Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 28 juli 2023, Min-BuZa.2023.15696-9 tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Subsidieprogramma European Partnership for Responsible Minerals 2023 – 2028)
Gelet op artikel 6 en 7 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken,
Gelet op artikel 5.1 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006,
Besluit:
Artikel 1
Voor subsidieverlening op grond van artikel 5.1 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 met het oog op subsidiëring van activiteiten die bijdragen aan verantwoorde en duurzame toeleveringsketens voor mineralen, gelden voor de periode vanaf inwerkingtreding van dit besluit tot en met 31 december 2028 de als bijlage bij dit besluit gevoegde beleidsregels.
Artikel 2
Aanvragen voor subsidie in het kader van het Subsidieprogramma European Partnership for Responsible Minerals 2023–2028 kunnen worden ingediend vanaf 1 september 2023 tot en met 30 november 2023, 14.00 uur Nederlandse tijd.
Aanvragen voor subsidie in het kader van het Subsidieprogramma European Partnership for Responsible Minerals 2023–2028 worden ingediend aan de hand van een door de Minister vastgesteld en beschikbaar gesteld formulier en de op het aanvraagformulier gevraagde bescheiden.1www.responsibleminerals.eu.
Artikel 3
Voor subsidieverlening in het kader van het Subsidieprogramma European Partnership for Responsible Minerals 2023–2028 geldt voor aanvragen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, een subsidieplafond van € 2.000.000.
Artikel 4
De verdeling van het subsidieplafond, bedoeld in artikel 3, vindt plaats op grond van een beoordeling overeenkomstig de maatstaven die in de bijlage bij dit besluit zijn neergelegd, met dien verstande dat uit alle aanvragen die voldoen aan de maatstaven, de aanvraag die het beste voldoet aan die maatstaven het eerst voor subsidieverlening in aanmerking komt, waarbij uit doelmatig oogpunt ingezet wordt op een evenwichtige spreiding van aanvragen als bedoeld in artikel 8, derde lid, onderdeel d, van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken.
Artikel 5
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en vervalt met ingang van 1 januari 2029, met dien verstande dat het besluit van toepassing blijft op aanvragen die voor die datum zijn ingediend en subsidies die voor die datum zijn verleend.
Bijlage
1. Achtergrond
1.1. Achtergrond bij verantwoorde toeleveringsketens voor mineralen
Toegang tot mineralen is van cruciaal belang voor ondernemingen en consumenten. Mineralen zoals tin, tantaal, wolfraam en goud (3TG) kennen een breed palet aan toepassingen in economische sectoren zoals de hoogwaardige maakindustrie, de micro-elektronica en de sieradenbranche. Belangrijke mineralen voor batterijen zijn kobalt, lithium, nikkel, natuurlijk grafiet en koper. Een aantal regio’s waar dergelijke mineralen kunnen worden gevonden, heeft te kampen met langdurige gewelddadige conflicten, politieke instabiliteit, zwakke instituties, wijdverbreide ernstige mensenrechtenschendingen en milieuschade. De winning van en handel in mineralen kan een significante rol spelen in het financieren en voortduren van geweld en mensenrechtenschendingen in dergelijke gebieden. Indien dit op een verantwoorde wijze geschiedt, kunnen de winning van en de handel in mineralen een belangrijke rol spelen in de economische en sociale ontwikkeling van mijnbouwgemeenschappen en landen.
De OESO-richtlijnen2www.oesorichtlijnen.nl zijn bedoeld om ondernemingen te helpen bij de aanpak van maatschappelijke en milieurisico’s in hun leverings- en productieketen, met een focus op grondstoffen en het verantwoorder maken van grondstoffenketens uit conflict- en hoogrisicogebieden. De OESO-richtlijnen inzake de zorgvuldigheidseisen voor verantwoorde bevoorradingsketens van bodemschatten uit door conflicten getroffen gebieden en risicogebieden3http://www.oecd.org/corporate/mne/mining.htm, de OESO-richtlijnen voor maatschappelijk verantwoord ondernemen4https://www.oecd.org/investment/due-diligence-guidance-for-responsible-business-conduct.htm, de VN-richtlijnen voor bedrijfsleven en mensenrechten5https://www.ohchr.org/sites/default/files/documents/publications/guidingprinciplesbusinesshr_en.pdf en de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen6http://mneguidelines.oecd.org/, vormen een belangrijk referentiepunt voor het European Partnership for Responsible Minerals (hierna EPRM).
