Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 3 november 2023, nr. MBO/39770712, houdende regels voor de verstrekking van aanvullende middelen voor de verbetering van de aansluiting van het beroepsonderwijs op de arbeidsmarkt door publiek-private samenwerking (Regeling regionaal investeringsfonds mbo 2024–2027)
Gelet op artikel 2.2.3, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, artikel 2.2.3, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES en artikel 5.9 van de Wet voortgezet onderwijs 2020;
Besluit:
Paragraaf 1. Algemene bepalingen
Artikel 1. Begripsbepalingen
In deze regeling wordt verstaan onder:
- arbeidsorganisatie: eenheid, ongeacht haar rechtsvorm, die economische activiteiten uitoefent;
- beoordelingscommissie: commissie als bedoeld in artikel 18;
- bevoegd gezag: bevoegd gezag als bedoeld in artikel 1.1.1 van de WEB, artikel 1.1.1 van de WEB BES of artikel 1 van het Besluit Saba Comprehensive School en Gwendoline van Puttenschool BES;
- DUS-I: Dienst Uitvoering Subsidies aan Instellingen;
- georganiseerd bedrijfsleven: representatieve organisatie van werkgevers of representatieve organisatie van werknemers;
- minister: Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;
- O&O-fonds: Opleidings- en Ontwikkelfonds, opgericht bij een bij de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangemelde collectieve arbeidsovereenkomst;
- onderwijsinstelling:
- a. instelling als bedoeld in artikel 1.1.1 van de WEB of artikel 1.1.1 van de WEB BES, voor zover het bekostigde beroepsopleidingen betreft; of
- b. school als bedoeld in het Besluit Saba Comprehensive School en Gwendoline van Puttenschool BES, voor zover het bekostigd CVQ-onderwijs betreft als bedoeld in artikel 10 van dat besluit;
- publiek-private samenwerking: samenwerking tussen in ieder geval een onderwijsinstelling en een arbeidsorganisatie;
- regionale overheid: provincie, gemeente of waterschap;
- samenwerkingsverband: samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 10;
- voortgangsrapportage: voortgangsrapportage als bedoeld in artikel 24;
- website van DUS-I: www.dus-i.nl;
- WEB BES: Wet educatie en beroepsonderwijs BES.
Artikel 2. Toepassing Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS
Deze regeling geldt in aanvulling op de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS.
Artikel 3. Doel van de regeling
Het doel van deze regeling is het beschikbaar stellen van geld ten behoeve van samenwerkingsverbanden die bestaan uit publieke en private partijen en die ten doel hebben de aansluiting van het middelbaar beroepsonderwijs op de behoefte van de arbeidsmarkt te verbeteren.
Artikel 4. Registratie
Partijen die willen samenwerken in een samenwerkingsverband, kunnen zich laten registreren bij DUS-I. De belangstelling voor deelname wordt kenbaar gemaakt met gebruikmaking van een formulier op de website van DUS-I.
Artikel 5. Subsidieplafond
Voor subsidieverstrekking op grond van deze regeling is voor de kalenderjaren 2024 tot en met 2027 in totaal € 66.000.000,– beschikbaar.
De hoogte van het subsidieplafond per kalenderjaar wordt jaarlijks bekend gemaakt in de Staatscourant.
Bij de bekendmaking van het subsidieplafond maakt de minister de verdeling van het subsidiebedrag over de aanvraagperiodes per kalenderjaar bekend. Indien het bedrag voor subsidieverstrekking voor de eerste periode binnen het betreffende kalenderjaar door subsidietoewijzingen niet wordt uitgeput, wordt dit bedrag toegevoegd aan het subsidiebedrag voor de tweede aanvraagperiode van het kalenderjaar.
Paragraaf 2. Subsidie voor duurzame publiek-private samenwerking
Artikel 6. Subsidieverstrekking
De minister kan op aanvraag aan een bevoegd gezag van een onderwijsinstelling subsidie verstrekken voor een duurzame publiek-private samenwerking die ten doel heeft de aansluiting van het middelbaar beroepsonderwijs op de behoefte van de arbeidsmarkt te verbeteren.
