Regeling van de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs van 16 november 2023, nr. PO/42234368, houdende regels met betrekking tot subsidieverstrekking aan de Stichting Nederlands Onderwijs in het Buitenland voor de jaren 2024 tot en met 2028 (Regeling Stichting Nederlands Onderwijs in het Buitenland 2024–2028)

Type Ministeriële regeling
Publication 2023-12-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op de artikelen 4, 5 en 10 van de Wet overige OCW-subsidies en de artikelen 1.3 en 2.1 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS;

Besluit:

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

Artikel 2. Toepassing Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS
1.

Deze regeling geldt in aanvulling op de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS.

Artikel 3. Te subsidiëren activiteiten
1.

De Minister verstrekt aan de stichting voor de kalenderjaren 2024 tot en met 2028 instellingssubsidie voor:

2.

Onder de in het eerste lid, onder a, bedoelde activiteiten wordt ten minste verstaan:

3.

De in het eerste lid, onderdelen a en b, bedoelde activiteiten zijn bedoeld voor leerlingen van ouders afkomstig uit de Europese Unie en zijn gericht op aansluiting van deze leerlingen bij het Nederlandstalig onderwijs in Nederland en België, mits de leerlingen:

Artikel 4. Subsidie
1.

De Minister verstrekt leerlinggebonden subsidie aan de rechtspersoon die een tot de ondersteuning toegelaten onderwijsvoorziening in stand houdt.

2.

Eén deel van de leerlinggebonden subsidie aan de onderwijsvoorziening wordt per kalenderjaar toegekend per leerling als bedoeld in artikel 3, derde lid, die op 1 oktober van enig jaar staat ingeschreven bij de onderwijsvoorziening, bedoeld in artikel 9, tweede lid. De hoogte van dit bedrag per subsidiabele leerling wordt per kalenderjaar berekend door 85% van het totale voor subsidieverstrekking beschikbare bedrag, bedoeld in artikel 7, tweede lid, te delen door het totaal aantal subsidiabele leerlingen van alle tot de ondersteuning toegelaten onderwijsvoorzieningen.

3.

Het aanvullende deel, 15% van het totale voor subsidieverstrekking beschikbare bedrag, bedoeld in artikel 7, tweede lid, wordt per kalenderjaar toegekend aan onderwijsvoorzieningen waar op locatie les wordt gegeven gelegen buiten het Nederlands en Belgisch grondgebied. De hoogte van dit bedrag per onderwijsvoorziening wordt per kalenderjaar vastgesteld naar rato van het aantal leerlingen dat bij de onderwijsvoorziening staat ingeschreven, bedoeld in artikel 9, tweede lid.

4.

Aan de directeur-bestuurder van de stichting wordt mandaat verleend tot het nemen van besluiten namens de Minister inzake de subsidie, bedoeld in dit artikel.

5.

De directeur-bestuurder van de stichting kan ondermandaat verlenen aan één of meer onder hem ressorterende medewerkers.

Artikel 5. Beoordeling toelating onderwijsvoorziening
1.

De stichting kan een onderwijsvoorziening slechts toelaten indien deze toegankelijk is voor leerlingen van ouders afkomstig uit de Europese Unie, mits de leerlingen Nederlandstalig zijn, in de leeftijd van 2,5 tot en met 18 jaar en zich bevinden buiten het Nederlands en Belgisch grondgebied.

2.

De stichting kan een onderwijsvoorziening slechts toelaten indien deze bereid is zich onder het toezicht door de toezichthouder te plaatsen en om deze toegang te verlenen tot de onderwijsvoorziening.

3.

De stichting beoordeelt aan de hand van door haar vast te stellen criteria welke onderwijsvoorzieningen tot de ondersteuning bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder a, worden toegelaten.

4.

De criteria hebben in ieder geval betrekking op:

5.

De criteria worden eerst na overleg met de Minister en na advies van de toezichthouder vastgesteld.

6.

De stichting publiceert de criteria op haar website.

Artikel 6. Toezichthouder
1.

Als toezichthouder als bedoeld in artikel 10 van de Wet overige OCW-subsidies en belast met het toezicht op de naleving van deze regeling wordt aangewezen: de inspecteur-generaal van het onderwijs en de ambtenaren van de Inspectie van het onderwijs die zijn belast met de uitoefening van de taken, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet op het onderwijstoezicht.

2.

De stichting draagt er zorg voor dat de toezichthouder zijn werkzaamheden zodanig kan uitvoeren dat hij in voldoende mate toezicht kan uitoefenen op de tot de ondersteuning toegelaten onderwijsvoorzieningen.

3.