Naast en deels onderliggend aan de OESO-richtlijnen voor due diligence is in april 2017 Europese wetgeving inzake verantwoorde productieketens van mineralen aangenomen. De verordening verantwoorde mineralen 2017/821 van de Europese Unie stelt due diligence verplicht voor ondernemingen als smelterijen en grote importeurs die actief zijn op belangrijke punten in de toeleveringsketen.7http://ec.europa.eu/trade/policy/in-focus/conflict-minerals-regulation/ De nieuwe EU batterijenverordening zal zorgvuldigheidseisen met betrekking tot batterijmineralen bevatten voor actoren die batterijen op de Europese markt brengen.
1.2. Over het EPRM
Het EPRM is een internationaal multi-stakeholder partnerschap dat tot doel heeft verantwoorde mijnbouw en handel in mineralen te bevorderen, met name in artisanale en kleinschalige mijnbouw, in overeenstemming met internationale kaders en normen, in het bijzonder de EU verordening verantwoorde mineralen en de OESO-richtlijnen, om uiteindelijk bij te dragen aan de lokale ontwikkeling in producerende landen.
Het EPRM is bovendien bedoeld als begeleidende maatregel bij de EU verordening verantwoorde mineralen, die op 1 januari 2021 in werking is getreden. Die verordening is weliswaar een belangrijke mijlpaal, maar op zichzelf niet voldoende om de omstandigheden in en rond de mijnen – met name in de artisanale en kleinschalige mijnbouw – te verbeteren en zo bij te dragen aan de inclusieve ontwikkeling van de lokale economie. Precies om die reden is het EPRM in het leven geroepen als begeleidende maatregel bij deze wetgeving.
Het EPRM richt zich op 3TG en heeft een wereldwijd bereik. De missie van EPRM is het verbeteren van lokale mijnbouwpraktijken, vooral in artisanale en kleinschalige mijnbouw, om betere sociale, milieu en economische omstandigheden te creëren voor mijnwerkers en lokale mijnbouwgemeenschappen. De actoren in de toeleveringsketen profiteren van de nodige kennis en hulpmiddelen voor het implementeren van due diligence praktijken in overeenstemming met internationale normen. Bovendien fungeert het EPRM als kennisplatform waar organisaties in de hele toeleveringsketen toegang kunnen krijgen tot kennis over de praktijk van due diligence en deze kunnen delen.
Het EPRM zal samen met zijn partners de vraag naar verantwoorde 3TG-mineralen stimuleren en doen toenemen. Het zal inkoopkanalen voor verantwoorde mineralen een steun in de rug geven waardoor leveranciers de risico’s in de toeleveringsketen kunnen herkennen en verminderen. Verder moedigt het EPRM actoren in de toeleveringsketen en andere partners aan om artisanale en kleinschalige mijnen en lokale mijnbouwgemeenschappen te ondersteunen bij het verbeteren van hun methodes voor verantwoorde productie en om toegang tot de markten te creëren.
De ambities van het EPRM zijn:
Artisanale en kleinschalige mijnwerkers produceren op een meer verantwoorde manier en zijn beter uitgerust om hun toegang tot lokale en internationale formele markten te beheren.
Verbeterde gepaste zorgvuldigheid praktijken van ‘mid- en downstream’ actoren om tin, tantalum, wolfraam en goud op verantwoorde wijze in te kopen.
Gevestigde uitwisselingen en koppelingen tussen actoren langs de toeleveringsketens van mineralen stimuleren de totstandkoming van verantwoorde toeleveringsketens.
1.3. Over het Subsidieprogramma European Partnership for Responsible Minerals 2023–2028
Het Subsidieprogramma European Partnership for Responsible Minerals 2023–2028 (hierna subsidieprogramma) draagt bij aan de hiervoor genoemde EPRM-ambities.
De voor het subsidieprogramma beschikbaar gestelde middelen zijn bestemd om subsidie te verlenen aan samenwerkingsverbanden van ondernemingen en maatschappelijke organisaties. Met behulp van deze subsidie kunnen zij activiteiten uitvoeren die bijdragen aan de EPRM-doelstellingen.
Informatie over eerdere soortgelijke gefinancierde projecten staat op de EPRM-website.8www.responsibleminerals.eu
2. Uitvoerder
De Minister heeft de uitvoering van het subsidieprogramma opgedragen aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), agentschap van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat. RVO zal het subsidieprogramma uitvoeren namens de Minister op grond van een aan RVO verleend mandaat.
