Regeling Cultuureducatie met Kwaliteit 2025–2028
gelet op artikel 10, vierde lid van de Wet op het specifiek cultuurbeleid;
gelet op artikel 4:23, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht;
gelet op het Algemeen Subsidiereglement van het Fonds voor Cultuurparticipatie;
met goedkeuring van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 13 november 2023;
besluit:
vast te stellen de: Regeling Cultuureducatie met Kwaliteit 2025–2028 Fonds voor Cultuurparticipatie
Hoofdstuk 1. – Algemene bepalingen
Artikel 1.1. Gebruikte begrippen
- a. Achterstandsscore: de achterstandsscores geven de verwachte onderwijsachterstanden op scholen aan. Aan de hand van deze scores verdeelt het Ministerie van OCW het onderwijsachterstandenbudget over de scholen;
- b. Activiteitenkosten: de kosten die gemaakt worden voor de uitvoering van het project. Deze kosten staan in directe relatie tot het werk van en in samenwerking met het onderwijs en culturele partners. De kosten voor coördinatie, kennisdeling, monitoring, evaluatie en accountantskosten vallen niet onder de activiteitenkosten;
- c. Adhesieverklaring: schriftelijke steunbetuiging van een gemeente of provincie aan de penvoerder, het inhoudelijke plan en begroting die passen binnen het programma Cultuureducatie met Kwaliteit 2025–2028;
- d. Adviescommissie: een interne of externe adviescommissie zoals bedoeld in het Huishoudelijk Reglement van Stichting Fonds voor Cultuurparticipatie;
- e. Activiteit: Een specifieke handeling of bezigheid die door de aanvrager wordt geiniteerd en door, of met, de doelgroep (een individu, groep of organisatie) wordt uitgevoerd om een specifieke outcome te bereiken. Denk hierbij aan het brainstorms, repetities, coachingsessies, bijeenkomsten, presentaties etc.
- f. Algemeen Subsidiereglement: Algemeen Subsidiereglement Fonds voor Cultuurparticipatie 2021;
- g. Beleidsprogramma Cultuureducatie met Kwaliteit: programma geïnitieerd door het Ministerie van OCW. Dit programma waarborgt de landelijke kwaliteit van cultuureducatie in het onderwijs;
- h. Caribisch deel van het Koninkrijk: de landen Aruba, Curaçao, Sint-Maarten en de drie openbare lichamen Bonaire, Sint-Eustatius en Saba;
- i. Coördinerende werkzaamheden: organisatorische werkzaamheden voor het voeren van penvoerderschap;
- j. Cultuureducatie: (de sector die zich kenmerkt door) het doelbewust leren over en door middel van kunst en erfgoed binnen de school of in de directe omgeving van de school.
- k. Culturele codes: de Code Diversiteit & Inclusie, de Fair Practice Code en de Governance Code Cultuur;
- l. Culturele instelling: een instelling die zich inzet binnen de kunst en/of cultuursector en zich alszodanig heeft kenbaar gemaakt bij de inschrijving bij de Kamer van Koophandel of soortgelijke organisatie.
- m. Cultuur: (De sector die zich kenmerkt door) het dynamische geheel van normen, waarden, tradities, regels, kunstuitingen, erfgoed, identiteiten enz. van een volk, gemeenschap of groep die tot stand komen door sociale en artistieke processen.
- n. Effect: zie ‘outcome’.
- o. Europees Nederland: Nederland, zonder de drie openbare lichamen Bonaire, Sint-Eustatius en Saba;
- p. Fonds: stichting Fonds voor Cultuurparticipatie;
- q. Festival: Een samenhangend publiekelijk programma (incl. concoursen en manifestaties) dat, gedurende een in de tijd beperkte periode en niet vaker dan één keer per jaar, onder een gemeenschappelijke noemer plaatsvindt. Dit programma heeft als doel de presentatie en uitwisseling van (inter)nationale kunst, cultuur en erfgoed, om zo bij te dragen aan kennisontwikkeling voor de relevante Nederlandse sector.
