Aanwijzing kader voor toepassing van voorwaarden, gedragsaanwijzingen en maatregelen
Samenvatting
Deze aanwijzing voorziet in een algemeen kader voor de toepassing van voorwaarden, gedragsaanwijzingen of maatregelen in het strafproces. Ondanks de verschillen zijn op deze voorwaarden, gedragsaanwijzingen en maatregelen de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, van bepaaldheid en van uitvoerbaarheid van toepassing. Deze aanwijzing gaat in op de toepassing van deze algemene uitgangspunten.
Verder geeft deze aanwijzing concrete handvatten met betrekking tot de gedragsaanwijzing ex art. 509hh Sv, de vrijheidsbeperkende maatregel ex art. 38v Sr en de gratie onder voorwaarden ex art. 13 Gratiewet.
1. Inleiding
Het Openbaar Ministerie (OM) heeft verschillende mogelijkheden om in de diverse fasen van het strafproces het gedrag van verdachten of veroordeelden te beïnvloeden en/of hun vrijheid te beperken, middels het stellen of vorderen van voorwaarden, gedragsaanwijzingen of maatregelen. Dat brede arsenaal is van groot belang om maatwerk te kunnen leveren en recht te doen aan de specifieke kenmerken van de zaak of aan de verdachte/veroordeelde. De keerzijde van die veelheid aan mogelijkheden is dat iedere mogelijkheid min of meer andere juridische kaders kent en hierdoor uitvoeringsproblemen kunnen ontstaan. Daarbij komt dat een deel van de praktijk buiten de klassieke sanctionering op basis van de in artikel 9 Sr genoemde straffen, niet door de wetgever genormeerd is. Met deze aanwijzing wordt beoogd de praktijk te vergemakkelijken en te voorzien van een duidelijk kader, teneinde de kwaliteit te bevorderen. Hiertoe wordt voorzien in een overzicht van algemene uitgangspunten die gelden naast de juridische kaders die gelden voor elke voorwaarde, gedragsaanwijzing en maatregel.1Deze aanwijzing vormt de beleidsmatige uitwerking van het advies van de Commissie ‘Rechtstatelijke grenzen en mogelijkheden bij het afdoen van strafbare feiten door het Openbaar Ministerie’, zie bijlage 5 in het onderzoek dat ten behoeve van de commissie is verricht: J. Bijlsma, Het voorwaardelijk sepot. Normering, praktijk, evaluatie (OM-reeks nr. 4), Den Haag: Boom Juridisch 2019.
Achtereenvolgens komen aan de orde:
Omdat niet ten aanzien van elke voorwaarde/gedragsaanwijzing/maatregel beleid is vastgesteld in OM-aanwijzingen geeft deze aanwijzing concrete handvatten voor drie mogelijkheden in het bijzonder. Het gaat dan om de gedragsaanwijzing ex art. 509hh Sv, de vrijheidsbeperkende maatregel ex art. 38v Sr en de voorwaarden ex art. 13 Gratiewet.
Voor het voorwaardelijk sepot ex art. 167 lid 2 en art. 242 lid 2 Sv, de schorsing van de voorlopige hechtenis onder voorwaarden ex art. 80 e.v. Sv, de strafbeschikking met gedragsaanwijzingen ex art. 257a Sv, het vorderen van bijzondere voorwaarden bij de voorwaardelijke veroordeling ex art. 14a e.v. Sr en de voorwaardelijke invrijheidstelling ex art. 15a e.v. Sr zijn die handvatten opgenomen in de aanwijzingen die zien op die mogelijkheden.2Zie de Aanwijzing sepot en gebruik sepotgronden, de Aanwijzing voorwaardelijke straffen en schorsing van voorlopige hechtenis onder voorwaarden, de Aanwijzing OM-strafbeschikking, de Aanwijzing voorwaardelijke invrijheidstelling.
Deze aanwijzing is (vooralsnog) niet gericht op andere voorwaarden / gedragsaanwijzingen / maatregelen dan de drie hierboven genoemde. Jeugdzaken alsmede WED-zaken en zaken tegen rechtspersonen zijn eveneens uitgezonderd.
Waar in deze aanwijzing gesproken wordt over voorwaarde(n) kan ook aanwijzing(en) of maatregel(en) worden gelezen voor zover dat juridisch gezien mogelijk is (zo kunnen sommige voorwaarden niet als aanwijzing of maatregel worden opgelegd of gevorderd).
