Wet van 20 december 2023 tot invoering van een minimumbelasting en wijziging van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en de Invorderingswet 1990 in verband met de implementatie van Richtlijn (EU) 2022/2523 van de Raad van 14 december 2022 tot waarborging van een mondiaal minimumniveau van belastingheffing voor groepen van multinationale ondernemingen en omvangrijke binnenlandse groepen in de Unie (PbEU 2022, L 328/1) (Wet minimumbelasting 2024)

Type Wet
Publication 2026-04-11
Laatst bijgewerkt 2026-04-14
State In force
Source BWB
artikelen 84
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
2.

In afwijking van artikel 10, tweede lid, eerste zin, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen stelt de inspecteur de termijn voor het doen van aangifte zodanig vast dat deze niet eerder verstrijkt dan zeventien maanden na het einde van het verslagjaar.

3.

In afwijking van artikel 19, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is de belastingplichtige gehouden de belasting overeenkomstig de aangifte aan de ontvanger te betalen binnen zeventien maanden na het einde van het verslagjaar.

4.

Indien artikel 8.4, zevende lid, toepassing vindt op een bedrag aan binnenlandse bijheffing vervalt de betalingsverplichting voor dat bedrag aan binnenlandse bijheffing.

5.

Voor de toepassing van hoofdstuk IV van de Algemene wet inzake rijksbelastingen op de minimumbelasting wordt onder tijdvak verstaan: het verslagjaar, bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, van de Wet minimumbelasting 2024.

Artikel 11.2. Naheffing

1.

In afwijking van artikel 20, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen vervalt de bevoegdheid tot naheffing door verloop van zes jaren en vier maanden na het einde van het verslagjaar waarover de belasting is verschuldigd.

2.

Indien artikel 14.3, eerste en tweede lid, toepassing vindt, vervalt in afwijking van artikel 20, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen de bevoegdheid tot naheffing door verloop van zes jaren en zeven maanden na het einde van het verslagjaar waarover de belasting is verschuldigd.

3.

Indien artikel 8.4, zevende lid, toepassing vindt op een bedrag aan binnenlandse bijheffing vervalt:

Hoofdstuk 11. Wijze van heffing

Artikel 12.1. Belastingrente

1.

Met betrekking tot een naheffingsaanslag wordt aan degene ten name van wie de naheffingsaanslag is gesteld belastingrente in rekening gebracht.

2.

De belastingrente wordt enkelvoudig berekend over het tijdvak dat aanvangt op de dag volgend op de laatste dag van de ingevolge artikel 11.1, derde lid, dan wel artikel 14.3, tweede lid, gestelde betalingstermijn en eindigt op de dag voorafgaand aan de dag waarop de naheffingsaanslag invorderbaar is ingevolge artikel 9 van de Invorderingswet 1990 en heeft als grondslag de nageheven belasting.

3.

Het eerste lid vindt geen toepassing indien de naheffingsaanslag het gevolg is van een verzoek dat is gedaan binnen twee maanden na het einde van de ingevolge artikel 11.1, derde lid, dan wel artikel 14.3, tweede lid, gestelde betalingstermijn voor het verslagjaar waarop de nageheven belasting betrekking heeft. Onder verzoek wordt onder meer verstaan een herziening van een aangifte (suppletie).

4.

Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing voor zover de belasting te laat, doch voordat een naheffingsaanslag is vastgesteld, wordt betaald, behoudens indien de betaling plaatsvindt binnen twee maanden na het einde van de ingevolge artikel 11.1, derde lid, dan wel artikel 14.3, tweede lid, gestelde betalingstermijn. Belastingrente wordt berekend over het tijdvak dat aanvangt op de dag volgend op de laatste dag van de ingevolge artikel 11.1, derde lid, dan wel artikel 14.3, tweede lid, gestelde betalingstermijn en eindigt op de dag van betaling en heeft als grondslag het bedrag van de te laat betaalde belasting.

6.

Artikel 30ha, eerste tot en met derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de minimumbelasting, met dien verstande dat daarbij voor «3 maanden na het einde van het kalenderjaar of boekjaar waarop de teruggaaf betrekking heeft» wordt gelezen «2 maanden na het einde van de ingevolge artikel 11.1, derde lid, dan wel artikel 14.3, tweede lid, van de Wet minimumbelasting 2024 gestelde betalingstermijn voor het verslagjaar waarop de teruggaaf betrekking heeft».