- r. Gemeenten: de deelnemende gemeenten aan CmK zoals opgenomen in bijlage 1 bij deze regeling;
- s. Intentieverklaring: een brief waarin het Rijk en de matchende gemeente of provincie met elkaar de intentie uitspreken om de financiering voor Cultuureducatie met Kwaliteit 2025–2028 te verzorgen en de doelstellingen uit de regeling te onderschrijven;
- t. Instelling: Rechtspersoonlijkheid zonder winstoogmerk, bijvoorbeeld een stichting of vereniging. Overheden en eenmanszaken zijn hier per definitie uitgesloten.
- u. Instrument: een materiëel of immateriëel middel, methodiek of systeem dat binnen een project wordt gebruikt om activiteiten en processen herhaaldelijk uit te voeren, zoals bijvoorbeeld een muziekinstrument, het planningsdocument, een digitale platform of hoorversterkers.
- v. Kansengelijkheid: kinderen en jongeren met dezelfde talenten hebben recht op gelijke kansen. Ieder kind moet zich volledig kunnen ontwikkelen. De achtergrond, het opleidingsniveau van ouders, de plek waar ze wonen of hun financiële situatie mogen geen invloed hebben op de schoolprestaties van een kind;
- w. Koninkrijk der Nederlanden: Nederland, Aruba, Curaçao, Sint-Maarten en de openbare lichamen Bonaire, Sint-Eustatius en Saba;
- x. Kunst: (De sector die zich kenmerkt door) de materiele of immateriele uitingen binnen of rondom geformaliseerde disciplines, elk met zijn eigen geformaliseerde technieken, tradities en kenmerken, zoals erfgoed, film, podiumkunsten, beeldende kunsten, letteren, vormgeving, architectuur, digitale cultuur etc.
- y. Meerjarige subsidie: subsidie van het Fonds die wordt toegekend aan instellingen om te werken aan zijn eigen rol en functie in het stelsel, middels een of meerdere programma's zoals in de aanvraag omschreven en die doelgericht zijn en bijdragen aan het realiseren van de subsidiedoelstellingen van het fonds.
- z. Ministerie van OCW: Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
- aa. Nederland: Europees Nederland en de openbare lichamen Bonaire, Sint-Eustatius en Saba;
- bb. Onderwijs: (De sector die zich kenmerkt door) de georganiseerde communicatie van niet-incidentele aard met als doel overdracht van kennis, vermeerdering van inzicht en/of aanleren van vaardigheden. Specifiek spreken we over het primair onderwijs, voortgezet onderwijs, middelbaarberoepsonderwijs, hoger onderwijs, speciaal en wetenschappelijk onderwijs.
- cc. Penvoerder: een culturele instelling die voor zichzelf, en in samenwerking met andere culturele instellingen en het onderwijs, een plan indient. De penvoerder is de aanvrager en degene met wie het Fonds voor Cultuurparticipatie de subsidierelatie aangaat. De penvoerder is daardoor volledig verantwoordelijk voor de naleving van de subsidieverplichtingen en voor de financiële en inhoudelijke subsidieverantwoording.
- dd. Proces: het bedenken, onderzoeken, experimenteren, herzien en verfijnen van activiteiten en instrumenten, waarbij een voortdurende dialoog tussen ideeën en realisatie ontstaat om een specifieke outcome te bereiken.
- ee. Professional: een individu die (1) ten minste een part-time aanstelling een organisatie heeft, (2) vakbekwaam is geacht door af te studeren aan een erkende opleiding, (3) als zelfstandige ten minste drie jaar als ondernemer inschreven staat bij de Belastingdienst en Kamer van Koophandel, of een vergelijkbare organisatie of (4) financiering ontvangen van op professionals gerichte instanties zoals Rijkscultuurfondsen.
- ff. Regeling: Een subsidieregeling van het fonds, zoals gepubliceerd in de Staatscourant en op de eigen website, waarbinnen aanvragen gehonoreerd kunnen worden met een subsidie.
- gg. Sector: Een deel van de maatschappij waarin vergelijkbare of verwante processen worden ondernomen door een scala aan actoren, zoals instellingen, overheidsinstanties, non-profitorganisaties, bedrijven en individuen. Deze processen kunnen variëren van productie en distributie tot dienstverlening en beleidsvorming.
- hh. Subsidie: Een financiële bijdrage of toekenning van middelen door het fonds aan een aanvrager op basis van een gehonoreerde aanvraag.