3. Begrippen
In het subsidieprogramma wordt verstaan onder:
4. Subsidieprogramma European Partnership for Responsible Minerals 2023–2028
4.1. Doel
Het subsidieprogramma heeft als doel bij te dragen aan de visie, missie en ambities van het EPRM.
Om voor subsidie in het kader van het subsidieprogramma in aanmerking te komen, moeten de activiteiten daarom gericht zijn op het verbeteren van het vermogen van artisanale en kleinschalige mijnwerkers om verantwoorde mijnbouwpraktijken toe te passen en zo de winning, verwerking en handel van verantwoorde mineralen in CAHRA’s te stimuleren.
4.2. Wie kunnen in aanmerking komen voor een subsidie
Subsidies in het kader van het subsidieprogramma zijn bedoeld voor samenwerkingsverbanden, namens welke een penvoerder een subsidie voor een project aanvraagt.
Aan (de partners van) het samenwerkingsverband worden de volgende eisen gesteld:
De partners van het samenwerkingsverband moeten een integriteitsbeleid hebben vastgesteld. De partners moeten tevens procedures hebben ingevoerd om aan dat beleid invulling te kunnen geven binnen de eigen organisatie. Dit integriteitsbeleid en deze procedures zijn er om ernstige vormen van grensoverschrijdend gedrag, daaronder begrepen seksuele misdragingen, jegens medewerkers en derden bij de uitvoering van de activiteiten waarop de aanvraag betrekking heeft, door de partners en de door hen ingeschakelde partijen, zo veel mogelijk te voorkomen, in voorkomend geval te onderzoeken, met passende maatregelen zo spoedig mogelijk te doen beëindigen en de gevolgen daarvan te mitigeren. De procedures zijn zodanig ingericht dat een tijdige melding van incidenten aan RVO is gewaarborgd.
4.3. Adviestraject
Als een penvoerder overweegt namens een samenwerkingsverband een aanvraag voor subsidie in te dienen, dan geldt een verplicht adviestraject aan de hand van een daartoe ingediende ‘quick scan’ (mag ook in de Franse en Spaanse taal). Het adviestraject eindigt met een advies van een RVO-adviseur. De uitkomst van het adviestraject is niet bindend. Het staat de penvoerder vrij om na het advies wel of niet een subsidieaanvraag in te dienen. Als de penvoerder vervolgens besluit om een aanvraag in te dienen is en blijft het altijd de verantwoordelijkheid van de penvoerder om aan te tonen dat aan de vereisten om voor subsidie in aanmerking te komen wordt voldaan.
Aangezien met de verwerking van een verzoek om een quick scan twee weken is gemoeid, kunnen quick scans niet later worden ingediend dan twee weken voor sluiting van de aanvraagtermijn van een openstelling.
4.4. Subsidiabele activiteiten
Om in aanmerking te kunnen komen voor een subsidie in het kader van het subsidieprogramma moet het gaan om een planmatige meerjarige integrale aanpak van activiteiten (ook wel te noemen ‘project’) gericht op het bereiken van het doel in paragraaf 4.1 en gericht op activiteiten die betrekking hebben op (een combinatie van) productie en handel van tin, tantaal, wolfraam, lithium, natuurlijk grafiet, kobalt, koper en nikkel.
Bijvoorbeeld door gericht te zijn op:
Daarbij gaat de voorkeur uit naar activiteiten die gericht zijn op:
In ieder geval niet subsidiabel zijn activiteiten waarvoor reeds rechtstreeks een subsidie of bijdrage ten laste van de begroting van het Ministerie van Buitenlandse Zaken wordt ontvangen.
4.5. Looptijd van de activiteiten
De activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd moeten een minimale looptijd van 1 jaar en een maximale looptijd van 3 jaar hebben.
4.6. Omvang van de subsidie
De subsidie bedraagt per aanvraag maximaal € 320.000.
Het deel van de totale subsidiabele kosten waarvoor geen subsidie wordt verstrekt moet door de partners zelf worden gefinancierd, dit wordt ook wel de eigen bijdrage genoemd. Dit mag niet worden gefinancierd met middelen die verkregen zijn door middel van een directe of indirecte subsidie of bijdrage ten laste van de begroting van het Ministerie van Buitenlandse Zaken.