2. Proportionaliteit en subsidiariteit
Omdat sprake is van strafrechtelijke reacties dient de keuze voor een bepaalde voorwaarde en de wijze waarop deze in een concrete zaak wordt ingevuld, altijd te voldoen aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Daarbij gelden de volgende uitgangspunten:
Voor verdachten/veroordeelden in de categorie ‘straf met zorg’ (verdachten/veroordeelden die problemen hebben op meerdere leefgebieden4Denk hierbij aan verdachten/veroordeelden met problematiek op gebied van huisvesting, psychische problematiek, schulden, verslaving, recidive, enzovoorts.) geldt, indien en voor zover voorwaarden (deels) gericht zijn op bepaalde gedragsproblematiek, dat:
3. Bepaaldheid
Alle op te leggen/te vorderen voorwaarden/aanwijzingen/maatregelen dienen te voldoen aan de eisen van kenbaarheid en voorzienbaarheid. Deze eisen maken deel uit van het bepaaldheidsgebod. Hieronder wordt uiteengezet waar bij het opleggen en vorderen rekening mee moet worden gehouden.
3.1. Concreet en eenduidig
In de bewoordingen van de vordering en de op te leggen voorwaarde(n) is concreet en eenduidig aangegeven:
Bij gedragsaanwijzingen in een OM-strafbeschikking is zo duidelijk mogelijk de omvang aangegeven van de opgelegde verplichting (bijvoorbeeld het aantal uren opleiding dat gevolgd moet worden of het aantal behandelbijeenkomsten).
3.2. Locatieverboden, locatiegeboden, contactverboden
Ten aanzien van locatieverboden geldt dat het voor verdachte/veroordeelde duidelijk dient te zijn voor welke (soort) locatie(s) en gedurende welke momenten het verbod van toepassing is en wat wordt bedoeld met de ‘directe omgeving’.
Als de vordering/oplegging ziet op een locatieverbod met elektronisch toezicht5Elektronisch toezicht is de wettelijke term. In de praktijk wordt voornamelijk elektronische monitoring en soms elektronische controle gebruikt. Internationaal is “electronic monitoring” een gebruikelijke term. Dat geeft beter weer dat er niet alleen sprake is van controle of toezicht, maar bovenal begeleiding en inzet van de enkelbanddata ter ondersteuning van gedragsverandering. dan is het nodig een straal van minimaal 5 km te hanteren en dient bij de vordering/oplegging een kaart van het verboden gebied te worden overhandigd. Wanneer gekozen wordt voor een locatieverbod zonder elektronisch toezicht wordt het verboden gebied duidelijk omschreven en waar nodig en mogelijk aangegeven op een kaart.
Ten aanzien van locatiegeboden geldt dat het voor verdachte/veroordeelde duidelijk dient te zijn voor welke locatie het gebod van toepassing is, wat wordt bedoeld met de ‘directe omgeving’ daarvan, het maximaal aantal uren waarvoor het gebod geldt en hoe de momenten worden vastgesteld waarop het gebod geldt.
Ten aanzien van contactverboden geldt dat duidelijk dient te zijn met welke specifieke perso(o)n(en) of instelling(en) verdachte/veroordeelde geen contact mag hebben. Indien aan de orde geldt dit ook voor contact via social media.
3.3. Verplichting deel te nemen aan een gedragsinterventie
Ten aanzien van de verplichting deel te nemen aan een gedragsinterventie geldt dat duidelijk moet zijn wat de interventie inhoudt of waarop deze gedragsinterventie is gericht.
3.4. Drugs- en alcoholverboden
Bij een drugs- en/of alcoholverbod dient in de gevorderde of opgelegde voorwaarde tevens te zijn opgenomen dat onderdeel van het verbod is dat verdachte/veroordeelde meewerkt aan een middelencontrole.
Een drugs- en/of alcoholverbod wordt niet gevorderd/opgelegd indien de verdachte/veroordeelde te ernstig verslaafd is. In die gevallen dient een voorwaarde tot het ondergaan van een behandeling te worden overwogen.
3.5. Klinische opname, ambulante behandeling en begeleid wonen of maatschappelijke opvang
De naam van de instelling of behandelaar is, voor zover bekend, in de voorwaarde opgenomen en wordt aldus ook gevorderd. Indien dit nog niet duidelijk is op het moment van vorderen dient – met een verwijzing naar de problematiek waarop de opname, behandeling of begeleiding gericht dient te zijn – te worden gevorderd dat verdachte/veroordeelde zich dient te laten opnemen in/behandelen door/begeleiden door een zorginstelling/zorgverlener, bij ambulante behandeling en begeleid wonen of maatschappelijke opvang nader te bepalen door de reclassering. Bij een klinische opname bepaalt DJI/DIZ de zorginstelling na indicatiestelling door het NIFP/IFZ.