Artikel 1.2. Doel van de regeling
Het Fonds verstrekt in de periode 2025–2028 meerjarige stimuleringssubsidies. Het doel van deze subsidies is het duurzaam versterken van de kwaliteit van cultuureducatie, onder andere door middel van intensieve samenwerking tussen onderwijs en de culturele sector. Deze samenwerking is gebaseerd op een onderwijskundige visie op cultuureducatie, vergroot de kansengelijkheid van kinderen en jongeren en stelt de culturele ontwikkeling van leerlingen en studenten centraal.
Artikel 1.3. Subsidieperiode
Subsidie wordt verstrekt voor een periode van vier kalenderjaren, namelijk van 2025 tot en met 2028.
Artikel 1.4. Subsidieplafond en beschikbare bedragen
Het subsidieplafond voor het totaal van de aanvragen is € 15.231.238 per kalenderjaar.
Voor aanvragen van penvoerders uit de provincies en gemeenten is per kalenderjaar beschikbaar:
- a. per provincie € 0,85 per inwoner, met aftrek van de inwoners waarvoor gemeenten reeds een bijdrage ontvangen;
- b. per gemeente € 0,85 per inwoner.
Het aantal inwoners van een provincie of gemeente wordt voor de volledige looptijd van de regeling vastgesteld op basis van de CBS-gegevens van 1 januari 2023.
Subsidie wordt verleend onder voorbehoud van verstrekking van de bijbehorende middelen door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
- a. Het Fonds kan het vastgestelde subsidieplafond verhogen of verlagen.
- b. Een besluit tot het vaststellen, verhogen of verlagen van een subsidieplafond wordt bekendgemaakt via de website van het Fonds.
Artikel 1.5. Matching met provincie en gemeente
De aan het Fonds gevraagde subsidie bedraagt de som van het aantal inwoners per provincie of gemeente, vermenigvuldigd met € 0,85 per jaar. Indien er gerekend wordt met de som van het aantal inwoners per provincie worden de gemeenten of regio's die zelfstandig penvoerderschap voeren niet meegerekend. Het bedrag wordt gematcht door de provincie of gemeente.
In afwijking van het eerste lid kan in bijzondere gevallen worden afgeweken van het bedrag. In de intentieverklaring maken het Rijk en de matchende overheden hier dan een afspraak over.
De subsidie van het Fonds bedraagt nooit meer dan 100% van de bijdrage afkomstig van provincie of gemeente.
Het door provincie of gemeente gematchte bedrag mag niet afkomstig zijn uit de onderwijsmiddelen die scholen van het Rijk ontvangen. Ook kunnen de middelen die verbonden zijn aan de Brede Specifieke Uitkering of het programma School en Omgeving niet als matching worden opgevoerd.
Het door provincie of gemeente gematchte bedrag mag mede worden gefinancierd door andere partners.
Hoofdstuk 2. – Weigeringsgronden en voorwaarden
Artikel 2.1. Weigeringsgronden
Het Fonds weigert in ieder geval subsidie als voor dezelfde activiteiten in dezelfde periode reeds subsidie is of zal worden verleend:
- a. op grond van de regeling op het specifiek cultuurbeleid;
- b. door het Fonds; of
- c. door een van de andere Rijkscultuurfondsen.
Subsidie kan worden geweigerd op basis van inhoudelijke gronden, of
- a. als door de betreffende provincie of gemeente aan het Ministerie van OCW geen positieve intentieverklaring afgegeven is in antwoord op de brief ‘matchingsverzoek’ van de staatssecretaris voor deelname aan deze regeling;
- b. als de aanvraag niet vergezeld gaat met een adhesieverklaring zoals bedoeld in artikel 3.6;
- c. als de aanvrager in de voorgaande twee jaar niet heeft voldaan aan een of meer aan een subsidie van het Fonds verbonden voorwaarden of verplichtingen. Daaronder vallen in elk geval ook: het juist en tijdig afronden van de gesubsidieerde activiteiten, het tijdig melden van relevante veranderingen in de uitvoering en het juist en tijdig verantwoorden van de activiteiten;
- d. als de aanvraag geen uitsluitsel geeft over de mate waarin scholen inhoudelijk en financieel betrokken zijn, doordat de financiële inzet van de scholen niet wordt toegelicht;
- e. als meer dan 10% van de activiteitenkosten is bestemd voor coördinatiekosten;
- f. als de aanvrager een eigen subsidieregeling inricht ter besteding van de verkregen subsidie van het Fonds;
- g. als de aanvraag onvoldoende concreet is met betrekking tot de uit te voeren activiteiten;
- h. als de aanvrager in de aanvraag niet verklaart de navolgende codes te onderschrijven: Governance Code Cultuur, Fair Practice Code en Code Diversiteit & Inclusie;
- i. als de aanvraag niet aan het bepaalde in deze regeling voldoet;
- j. als sprake is van een in artikel 4:35 Algemene wet bestuursrecht opgenomen weigeringsgrond.
