Beleidsbesluit doorschuiffaciliteit einde belastingplicht FGR

Type Beleidsregel
Publication 2024-09-03
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.

Dit besluit bevat een algemene toestemming voor de inspecteur om verzoeken af te doen als bedoeld in artikel V, tweede lid, Wet aanpassing fonds voor gemene rekening en vrijgestelde beleggingsinstelling. De voorwaarden die de inspecteur daarbij moet stellen zijn opgenomen in een bijlage en toegelicht in dit besluit.

1. Inleiding

Het overgangsrecht in het kader van de aanpassing van de definitie van het fonds voor gemene rekening, regelt dat op het tijdstip onmiddellijk voorafgaand aan 1 januari 2025 – voor Nederlandse fiscale doeleinden – sprake is van een fictieve vervreemding door fondsen voor gemene rekening, die als gevolg van de wet niet langer belastingplichtig zijn voor de vennootschapsbelasting, van haar vermogensbestanddelen aan de deelgerechtigden in dat fonds (artikel IV, eerste lid, Wet aanpassing fonds voor gemene rekening en vrijgestelde beleggingsinstelling). Artikel V biedt een doorschuiffaciliteit op grond waarvan het fonds voor gemene rekening niet hoeft af te rekenen over de fictieve vervreemdingswinst.

Dit besluit bevat een algemene toestemming voor de inspecteur om verzoeken af te doen als bedoeld in artikel V, tweede lid. De voorwaarden die de inspecteur daarbij moet stellen zijn opgenomen in bijlage 1 en toegelicht in dit besluit.

1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen

1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen

Dit besluit bevat de volgende onderdelen.

2. De faciliteit

In artikel IV, eerste lid, Wet aanpassing fonds voor gemene rekening en vrijgestelde beleggingsinstelling is bepaald dat een FGR op het tijdstip onmiddellijk voorafgaand aan 1 januari 2025 geacht wordt al haar vermogensbestanddelen tegen de waarde in het economische verkeer te hebben overgedragen aan haar deelgerechtigden, als dat FGR ná 1 januari 2025 niet langer belastingplichtig is. Daarnaast wordt dat FGR op grond van het eerste lid geacht te zijn opgehouden in Nederland belastbare winst te genieten zodat sprake is van een verplichte eindafrekening in de vennootschapsbelasting over alle in haar onderneming aanwezige stille en fiscale reserves en goodwill.

In artikel IV, eerste lid, Wet aanpassing fonds voor gemene rekening en vrijgestelde beleggingsinstelling is bepaald dat een FGR op het tijdstip onmiddellijk voorafgaand aan 1 januari 2025 geacht wordt al haar vermogensbestanddelen tegen de waarde in het economische verkeer te hebben overgedragen aan haar deelgerechtigden, als dat FGR ná 1 januari 2025 niet langer belastingplichtig is. Daarnaast wordt dat FGR op grond van het eerste lid geacht te zijn opgehouden in Nederland belastbare winst te genieten zodat sprake is van een verplichte eindafrekening in de vennootschapsbelasting over alle in haar onderneming aanwezige stille en fiscale reserves en goodwill.

In artikel V, eerste lid, Wet aanpassing fonds voor gemene rekening en vrijgestelde beleggingsinstelling is een doorschuiffaciliteit opgenomen die erin voorziet dat de hiervoor genoemde fictieve vervreemding niet in aanmerking hoeft te worden genomen als aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan. Als cumulatief aan de in het eerste lid genoemde voorwaarden wordt voldaan, dan behoeft de winst niet in aanmerking te worden genomen. De verkrijgende deelgerechtigden treden in dat geval met betrekking tot al hetgeen wordt verkregen in de plaats van het FGR.

Als niet aan de voorwaarden van het eerste lid wordt voldaan, biedt het tweede lid de mogelijkheid om de winst alsnog buiten aanmerking te laten. Op gezamenlijk verzoek van het FGR en alle deelgerechtigden, mits alle deelgerechtigden op 1 januari 2025 onderworpen zijn aan de vennootschapsbelasting, zonder ervan te zijn vrijgesteld, kan alsnog de doorschuiffaciliteit worden verkregen. Het verzoek wordt schriftelijk gedaan, uiterlijk op het tijdstip van het doen van de aangifte vennootschapsbelasting van het FGR over het boekjaar dat eindigt op 31 december 2024. Als het verzoek wordt ingewilligd, worden hieraan voorwaarden verbonden. De inspecteur beslist op het verzoek bij een voor bezwaar vatbare beschikking (artikel V, tweede lid, Wet aanpassing fonds voor gemene rekening en vrijgestelde beleggingsinstelling).