Artikel 12.2. Inlichtingenverplichting

1.

De belastingplichtige is gehouden de inspecteur eigener beweging juiste en volledige inlichtingen of gegevens die van belang kunnen zijn voor de heffing van de belasting te verstrekken binnen twee weken nadat hem bekend is geworden dat die inlichtingen of gegevens niet, onjuist of onvolledig door hem zijn verstrekt.

2.

De verplichting, bedoeld in het eerste lid, wordt nagekomen op de door de inspecteur aangegeven wijze.

3.

De verplichting, bedoeld in het eerste lid, vervalt door verloop van zes jaren en vier maanden na afloop van het verslagjaar waarover de belasting is verschuldigd.

4.

Indien artikel 14.3, eerste en tweede lid, toepassing vindt, vervalt de verplichting, bedoeld in het eerste lid, door verloop van zes jaren en zeven maanden na afloop van het verslagjaar waarover de belasting is verschuldigd.

Artikel 12.3. Bestuurlijke boeten

1.

Voor de toepassing van artikel 67b, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen vormt het verzuim het niet doen van aangifte dan wel het niet doen van aangifte binnen de ingevolge artikel 11.1, tweede lid, dan wel artikel 14.3, eerste lid, gestelde termijn.

2.

In afwijking van de artikelen 67c, derde lid, en 67f, vierde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen vervalt de bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke boete op grond van die artikelen door verloop van zes jaren en vier maanden na afloop van het verslagjaar waarover de belasting is verschuldigd.

3.

Indien artikel 14.3, eerste en tweede lid, toepassing vindt, vervalt in afwijking van de artikelen 67c, derde lid, en 67f, vierde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen de bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke boete op grond van die artikelen door verloop van zes jaren en zeven maanden na afloop van het verslagjaar waarover de belasting is verschuldigd.

Artikel 12.4. Vergrijpboete overtreden inlichtingenverplichting

1.

Indien het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige is te wijten dat de verplichting, bedoeld in artikel 12.2, eerste lid, niet is of wordt nagekomen, vormt dit een vergrijp ter zake waarvan de inspecteur hem een bestuurlijke boete kan opleggen van ten hoogste 100% van de in het tweede lid omschreven grondslag voor de boete.

2.

De grondslag voor de boete wordt gevormd door het bedrag aan belasting dat als gevolg van het niet nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 12.2, eerste lid, ten onrechte niet zou zijn geheven.

3.

Voor de toepassing van dit artikel is artikel 67o, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen van overeenkomstige toepassing.

4.

De bevoegdheid tot het opleggen van een vergrijpboete op grond van het eerste lid vervalt door verloop van zes jaren en vier maanden na afloop van het verslagjaar waarover de belasting is verschuldigd.

5.

Indien artikel 14.3, eerste en tweede lid, toepassing vindt, vervalt de bevoegdheid tot het opleggen van een vergrijpboete op grond van het eerste lid door verloop van zes jaren en zeven maanden na afloop van het verslagjaar waarover de belasting is verschuldigd.

Hoofdstuk 13. Administratieve bepalingen

Artikel 13.1. Bijheffing-informatieaangifteverplichtingen

1.

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

2.

Een in Nederland gevestigde groepsentiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, dient een bijheffing-informatieaangifte in bij de inspecteur op de voet van het vijfde lid. Deze bijheffing-informatieaangifte kan namens de groepsentiteit door een aangewezen lokale entiteit worden ingediend.

3.

In afwijking van het tweede lid hoeft een in Nederland gevestigde groepsentiteit geen bijheffing-informatieaangifte in te dienen bij de inspecteur indien de bijheffing-informatieaangifte, in overeenstemming met de voorwaarden omschreven in het vijfde lid, wordt ingediend door:

4.

Bij de toepassing van het derde lid stelt de in Nederland gevestigde groepsentiteit, of de aangewezen lokale entiteit namens die groepsentiteit, de inspecteur in kennis van de groepsentiteit die de bijheffing-informatieaangifte indient en waar die entiteit is gevestigd.

5.

De bijheffing-informatieaangifte wordt door middel van een standaardformulier ingediend en bevat de volgende informatie ten aanzien van de multinationale groep of binnenlandse groep:

6.