Artikel 2.2. Voorwaarden
De aanvrager dient aan te tonen dat hij in 2020, 2021 en 2022 subsidie heeft ontvangen van de lokale overheid, tenzij dit reeds bekend is bij het Fonds.
De aanvrager die niet kan voldoen aan het bepaalde in het eerste lid, kan desondanks een aanvraag indienen als de aanvrager:
- a. beschikt over een adhesieverklaring van de betrokken gemeente of provincie waarin deze het vertrouwen in het duurzame potentieel van de penvoerder uitspreekt; of
- b. voortkomt uit een fusie van instellingen waarvan in ieder geval één instelling voorheen structureel werd gesubsidieerd.
Artikel 2.3. Aanvullende voorwaarden
De penvoerder, scholen en culturele instellingen zijn verplicht samen te werken met een of meerdere instellingen voor hoger onderwijs.
Alleen als een penvoerder, naar het oordeel van het Fonds, voldoende gemotiveerd kan toelichten dat een samenwerking met een instelling voor hoger onderwijs redelijkerwijs niet haalbaar is, kan het Fonds ertoe overgaan de in het eerste lid bedoelde samenwerking niet verplicht te stellen.
Artikel 2.4. Beperking
Een instelling die op basis van deze regeling subsidie ontvangt, kan voor de activiteiten waarop die subsidie betrekking heeft, in de periode waarop die subsidie betrekking heeft, geen aanspraak maken op subsidie voor deze activiteiten op basis van andere regelingen van het Fonds.
Hoofdstuk 3. – De aanvraag
Artikel 3.1. De aanvrager
Een aanvraag voor een meerjarige subsidie kan uitsluitend worden ingediend door een culturele instelling gevestigd in Europees Nederland.
Artikel 3.2. Waarvoor kan worden aangevraagd
Een aanvraag voor meerjarige subsidie wordt ingediend voor het organiseren van het duurzaam versterken van de kwaliteit van cultuureducatie, onder andere door middel van intensieve samenwerking tussen onderwijs en de culturele sector. De samenwerking is gebaseerd op een onderwijskundige visie op cultuureducatie, vergroot de kansengelijkheid van kinderen en jongeren en stelt de culturele ontwikkeling van de leerling en student centraal. Het doel wordt gerealiseerd door middel van:
- a. duurzame kwaliteitsverbetering van cultuureducatie door samenwerking tussen het onderwijs, te weten het primair onderwijs, voortgezet onderwijs, middelbaar beroepsonderwijs en speciaal onderwijs, met de culturele omgeving. Aansluiting bij de curriculumvernieuwingen binnen het leergebied Kunst en Cultuur is hierbij voorwaardelijk voor de duurzaamheid; en
- b. het vergroten van de deskundigheid van zowel leerkrachten, docenten, culturele partners als penvoerders ten aanzien van cultuureducatie.
Subdoelen, en daarmee facultatief na te streven, zijn de volgende:
- a. Het ontwikkelen van integrale cultuureducatie in verbinding met andere vakken;
- b. Het verbinden van binnen- en buitenschools om daarmee de culturele omgeving dichter bij de leerling en student te brengen.
Artikel 3.3. Beoordelingscriteria
Aanvragen worden beoordeeld aan de hand van de volgende criteria:
- a. de ontwikkeling van cultuureducatie;
- b. de verankering van cultuureducatie in het onderwijs;
- c. de kwaliteit van de aanvraag; en
- d. de kwaliteit van de samenwerking.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.