Regeling van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 21 september 2023, nr. IENW/BSK-276554, houdende vaststelling van regels inzake geluidwerende voorzieningen aan woningen binnen de geluidcontour voor de luchthaven Schiphol (Regeling gevelisolatie Schiphol 2023)
Gelet op artikel 8.32 van de Wet luchtvaart;
BESLUIT:
Hoofdstuk 1. Begripsomschrijvingen
Artikel 1. (Begripsomschrijvingen)
In deze regeling wordt verstaan onder:
- a. geluidbelasting in dB: geluidbelasting Lden als bedoeld in artikel 8a.45, derde lid, van de Wet luchtvaart;
- b. geluidcontour in dB: lijn die geluidbelastingen met dezelfde waarde met elkaar verbindt;
- c. geluidgevoelige ruimten van woningen: ruimten binnen woningen voor zover die kennelijk als slaap-, woon- of eetkamer dan wel als keuken, de laatste met een vloeroppervlakte van tenminste 11 m2, worden gebruikt of voor een zodanig gebruik zijn bestemd;
- d. geluidwering van een uitwendige scheidingsconstructie: grootheid die de volgens NEN 5077 bepaalde geluidwering van een uitwendige scheidingsconstructie weergeeft;
- e. minister: Minister van Infrastructuur en Waterstaat;
- f. NEN 5077: Bepalingsmethoden om de geluidseisen van gebouwen te toetsen. De versie waarvan voor deze regeling wordt uitgegaan is NEN 5077:2019 met uitsluiting van bijlage B;
- g. NPR 5272: Praktijkrichtlijn met aanwijzingen voor de toepassing van het rekenvoorschrift voor de geluidwering van gevels. De versie waarvan voor deze regeling wordt uitgegaan is NPR 5272:2003 inclusief correctieblad NPR 5272:2002/C1:2005;
- h. onderzoek: akoestisch en bouwtechnisch onderzoek van een of meerdere woningen;
- i. Schiphol: de luchthaven Schiphol, bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, onder a, van de Wet luchtvaart;
- j. vergunning voor het bouwen: bouwvergunning of omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk;
- k. woonblok: een groep aan elkaar vast gebouwde woningen.
Voor de toepassing van deze regeling is de geluidcontour in dB voor Schiphol de geluidcontour behorende bij de waarde 60 dB Lden, opgenomen in bijlage 1 bij deze regeling.
Hoofdstuk 2. Reikwijdte
Artikel 2. (Algemene bepalingen)
Tenzij in deze regeling anders is bepaald, worden op ’s rijks kosten geluidwerende maatregelen aangebracht aan geluidgevoelige ruimten van een woning:
- a. die binnen de geluidcontour in dB voor Schiphol aanwezig is, of nog niet aanwezig is maar waarvoor de vergunning voor het bouwen is verleend ten tijde van het akoestisch en bouwtechnisch onderzoek, en
- b. volgens de geluidcontour in dB voor Schiphol een geluidbelasting van 60 dB of hoger ondervindt en door middel van akoestisch en bouwtechnisch onderzoek is vastgesteld dat de geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie lager is dan artikel 10, eerste lid, voorschrijft, en
- c. waaraan geen geluidwerende maatregelen zijn aangebracht onder het project Geluidsisolatie Schiphol fase I op grond van de Regeling geluidwerende voorzieningen, of de projecten Geluidsisolatie Schiphol fase II of fase III op grond van de Regeling geluidwerende voorzieningen 1997.
Onverminderd het eerste lid, kunnen op ’s rijks kosten geluidwerende maatregelen worden aangebracht aan woningen die onderdeel uitmaken van hetzelfde woonblok met woningen binnen de geluidcontour in dB voor Schiphol, als dit passend is voor de architectonische uitstraling van het geheel en de uitvoeringskosten van de woningen buiten die contour in redelijke verhouding staan tot de uitvoeringskosten van de woningen in datzelfde woonblok binnen die contour.
Artikel 3. (Situaties waarin onder bepaalde voorwaarden geluidwerende maatregelen worden aangebracht)
Tot het van rijkswege aanbrengen van geluidwerende maatregelen wordt niet overgegaan voordat de uitwendige scheidingsconstructie, binnen een door de minister gestelde redelijke termijn, door en op kosten van de eigenaar van de woning in overeenstemming is gebracht met de onder a, bedoelde geluidweringsvoorschriften, indien uit het in artikel 8 bedoelde onderzoek blijkt dat:
- a. de waarde van de geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie van de geluidgevoelige ruimten van een woning, bedoeld in artikel 2, eerste lid, meer dan 2 dB lager is dan de waarde die bereikt had moeten worden op grond van de geluidweringsvoorschriften ingevolge het Besluit geluidwering gebouwen of het Bouwbesluit, en
- b. de geluidbelasting tenminste 0,5 dB hoger is dan op de datum waarop de vergunning voor het bouwen krachtens welke de woning is gebouwd, is verleend.