3. De toestemming

Als niet is voldaan aan de vereisten van artikel V, eerste lid, Wet aanpassing fonds voor gemene rekening en vrijgestelde beleggingsinstelling verleen ik de inspecteurs een algemene toestemming om namens mij te beslissen op verzoeken om toepassing van artikel V, tweede lid, Wet aanpassing fonds voor gemene rekening en vrijgestelde beleggingsinstelling. Deze toestemming geldt niet voor de volgende situaties:

Als niet is voldaan aan de vereisten van artikel V, eerste lid, Wet aanpassing fonds voor gemene rekening en vrijgestelde beleggingsinstelling verleen ik de inspecteurs een algemene toestemming om namens mij te beslissen op verzoeken om toepassing van artikel V, tweede lid, Wet aanpassing fonds voor gemene rekening en vrijgestelde beleggingsinstelling. Deze toestemming geldt niet voor de volgende situaties:

4. Goedkeuringen aanspraken

4. Goedkeuringen aanspraken

Op grond van artikel V, tweede lid, Wet aanpassing fonds voor gemene rekening en vrijgestelde beleggingsinstelling treden de verkrijgende deelgerechtigden met betrekking tot de (fictief) verkregen vermogensbestanddelen volledig in de plaats van het FGR. De fiscale indeplaatstreding is echter niet van toepassing op fiscale aanspraken die onvoldoende zijn verbonden met een bepaald vermogensbestanddeel. Deze fiscale aanspraken blijven achter bij het FGR en gaan door het beëindigen van de zelfstandige belastingplicht van het FGR verloren. Ik acht dit niet wenselijk gelet op de door de wetgever beoogde fiscale geruisloosheid van de faciliteit. Daarom keur ik voor de hierna genoemde aanspraken het volgende goed.

Op grond van artikel V, tweede lid, Wet aanpassing fonds voor gemene rekening en vrijgestelde beleggingsinstelling treden de verkrijgende deelgerechtigden met betrekking tot de (fictief) verkregen vermogensbestanddelen volledig in de plaats van het FGR. De fiscale indeplaatstreding is echter niet van toepassing op fiscale aanspraken die onvoldoende zijn verbonden met een bepaald vermogensbestanddeel. Deze fiscale aanspraken blijven achter bij het FGR en gaan door het beëindigen van de zelfstandige belastingplicht van het FGR verloren. Ik acht dit niet wenselijk gelet op de door de wetgever beoogde fiscale geruisloosheid van de faciliteit. Daarom keur ik voor de hierna genoemde aanspraken het volgende goed.

Ik keur onder voorwaarden goed dat de verkrijgende deelgerechtigden in de plaats treden van het FGR met betrekking tot de volgende bij het FGR onmiddellijk voorafgaand aan het overdrachtstijdstip aanwezige aanspraken:

4.2. Achterwaartse verliesverrekening door de verkrijgende deelgerechtigde met de vooroverdrachtswinst van het FGR

Zonder goedkeurende regeling is er geen mogelijkheid van achterwaartse verliesverrekening door de verkrijgende deelgerechtigde met vooroverdrachtswinst van het FGR. De goedkeuring van het vorige onderdeel volstaat in dat geval niet. Daarom keur ik de achterwaartse verrekening van verliezen van de verkrijgende deelgerechtigde met vooroverdrachtswinst van het FGR goed in de hieronder opgenomen afzonderlijke goedkeuring.

Zonder goedkeurende regeling is er geen mogelijkheid van achterwaartse verliesverrekening door de verkrijgende deelgerechtigde met vooroverdrachtswinst van het FGR. De goedkeuring van het vorige onderdeel volstaat in dat geval niet. Daarom keur ik de achterwaartse verrekening van verliezen van de verkrijgende deelgerechtigde met vooroverdrachtswinst van het FGR goed in de hieronder opgenomen afzonderlijke goedkeuring.

Ik keur onder de volgende voorwaarden goed dat een na het overdrachtstijdstip geleden verlies van een verkrijgende deelgerechtigde kan worden verrekend met vooroverdrachtswinst van het FGR.

Voor deze goedkeuring gelden de volgende zeven voorwaarden:

5. Toelichting op de voorwaarden

In bijlage 1 zijn de voorwaarden opgenomen. Deze voorwaarden licht ik hieronder toe.

5.1. Voorwaarde 1: Vermogen dat verdwijnt of het bereik van de vennootschapsbelasting verlaat

Als vermogen door de overdracht ophoudt te bestaan, of het bereik van de vennootschapsbelasting verlaat, kan de vennootschapsbelasting niet worden doorgeschoven en is latere heffing niet verzekerd. De faciliteit is dan alleen mogelijk door toepassing van artikel V, tweede lid, Wet aanpassing fonds voor gemene rekening en vrijgestelde beleggingsinstelling. Voorwaarde 1 verzekert in dat geval de heffing door te verplichten tot belaste herwaardering van het deel van het vermogen waarop de belastingclaim met de overdracht vervalt. In de voorwaarde worden ook nog enkele bijzondere situaties geregeld. Hierna volgt een toelichting op de werking van deze voorwaarde.

