Besluit van 20 december 2023, nr. IENW/BSK-2023/377178, tot vaststelling van de Beleidsregel nadeelcompensatie verleggen kabels en leidingen vanwege rijkswaterstaatswerken, rijkswegen en hoofdspoorwegen 2024
Gelet op de artikelen 4:126 en 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht;
Besluit:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen en toepassingsbereik
Artikel 1. Begripsbepalingen
In deze beleidsregel wordt verstaan onder:
- beperkingengebied: het gebied, bedoeld in de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet, onder A, voor een rijkswaterstaatswerk, rijksweg en hoofdspoorweg;
- buitenleiding: een kabel of leiding die buiten het beperkingengebied ligt en valt onder één van de werken van algemeen belang als bedoeld in hoofdstuk 10 van de Omgevingswet;
- droge infrastructuur: een rijksweg en hoofdspoorweg;
- hoofdspoorweg: een door de minister op grond van artikel 2 van de Spoorwegwet als zodanig aangewezen of aan te wijzen spoorweg;
- kabel: een sterke, buigzame, verbinding, bestaande uit een of meer geleiders welke zijn samengesteld uit draden van metaal of glasvezel en geschikt voor het transport van elektrische energie of elektrische signalen of optische signalen;
- kruisende leiding: een leiding of kabel die, krachtens vergunning of melding, kruisend door, op, boven, onder of in een rijkswaterstaatswerk, rijksweg of hoofdspoorweg;
- langsleiding: een leiding of kabel die, krachtens vergunning of melding, parallel is gelegd aan, boven, onder op of in een rijkswaterstaatswerk, rijksweg of hoofdspoorweg is gelegd;
- leiding: een buis, vervaardigd van een duurzaam materiaal zoals staal, beton of kunststof en geschikt voor het transport van vloeistoffen en gassen;
- maatwerkvoorschrift: maatwerkvoorschrift als bedoeld in de Bijlage, onder A, bij de Omgevingswet;
- melding: een melding als bedoeld in het Besluit activiteiten leefomgeving voor zover betrekking hebbend op kabels en leidingen binnen het beperkingengebied;
- minister: Minister van Infrastructuur en Waterstaat;
- natte infrastructuur: waterwegen en dijken als waterkeringswerk, voor zover deze dijken worden aangelegd of gewijzigd;
- overeenkomst: Overeenkomst inzake verleggingen van kabels en leidingen buiten beheersgebied van 10 februari 1999, Staatscourant 1999, nr. 97.
- rijkswaterstaatswerk: waterstaatswerk als bedoeld in de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet, onder A, in beheer bij het Rijk;
- rijksweg: een weg als bedoeld de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet, onder A, in beheer bij het Rijk;
- vergunning: een omgevingsvergunning als bedoeld in de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet, onder A, voor zover betrekking hebbend op kabels en leidingen binnen het beperkingengebied;
- verlegplichtmededeling: een schriftelijke mededeling waarin het bevoegd gezag een beroep doet op de verlegplicht als bedoeld in artikelen 6.15, 8.14, 7.15 of 9.17 van het Besluit activiteiten leefomgeving;
- wet: de Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 2. Toepassingsbereik
Deze beleidsregel heeft betrekking op een aanvraag als bedoeld in artikel 4:126 van de wet om vergoeding van schade voor zover de minister ten gevolge van verruiming of wijziging van een rijkswaterstaatswerk, rijksweg of hoofdspoorweg een vergunning intrekt of wijzigt, of een verlegplichtmededeling doet met als gevolg dat een langsleiding of kruisende leiding verlegd of aangepast moet worden.
Deze beleidsregel heeft tevens betrekking op een aanvraag als bedoeld in artikel 4:126 van de wet om vergoeding van schade als gevolg van verlegging of aanpassing van een buitenleiding.
Hoofdstuk 2. Procedurebepalingen
Artikel 3. Aanvraag
De aanvrager maakt gebruik van een door de minister vastgesteld formulier.
In aanvulling op de artikelen 4:1, 4:2, eerste lid, en 4:127 van de wet bevat een aanvraag mede:
- a. een specificatie van het bedrag van de schade berekend conform de artikelen 4 tot en met 6;
- b. gegevens en bescheiden ter onderbouwing van de werkelijk gemaakte verleggingskosten.
