Kaderbesluit bzm
De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.
Dit besluit is een samenvoeging en actualisering van drie besluiten die zijn verschenen over de heffing van de belasting zware motorrijtuigen. Bij de samenvoeging en de actualisatie is onder andere rekening gehouden met de wijziging van de definitie van een zwaar motorrijtuig per 1 juli 2019.
1. Inleiding
In artikel 2 van de Wet belasting zware motorrijtuigen is de belastingplicht voor de belasting zware motorrijtuigen geregeld. De belasting zware motorrijtuigen wordt geheven als met een ‘zwaar motorrijtuig’ gebruik gemaakt wordt van de autosnelweg.
Per 1 juli 2019 is het begrip ‘zwaar motorrijtuig’ uit artikel 3, onderdeel a, Wet belasting zware motorrijtuigen gewijzigd. Tot 1 juli 2019 kwalificeerden motorrijtuigen als ‘zwaar motorrijtuig’ voor zover deze ‘uitsluitend bestemd’ waren voor goederenvervoer over de weg. Sinds 1 juli 2019 kwalificeren motorrijtuigen als ‘zwaar motorrijtuig’ voor zover deze ‘bestemd zijn of gebruikt worden’ voor goederenvervoer over de weg.
In dit besluit zijn de actuele beleidsregels opgenomen voor de belasting zware motorrijtuigen. Door de actualisatie zijn bepaalde onderdelen komen te vervallen. Deze onderdelen waren gebaseerd op de oude definitie van het begrip ‘zwaar motorrijtuig’ zoals gold tot 1 juli 2019. Vanwege het vervallen van deze onderdelen kunnen specifieke motorrijtuigen binnen de reikwijdte vallen van de belasting zware motorrijtuigen (waar dit voorheen niet het geval was).
Dit besluit bevat nieuwe standpunten over, dan wel wijzigingen aan de volgende onderwerpen:
1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen
2. Belastbaar feit
2.1. Gebruik van de autosnelweg
In artikel 2 van de Wet is de belastingplicht voor de bzm opgenomen. De bzm wordt geheven als met een zwaar motorrijtuig gebruik gemaakt wordt van de autosnelweg.
Onder ‘gebruik van de autosnelweg’ wordt verstaan het rijden of stilstaan op de autosnelweg.
2.2. Bestemd voor goederenvervoer
In artikel 3, onderdeel a, Wet BZM is de definitie van het begrip ‘zwaar motorrijtuig’ opgenomen. Een motorrijtuig moet onder andere ‘bestemd zijn of gebruikt worden voor het goederenvervoer over de weg’.
Een motorrijtuig is ‘bestemd voor het goederenverkeer over de weg’ als het een laadfunctie kan vervullen. Het is daarbij niet relevant of tijdens een rit daadwerkelijk lading wordt vervoerd. Zo kan een trekker zonder oplegger géén laadfunctie vervullen, waardoor een dergelijk motorrijtuig niet ‘bestemd is voor goederenvervoer over de weg’.
3. Tarief, ‘as’ en ‘tandem-as’
In artikel 10 van de Wet wordt het tarief voor de verschuldigde bzm bepaald op basis van het aantal assen en de milieuklasse EG van het motorrijtuig.
Onder een ‘as’ wordt verstaan een gemeenschappelijke draaiingsas van twee of meer wielen, die door een motor wordt aangedreven dan wel vrij draait en die uit één dan wel meer segmenten bestaat die in hetzelfde vlak loodrecht op de middellijn in lengterichting van het voertuig liggen, als bedoeld in artikel 1.1, van de Regeling voertuigen.
Voor de toepassing van de Wet wordt een tandem-as als twee assen beschouwd. Het feitelijk niet in gebruik zijn van één of meer assen doet hieraan niet af.
4. Vrijstellingen
In artikel 15 van de Wet zijn de vrijstellingen opgenomen voor de bzm. Onderdeel 4.1 geeft uitleg over de toepassing van vrijstellingen bij samengestelde voertuigen. Vervolgens bevat onderdeel 4.2 twee goedkeuringen voor motorrijtuigen die ingericht zijn en uitsluitend gebruikt worden voor de aanleg en het onderhoud van wegen. Tot slot regelt onderdeel 4.3 de verschuldigdheid van bzm als met een geschorst motorrijtuig gebruik wordt gemaakt van de autosnelweg.
4.1. Samengestelde voertuigen
Op grond van artikel 4, vierde lid, van het Verdrag is voor de toepassing van de vrijstelling bij vrachtwagencombinaties het (trekkend) motorrijtuig van de combinatie doorslaggevend. De inrichting en het gebruik van een aanhangwagen heeft voor de beoordeling van de belastbaarheid en de vrijstelling daardoor geen betekenis.
4.2. Motorrijtuigen die zijn ingericht en uitsluitend worden gebruikt voor aanleg en onderhoud van wegen
Een motorrijtuig voor de aanleg en het onderhoud van wegen moet als zodanig zijn ingericht en uitsluitend daarvoor worden gebruikt. De inrichting is leidend. De inrichting moet zodanig zijn dat deze alleen dient voor de aanleg en onderhoud van wegen.
Dit betekent dat:
In afwijking van het bovenstaande keur ik met toepassing van artikel 63 van de AWR (de hardheidsclausule) het volgende goed.
Voor toepassing van de vrijstelling geldt bij beide goedkeuringen dat het motorrijtuig uitsluitend voor de aanleg en het onderhoud van wegen wordt gebruikt.
Gezien het voorgaande vallen de volgende motorrijtuigen in ieder geval onder de vrijstelling:
4.3. Overig
4.3.1. Verschuldigdheid bij periodieke keuring
Als met een geschorst motorrijtuig gebruik wordt gemaakt van de autosnelweg vanwege een keuring als bedoeld in Hoofdstuk V van de Wegenverkeerswet 1994, dan keur ik goed dat het gebruik van de autosnelweg kan plaatsvinden zonder dat bzm verschuldigd is. Hierbij dient het gebruik van de autosnelweg plaats te vinden op de dag waarop het motorrijtuig:
5. Ingetrokken regelingen
De volgende besluiten zijn ingetrokken met de inwerkingtreding van dit besluit:
6. Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 oktober 2023.
7. Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Kaderbesluit bzm.
Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.