Als vermogen door de overdracht ophoudt te bestaan, of het bereik van de vennootschapsbelasting verlaat, kan de vennootschapsbelasting niet worden doorgeschoven en is latere heffing niet verzekerd. De faciliteit is dan alleen mogelijk door toepassing van artikel V, tweede lid, Wet aanpassing fonds voor gemene rekening en vrijgestelde beleggingsinstelling. Voorwaarde 1 verzekert in dat geval de heffing door te verplichten tot belaste herwaardering van het deel van het vermogen waarop de belastingclaim met de overdracht vervalt. In de voorwaarde worden ook nog enkele bijzondere situaties geregeld. Hierna volgt een toelichting op de werking van deze voorwaarde.

Claimverlies doet zich voor als het vermogen niet juridisch verdwijnt, maar bij de verkrijgende deelgerechtigde niet is onderworpen aan Nederlandse vennootschapsbelasting. Ook in die situatie eist daarom voorwaarde 1 dat over dat deel van het vermogen wordt afgerekend.

5.2. Voorwaarde 2: Innovatiebox

Voorwaarde 2 zorgt ervoor dat bij een gefacilieerde overdracht de toepassing van de innovatiebox ongewijzigd wordt voortgezet. Voorwaarde 2 ziet in de eerste plaats op de situatie waarin tot het vermogen van het FGR een immaterieel activum behoort dat na de fiscale overdracht wordt toegerekend aan de verkrijgende deelgerechtigde(n). In de tweede plaats ziet voorwaarde 2 op de situatie dat het immaterieel actief op het overdrachtstijdstip nog in ontwikkeling is en bij de verkrijgende deelgerechtigde(n) wordt voltooid.

5.3. Voorwaarde 3: Artikel 13c deelneming

Voorwaarde 3 ziet op de situatie waarin het FGR een deelneming bezit waarop artikel 13c Wet Vpb 1969 van toepassing is. Op grond van voorwaarde 3 treedt de verkrijgende deelgerechtigde voor de toepassing van artikel 13c Wet Vpb 1969 met betrekking tot dit belang voor het geheel in de plaats van het FGR. Dit geldt ook als de deelneming over meerdere verkrijgende deelgerechtigden wordt overgedragen. In dat geval treden de verkrijgende deelgerechtigden voor de toepassing van artikel 13c Wet Vpb 1969 voor het geheel in de plaats. Op deze wijze wordt voorkomen dat door de overdracht artikel 13c niet langer werkt. Als in een bepaalde situatie de sanctie van artikel 13c meerdere malen tot uitdrukking komt, kan de inspecteur om een passende oplossing worden verzocht.

5.4. Voorwaarde 4: Opwaarderingsreserve

Voorwaarde 4 regelt de samenloop van overdracht en artikel 13ba Wet Vpb 1969. De opwaarderingsreserve is geen vermogensbestanddeel dat vatbaar is voor overdracht. De opwaarderingsreserve is daarnaast subjectgebonden. Dit betekent dat bij een eventuele plaatsvervanging door de verkrijgende deelgerechtigde met betrekking tot de deelneming de opwaarderingsreserve niet overgaat naar de verkrijgende deelgerechtigde. Zonder nadere regeling blijft de opwaarderingsreserve dan ook achter bij het FGR en is bij vrijstelling heffing niet verzekerd. Voorwaarde 4 verzekert in dergelijke gevallen de heffing.

Voorwaarde 4 regelt de samenloop van overdracht en artikel 13ba Wet Vpb 1969. De opwaarderingsreserve is geen vermogensbestanddeel dat vatbaar is voor overdracht. De opwaarderingsreserve is daarnaast subjectgebonden. Dit betekent dat bij een eventuele plaatsvervanging door de verkrijgende deelgerechtigde met betrekking tot de deelneming de opwaarderingsreserve niet overgaat naar de verkrijgende deelgerechtigde. Zonder nadere regeling blijft de opwaarderingsreserve dan ook achter bij het FGR en is bij vrijstelling heffing niet verzekerd. Voorwaarde 4 verzekert in dergelijke gevallen de heffing.

Als de deelneming waarop de opwaarderingsreserve betrekking heeft in het bezit is van het FGR, treedt de verkrijgende deelgerechtigde aan wie de deelneming wordt overgedragen op grond van het eerste lid van voorwaarde 4 met betrekking tot de opwaarderingsreserve in de plaats van het FGR. Bij splitsing van de deelneming over meerdere verkrijgende deelgerechtigden geldt deze plaatsvervanging naar evenredigheid van de splitsing van de boekwaarde van de deelneming.