Indien een in Nederland gevestigde groepsentiteit een uiteindelijkemoederentiteit heeft die in een derde staat is gevestigd die voorschriften toepast die op grond van artikel 1.2, zevende lid, zijn aangemerkt als gelijkwaardig aan een kwalificerende inkomen-inclusiemaatregel, dient de in Nederland gevestigde groepsentiteit of de aangewezen lokale entiteit een bijheffing-informatieaangifte in waarin, in afwijking van het vijfde lid, de volgende informatie is opgenomen:

7.

De bijheffing-informatieaangifte en de kennisgeving, bedoeld in het vierde lid, worden uiterlijk vijftien maanden na afloop van het verslagjaar ingediend bij de inspecteur.

8.

De informatieaangifte-indienende groepsentiteit stelt vast welke delen van de bijheffing-informatieaangifte aan welke bevoegde autoriteiten als bedoeld in artikel 6i, eerste lid, van de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen op grond van dat artikel worden verstrekt.

9.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de vorm en de inhoud van de bijheffing-informatieaangifte, waaronder regels over de bij het indienen van de bijheffing-informatieaangifte te verstrekken gegevens en inlichtingen.

Artikel 13.2. Keuzes

1.

De keuze, bedoeld in de artikelen 2.2, vierde lid, 6.2, derde tot en met vijfde lid, 6.3, eerste lid, 6.6, eerste lid, 6.9, eerste lid, 10.5, eerste lid, en 10.6, eerste lid, geldt voor een periode van vijf verslagjaren, welke periode aanvangt op de eerste dag van het verslagjaar waarvoor die keuze is gemaakt. De keuze wordt automatisch verlengd, tenzij de informatieaangifte-indienende groepsentiteit de keuze herroept na de vijfjaarsperiode. Een herroeping van de keuze geldt voor een periode van vijf verslagjaren, die aanvangt op de eerste dag van het verslagjaar waarvoor de keuze wordt herroepen.

2.

De keuze, bedoeld in de artikelen 6.7, eerste lid, 7.3, negende lid, onderdeel b, 7.6, derde lid, 8.2, vierde lid, 8.7, eerste lid, 8.8, eerste lid, 8.11, eerste lid, 8.13, 8.14 en 10.3, eerste lid, geldt voor het verslagjaar waarvoor die keuze gemaakt is. De keuze wordt automatisch verlengd, tenzij de informatieaangifte-indienende groepsentiteit de keuze ten aanzien van een volgend verslagjaar herroept.

Artikel 13.3. Bestuurlijke boeten overtreding bijheffing-informatieaangifteverplichtingen

1.

Indien het aan opzet of grove schuld is te wijten dat de verplichting, bedoeld in artikel 13.1, tweede lid, niet, niet tijdig, niet volledig of niet juist is of wordt nagekomen door de groepsentiteit of de aangewezen lokale entiteit, vormt dit een vergrijp ter zake waarvan de inspecteur de groepsentiteit, onderscheidenlijk de aangewezen lokale entiteit, een bestuurlijke boete van ten hoogste het bedrag van de zesde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, kan opleggen.

2.

Indien het aan opzet of grove schuld is te wijten dat de verplichtingen, bedoeld in artikel 13.1, vierde en achtste lid, niet, niet tijdig, niet volledig of niet juist is of wordt nagekomen door de groepsentiteit of de aangewezen lokale entiteit, vormt dit een vergrijp ter zake waarvan de inspecteur de groepsentiteit, onderscheidenlijk de aangewezen lokale entiteit, een bestuurlijke boete van ten hoogste het bedrag van de vierde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, kan opleggen.

Hoofdstuk 13. Administratieve bepalingen

Artikel 14.1. Transitieregels voor actieve en passieve belastinglatenties en overgedragen activa

1.