4.7. Staatssteun
De subsidies die worden verstrekt in het kader van het subsidieprogramma vormen geen staatssteun in de zin van het EU-Werkingsverdrag. De subsidies zorgen immers niet voor een verstoring van het handelsverkeer binnen de Europese interne markt, omdat de gesubsidieerde activiteiten hoofdzakelijk buiten de Europese Unie (op derde landen markten) worden uitgevoerd en volledig aan lokale ondernemingen op die derde landen markten ten goede komen. Er wordt daarmee niet voldaan aan alle factoren die maken dat steun kwalificeert als staatssteun in de zin van bovengenoemd Verdrag.
5. Subsidiabele kosten
5.1. Uitgangspunten
Voor het bepalen van (de omvang van) de kosten die in aanmerking kunnen worden genomen bij het bepalen van de hoogte van de te verlenen subsidie gelden de volgende uitgangspunten:
5.2. Subsidiabele kosten
Subsidiabele kosten zijn de volgende door de partners van het samenwerkingsverband zelf te maken kosten:
5.3. Niet-subsidiabele kosten
Niet subsidiabel zijn in ieder geval de volgende kosten:
6. Aanvraag
6.1. Vereisten
Voordat een penvoerder een aanvraag voor subsidie voor een project in het kader van het subsidieprogramma doet, dient hij een advies van RVO te hebben verkregen zoals beschreven in paragraaf 4.3 (advies naar aanleiding van ‘quick scan’).
De aanvraag wordt ingediend in de Engelse taal met gebruikmaking van een daartoe door RVO beschikbaar gesteld middel en voorzien van de daarin genoemde bijlagen waarvoor modellen beschikbaar worden gesteld door RVO11www.responsibleminerals.eu.
De aanvraag bevat in ieder geval:
Tevens moeten de partners verklaren op de hoogte te zijn en te zullen handelen naar de OESO richtlijnen12www.oesorichtlijnen.nl. Ook dienen de partners op de hoogte te zijn van de FMO-uitsluitingslijst en geen activiteiten uit te voeren die op deze lijst benoemd staan13www.fmo.nl/exclusion-list. In aanvulling hierop gelden ook de IFC Performance Standards. De partners dienen te verklaren van deze richtlijnen op de hoogte te zijn en deze te onderschrijven. De partners dienen feiten of omstandigheden die wijzen op het schenden van deze richtlijnen onverwijld te melden bij RVO. Partners moeten open staan voor verbetering als dat wordt geïdentificeerd.
6.2. Herstelperiode
In het kader van de aanvraagprocedure wordt met nadruk gewezen op artikel 7, derde lid, van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken. Mocht een aanvraag onvolledig worden ingediend, dan kan de Minister (met gebruikmaking van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht) vragen om een aanvulling. Als datum en tijd van ontvangst van de aanvraag zal vervolgens gelden de datum en tijd waarop de aanvulling is ontvangen; na de deadline voor het indienen van aanvragen is een aanvulling niet meer mogelijk. Daarnaast geldt in het algemeen dat het niet volledig indienen van aanvragen of onvoldoende onderbouwen van (onderdelen van) de aanvraag mogelijk leidt tot afwijzing van een subsidieaanvraag op basis van het niet of niet in voldoende mate voldoen aan de aan aanvragen gestelde vereisten en criteria.
Kortheidshalve verwijzen naar andere onderdelen van de aanvraag, websites of bijlagen is niet voldoende, tenzij in de aanvraagdocumenten uitdrukkelijk is aangegeven dat daarmee (geheel of gedeeltelijk) kan worden volstaan. Indien onderdelen van de aanvraagdocumenten niet worden ingevuld loopt de penvoerder het risico op afwijzing van de aanvraag.
7. Beoordeling en verdeling beschikbare middelen
De bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht, het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken en de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 zijn onverkort van toepassing op de beoordeling van aanvragen en de uiteindelijke subsidieverstrekking in het kader van het subsidieprogramma. De aanvragen worden beoordeeld met inachtneming van deze regelgeving en overeenkomstig de maatstaven die in het subsidieprogramma zijn neergelegd.