De minister bevestigt de ontvangst van de aanvraag.
Artikel 4. Omvang van de schade
De omvang van de schade wordt berekend overeenkomstig de bij deze beleidsregel behorende bijlage 1.
Artikel 5. Normaal maatschappelijk risico
De vergoeding van de schade als bedoeld in artikel 4:126, eerste lid, van de wet bestaat bij:
- a. een langsleiding uit een percentage van de berekende schade, welk percentage lineair gerelateerd is aan de tijdsduur die is verstreken: zulks overeenkomstig hetgeen terzake is weergegeven ten behoeve van respectievelijk de droge en natte infrastructuur in de schema’s uit de bij deze beleidsregel behorende bijlage 2;
- i. vanaf de datum van inwerkingtreding van het besluit tot verlening van de vergunning tot en met de dag van de toezending of uitreiking van het besluit tot wijziging of intrekking van de vergunning, of
- ii. vanaf de datum van ontvangst van de melding tot en met de dag van de toezending of uitreiking van de verlegplichtmededeling
- b. een kruisende leiding uit de componenten kosten van ontwerp en begeleiding alsmede uitvoeringskosten van de werkelijke verleggingskosten.
- c. een buitenleiding uit de componenten kosten van ontwerp en begeleiding alsmede uitvoeringskosten van de werkelijke verleggingskosten.
Artikel 6. Risicoaanvaarding
Van risicoaanvaarding als bedoeld in artikel 4:126, tweede lid, sub a, van de wet is in ieder geval sprake indien:
- a. in het besluit tot verlening van de vergunning een bepaling is opgenomen dat binnen een periode van vijf jaren, te rekenen vanaf de datum van inwerkingtreding van de betrokken vergunning, een wijziging of intrekking van die vergunning te voorzien is in verband met binnen die periode uit te voeren werkzaamheden aan en ten behoeve van het desbetreffende rijkswaterstaatswerk, de rijksweg of hoofdspoorweg en binnen de genoemde periode van vijf jaar daadwerkelijk een besluit tot wijziging of intrekking van de vergunning wordt toegezonden dan wel uitgereikt, of
- b. in een maatwerkvoorschrift een bepaling is opgenomen dat binnen een periode van vijf jaren, te rekenen vanaf de datum van de bekendmaking van het hiervoor bedoelde maatwerkvoorschrift, een verlegplichtmededeling te voorzien is in verband met binnen die periode uit te voeren werkzaamheden aan en ten behoeve van het desbetreffende rijkswaterstaatswerk, de rijksweg of hoofdspoorweg en binnen de genoemde periode van vijf jaar daadwerkelijk een verlegplichtmededeling wordt toegezonden dan wel uitgereikt.
Hoofdstuk 3. Slotbepalingen
Artikel 7. Voorschot
De minister kan de aanvrager die naar redelijke verwachting in aanmerking komt voor een vergoeding in geld als bedoeld in artikel 4:126 van de wet en wiens belang naar het oordeel van de minister vordert dat aan hem een voorschot op deze vergoeding wordt toegekend, op aanvraag een voorschot toekennen.
Artikel 8. Intrekking
De Nadeelcompensatieregeling verleggen kabels en leidingen in en buiten rijkswaterstaatswerken en spoorwegwerken 1999 (NKL 1999) wordt ingetrokken.
Artikel 9. Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2024.
Artikel 10. Citeertitel
Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel nadeelcompensatie verleggen kabels en leidingen vanwege rijkswaterstaatswerken, rijkswegen en hoofdspoorwegen 2024.
Bijlage 1. behorende bij artikel 4 van de Beleidsregel nadeelcompensatie verleggen kabels en leidingen vanwege rijkswaterstaatswerken, rijkswegen en hoofdspoorwegen 2024
Leidraad schadeberekening
Artikel 1 werkelijke verleggingskosten
Artikel 2 materiaalkosten
Onder materiaalkosten worden verstaan:
kosten van bedrijfseigen materialen die noodzakelijk zijn voor de instandhouding van de functie van de te verleggen kabel of leiding en daarvoor noodzakelijke beschermingsconstructies. Hieronder worden in elk geval verstaan kosten van kabel- en of leidingcomponenten, kosten van elektrotechnische, werktuigbouwkundige en civieltechnische materialen, alsmede kosten van bouwmaterialen, alsmede kosten van bouwmaterialen bestemd voor gebouwen waarin delen van kabel- en leidingsystemen worden ondergebracht.