Bij het bepalen van het effectieve belastingtarief voor het overgangsjaar voor een staat en elk daaropvolgend verslagjaar worden alle actieve en passieve belastinglatenties in aanmerking genomen die zijn opgenomen of vermeld in de financiële verslaggeving van alle in die staat gevestigde groepsentiteiten in het overgangsjaar voor die staat. Voor zover de activa en passiva van een toetredende of uittredende entiteit op grond van artikel 9.2, derde lid, worden gewaardeerd op basis van de historische boekwaarde, worden de met die activa en passiva samenhangende actieve en passieve belastinglatenties bepaald op basis van die boekwaarde indien de entiteit na 30 november 2021 is toegetreden tot of uitgetreden uit de multinationale groep of binnenlandse groep. Deze actieve en passieve belastinglatenties worden in aanmerking genomen tegen het minimumbelastingtarief of, indien dit lager is, het van toepassing zijnde belastingtarief waartegen de actieve of passieve belastinglatenties in de financiële verslaggeving zijn opgenomen. Een actieve belastinglatentie die is opgenomen tegen een lager belastingtarief dan het minimumbelastingtarief mag worden opgenomen tegen het minimumbelastingtarief voor zover de groepsentiteit aannemelijk maakt dat de actieve belastinglatentie toerekenbaar is aan een kwalificerend verlies. Het effect van een aanpassing van de waardering of van de boekhoudkundige verwerking van een actieve belastinglatentie blijft buiten beschouwing.

2.

Actieve belastinglatenties, en ingeval onderdeel d van toepassing is ook passieve belastinglatenties, zijn uitgesloten van de berekening van het eerste lid voor zover:

3.

Indien een overdracht van activa tussen groepsentiteiten heeft plaatsgevonden na 30 november 2021 en voor het begin van het overgangsjaar voor de staat waarin die groepsentiteiten zijn gevestigd, wordt de boekwaarde van de verworven activa, met uitzondering van voorraad, gesteld op de door de overdragende groepsentiteit gehanteerde boekwaarde op het moment van vervreemding. De actieve belastinglatenties en passieve belastinglatenties worden bepaald op basis van die grondslag.

4.

Indien artikel 8.7 in het overgangsjaar voor een staat wordt toegepast, wordt dit artikel voor die staat toegepast vanaf het verslagjaar waarin artikel 8.7 voor het eerst niet wordt toegepast voor die staat.

5.

Indien artikel 8.8 in het overgangsjaar voor een staat wordt toegepast, worden het eerste en derde lid voor die staat toegepast vanaf het verslagjaar waarin artikel 8.8 voor het eerst niet wordt toegepast voor die staat. Voor een beleggingsentiteit of verzekeringsbeleggingsentiteit is het overgangsjaar het eerste verslagjaar waarin artikel 8.8 niet van toepassing is op die entiteit.

6.

In afwijking van het tweede lid mag een actieve belastinglatentie als bedoeld in het tweede lid, onderdelen b en c, in aanmerking worden genomen en aangewend in verslagjaren die aanvangen op of na 1 januari 2024 en vóór 1 januari 2026 en die uiterlijk 30 juni 2027 eindigen en mag een actieve belastinglatentie als bedoeld in het tweede lid, onderdeel d, in aanmerking worden genomen en aangewend in verslagjaren die beginnen op of na 1 januari 2025 en vóór 1 januari 2027 en die uiterlijk 30 juni 2028 eindigen, met dien verstande dat in totaal niet meer dan 20 percent van de actieve belastinglatentie wordt aangewend en voor zover:

7.

In afwijking van het derde lid kan de groepsentiteit die activa verkrijgt van een andere groepsentiteit, onder bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden, een actieve belastinglatentie in aanmerking nemen ter zake van de verworven activa, dan wel de boekwaarde van de verworven activa uit de financiële verslaggeving overnemen.

8.

Voor de toepassing van dit artikel wordt onder overgangsjaar voor een staat verstaan: het eerste verslagjaar waarin een multinationale groep met betrekking tot die staat regels ter implementatie van Richtlijn (EU) 2022/2523 of van de OESO-modelregels dient toe te passen, of het eerste verslagjaar waarin een binnenlandse groep voldoet aan de criteria, bedoeld in artikel 2.1.

Artikel 14.2. Bijheffing in de aanvangsfase

1.

De binnenlandse bijheffing, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid, wordt in de verslagjaren, bedoeld in het vierde lid, verminderd met de som van de volgens het tweede lid aan ieder van de volgende in Nederland gevestigde groepsentiteiten toegerekende bijheffing:

2.

De bijheffing wordt aan iedere groepsentiteit toegerekend overeenkomstig artikel 8.2, vijfde lid, waarbij:

3.

Voor de berekening van de inkomen-inclusiebijheffing, bedoeld in artikel 4.2, eerste en vierde lid, in de verslagjaren, bedoeld in het vierde lid, wordt de bijheffing voor in Nederland gevestigde groepsentiteiten in afwijking van artikel 8.2, vijfde en zesde lid, gesteld op nihil, indien die zou worden geheven van:

4.