Indien het innemen van medicijnen onderdeel kan zijn van behandeling, moet gevorderd worden dat uitdrukkelijk in de voorwaarde wordt opgenomen dat onder de behandeling ook begrepen is het innemen van medicijnen voor zover dat door de behandelaar noodzakelijk wordt geacht. Weigering tot inname van door de behandelaar noodzakelijk geachte medicijnen c.q. weigering tot het meewerken aan middelencontrole kan dan worden beschouwd als het niet voldoen aan de behandelvoorwaarde.
Indien het gaat om een behandeling van een verslaving, dan dient te worden gevorderd dat uitdrukkelijk in de voorwaarde wordt opgenomen dat het meewerken aan middelencontrole onderdeel kan zijn van de behandeling.
3.6. Meewerken aan reclasseringstoezicht
Ten aanzien van de verplichting mee te werken aan reclasseringstoezicht dient duidelijkheid te bestaan over de inhoud van het toezicht en welke inbreuken op de persoonlijke levenssfeer het toezicht met zich brengt. De formulering dat de verdachte/veroordeelde zich moet “houden aan de aanwijzingen” voldoet op zichzelf niet aan de eisen van bepaaldheid.
Het (meewerken aan) reclasseringstoezicht houdt in dat:
De officier van justitie dient bij het vorderen/opleggen duidelijk te maken wat het reclasseringstoezicht inhoudt.
4. Uitvoerbaarheid van het toezicht
Op voorwaarden moet toezicht kunnen worden gehouden. Daarvoor is nodig dat de formuleringen van de voorwaarden voldoende bepaald zijn (zie hoofdstuk 3 hiervoor). Zo is duidelijk waaraan de verdachte/veroordeelde zich moet houden, zodat sprake is van rechtszekerheid en de kans op uitvoeringsproblemen worden gereduceerd. Bij opleggen en vorderen van voorwaarden dient te worden aangesloten bij de standaardformuleringen die binnen de strafrechtketen overeen zijn gekomen, en zoveel mogelijk bij de formulering die de reclassering adviseert.
Met betrekking tot de uitvoerbaarheid van voorwaarden moet onderscheid worden gemaakt tussen een categorie voorwaarden waarbij actief gehandhaafd dient te worden door de reclassering, en voorwaarden waarbij reactieve controle als toezicht voldoende is of andere instanties het toezicht uitvoeren. Bij die eerste categorie voorwaarden ligt het feitelijk toezicht altijd bij de reclassering. Bij die tweede categorie is dat niet altijd het geval. Het gegeven dat niet actief wordt gecontroleerd op de naleving, betekent niet dat deze voorwaarden niet kunnen worden gesteld of gevorderd. Deze voorwaarden kunnen nuttig zijn, omdat indien wordt geconstateerd dat de voorwaarde niet is nageleefd, dit een titel kan vormen om in te grijpen. Niet-naleving van (een) voorwaarde(n) kan immers reden zijn om bijvoorbeeld een vordering tenuitvoerlegging in te dienen, het kan grond zijn om de schorsing van de voorlopige hechtenis op te heffen of er kan alsnog worden gedagvaard.
Onder 4.1. hierna is aangegeven bij welke voorwaarden reclasseringstoezicht dient te worden opgelegd of gevorderd, en wanneer dit achterwege dient te blijven. Daarmee wordt eveneens inzichtelijk gemaakt bij welke voorwaarden in elk geval actief wordt gehandhaafd (namelijk die waarbij reclasseringstoezicht wordt opgelegd of gevorderd).
Voor het stellen of vorderen van voorwaarden met reclasseringstoezicht, is het voor de uitvoerbaarheid nodig dat de reclassering heeft geadviseerd. Het stellen of vorderen van voorwaarden met reclasseringstoezicht zonder dat de reclassering een advies heeft uitgebracht, kan slechts na instemming van de reclasseringsofficier of bij diens afwezigheid een senior officier van justitie. Het OM is terughoudend met het stellen en vorderen van bijzondere voorwaarden die niet door de reclassering in het advies zijn geadviseerd. Sommige voorwaarden kunnen bovendien slechts gesteld of gevorderd op advies van de reclassering of na instemming van de reclasseringsofficier of bij diens afwezigheid een senior officier van justitie (hiervoor wordt verwezen naar de Aanwijzing voorwaardelijke straffen en schorsing van voorlopige hechtenis onder voorwaarden en paragraaf 5.3 van deze aanwijzing).