Een bijzondere situatie doet zich voor als de deelneming niet in het bezit is van het FGR, maar van een met hem verbonden lichaam. Als dit lichaam ook een verbonden lichaam is van alle verkrijgende deelgerechtigden, is voortzetting van de opwaarderingsreserve mogelijk. Het derde lid van voorwaarde 4 treft hiervoor de benodigde regeling. In dat geval treden alle verkrijgende deelgerechtigden met betrekking tot de opwaarderingsreserve in de plaats van het FGR met inachtneming van een evenredige verdeling. Deze verdeling is evenredig aan de verdeling van de waarde in het economische verkeer van het vermogen van het FGR. Deze plaatsvervanging naar evenredigheid verdeelt niet alleen het bedrag van de opwaarderingsreserve, maar geldt ook voor de verdere toepassing van artikel 13ba Wet Vpb 1969. Deze verdeling geldt bij de voortgezette toepassing van artikel 13ba dus ook voor de toerekening van de waarde in het economische verkeer van het bezit van de aandelen door het verbonden lichaam.

In de situatie dat het verbonden lichaam dat de aandelen bezit een verbonden lichaam is van één of meer verkrijgende deelgerechtigden, maar niet van alle, zal op verzoek van geval tot geval worden beoordeeld of de opwaarderingsreserve kan worden voortgezet en zo ja, op welke wijze. Om in aanmerking te komen voor een dergelijke eventuele goedkeuring moet een verzoek worden gedaan namens het FGR en alle verkrijgende deelgerechtigden. Het verzoek moet worden ingediend bij de inspecteur die belast is met de aanslagregeling vennootschapsbelasting van het FGR. Deze zendt het verzoek met een toelichting door naar de Belastingdienst/Corporate Dienst Vaktechniek, Cluster Vpb-IBwinst, Postbus 20201 2500 EE Den Haag.

5.5. Voorwaarde 5: Winstsplitsing

Voorwaarde 5 ziet op de situatie dat op het overdrachtstijdstip (31 december 2024) bij het FGR of de verkrijgende deelgerechtigde aanspraak bestaat op voorwaartse verrekening van verliezen, waaronder begrepen een latent liquidatieverlies en een latent stakingsverlies, op toepassing van de deelnemingsverrekening, op verrekening van voorheffingen of als bij de overdracht negatieve winst ontstaat. In dat geval splitst de verkrijgende deelgerechtigde zijn winst na overdracht in twee delen.

Voorwaarde 5 ziet op de situatie dat op het overdrachtstijdstip (31 december 2024) bij het FGR of de verkrijgende deelgerechtigde aanspraak bestaat op voorwaartse verrekening van verliezen, waaronder begrepen een latent liquidatieverlies en een latent stakingsverlies, op toepassing van de deelnemingsverrekening, op verrekening van voorheffingen of als bij de overdracht negatieve winst ontstaat. In dat geval splitst de verkrijgende deelgerechtigde zijn winst na overdracht in twee delen.

5.6. Voorwaarde 6: Latent liquidatieverlies deelneming

Voorwaarde 6 ziet op de situatie dat op het overdrachtstijdstip (31 december 2024) sprake is van een aanwezig latent liquidatieverlies met betrekking tot deelnemingen. Op grond van artikel 13d Wet Vpb 1969 is de deelnemingsvrijstelling niet van toepassing op een liquidatieverlies. Het moment waarop het liquidatieverlies in aftrek kan worden gebracht, wordt niet beheerst door goed koopmansgebruik. Artikel 13d, veertiende lid, Wet Vpb 1969 bepaalt namelijk dat onder voorwaarden het liquidatieverlies in aftrek komt op het tijdstip waarop de vereffening van het ontbonden lichaam is voltooid. Dit kan leiden tot oneigenlijk gebruik door verliesneming uit te stellen tot na het overdrachtstijdstip.

Voorwaarde 6 ziet op de situatie dat op het overdrachtstijdstip (31 december 2024) sprake is van een aanwezig latent liquidatieverlies met betrekking tot deelnemingen. Op grond van artikel 13d Wet Vpb 1969 is de deelnemingsvrijstelling niet van toepassing op een liquidatieverlies. Het moment waarop het liquidatieverlies in aftrek kan worden gebracht, wordt niet beheerst door goed koopmansgebruik. Artikel 13d, veertiende lid, Wet Vpb 1969 bepaalt namelijk dat onder voorwaarden het liquidatieverlies in aftrek komt op het tijdstip waarop de vereffening van het ontbonden lichaam is voltooid. Dit kan leiden tot oneigenlijk gebruik door verliesneming uit te stellen tot na het overdrachtstijdstip.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.