Het eerste tot en met derde lid zijn van toepassing:

5.

De onderbelastewinstbijheffing, bedoeld in artikel 5.2, tweede lid, wordt gesteld op nihil gedurende de eerste vijf verslagjaren van de aanvangsfase van de internationale activiteiten van de multinationale groep.

6.

Een multinationale groep bevindt zich in de aanvangsfase van haar internationale activiteiten indien gedurende een verslagjaar:

7.

De periode van vijf verslagjaren, bedoeld in het vierde lid, onderdeel a, en het vijfde lid, vangt aan op de eerste dag van het verslagjaar waarin een multinationale groep voor het eerst voldoet aan de criteria met betrekking tot de omzet als omschreven in artikel 2.1, met dien verstande dat voor een multinationale groep die op 31 december 2023 aan die criteria voldoet:

8.

De aangewezen informatieaangifte-indienende groepsentiteit stelt de inspecteur in kennis van de dag waarop de aanvangsfase van de internationale activiteiten, bedoeld in het zesde lid, aanvangt.

9.

Voor de toepassing van het zesde lid, onderdeel b, wordt onder referentiestaat verstaan: de staat waarin de groepsentiteiten van de multinationale groep de hoogste totale nettoboekwaarde van materiële activa hebben in het verslagjaar waarin de multinationale groep voldoet aan de criteria met betrekking tot de omzet als omschreven in artikel 2.1. De totale nettoboekwaarde van materiële activa in een staat is de som van de nettoboekwaarde van materiële activa van alle groepsentiteiten van de multinationale groep die in die staat zijn gevestigd.

Artikel 14.3. Transitieregels wijze van heffing en bijheffing-informatieaangifte

1.

In afwijking van artikel 10, tweede lid, eerste zin, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en artikel 11.1, tweede lid, stelt de inspecteur de termijn voor het doen van aangifte over het overgangsjaar zodanig vast dat deze niet eerder verstrijkt dan twintig maanden na het einde van dat verslagjaar.

2.

In afwijking van artikel 19, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en artikel 11.1, derde lid, is de belastingplichtige gehouden de belasting over het overgangsjaar aan de ontvanger overeenkomstig de aangifte te betalen binnen twintig maanden na het einde van dat verslagjaar.

3.

In afwijking van artikel 13.1, zevende lid, worden de bijheffing-informatieaangifte en de kennisgeving met betrekking tot het overgangsjaar binnen achttien maanden na afloop van dat verslagjaar ingediend bij de inspecteur.

4.

Dit artikel vindt geen toepassing indien door de multinationale groep voorafgaand aan het overgangsjaar een bijheffing-informatieaangifte is ingediend in een andere staat waarmee Nederland voor dat jaar een kwalificerende overeenkomst tussen bevoegde autoriteiten heeft.

5.

Voor de toepassing van dit artikel wordt onder overgangsjaar verstaan: het overgangsjaar voor Nederland in de zin van artikel 14.1, achtste lid.

Hoofdstuk 14. Transitieregels

Hoofdstuk 16. Wijziging Invorderingswet 1990 en Algemene wet inzake rijksbelastingen

Artikel 16.1. Wijziging Invorderingswet 1990

Wijzigt de Invorderingswet 1990.

Artikel 16.2. Wijziging Algemene wet inzake rijksbelastingen

Wijzigt de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

Hoofdstuk 17. Slotbepalingen

Artikel 17.1. Inwerkingtreding

1.

Deze wet treedt in werking met ingang van 31 december 2023 en vindt voor het eerst toepassing met betrekking tot verslagjaren die aanvangen op of na 31 december 2023.

2.

In afwijking van het eerste lid treden de artikelen 15.1 en 15.2, onderdeel A, in werking met ingang van 31 december 2024 en vinden zij voor het eerst toepassing met betrekking tot verslagjaren die aanvangen op of na 31 december 2024.

3.

In afwijking van het eerste lid treedt artikel 15.2, onderdeel B, in werking met ingang van 31 december 2025 en vindt dat onderdeel voor het eerst toepassing met betrekking tot verslagjaren die aanvangen op of na 31 december 2025.

4.