4.1. Wel of geen reclasseringstoezicht
Op de volgende voorwaarden houdt de reclassering toezicht. Bij deze voorwaarden dient expliciet ook de verplichting om mee te werken aan reclasseringstoezicht te worden gesteld of gevorderd. Dit geldt ook als de verplichting om mee te werken aan reclasseringstoezicht van rechtswege geldt. Voor alle betrokkenen is dan duidelijk dat invulling moet worden gegeven aan het reclasseringstoezicht. Zie ook paragraaf 4.2.:
Als uitsluitend een of meer van de volgende voorwaarden worden opgelegd of gevorderd, is de reclassering niet de instantie die daarop toezicht houdt. In dat geval moet de verplichting om mee te werken aan reclasseringstoezicht niet worden opgelegd/gevorderd:
4.2. Meldplicht bij de reclassering
Bij voorwaarden met reclasseringstoezicht dient altijd een meldplicht bij de reclassering als bijzondere voorwaarde te worden opgelegd/gevorderd. Bij opdracht van de rechter tot reclasseringstoezicht geldt die meldplicht van rechtswege, maar door deze ook dan nadrukkelijk te vorderen, wordt duidelijk dat daaraan volgens het Openbaar Ministerie ook invulling gegeven moet worden.
5. Gedragsaanwijzing, vrijheidsbeperkende maatregel en gratie
5.1. Gedragsaanwijzing ex art. 509hh Sv
Deze gedragsaanwijzing op last van de officier van justitie dient te strekken tot het onmiddellijk voorkomen of beëindigen van strafbaar gedrag dat de openbare orde ernstig verstoort, belastend is voor personen, herhaald gevaar voor goederen oplevert door herhaalde vernielingen dan wel in verband met vrees voor gedrag dat herhaald gevaar voor de gezondheid of het welzijn van dieren oplevert. De gedragsaanwijzing is geen zelfstandige vorm van afdoening maar anticipeert op een rechterlijke beslissing. De gedragsaanwijzing wordt daarom alleen gegeven als op het moment van oplegging het voornemen bestaat de verdachte te dagvaarden. Na een gedragsaanwijzing blijft een sepot met algemene voorwaarde of een strafbeschikking mogelijk.
Art. 509hh lid 2 Sv bevat een limitatieve opsomming van de mogelijk te geven gedragsaanwijzingen, die mogen cumuleren: het gebiedsverbod, het contactverbod, een meldplicht, de verplichting zich te doen begeleiden door de hulpverlening of het bevel geen of minder dieren te houden, dan wel bepaalde diersoorten niet te houden. Er kan geen elektronisch toezicht worden verbonden aan deze gedragsaanwijzingen. De gedragsaanwijzing zich te doen begeleiden door de hulpverlening mag gelet op de bedoeling van de wetgever niet het starten van een behandeling inhouden, maar enkel het bevestigen van lopende contacten met de hulpverlening (niet zijnde begeleiding door de reclassering).
5.2. Vrijheidsbeperkende maatregel ex art. 38v Sr
Art. 38v Sr voorziet in de mogelijkheid tot vordering van vrijheidsbeperkende maatregelen als zelfstandige sanctie via de rechter. Een vrijheidsbeperkende maatregel kan alleen worden gevorderd wanneer de veroordeling wegens een strafbaar feit wordt gevorderd. Dat kan ook als daarvoor geen straf of maatregel wordt geëist op grond van art. 9a Sr.
De maatregel dient te strekken tot beveiliging van de maatschappij of tot voorkoming van strafbare feiten (art. 38v lid 1 Sr). Bij dat eerste wordt met name gedoeld op het voorkomen van belastend gedrag jegens personen.
In art. 38v lid 2 Sr is een limitatieve opsomming7Op grond van artikel 8.11a Wet Dieren is het naast een gebiedsverbod ook mogelijk om een vrijheidsbeperkende maatregel betreffende een houdverbod dieren op te leggen. Dit artikel kan worden beschouwd als een lex specialis ten opzichte van artikel 38v Sr. gegeven van de mogelijke maatregelen: een gebiedsverbod, een contactverbod, een locatiegebod of een meldplicht bij de politie. Deze maatregelen kunnen cumuleren, maar die cumulatie mag in het licht van de ernst van het feit niet onevenredig bezwarend zijn.
De vrijheidsbeperkende maatregel kan zowel bij (relatief) lichte als zwaardere feiten worden ingezet.
Bij oplegging van de vrijheidsbeperkende maatregel wordt tevens door de rechter bevolen dat vervangende hechtenis zal worden toegepast indien de maatregel niet wordt nageleefd (art. 38w lid 1 Sr). In beginsel vordert het OM één week vervangende hechtenis voor iedere overtreding.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.