Richtlijn voor strafvordering dierenmishandeling, dierendoding, dierenverwaarlozing, bijtincidenten en overtreding houdverbod dieren

Type Beleidsregel
Publication 2024-01-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Beschrijving

Deze richtlijn heeft betrekking op het mishandelen van dieren, het doden van dieren en op dierenverwaarlozing door particulieren.

Daarnaast voorziet deze richtlijn in een uitgangspunt voor het overtreden van het zelfstandig houdverbod.

Ook is er een tabel voor bijtincidenten en een uitgangspunt voor het houden van niet geregistreerde honden.

Deze richtlijn kent een eigen recidiveregeling.

De feiten mishandeling en doden van dieren, en verwaarlozing zijn onderverdeeld naar de meest voorkomende gedragingen en gevolgen. De strafbare feiten doden van een dier (2.10 Wet Dieren) en vernieling van een dier (350 lid 2) zijn niet afzonderlijk opgenomen in een tabel, omdat de gedragingen die eronder kunnen vallen zowel op grond van (verschillende kwalificaties in) de Wet Dieren als op grond van het Wetboek van Strafrecht strafbaar kunnen zijn. De ernst van het feit is bepalend voor de strafmaat en niet de kwalificatie.

Algemeen

Dierenmishandeling, dierendoding en verwaarlozing leiden nagenoeg altijd tot zeer grote maatschappelijke verontwaardiging. Het uitgangspunt van deze richtlijn is de intrinsieke waarde van het dier zoals vastgelegd in artikel 1.3 van de Wet Dieren. Dit staat los van de gebruikswaarde die de mens aan een dier toekent. Onder erkenning van de intrinsieke waarde wordt verstaan erkenning van de eigen waarde van dieren, zijnde wezens met gevoel. De Wet dieren houdt ten volle rekening met de gevolgen voor de intrinsieke waarde van het dier, onverminderd andere gerechtvaardigde belangen. Daarbij wordt er in elk geval in voorzien dat de inbreuk op de integriteit of het welzijn van dieren, verder dan redelijkerwijs noodzakelijk, wordt voorkomen en dat de zorg die dieren redelijkerwijs behoeven is verzekerd.

Toepassing richtlijn bijzonderheden

Geweld tegen dieren kan een risicofactor zijn voor ander delictgedrag. Het is daarom van belang goed onderzoek naar de persoon van de verdachte te doen en daartoe het instrument van justitiële voorwaarden gericht in te zetten. Een reclasseringsadvies verdient aanbeveling. Daarbij kan ook worden gedacht aan het aanvragen van een NIFP-advies. Voor een passende afdoening kan vervolgens worden gedagvaard of een OMSB opgelegd worden.

Indien sprake is van strafverzwarende omstandigheden bij een first offender dient in de eerste plaats naar de strafbaarstelling van de naastgelegen categorie te worden gekeken.

Bij eenmaal recidive en strafverzwaring is maatwerk geboden. Dagvaarden is dan het devies.

Houdverboden – van toepassing bij alle strafbare feiten waar dieren bij betrokken zijn

1 Kamerstukken II, 2020–2021, 35 892, nr. 3, pagina’s 9: ‘Met de voorgestelde vrijheidsbeperkende maatregel in de Wet dieren wordt het voor de rechter mogelijk om in geval van dierenmishandeling, dierenverwaarlozing, het aanhitsen of het niet onschadelijk houden van een gevaarlijk dier alsmede in geval van ontucht met dieren en dierenpornografie, een vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen die is toegesneden op het voorkomen van nieuw dierenleed en de beveiliging van de maatschappij. [..] Dit betekent overigens niet dat de maatregel alleen kan worden toegepast bij overtreding van de Wet dieren. Voor toepassing van het voorgestelde artikel 8.11a Wet dieren moet sprake zijn van enig strafbaar feit. Niet vereist is dat dit feit strafbaar is gesteld in de Wet dieren. [..] In artikel 8.11a Wet dieren gaat het uitsluitend om strafbare feiten waarbij dieren betrokken zijn. In die zin kan het artikel worden beschouwd als een lex specialis ten opzichte van artikel 38v Sr. De inhoud van de maatregel is hierop ook toegesneden: de maatregel kan alleen bestaan uit een houdverbod of een gebiedsverbod. Voor het opleggen van een contactverbod, zoals in artikel 38v Sr is geregeld, bestaat in dit geval geen aanleiding.’

2 Zie ook de aanwijzing kader voor toepassing van voorwaarden, gedragsaanwijzinen en maatregelen.

Artikel 2.1* en 2.10 Wet Dieren en 350 lid 2 Sr

Dierenmishandeling en dierendoding

*Dit verbod beperkt zich niet tot lichamelijke mishandeling. Uit de nota van toelichting volgt dat psychische mishandeling ook valt onder de delictsomschrijving ‘onnodig benadelen van de gezondheid en het welzijn van het dier’.1Besluit van 5 juni 2014, houdende regels met betrekking tot houders van dieren (Besluit houders van dieren), Staatsblad 2014, 210, pagina 92.

In deze gevallen hoeft géén schending van het dierenwelzijn aangetoond te worden, i.e. pijn, letsel of een benadeling van de gezondheid of het welzijn. Het aantonen van de gedraging op zichzelf is voldoende om tot een bewezenverklaring te komen. Deze gedragingen kunnen geen redelijk doel dienen.4Besluit van 5 juni 2014, houdende regels met betrekking tot houders van dieren (Besluit houders van dieren), Staatsblad 2014, 210, pagina 58 tot en met 60.

In deze richtlijn zijn de meest voorkomende gedragingen opgenomen.

Voor toelichting op de * en #: zie hiervoor.

Artikel 2.2 lid 8 Wet dieren

Onthouden nodige zorg (verwaarlozing)

Artikel 425 Wetboek van Strafrecht

Het onvoldoende terughouden en/of onschadelijk houden van een dier

Artikel 8.11a Wet Dieren

Overtreding houdverbod (misdrijf ex 8.11 lid 1 Wet Dieren)

N.B Zie voor overtreding houdverbod als gedragsaanwijzing ex. 509hh Sv de richtlijn 184 Sr.

Artikel 2.4 Wet Dieren juncto artikel 1 onder 2 WED (misdrijf 2 jaar, 4e categorie, overtreding, 6 mnd, 4e categorie)

Legenda

GB = geldboete

TS = Taakstraf

GS = gevangenisstraf

HTS = hechtenis

wkn = weken

vw = voorwaardelijk

wkn = weken

mnd = maanden

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.