Regeling van de Minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen van 18 augustus 2023, nr.2023-0000495330 houdende regels over het verstrekken van subsidies voor inbedding van financiële educatie op mbo-instellingen ter preventie van geldzorgen (Subsidieregeling financiële educatie voor mbo-instellingen)
Gelet op artikel 3 en 5 van de Kaderwet SZW-subsidies;
Besluit:
Artikel 1. Begripsbepalingen
In deze regeling wordt verstaan onder:
- bevoegd gezag:bevoegd gezag als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs voor mbo-instellingen, artikel 1 van de Wet op de expertisecentra, artikel 1.1 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 of artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs;
- minister: Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
- docent: degene die voldoet aan de bevoegdheidseisen gesteld in artikel 3 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 3 van de Wet op de expertisecentra of artikel 7.8 van de Wet voortgezet onderwijs 2020;
- financiële competenties: competenties op het gebied van financiële kennis, vaardigheden en houding;
- het expertisepunt financiële educatie: het expertisepunt van Wijzer in geldzaken;
- Kaderregeling: Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS;
- leerkracht: degene die bevoegd is om schoolonderwijs te geven als bedoeld in artikel 3 van de Wet op het primair onderwijs respectievelijk artikel 3 van de Wet op de expertisecentra;
- mbo: middelbaar beroepsonderwijs als bedoeld in artikel 1.2.1, tweede lid van de Wet educatie en beroepsonderwijs;
- mbo-instelling: uit ’s Rijks kas bekostigde instelling voor beroepsonderwijs in de zin van de Wet educatie en beroepsonderwijs;
- onderwijslocatie: de plek (vestiging) waar het onderwijs wordt aangeboden of verzorgd;
- onderwijsondersteunend personeelslid: lid van het overig personeel, bedoeld in artikel 7.2, derde lid van de Wet voortgezet onderwijs 2020 of artikel 3a van de Wet op het primair onderwijs of lid van het onderwijsondersteunend personeel als bedoeld in artikel 29, zesde lid, van de Wet op de expertisecentra;
- po-school: uit ’s Rijks kas bekostigde basisschool of speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs of een school of instelling als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de expertisecentra;
- student: bekostigde student als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs;
- subsidieaanvrager: bevoegd gezag van een mbo-instelling, vo-instelling of po-school;
- verletkosten: loonkosten voor gemiste lesuren als gevolg van deelname aan een opleiding als bedoeld onder artikel 7, eerste lid, onderdelen a en e;
- vo: onderwijs dat gegeven wordt op een school als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 of onderwijs dat gegeven wordt op een school als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de expertisecentra, voor zover het voortgezet speciaal onderwijs betreft;
- vo-instelling: uit ’s Rijks kas bekostigde school als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 of artikel 1 van de Wet op de expertisecentra.
Artikel 2. Toepasselijkheid Kaderregeling en benodigde formulieren
Op het aanvragen en verstrekken van subsidies op grond van deze regeling is de Kaderregeling, met uitzondering van de artikelen 3.1 en 7.1, van toepassing.
De formulieren, modellen en formats waarnaar in deze regeling wordt verwezen, zijn door de minister elektronisch beschikbaar gesteld op www.uitvoeringvanbeleidszw.nl.
Artikel 3. Doel
Het doel van deze regeling is het creëren, ontwikkelen en bevorderen van structurele aandacht voor financiële educatie in onderwijsinstellingen.
Artikel 4. Subsidieplafond en het subsidiebedrag per aanvraag
Het subsidieplafond bedraagt € 8.620.000,– voor aanvragen gedaan in het tijdvak, bedoeld in artikel 5, onderdeel a.
De subsidie bedraagt minimaal € 25.000,– en maximaal € 400.000 per aanvraag gedaan in het tijdvak, bedoeld in artikel 5, onderdeel a.
Het subsidieplafond bedraagt € 18.700.000 voor aanvragen gedaan in het tijdvak, bedoeld in artikel 5, onderdeel b.
De subsidie bedraagt minimaal € 75.000 en maximaal € 300.000 per aanvraag gedaan in het tijdvak, bedoeld in artikel 5, onderdeel b.
Het subsidieplafond bedraagt € 11.200.000 voor aanvragen gedaan in het tijdvak, bedoeld in artikel 5, onderdeel c.
De subsidie bedraagt minimaal € 75.000 en maximaal € 200.000 per aanvraag gedaan in het tijdvak, bedoeld in artikel 5, onderdeel c.
Het subsidieplafond voor aanvragen gedaan in het tijdvak, bedoeld in artikel 5, onderdeel d, bedraagt voor:
- a. mbo-instellingen: € 4.445.000;
- b. vo-instellingen: € 3.330.000;
- c. po-scholen: € 2.225.000.
De subsidie per aanvraag gedaan in het tijdvak, bedoeld in artikel 5, onderdeel d, bedraagt voor:
- a. mbo-instellingen: minimaal € 75.000 en maximaal € 400.000;
- b. vo-instellingen: minimaal € 75.000 en maximaal € 300.000;
- c. po-scholen: minimaal € 75.000 en maximaal € 200.000.
De subsidie bedraagt 100% van de subsidiabele kosten, bedoeld in artikel 8.
Indien in het aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel 5, onderdeel d, het beschikbare bedrag voor een van de onderwijsinstellingen, genoemd in artikel 4, zevende lid, niet geheel wordt verleend, kan het resterende bedrag aangewend worden voor de aanvragen van de andere onderwijsinstellingen, genoemd in artikel 4, zevende lid. De verdeling van dit bedrag vindt plaats op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.