Indien het eerste lid van toepassing is, vinden de werkzaamheden tot het in overeenstemming brengen met de geluidweringsvoorschriften, bedoeld in het eerste lid, onder a, en het van rijkswege aanbrengen van de geluidwerende maatregelen gelijktijdig plaats, indien de eigenaar daarom verzoekt.
Indien uit het in artikel 8 bedoelde onderzoek blijkt dat:
- a. de eigenaar van de in artikel 2, eerste lid, bedoelde woningen is aangeschreven tot het op zijn kosten treffen van maatregelen als bedoeld in hoofdstuk III van de Besluit bouwwerken leefomgeving, en;
- b. die maatregelen verband houden met het kunnen aanbrengen van geluidwerende maatregelen krachtens deze regeling, en;
- c. die maatregelen nog niet zijn aangebracht,
wordt niet tot het van rijkswege aanbrengen van geluidwerende maatregelen overgegaan, tenzij burgemeester en wethouders op verzoek van de eigenaar ermee hebben ingestemd dat het treffen van de onder a bedoelde maatregelen en het aanbrengen van de geluidwerende maatregelen gelijktijdig plaatsvindt.
Artikel 4. (gebreken en achterstallig onderhoud)
Indien uit het in artikel 8 bedoelde onderzoek blijkt dat met betrekking tot de geluidgevoelige ruimten, bedoeld in artikel 2, eerste lid, of de bereikbaarheid van die ruimten, niet is voldaan aan de technische voorschriften voor bestaande bouw zoals opgenomen in het Besluit bouwwerken leefomgeving, wordt niet tot het van rijkswege aanbrengen van geluidwerende maatregelen overgegaan voordat bedoelde ruimten en bereikbaarheid, binnen een door de minister gestelde redelijke termijn, door en op kosten van de eigenaar van de woning in overeenstemming zijn gebracht met die technische voorschriften.
De minister kan het eerste lid buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing gelet op het belang van isolatie van de woning zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
Indien uit het onderzoek blijkt dat met betrekking tot de geluidgevoelige ruimten, bedoeld in artikel 2, sprake is van zichtbare of aantoonbare constructieve gebreken of van achterstallig onderhoud, waaronder niet wordt verstaan aanpassingen die rechtstreeks voortvloeien uit het aanbrengen van de geluidwerende maatregelen, die het aanbrengen van geluidwerende maatregelen in de weg staan, wordt niet tot het van rijkswege aanbrengen van geluidwerende maatregelen overgegaan voordat bedoelde gebreken en achterstallig onderhoud, binnen een door de minister gestelde redelijke termijn, door en op kosten van de eigenaar van de woning zijn opgeheven.
Indien het eerste of het derde lid van toepassing is, vinden de werkzaamheden tot het in overeenstemming brengen met de eisen, bedoeld in het eerste lid, alsmede het opheffen van constructieve gebreken en van achterstallig onderhoud, bedoeld in het derde lid, en het van rijkswege aanbrengen van de geluidwerende maatregelen gelijktijdig plaats, indien de eigenaar daarom verzoekt.
Indien zich gedurende de uitvoering van de werkzaamheden in verband met het aanbrengen van de geluidwerende maatregelen aan de woning milieutechnische of constructieve gebreken openbaren die tot gevolg hebben dat de geluidwerende maatregelen niet doelmatig kunnen worden aangebracht, en het Rijk die gebreken redelijkerwijs niet had behoeven te voorzien, worden de kosten in verband met het opheffen van die gebreken in overleg met de eigenaar op billijke wijze verdeeld tussen de eigenaar en het Rijk.
Artikel 5. (kostenbegrenzing)
De minister kan besluiten geen geluidwerende maatregelen te treffen indien er zwaarwegende bezwaren van bouwkundige aard bestaan tegen het treffen van die maatregelen. Indien andere maatregelen mogelijk zijn om de geluidwering zoveel mogelijk te verbeteren, kan de minister besluiten om die andere maatregelen wel te treffen. Deze andere maatregelen bezitten dan niet de kwaliteit, bedoeld in artikel 10. De eigenaar van de woning heeft de mogelijkheid om op eigen kosten en binnen een redelijke termijn de zwaarwegende bezwaren van bouwkundige aard weg te nemen, waardoor wel geluidwerende maatregelen kunnen worden getroffen die de kwaliteit, bedoeld in artikel 10 bezitten.