In afwijking van het eerste lid treedt artikel 15.2, onderdeel C, in werking met ingang van 31 december 2026 en vindt dat onderdeel voor het eerst toepassing met betrekking tot verslagjaren die aanvangen op of na 31 december 2026.

5.

In afwijking van het eerste lid treedt artikel 15.2, onderdeel D, in werking met ingang van 31 december 2027 en vindt dat onderdeel voor het eerst toepassing met betrekking tot verslagjaren die aanvangen op of na 31 december 2027.

6.

In afwijking van het eerste lid treedt artikel 15.2, onderdeel E, in werking met ingang van 31 december 2028 en vindt dat onderdeel voor het eerst toepassing met betrekking tot verslagjaren die aanvangen op of na 31 december 2028.

7.

In afwijking van het eerste lid treedt artikel 15.2, onderdeel F, in werking met ingang van 31 december 2029 en vindt dat onderdeel voor het eerst toepassing met betrekking tot verslagjaren die aanvangen op of na 31 december 2029.

8.

In afwijking van het eerste lid treedt artikel 15.2, onderdeel G, in werking met ingang van 31 december 2030 en vindt dat onderdeel voor het eerst toepassing met betrekking tot verslagjaren die aanvangen op of na 31 december 2030.

9.

In afwijking van het eerste lid treedt artikel 15.2, onderdeel H, in werking met ingang van 31 december 2031 en vindt dat onderdeel voor het eerst toepassing met betrekking tot verslagjaren die aanvangen op of na 31 december 2031.

10.

In afwijking van het eerste lid treedt artikel 15.2, onderdeel I, in werking met ingang van 31 december 2032 en vindt dat onderdeel voor het eerst toepassing met betrekking tot verslagjaren die aanvangen op of na 31 december 2032.

Artikel 17.2. Citeertitel

Deze wet wordt aangehaald als: Wet minimumbelasting 2024.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 1.4. Valutaconversie

1.

Indien de financiële verslaggeving van een groepsentiteit is opgesteld in een functionele valuta die afwijkt van de presentatievaluta van de geconsolideerde jaarrekening van de uiteindelijkemoederentiteit, worden voor de toepassing van de hoofdstukken 6 en 7 de bedragen die zijn uitgedrukt in de functionele valuta omgerekend naar de presentatievaluta op basis van de valutaconversieprincipes van de geautoriseerde financiële verslaggevingsstandaard die worden gebruikt bij het opstellen van de geconsolideerde jaarrekening van de uiteindelijkemoederentiteit.

2.

Indien de verschuldigde bijheffing, bedoeld in de artikelen 3.2, eerste lid, 4.2, eerste en vierde lid, en 5.2, eerste lid, is berekend in een andere valuta dan de euro, wordt deze omgerekend naar de euro tegen de referentiewisselkoers die is vastgesteld door de Europese Centrale Bank op de laatste dag van het verslagjaar waarover de bijheffing is verschuldigd.

3.

Indien de geconsolideerde jaarrekening van de uiteindelijkemoederentiteit niet is opgesteld in euro’s, worden voor de toepassing van de definitie van materiële concurrentieverstoring in artikel 1.2, eerste lid, alsmede voor de toepassing van de drempelbedragen in de artikelen 2.1, 6.1, tweede lid, onderdeel c, 6.2, tweede lid, onderdeel f, onder 2°, 7.6, derde lid, 7.8, 8.7, eerste lid, 8.8, eerste, tweede en vijfde lid, 9.1, eerste tot en met derde lid, en 14.2, zesde lid, onderdeel b, de daarvoor van belang zijnde bedragen in de geconsolideerde jaarrekening omgerekend naar de euro.

4.

Voor de toepassing van het derde lid worden de bedragen omgerekend tegen de gemiddelde referentiewisselkoers die is vastgesteld door de Europese Centrale Bank voor de maand december van het kalenderjaar dat voorafgaat aan de aanvang van het verslagjaar.