Artikel 5. Aanvraagtijdvak
Subsidieaanvragen met betrekking tot een project in het kader van deze regeling worden ingediend in het aanvraagtijdvak van:
- a. 18 september 2023, 09.00 uur, tot en met 16 oktober 2023, 17.00 uur, voor de projectperiode in een mbo-instelling, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel a;
- b. 15 april 2024, 15.00 uur, tot en met 10 mei 2024, 17.00 uur, voor de projectperiode in een vo-instelling, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel b;
- c. 4 maart 2025, 09.00 uur, tot en met 12 mei 2025, 17.00 uur, voor de projectperiode binnen een po-school, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel c;
- d. 2 februari 2026, 09.00 uur, tot en met 16 maart 2026, 17.00 uur, voor de projectperiode in een mbo-instelling, vo-instelling of po-school, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel d.
Artikel 6. Projectperiode
Activiteiten voor een project in het kader van deze regeling vinden plaats binnen de periode van:
- a. 17 oktober 2023 tot en met 31 juli 2027, voor een project van een mbo-instelling, ingediend in het aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel 5, onderdeel a;
- b. 11 mei 2024 tot en met 9 juli 2027, voor een project van een vo-instelling, ingediend in het aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel 5, onderdeel b;
- c. 1 april 2025 tot en met 18 augustus 2028, voor een project van een po-school, ingediend in het aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel 5, onderdeel c;
- d. 2 februari 2026 tot en met 31 juli 2029, voor een project van een mbo-instelling, vo-instelling of po-school, ingediend in het aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel 5, onderdeel d.
De voor subsidie in aanmerking komende kosten worden gemaakt in een door de minister aangewezen projectperiode.
Artikel 7. Subsidiabele activiteiten
Voor subsidie komen uitsluitend de volgende activiteiten in aanmerking:
- a. het volgen van een door de minister goedgekeurde opleiding die tot doel heeft het integreren van financiële educatie in bestaande vakken en het onderwijzen van studenten of leerlingen in financiële competenties, door docenten en medewerkers van mbo-instellingen en vo-instellingen die zorg dragen voor inbedding van financiële educatie in het onderwijs binnen de mbo-instellingen of vo-instellingen. Van de medewerkers en docenten die deze opleiding volgen is ten minste de helft docent;
- b. het aannemen of vrijstellen van medewerkers binnen mbo-instellingen of vo-instellingen, die zorg dragen voor structurele inbedding van financiële educatie in het onderwijs op de desbetreffende mbo-instelling of vo-instelling;
- c. het aanbieden van persoonlijke financiële begeleiding op de mbo-instellingen aan studenten met geldzorgen;
- d. het aanbieden van individuele persoonlijke financiële begeleiding op vo-instellingen aan leerlingen en het betrekken van ouders of verzorgers bij de financiële opvoeding van hun kinderen;
- e. het volgen van een door de minister goedgekeurde bij- of nascholingsopleiding die tot doel heeft het aanbieden of integreren van financiële educatie in bestaande leergebieden en vakken, door leerkrachten en medewerkers die zorg dragen voor inbedding van financiële educatie in het onderwijs op de po-school;
- f. het aannemen of vrijstellen van medewerkers binnen de po-school die zorg dragen voor inbedding van financiële educatie in het onderwijs op die school;
- g. het ondersteunen van ouders of verzorgers bij de financiële opvoeding van hun kinderen.
Het expertisepunt financiële educatie adviseert de minister over opleidingen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, en toetst daarbij of het scholingsaanbod:
- a. gericht is op zittende of aankomende leerkrachten in het primair onderwijs, docenten op het voortgezet onderwijs en mbo of het hele onderwijsteam;
- b. specifiek gericht is op structureel inbedden van effectieve financiële educatie in het schoolcurriculum en de bestaande vakken;
- c. gericht is op duurzame impact;
- d. plaatsvindt onder begeleiding van een trainer; en
- e. niet uitsluitend door middel van e-learning wordt aangeboden hetgeen niet geldt voor instellingen in Caribisch Nederland.
Van effectieve financiële educatie als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, is sprake, indien:
- a. sprake is van een structurele aanpak;
- b. het aanbod aansluit op de belevingswereld van jongeren en situaties waar zij mee te maken kunnen krijgen;
- c. het aanbod aansluit bij de cognitieve, sociale en psychologische ontwikkeling van de jongeren en een doorlopende leerlijn betreft;
- d. onderwijsprofessionals bij het proces worden betrokken;
- e. financiële vaardigheden worden geïntegreerd in andere thema’s;
- f. de docenten worden getraind en indien nodig ouders worden betrokken bij het proces; en
- g. rekening wordt gehouden met culturele factoren.
Door de minister goedgekeurde opleidingen worden opgenomen op www.geldlessen.nl.
Artikel 8. Subsidiabele kosten
Voor subsidie komen uitsluitend de volgende kosten in aanmerking:
- a. externe kosten voor een opleiding, als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdelen a en e;
- b. verletkosten van de docenten en medewerkers van mbo-instellingen en vo-instellingen, bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, tegen een vast tarief van € 75,– per uur en van de leerkrachten en medewerkers van een po-school, bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel e, tegen een vast tarief van € 50,–;
- c. kosten voor de activiteiten, bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdelen b, c en d, tegen een vast tarief van € 75,– per uur en voor de activiteiten, bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdelen f en g, tegen een vast tarief van € 50,– per uur;
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.