Artikel 3 kosten van in- en uit bedrijf stellen
Onder de kosten van het uit en in bedrijf stellen worden verstaan:
Artikel 4 uitvoeringskosten
Onder uitvoeringskosten worden onder meer verstaan:
Artikel 5 voordeeltoerekening
Een aftrek nieuw voor oud wordt alleen toegepast indien sprake is van kenbaar technisch versleten kabels of leidingen. Onder technisch versleten wordt verstaan kabels of leidingen waarvan de technische levensduur binnen een periode van 5 jaar verstreken zal zijn.
Een aftrek nieuw voor oud vindt plaats op basis van een contante waardeberekening waarbij wordt uitgegaan van de technische levensduur van de betreffende kabel of leiding. Indien delen van een zelfstandige eenheid vervangen moeten worden, wordt voor de berekening uitgegaan van de integrale kosten van de vervanging van de gehele zelfstandige eenheid onder toerekening van een evenredig deel van de kosten aan het te vervangen onderdeel. De technische levensduur van een aantal soorten kabels of leidingen wordt bepaald aan de hand van het overzicht dat in onderstaande toelichting is opgenomen. De technische levensduur van soorten kabels of leidingen die niet in dit overzicht zijn opgenomen wordt naar redelijkheid bepaald.
Toelichting op de leidraad schadeberekening
Voor de te verleggen kabel of leiding geldt dat allereerst de kosten van een verlegging bepaald dienen te worden. Van deze kosten worden de voordelen afgetrokken die voortvloeien uit een verlegging. Het aldus berekende bedrag is de schade die een kabel- of leidingbeheerder lijdt door een verlegging. De wijze van schadeberekening is in deze bijlage vastgelegd.
In de bovenstaande artikelen is uiteengezet welke uitgangspunten en berekeningsmethode worden gehanteerd bij het vaststellen van de omvang van de schade bij een verlegging van een kabel of leiding. Schade wordt gedefinieerd als de kosten die gemaakt moeten worden om de verlegging uit te voeren minus de uit de verlegging voortvloeiende voordelen.
Uitgangspunt bij de bepaling van de omvang van de schade bij een verlegging van een kabel of leiding zijn de werkelijke verleggingskosten. De verleggingskosten omvatten alle directe kosten die de aanvrager moet maken om de kabel of leiding te verleggen.
In concreto betreft het de volgende kostencomponenten:
De berekeningswijze van de kosten van een verlegging is ontleend aan de Overeenkomst. De volgende uitgangspunten van de Overeenkomst liggen ten grondslag aan de berekeningswijze:
Artikelsgewijze toelichting
Artikel 1 Kosten van ontwerp en begeleiding
Voor de bepaling van de kosten van ontwerp en begeleiding als bedoeld in lid 4 wordt aansluiting gezocht bij artikel 26 van de Regeling van de verhouding tussen opdrachtgever en adviserend ingenieursbureau (RVOI 1998). Ingevolge artikel 26 van die regeling kunnen de volgende werkzaamheden worden onderscheiden:
Voor de hoogte van de hier opgesomde kosten zijn de werkelijke kosten het uitgangspunt. Indien deze afwijken van het in de RVOI 1998 aangegeven niveau, dan dient onderbouwing van de afwijking te worden gegeven. Zonodig kan een beroep op de inherente afwijkingsbevoegdheid van artikel 4:84 van de wet gedaan worden.
Het vijfde 5 impliceert dat, wanneer sprake is van een capaciteitstoename van een leiding of een vervanging van een technisch versleten leiding of kabel, het hierdoor ontstane voordeel wordt afgetrokken van het schadebedrag dat wordt vastgesteld. Mutatis mutandis geldt hetzelfde voor opstallen indien er sprake is van kwantificeerbare voordelen.