De subsidie bedraagt ten minste € 250.000,– en ten hoogste € 2.500.000,– per subsidieaanvraag.
Een aanvraag tot subsidieverlening voor een bedrag van minder dan € 250.000,– of meer dan € 2.500.000,– wordt afgewezen.
In afwijking van het tweede en derde lid geldt de minimale ondergrens van € 250.000,– niet voor een subsidieaanvraag van een bevoegd gezag van een school als bedoeld in het Besluit Saba Comprehensive School en Gwendoline van Puttenschool BES, voor zover zij bekostigd CVQ-onderwijs verzorgt als bedoeld in artikel 10 van dat besluit.
De subsidie wordt verstrekt voor een periode van vier of vijf kalenderjaren, gerekend vanaf de start van het project.
Voor subsidieontvangers in Caribisch Nederland wordt het subsidiebedrag omgerekend in US-dollars tegen de jaarlijks vastgestelde wisselkoers.
Onverminderd het eerste lid, kan een publiek-private samenwerking waaraan een instelling voor hoger onderwijs deelneemt mede als doel hebben het ontwikkelen van een Associate-degreeprogramma als bedoeld in artikel 7.8a van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, indien de instelling voor hoger onderwijs bijdraagt aan de cofinanciering, bedoeld in artikel 11.
Artikel 7. Subsidieaanvraag
De subsidieaanvraag heeft betrekking op:
- a. een publiek-private samenwerking waarvoor niet eerder subsidie is verstrekt op grond van deze regeling; of
- b. het door verbreding of verdieping aanzienlijk uitbreiden van een bestaande publiek-private samenwerking.
Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt eenmalig toegekend en kan enkel worden toegewezen, indien:
- a. voor het samenwerkingsverband eerder subsidie is verstrekt op grond van de Regeling regionaal investeringsfonds mbo 2014–2018 of van de Regeling regionaal investeringsfonds mbo 2019–2022 en de betreffende subsidieperiode succesvol is afgerond;
- b. aan het samenwerkingsverband nog ten minste 50 procent van de partijen deelnemen die aan het einde van de subsidieperiode, bedoeld in onderdeel a, deelnamen aan de samenwerking; en
- c. de aanvraag in ieder geval betrekking heeft op onderzoekende vaardigheden of praktijkgericht onderzoek.
De subsidieperiode van een project als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, is succesvol afgerond indien uit de evaluatie van het project in ieder geval blijkt dat:
- a. het project in termen van ontwikkeling en doelrealisatie succesvol is geweest; en
- b. het project ook na afronding van de betreffende subsidieperiode duurzaam wordt voortgezet.
Artikel 8. Aanvraag project entreeopleiding
Indien een aanvraag in overwegende mate tot doel heeft de aansluiting van een entreeopleiding, bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel a, van de WEB, dan wel een assistentenopleiding, bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel a, van de WEB BES op de arbeidsmarkt te verbeteren:
- a. bedraagt de subsidie, in afwijking van artikel 11, tweede lid, ten hoogste 50 procent van de meerjarenbegroting;
- b. bedraagt de cofinanciering door de partijen bedoeld in artikel 11, derde lid, ten minste 25 procent en ten hoogste 50 procent van de meerjarenbegroting en is in geld of in geld waardeerbaar;
- c. bedraagt de cofinanciering door de partijen bedoeld in artikel 11, vierde lid, en bedoeld in onderdeel a, ten hoogste 25 procent van de meerjarenbegroting en is in geld of in geld waardeerbaar; en
- d. is de cofinanciering door de aanvragende onderwijsinstelling uitsluitend in geld en bedraagt deze ten hoogste 10 procent van de meerjarenbegroting.
Indien dit bijdraagt aan het doel van het project kan de doorstroom van een entreeopleiding naar een basisberoepsopleiding deel uitmaken van de aanvraag.