Hoofdstuk 2. Reikwijdte

Hoofdstuk 3. Binnenlandse bijheffing

Hoofdstuk 4. Inkomen-inclusiebijheffing

Hoofdstuk 5. Onderbelastewinstbijheffing

Hoofdstuk 6. Bepaling van het kwalificerende inkomen of verlies

Hoofdstuk 7. Berekening van de gecorrigeerde betrokken belastingen

Hoofdstuk 8. Berekening van het effectieve belastingtarief en de bijheffing

Hoofdstuk 9. Bijzondere bepalingen omtrent bedrijfsreorganisaties en houdsterstructuren

Hoofdstuk 10. Regelingen inzake fiscale neutraliteit en uitdelingsstelsels

Hoofdstuk 11. Wijze van heffing

Hoofdstuk 11. Wijze van heffing

Hoofdstuk 13. Administratieve bepalingen

Hoofdstuk 14. Transitieregels

Artikel 14.1a. Transitieregels voor de binnenlandse bijheffing

Niettegenstaande artikel 14.1, wordt voor de berekening van de binnenlandse bijheffing, bedoeld in artikel 3.2, vanaf het eerste verslagjaar waarin een multinationale groep met betrekking tot de in Nederland gevestigde groepsentiteiten regels ter implementatie van Richtlijn (EU) 2022/2523, niet zijnde deze wet, of van de OESO-modelregels dient toe te passen (het nieuwe overgangsjaar):

Artikel 14.4. Transitieregels termijnen bij een verslagjaar dat eindigt vóór 31 maart 2025

1.

Indien het overgangsjaar eindigt vóór 31 december 2024 of het verslagjaar eindigt vóór 31 maart 2025:

2.

Ten aanzien van het overgangsjaar dat eindigt vóór 31 december 2024 of het verslagjaar dat eindigt vóór 31 maart 2025 is artikel 12.1 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor de toepassing van artikel 12.1, tweede, derde, vierde en zesde lid, voor «artikel 11.1, derde lid, dan wel artikel 14.3, tweede lid» wordt gelezen «artikel 14.1, eerste lid, onderdeel c,».

Artikel 14.5. Transitieregels keuze voor jurisdictierapportage bij bijheffing-informatieaangifte in de aanvangsfase

Ten aanzien van een verslagjaar dat aanvangt voor 1 januari 2029 en eindigt voor 1 juli 2030 kan de uiteindelijkemoederentiteit, de aangewezen lokale entiteit of de aangewezen informatieaangifte-indienende groepsentiteit in afwijking van artikel 13.1, vijfde lid, onderdeel c, onder 1°, kiezen om de bijheffing per staat te rapporteren, in plaats van per groepsentiteit, indien er in die staat:

Hoofdstuk 16. Wijziging Invorderingswet 1990 en Algemene wet inzake rijksbelastingen

Hoofdstuk 17. Slotbepalingen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 15.1. Wijziging artikel 5.1

Wijzigt deze wet.

Artikel 15.2. Wijzigingen artikel 8.3

Wijzigt deze wet.

Hoofdstuk 15. Wijzigingen Wet minimumbelasting 2024

Hoofdstuk 16. Wijziging Invorderingswet 1990 en Algemene wet inzake rijksbelastingen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 8.2a. Voortgewentelde bovenmatige negatieve belastinguitgave

1.

Indien in een verslagjaar het bijheffingspercentage, berekend volgens artikel 8.2, derde lid, hoger is dan het minimumbelastingtarief, wordt bij de toepassing van artikel 8.1 de negatieve som van de gecorrigeerde betrokken belastingen over dat verslagjaar niet in aanmerking genomen, maar aangemerkt als een voortgewentelde bovenmatige negatieve belastinguitgave. Daarbij worden de gecorrigeerde betrokken belastingen op nihil gesteld.

2.

Voor zover het gezamenlijke netto kwalificerende inkomen en de som van de gecorrigeerde betrokken belastingen in een volgend verslagjaar meer bedragen dan nihil, worden deze gezamenlijke gecorrigeerde betrokken belastingen verminderd met de voortgewentelde bovenmatige negatieve belastinguitgave bedoeld in het eerste lid, maar niet verder dan tot nihil. Het bedrag van de voortgewentelde bovenmatige negatieve belastinguitgave wordt op dezelfde voet verminderd.

3.

Voor zover na de vermindering, bedoeld in het tweede lid, laatste zin, nog een bedrag aan voortgewentelde bovenmatige negatieve belastinguitgave resteert, komt dit bedrag in mindering op de gecorrigeerde betrokken belastingen in elk verslagjaar volgend op het verslagjaar bedoeld in het tweede lid, waarin het gezamenlijke netto kwalificerende inkomen en de som van de gecorrigeerde betrokken belastingen meer bedragen dan nihil. Het bedrag van de voortgewentelde bovenmatige negatieve belastinguitgave wordt steeds op dezelfde voet verminderd.