Artikel 2 materiaalkosten
Ook de kosten van het transport van materialen naar de bouwplaats vallen onder het begrip ’materiaalkosten’. Een sluitende opsomming van wat onder het begrip materiaalkosten dient te vallen is niet goed mogelijk zodat in de praktijk van geval tot geval beoordeeld dient te worden welke kosten als materiaalkosten aangemerkt dienen te worden. Als richtsnoer kan daarbij wellicht de interpretatie die in de praktijk gegeven wordt aan artikel 4 van de Overeenkomst dienen.
Artikel 3 kosten van uit- en in bedrijf stellen
Onder kosten van uit- en in bedrijf stellen vallen kosten van tijdelijke voorzieningen van operationele aard, zoals extra kosten van personele aard ten behoeve van bedrijfsvoering en hulpmiddelen voor die bedrijfsvoering zoals watertanks, gasflessen en noodaggregaten.
Artikel 4 uitvoeringskosten
Onder uitvoeringskosten vallen de kosten van tijdelijke voorzieningen van fysieke aard. Hieronder wordt verstaan alle tijdelijke fysieke kabel- en leidingverbindingen verstaan, die de leidingbeheerder moet aanleggen en later buiten bedrijf stellen in het kader van de door de minister gevraagde verlegging. Deze kosten houden nauw verband met de noodzakelijke continuïteit van het bedrijfsproces van de betrokken kabel- of leidingbeheerder. Als richtsnoer kan daarbij wellicht de interpretatie die in de praktijk gegeven wordt aan artikel 6 van de Overeenkomst dienen.
De kosten van een CAR-verzekering vallen ook onder het begrip uitvoeringskosten.
Onder uitvoeringskosten worden tevens de eenmalige kosten verbonden aan het vestigen van zakelijke rechten begrepen. Uitgangspunt hierbij is echter wel dat deze kosten redelijk zijn. Bij de beantwoording van de vraag wat redelijk is kan bijvoorbeeld gekeken worden naar de regeling terzake zoals die door de Gasunie en LTO Nederland is overeengekomen.
Artikel 5 voordeeltoerekening
Leidingen met een technische levensduur van 100 jaar en ouder worden niet geacht aan veroudering onderhevig te zijn. Dit leidt ertoe dat een korting ‘nieuw voor oud’ niet toegepast kan worden bij het bepalen van de kosten voor het verleggen van een dergelijke leiding. De hoogte van de kosten van een verlegging kan echter wel gecorrigeerd worden indien zich door de verlegging een kwantificeerbare voordeeltoerekening voordoet. Dit is o.a. het geval als:
Bij een reconstructie van oudere opstallen kan afhankelijk van de situatie een correctie nieuw voor oud worden toegepast conform de regels van het onteigeningsrecht waarbij dan een eventuele vergroting van de functionaliteit eveneens in mindering gebracht kan worden op de vergoeding.
Een aftrek nieuw voor oud bij leidingen is gecompliceerd, omdat in bijna alle aanpassings- en verleggingssituaties een zelfstandige eenheid (een onderdeel van de technische werken in het leidingencomplex, dat bij vervanging van een (deel van) dit leidingencomplex, zowel uit technisch als uit bedrijfseconomisch oogpunt naar redelijke verwachting in stand zal blijven) ontbreekt. Bij een verlegging van een deel van een zelfstandige eenheid is het pas zinvol om een correctie nieuw voor oud toe te passen, indien die partiële verlegging dicht tegen het moment aan zit, waarop de technische levensduur van de gehele leiding verstreken is. Van dat laatste is sprake indien de periode tussen partiële verlegging en een verstrijken van de technische levensduur 5 jaar of korter is.
Een voorbeeld:
Overzicht technische levensduur
Het onderstaande overzicht is samengesteld op grond van artikel 9 lid 2 van de Overeenkomst. Dit overzicht is niet uitputtend zodat de technische levensduur van een kabel of leiding die niet in dit overzicht is opgenomen naar redelijkheid en billijkheid bepaald dient te worden.
Waterleidingen
Transportleidingen
Distributieleidingen
Aansluitleidingen
Kleinere leidingen (tot 50 mm) niet relevant, grotere conform de distributieleidingen.
Gasleidingen
Transportleidingen (8, 4 en 1 bar)
Distributieleidingen (100 en 30 mbar)
Electriciteitskabels
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.