Artikel 9. Niet subsidiabel
Op grond van deze regeling wordt geen subsidie verstrekt voor:
- a. kosten voor afschrijving van nieuwbouw en verbouw die niet voldoen aan artikel 15, zesde lid, kosten van leegstand van gebouwen, dan wel loonverletkosten van personeel;
- b. activiteiten die zijn gefinancierd vanuit de rijksbijdrage voor de betreffende instelling, bedoeld in artikel 2.2.1 van de WEB;
- c. activiteiten die zijn gefinancierd vanuit de rijksbijdrage voor de betreffende instelling, bedoeld in artikel 2.2.1 van de WEB BES;
- d. activiteiten die voor het tijdstip van indienen van de aanvraag hebben plaatsgevonden; en
- e. activiteiten die gesubsidieerd worden op grond van een andere ministeriële regeling.
Artikel 10. Samenwerkingsverband
Onderwijsinstellingen en arbeidsorganisaties werken samen in samenwerkingsverbanden om de duurzame publiek-private samenwerking in het beroepsonderwijs vorm te geven en uit te voeren.
Het samenwerkingsverband kan bestaan uit:
- a. één of meer onderwijsinstellingen;
- b. één of meer arbeidsorganisaties;
- c. het georganiseerde bedrijfsleven;
- d. één of meer O&O-fondsen;
- e. één of meer regionale overheden;
- f. één of meer andere instellingen voor beroepsonderwijs als bedoeld in artikel 1.4.1 van de WEB;
- g. één of meer scholen voor hoger algemeen voortgezet onderwijs of voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, als bedoeld in de artikelen 2.4 en 2.5 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 of voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs als bedoeld in artikel 2.22 van de Wet voortgezet onderwijs 2020;
- h. één of meer scholen voor praktijkonderwijs als bedoeld in artikel 2.8 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 of een school voor voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 8 van de Wet op de expertisecentra;
- i. één of meer instellingen voor hoger onderwijs als bedoeld in artikel 1.2, onderdeel a, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek; of
- j. andere partijen die bijdragen aan de verbetering van de aansluiting van het middelbaar beroepsonderwijs op de behoefte van de arbeidsmarkt.
In het samenwerkingsverband werken in ieder geval één onderwijsinstelling en in ieder geval één arbeidsorganisatie samen.
Arbeidsorganisaties die nog niet deelnemen aan een samenwerkingsverband kunnen daartoe de wens kenbaar maken bij de onderwijsinstelling in het betreffende samenwerkingsverband. De onderwijsinstelling draagt er in dat geval in redelijkheid zorg voor dat de arbeidsorganisatie in de gelegenheid wordt gesteld om deel te nemen aan het samenwerkingsverband, met inachtneming van de voorschriften van deze regeling.
Artikel 11. Cofinanciering
Subsidie wordt uitsluitend verstrekt indien sprake is van cofinanciering door de partijen in het samenwerkingsverband.
De subsidie bedraagt ten hoogste één derde deel van de meerjarenbegroting.
De cofinanciering door de partijen in het samenwerkingsverband, bedoeld in artikel 10, tweede lid, onderdelen b, c en d, gezamenlijk, bedraagt ten minste één derde en ten hoogste twee derde deel van de meerjarenbegroting en is in geld of in geld waardeerbaar.
De cofinanciering door de partijen in het samenwerkingsverband, bedoeld in artikel 10, tweede lid, onderdelen a en e tot en met j, bedraagt ten hoogste één derde deel van de meerjarenbegroting en is in geld of in geld waardeerbaar. De cofinanciering door de aanvragende onderwijsinstelling is uitsluitend in geld en bedraagt ten hoogste 10 procent van de meerjarenbegroting.
In afwijking van het tweede lid bedraagt de subsidie ten hoogste de helft van de meerjarenbegroting voor zover het een subsidie betreft die betrekking heeft op een samenwerkingsverband in Caribisch Nederland.
Onder cofinanciering wordt niet begrepen:
- a. de reguliere kosten van de arbeidsorganisatie voor de begeleiding van de student gedurende de beroepspraktijkvorming;
- b. de vergoeding voor de student in de beroepspraktijkvorming in de beroepsopleidende leerweg, bedoeld in artikel 7.2.7, derde lid, van de WEB dan wel de beroepsbegeleidende leerweg, bedoeld in artikel 7.2.7, vierde lid, van de WEB; en
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.