4.

Indien een of meer groepsentiteiten in een staat ten aanzien waarvan een voortgewentelde bovenmatige negatieve belastinguitgave in aanmerking is genomen op grond van het eerste lid worden vervreemd door de multinationale groep of binnenlandse groep, wordt het bedrag van de voortgewentelde bovenmatige negatieve belastinguitgave in aanmerking genomen bij de vervreemdende multinationale groep of binnenlandse groep. Het bedrag van de voortgewentelde bovenmatige negatieve belastinguitgave wordt in mindering gebracht op de gecorrigeerde betrokken belastingen van de tot deze multinationale groep of binnenlandse groep behorende groepsentiteiten in de in de vorige zin genoemde staat in elk verslagjaar volgend op het verslagjaar van vervreemding, waarin het gezamenlijke netto kwalificerende inkomen en de som van de gecorrigeerde betrokken belastingen van die groepsentiteiten meer bedragen dan nihil.

Artikel 8.8a. Behandeling van gestructureerde hybride regelingen onder de tijdelijke kwalificerendlandenrapport veilige haven

1.

Indien sprake is van een gestructureerde hybride regeling tussen een of meer groepsentiteiten die is aangegaan na 15 december 2022 wordt voor de toepassing van artikel 8.8 ten aanzien van een staat voor een verslagjaar:

2.

Een groepsentiteit wordt geacht een gestructureerde hybride regeling te zijn aangegaan na 15 december 2022 als na deze datum:

3.

Onder een groepsentiteit als bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan een joint venture en de met de joint venture verbonden partijen, waarin de multinationale groep een belang houdt.

4.

Voor de toepassing van dit artikel worden kosten of verliezen geacht niet te zijn opgenomen in de financiële verslaggeving van een fiscaal transparante entiteit voor zover deze zijn opgenomen in de financiële verslaggeving van haar groepsentiteit-belanghouders.

5.

Indien sprake is van een dubbele aftrek als bedoeld in het zevende lid, onderdeel c, onder 1°, waarbij alle groepsentiteiten die de kosten of verliezen in aanmerking nemen in hun financiële verslaggeving gevestigd zijn in dezelfde staat, wordt de correctie van het eerste lid, onderdeel a, slechts eenmaal toegepast.

6.

Voor de toepassing van het zevende lid, onderdeel b, wordt een groepsentiteit geacht geen verhoging van haar belastbaar inkomen te hebben voor zover:

7.

Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:

Hoofdstuk 9. Bijzondere bepalingen omtrent bedrijfsreorganisaties en houdsterstructuren

Hoofdstuk 10. Regelingen inzake fiscale neutraliteit en uitdelingsstelsels

Hoofdstuk 12. Bijzondere bepalingen bij de wijze van heffing

Hoofdstuk 13. Administratieve bepalingen

Hoofdstuk 14. Transitieregels

Hoofdstuk 15. Wijzigingen Wet minimumbelasting 2024

Hoofdstuk 16. Wijziging Invorderingswet 1990 en Algemene wet inzake rijksbelastingen

Hoofdstuk 17. Slotbepalingen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 6.6a. Bijzondere waardevermindering

Een bijzondere waardevermindering van de activa en passiva voor financiële verslaggevingsdoeleinden blijft buiten beschouwing indien de boekwaarde van deze activa en passiva voor financiële verslaggevingsdoeleinden als gevolg van die waardevermindering afwijkt van de boekwaarde ingevolge een of meer andere bepalingen in deze wet, tenzij die bijzondere waardevermindering leidt tot een boekwaarde in de financiële verslaggeving die lager is dan de afwijkende boekwaarde ingevolge die andere bepaling of bepalingen in deze wet.

Hoofdstuk 7. Berekening van de gecorrigeerde betrokken belastingen

Hoofdstuk 8. Berekening van het effectieve belastingtarief en de bijheffing

Hoofdstuk 9. Bijzondere bepalingen omtrent bedrijfsreorganisaties en houdsterstructuren

Hoofdstuk 10. Regelingen inzake fiscale neutraliteit en uitdelingsstelsels

Hoofdstuk 12. Bijzondere bepalingen bij de wijze van heffing

Hoofdstuk 17. Slotbepalingen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)