De Minister stelt na overleg met de stichting en in overeenstemming met de toezichthouder vast wat in ieder geval behoort tot de werkzaamheden van de toezichthouder als bedoeld in het eerste lid. De toezichthouder hanteert bij haar toezichtactiviteiten de door de Minister vastgestelde onderzoekskaders Nederlands onderwijs in het buitenland.

Artikel 7. Subsidieplafond
1.

De subsidie ten behoeve van de in artikel 3, eerste lid, onder a, bedoelde activiteiten bedraagt ten hoogste € 2.708.120,00 per kalenderjaar.

2.

De subsidie ten behoeve van de in artikel 3, eerste lid, onder b, bedoelde activiteiten bedraagt ten hoogste € 4.044.439,00 per kalenderjaar.

3.

De subsidie ten behoeve van de in artikel 3, eerste lid, onder c, bedoelde activiteiten bedraagt ten hoogste € 120.710,00 per kalenderjaar.

4.

De subsidie ten behoeve van de in artikel 3, eerste lid, onder d, bedoelde activiteiten bedraagt ten hoogste € 328.845,00 per kalenderjaar.

5.

Met ingang van het kalenderjaar 2024 kunnen de genoemde bedragen in telkens worden bijgesteld met het percentage dat de Minister van de Minister van Financiën in het voorgaande kalenderjaar voor loonbijstelling heeft ontvangen, mits de Minister deze heeft ontvangen.

Artikel 8. Egalisatiereserve
1.

De stichting vormt een egalisatiereserve als bedoeld in de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS.

2.

De egalisatiereserve bedraagt ten hoogste 10% van de bedragen, bedoeld in artikel 7, eerste, derde en vierde lid, dat door de Minister bij de beschikking tot verlening is bepaald.

Artikel 9. Subsidieaanvraag en betaling
1.

In afwijking van artikel 8.2 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS dient de stichting uiterlijk zes weken voor de aanvang van het kalenderjaar waarvoor de subsidie wordt aangevraagd een aanvraag in tot subsidieverlening voor het daaropvolgende kalenderjaar aan de hand van een sluitende begroting en een activiteitenplan. De subsidieaanvraag kan worden ingediend met het digitale aanvraagformulier dat te vinden is op de website www.dus-i.nl.

2.

In de begroting neemt de stichting in ieder geval een overzicht op van het aantal leerlingen per onderwijsvoorziening dat in aanmerking komt voor de leerlinggebonden subsidie, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder b, op 1 oktober van het kalenderjaar dat voorafgaat aan het kalenderjaar waarover de subsidie wordt verstrekt.

3.

Voor zover van toepassing in afwijking van artikel 8.4 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS wordt de subsidie betaald in maandelijkse gelijke termijnen met uitzondering van de subsidie bedoeld onder artikel 3, eerste lid, onder b, die uiterlijk op 1 februari in zijn geheel worden betaald.

Artikel 10. Subsidievaststelling
1.

Onverminderd artikel 7.8 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS neemt de stichting in het activiteitenverslag in ieder geval een overzicht op van het vastgestelde aantal leerlingen per onderwijsvoorziening dat in aanmerking komt voor de leerlinggebonden subsidie, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder b, op 1 oktober van het kalenderjaar waarop het activiteitenplan betrekking heeft.

2.

Een afschrift van het activiteitenverslag wordt gezonden aan de toezichthouder.

Artikel 11. ABP-status
1.

Het personeel dat wordt aangesteld in dienst van de stichting is deelnemer in de Stichting Pensioenfonds ABP in de zin van de statuten van de Stichting Pensioenfonds ABP op grond van het bepaalde in de Wet Privatisering ABP.

2.

Jaarlijks overlegt de stichting een verklaring dat alle over het voorafgaande kalenderjaar aan de Stichting Pensioenfonds ABP verschuldigde pensioenbijdragen voor het personeel in dienst van de stichting zijn voldaan.

Artikel 12. Overgangsbepaling

Belgische onderwijsvoorzieningen met een fysieke leslocatie in België die op grond van de Regeling Stichting Nederlands Onderwijs in het Buitenland 2014-2018 waren aangemerkt als onderwijsvoorziening, kunnen tot de ondersteuning toegelaten blijven zolang zij voldoen aan de criteria, bedoeld in artikel 5. Zij komen echter niet in aanmerking voor de leerlinggebonden subsidie, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder b, of voor andere financiële middelen.

Artikel 13. Inwerkingtreding en vervaldatum
1.

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

2.

Deze regeling vervalt met ingang van 1 januari 2029.

Artikel 14. Intrekking

De Regeling Stichting Nederlands Onderwijs in het Buitenland 2019-2023 vervalt.

Artikel 15. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling Stichting Nederlands Onderwijs in het Buitenland 2024–2028.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.