Om voor subsidie in aanmerking te kunnen komen dient de aanvraag te voldoen aan de hiervoor, in het bijzonder in paragraaf 4 tot en met 6, opgenomen vereisten. Slechts de aanvragen die daaraan voldoen worden inhoudelijk beoordeeld op kwaliteit aan de hand van de hierna volgende criteria, waaraan eveneens in voldoende mate moet worden voldaan om in aanmerking te kunnen komen voor subsidie. De aanvragen die het beste voldoen aan de criteria komen als eerste voor subsidie in aanmerking. De Minister besluit tot subsidieverlening overeenkomstig deze rangorde, totdat het beschikbare budget is uitgeput. Hierbij wordt op grond van het bepaalde in artikel 8, derde lid, onderdeel d, van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken ernaar gestreefd dat de beschikbare middelen evenwichtig worden verspreid over projecten die zich richten op de productie van en handel in de verschillende mineralen genoemd in paragraaf 4.4 en de producerende landen.
Bij de beoordeling van aanvragen op grond van de criteria wordt gewerkt met een systeem van puntentoekenning. Indien er voor een criterium bonuspunten te verdienen zijn, dan wordt dit bij het desbetreffende criterium vermeld. De volgende criteria zijn van toepassing:
Ter ondersteuning van de beoordeling kan RVO verificatieactiviteiten uitvoeren ter controle van de in de aanvraag gemaakte aannames en stellingnames. Tevens kan door verificatie informatie die nodig is voor een goede beoordeling van de kwaliteit van de aanvraag verzameld worden.
RVO kan tijdens de inhoudelijke beoordeling ook advies inwinnen bij externe experts.
8. Afwijzingsgronden
Naast het bepaalde in artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht wordt een aanvraag voor subsidie afgewezen als er niet voldaan wordt aan het bepaalde in dit subsidieprogramma of indien het beschikbare subsidiebudget ontoereikend is.
9. Toezicht
RVO zal een steekproefsgewijze controle uitvoeren op het correcte gebruik van de subsidie waarbij op grond van de afgegeven beschikkingen wordt gecontroleerd op rechtmatigheid en doelmatigheid.
10. Verplichtingen
Aan de subsidieverlening worden verplichtingen verbonden, die worden opgenomen in de beschikking.
In de beschikking zal in ieder geval een meldingsplicht worden opgenomen. De subsidieontvanger heeft de plicht om aan RVO te melden wanneer hij niet (geheel) aan de verplichtingen van de subsidie kan voldoen en/of de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet (geheel) kan uitvoeren. Ook zal een verplichting worden opgenomen dat de subsidieontvanger en de eerste wezenlijke toeleverancier geen gebruik maken van kinderarbeid en/of dwangarbeid14elke vorm van arbeid die de Internationale Arbeidsorganisatie beoogt te verhinderen met het Verdrag betreffende den gedwongen of verplichten arbeid, 1930 (C29), het Verdrag betreffende de afschaffing van gedwongen arbeid, 1957 (C 105), het Verdrag betreffende de minimumleeftijd, 1973.. De subsidieontvanger dient eventuele feiten of omstandigheden die wijzen op kinder- of dwangarbeid bij deze organisaties eveneens onverwijld te melden bij RVO.
Tevens zal worden opgenomen dat de subsidieontvanger moet meewerken aan de monitoring- en evaluatieactiviteiten van het subsidieprogramma. Om de voortgang van een project te monitoren zal voor elk project een baselinestudie moeten worden verricht. Tevens dient de subsidieontvanger ieder jaar een of meerdere rapportages op te leveren, met daarin onder meer de voortgang ten opzichte van de beoogde uitkomsten en doelstelling(en). De projectresultaten dragen bij aan de EPRM-resultaatindicatoren zoals gespecificeerd in het EPRM Monitoring- en Evaluatiekader onder Ambitie A-Verantwoorde Productie.
Na afronding van de projectactiviteiten wordt de subsidieontvanger gevraagd medewerking te verlenen aan de verspreiding van de projectresultaten, onder andere door het organiseren van een webinar.
11. Administratieve lasten
Ter verantwoording van de administratieve lasten waarmee de subsidieaanvrager te maken krijgt is een toets uitgevoerd volgens een standaard kostenmodel. Daarbij is rekening gehouden met de indiening van een aanvraag voor subsidie, de beheerfase, de vaststelling van de subsidie en eventuele bezwaar- en beroepsprocedures. Uit de berekening blijkt dat het totale percentage administratieve lasten ten opzichte van het totaal beschikbare subsidiebudget 4,7% bedraagt.