de inspectie aan de minister. Het gesprek dient mede als basis voor de inspectie om advies te geven en is in die zin een wettelijke verplichting. Zonder de informatie uit het gesprek kan de inspectie de informatie uit de aanvraag niet verifiëren (art. 75, elfde lid, WPO, art. 4.5, negende lid, WVO 2020, art. 75, tiende lid, WPO BES, art. 11.45, zevende lid, WVO 2020).

5.4.1. Het conceptadvies

Ook bevat het conceptadvies een korte weergave van het gesprek over de overige elementen van kwaliteit en eventuele overige gespreksonderwerpen. De initiatiefnemer krijgt twee weken de tijd om te reageren op het conceptadvies en, desgewenst, aanvullende informatie over de deugdelijkheidseisen schriftelijk aan te leveren.

5.4.2. Advies aan de minister

De inspectie adviseert op basis van de aanvraag, het gesprek en de reactie op het conceptadvies (met inbegrip van eventueel aangeleverde informatie) de minister schriftelijk over zijn te nemen besluit over de aanvraag. De inspectie geeft de minister ook informatie over de overige elementen van kwaliteit, maar betrekt dit niet in haar advies.

5.5. Besluit van de minister

Op basis van het advies van de inspectie besluit de minister voor 1 juni van het jaar X–14Voor een verzelfstandiging van een nevenvestiging in het basisonderwijs geldt X i.p.v. X–1 om de school al dan niet voor bekostiging in aanmerking te brengen en publiceert dit besluit in de Staatscourant. Dit besluit geeft tevens het advies van de inspectie weer. Tegen het advies van de inspectie staan geen bezwaar en beroep open, het is immers geen besluit. Tegen het besluit van de minister staan wel bezwaar en beroep open.

5.6. Doorlooptijden

Voor verzelfstandiging van een nevenvestiging in het basisonderwijs geldt dat de bekostiging aanvangt op 1 augustus van het jaar na indiening van de aanvraag.

5.7. Inrichten vervolgtoezicht

Op basis van deze informatie maakt de inspectie uiterlijk drie maanden nadat de bekostiging is gestart een risicoanalyse en besluit de inspectie hoe ze het vervolgtoezicht op de nieuwe school inricht. De inspectie voert in elk geval in het eerste jaar na de start van de bekostiging van de school een kwaliteitsonderzoek uit, conform het betreffende reguliere onderzoekskader. Dit kwaliteitsonderzoek wordt uitgevoerd door inspecteurs die niet betrokken zijn geweest bij de adviesprocedure over de betreffende school. Op basis van de uitkomsten van dit kwaliteitsonderzoek bepaalt de inspectie bij nieuwe besturen wanneer zij een vierjaarlijks onderzoek bij bestuur en scholen uitvoert. Bij bestaande besturen kan het leiden tot een aanpassing van de planning van het vierjaarlijks onderzoek.

6. Deugdelijkheidseisen en overige elementen van kwaliteit voor Caribisch Nederland

In dit hoofdstuk zijn de deugdelijkheidseisen en overige elementen van kwaliteit voor Caribisch Nederland uitgewerkt. De normering en werkwijze voor Caribisch Nederland is dezelfde als beschreven in hoofdstuk 4 en 5.

6.1. Uitwerking deugdelijkheidseisen voor Caribisch Nederland

2 Idem

6.2. Uitwerking overige elementen van kwaliteit voor Caribisch Nederland

1 WPO BES, art. 72, lid 4, onderdeel h en WVO 2020, art. 11.45a, lid 3, onderdeel h

Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

2 Idem

3.3. Uitwerking overige elementen van kwaliteit

1 Art. 74, lid 3, onderdeel i, WPO en art. 4.5a, lid 3, onderdeel i, WVO 2020

4. Normering en totstandkoming advies

In dit hoofdstuk is beschreven hoe de inspectie met behulp van het advieskader uit hoofdstuk 3 tot een advies komt over de te verwachten kwaliteit van het onderwijs bij nieuwe initiatieven.

4.1. Normering deugdelijkheidseisen

Op het moment dat het initiatief aan alle deugdelijkheidseisen voldoet, is het advies aan de inspectie aan de minister inzake het in aanmerking brengen voor bekostiging van een nieuwe school positief. Als aan één of meerdere van de deugdelijkheidseisen niet wordt voldaan, geeft de inspectie een negatief advies af. De minister besluit vervolgens of het initiatief voor bekostiging in aanmerking komt en betrekt daarbij het advies van de inspectie.

4.2. Hoe komt de inspectie tot haar advies?

Het advies komt in overleg tussen minimaal twee inspecteurs en eventueel na consultatie van juristen tot stand. Referenten beoordelen het conceptadvies voordat het naar de initiatiefnemer wordt verstuurd. Met deze werkwijze komt de inspectie tot een afgewogen advies.

5. Werkwijze advisering

Hiervoor is beschreven hoe het advies van de inspectie over de aanvraag tot stand komt en welke deugdelijkheidseisen daarbij betrokken worden. In dit hoofdstuk worden de hoofdlijnen van de werkwijze beschreven.

5.1. Doel en onderzoeksvragen

De adviesprocedure heeft tot doel een antwoord te formuleren op de volgende centrale vraag.

5.2.1. Informatie naar DUO

5.3. Gesprek met initiatiefnemer

Wanneer de initiatiefnemer niet ingaat op de uitnodiging voor het gesprek met de inspectie, leidt dit tot een negatief advies van de inspectie aan de minister. Het gesprek dient mede als basis voor de inspectie om advies te geven en is in die zin een wettelijke verplichting. Zonder de informatie uit het gesprek kan de inspectie de informatie uit de aanvraag niet verifiëren (art. 75, elfde lid, WPO, art. 4.5, negende lid, WVO 2020, art. 75, elfde lid, WPO BES, art. 11.45, zevende lid, WVO 2020).

5.4.1. Het conceptadvies

5.6. Doorlooptijden

5.7. Inrichten vervolgtoezicht

6.1. Uitwerking deugdelijkheidseisen voor Caribisch Nederland

6.2. Uitwerking overige elementen van kwaliteit voor Caribisch Nederland

1 WPO BES, art. 72, lid 4, onderdeel h en WVO 2020, art. 11.45a, lid 3, onderdeel h

Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)