Artikel 6. (situaties waarin geen geluidwerende maatregelen worden aangebracht)
Geluidwerende maatregelen worden niet aangebracht aan de in artikel 2, eerste lid, bedoelde woningen, wanneer ten tijde van de bekendmaking van het gevelisolatieprogramma, bedoeld in artikel 7, eerste lid:
- a. vast staat dat de geluidgevoelige ruimten van de betreffende woningen reeds voldoen aan artikel 10, dan wel aan overeenkomstige eisen hadden moeten voldoen op grond van de geluidweringsvoorschriften ingevolge het Besluit geluidwering gebouwen of het Bouwbesluit;
- b. vaststaat dat zij onteigend maar nog bewoond zijn, dan wel de verwachting bestaat dat zij binnen vijf jaar na de bekendmaking van het gevelisolatieprogramma zullen worden of zijn onteigend of dat de bewoning om andere redenen binnen die termijn zal worden gestaakt;
- c. vast staat dat zij niet voor permanente bewoning geschikt of bestemd zijn of daar niet voor worden gebruikt;
- d. vast staat dat zij behoren tot de categorieën woonschepen of woonwagens;
- e. de verwachting bestaat dat zij binnen twee jaar na bekendmaking van het gevelisolatieprogramma of na bekendmaking van een deelproject, door het wijzigen of het vervallen van de geluidcontour voor Schiphol, niet meer binnen de geluidcontour die behoort bij de waarde van 60 dB Lden, als bedoeld in bijlage 1, aanwezig zullen zijn;
Hoofdstuk 3. Procedure
Artikel 7. (gevelisolatieprogramma)
De minister stelt in een gevelisolatieprogramma vast welke woningen, bedoeld in artikel 2, eerste lid, voor het van rijkswege aanbrengen van geluidwerende maatregelen in beschouwing zullen worden genomen. Na vaststelling van het gevelisolatieprogramma, kan de minister deelprojecten vaststellen waarin wordt aangegeven voor welke woningen uit het gevelisolatieprogramma in een daarbij aangegeven periode achtereenvolgens uitvoering wordt gegeven aan de artikelen 8 en 9. De minister kan besluiten voor woningen in een deelproject geen uitvoering te geven aan de artikelen 8 en 9 indien op grond van een besluit tot het wijzigen of vervallen van de geluidcontour voor Schiphol wordt vastgesteld dat de woningen binnen twee jaar na vaststelling van het deelproject niet meer binnen de in bijlage 1 bij deze regeling bedoelde geluidcontour die behoort bij de waarde van 60 dB Lden aanwezig zullen zijn.
Tot het moment waarop een geluidcontour voor Schiphol wordt gewijzigd, wordt een woning door de minister slechts éénmaal voor de toepassing van deze regeling in beschouwing genomen.
De minister stelt de eigenaren van de in het eerste lid bedoelde woningen die voor het van rijkswege aanbrengen van geluidwerende maatregelen in beschouwing worden genomen, hiervan schriftelijk op de hoogte. De minister stelt de eigenaren van de woningen in de geluidcontour Schiphol die ingevolge het eerste lid niet in het isolatieprogramma worden opgenomen, schriftelijk op de hoogte van dit besluit.
In verband met het opstellen en uitvoeren van het gevelisolatieprogramma of deelprojecten, kan de minister burgemeester en wethouders verzoeken met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde woningen in ieder geval de volgende gegevens te verstrekken:
- a. namen en adressen van eigenaren;
- b. kadastrale gegevens;
- c. gegevens uit de registratie met betrekking tot de onroerende-zaakbelasting die de bestemming van de woning betreffen;
- d. tekeningen van woningen;
- e. de verstrekte vergunningen voor het bouwen of het slopen;
- f. een overzicht van de voor de uitvoering van artikel 3 noodzakelijke gegevens.
Artikel 8. (onderzoek)
Aan de in artikel 7, derde lid, eerste volzin, bedoelde eigenaren wordt, zodra de geluidwerende maatregelen aan de woning die is opgenomen in het gevelisolatieprogramma of een deelproject, in uitvoering worden genomen, verzocht binnen drie weken na verzending van de mededeling, schriftelijk toestemming te verlenen tot het uitvoeren van onderzoek.
Indien de toestemming niet volledig of niet binnen de in het eerste lid genoemde termijn is verleend besluit de minister dat het onderzoek niet kan worden uitgevoerd, tenzij deze schriftelijke toestemming binnen twee weken na de mededeling alsnog wordt verleend, en wordt dit de desbetreffende eigenaren schriftelijk medegedeeld.
Indien toestemming tot het uitvoeren van een onderzoek is verleend, draagt de minister na ontvangst zorg voor een onderzoek. Het resultaat van het onderzoek, met in ieder geval de volgende onderwerpen, wordt aan de minister medegedeeld:
- a. een opgave van de geluidgevoelige ruimten;
- b. een inventarisatie van bouwtechnische gegevens die van belang zijn voor het vaststellen van de huidige geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie van de geluidgevoelige ruimten en de eventueel aan te brengen geluidwerende maatregelen;
- c. een opgave van de geluidwerende maatregelen die moeten worden aangebracht om te voldoen aan artikel 10;
- d. indien van toepassing, een raming van de ten laste van de eigenaren komende kosten voor:
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.