Besluit van 20 december 2023, houdende regels met betrekking tot inrichtingen- en activiteiten, milieueffectrapportage en de kwaliteit van toezicht en handhaving, ter bescherming van de fysieke leefomgeving op Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Inrichtingen- en activiteitenbesluit BES)
Op de voordracht Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 18 augustus 2023, nr. IENW/BSK-2022/228899, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken;
Gelet op de artikelen 1.2, derde lid, 1.3, 5.1, eerste, tweede en vierde lid, 5.4, eerste, derde en vijfde lid, 5.6, tweede lid, 5.7, tweede lid, 5.9, eerste en tweede lid, 5.14, vierde lid, 5.21, eerste, tweede en derde lid, 5.25, zesde lid, 5.39, derde lid, 6.1, eerste, tweede en vierde lid, 7.1, eerste tot en met vierde lid, 8.6, tweede lid, onderdeel a, en 10.9, eerste, tweede en derde lid, van de Wet volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieubeheer BES;
De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 8 november 2023, nr. No. W17.23.00228/IV);
Gezien het nader rapport van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 14 december 2023, nr. IenW/BSK-2023/343615, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1.1. Begripsbepalingen
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
- bestuurscollege: bestuurscollege van het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba;
- bufferzone gevoelig gebied:
- a. zone rondom een gevoelig gebied dat is aangewezen als natuurpark zoals omschreven krachtens de Wet grondslagen natuurbeheer- en bescherming BES;
- b. zone van 500 meter rondom een gevoelig gebied dat is aangemeld als watergebied van internationale betekenis;
- eilandsraad: eilandsraad van het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba;
- gevoelig gebied:
- a. gebied dat krachtens artikel 2a of 10 van de Wet grondslagen natuurbeheer- en bescherming BES is aangewezen als natuurpark;
- b. gebied dat krachtens de Overeenkomst inzake watergebieden van internationale betekenis, in het bijzonder als verblijfplaats voor watervogels, van 2 februari 1971 (Trb. 1975, 84 ), is aangemeld als watergebied van internationale betekenis;
- c. gebied dat krachtens de Wet grondslagen ruimtelijke ontwikkelingsplanning BES in een geldend ontwikkelingsplan is aangewezen als beschermd gebied;
- d. cultureel erfgoed, zijnde de monumenten, stads- en dorpsgezichten en archeologisch erfgoed, bedoeld in artikel 1 van de Monumentenwet BES;
- ongewoon voorval: ongewoon voorval als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, van de wet;
Artikel 1.2. Categorieën van inrichtingen
Als categorieën van inrichtingen als bedoeld in artikel 1.2, derde lid, van de wet worden aangewezen de inrichtingen die in bijlage 1 bij dit besluit zijn genoemd.
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder een:
- a. inrichting type I: inrichting die als type I is aangewezen in bijlage 1;
- b. inrichting type II: inrichting die als type II is aangewezen in bijlage 1;
- c. inrichting type III: inrichting die als type III is aangewezen in bijlage 1;
- d. inrichting type IV: inrichting die als type IV is aangewezen in bijlage 1.
Artikel 1.3. Bevoegd gezag
Het bestuurscollege is het bevoegd gezag ten aanzien van inrichtingen type I, type II en type III.
Onze Minister is het bevoegd gezag ten aanzien van inrichtingen type IV.
Artikel 1.4. Zorgplicht
Degene die een inrichting type I, II, III of IV drijft en weet of redelijkerwijs had kunnen weten dat hiermee nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan of kunnen ontstaan die niet of onvoldoende kunnen worden voorkomen of beperkt door naleving van de bij of krachtens dit besluit gestelde regels, is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen.
Als het voorkomen van de nadelige gevolgen, bedoeld in het eerste lid, niet mogelijk is, is diegene verplicht deze gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken.
Onder het voorkomen, beperken of ongedaan maken van het ontstaan van de nadelige gevolgen wordt verstaan:
- a. een doelmatig gebruik van energie en grondstoffen;
- b. het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van:
- 1°. bodemverontreiniging;
- 2°. verontreiniging van het grondwater;
- 3°. verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam;
- 4°. luchtverontreiniging;
- 5°. geluidhinder;
- c. het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het tot een aanvaardbaar niveau beperken van:
- 1°. geurhinder;
- 2°. lichthinder;
- 3°. stofhinder;
- 4°. trillinghinder;
- d. het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de nadelige gevolgen voor het milieu van het verkeer van personen en goederen van en naar de inrichting;
- e. het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan;
- f. het zorgen voor een goede staat van onderhoud van de inrichting;
- g. de doelmatige werking van de voorzieningen voor het beheer van afvalwater;
- h. het doelmatig beheer van afvalwater, afvalstoffen en energie;
- i. het beschermen van de duisternis en het donkere landschap in door het bevoegd gezag aangewezen gebieden.
Hoofdstuk 2. Regels voor inrichtingen type i en ii
Artikel 2.1. Kwaliteitscriteria
Degene die een type I of II inrichting drijft, voldoet aan de bij ministeriële regeling vast te stellen kwaliteitscriteria alsmede aan de nadere regels gesteld bij eilandsverordening.
De bij ministeriële regeling vast te stellen kwaliteitscriteria hebben in elk geval betrekking op de onderwerpen:
- a. het doelmatig beheer van afvalstoffen;
- b. de doelmatige werking van de voorzieningen voor het beheer van afvalwater;
- c. het doelmatig beheer van het afvalwater en het beperken van de hoeveelheid afvalwater;
- d. het voorkomen van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam;
- e. het beschermen van het koraalrifecosysteem;
- f. het beschermen van de kwaliteit van de bodem en van het grondwater;
- g. het voorkomen van de verontreiniging van de bodem;
- h. het voorkomen of beperken van geluidhinder, lichthinder, trillinghinder en geurhinder;
- i. het beschermen van de kwaliteit van de lucht;
- j. het voorkomen of het beperken van diffuse emissies in de lucht;
- k. het waarborgen van de veiligheid;
- l. het beschermen van de gezondheid;
- m. het zuinig gebruik van grondstoffen;
- n. doelmatig energiegebruik.
De eilandsraad stelt nadere regels als bedoeld in artikel 5.1, vierde lid, van de wet, over de kwaliteitscriteria, bedoeld in het eerste lid, die betrekking hebben op de onderwerpen, bedoeld in het tweede lid.
Artikel 2.2. Melding inrichting type II
Degene die een inrichting type II opricht, verandert of de werking daarvan verandert, meldt dat bij het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 1.3, eerste lid.
De melding wordt uiterlijk vier weken voor de datum waarop de oprichting, verandering of verandering van de werking plaats zal vinden gedaan.
De melding is niet vereist als overeenkomstig dit artikel al eerder een melding is gedaan en geen sprake is van een afwijking van de bij die eerdere melding verstrekte gegevens.
Bij een melding worden in ieder geval de volgende gegevens verstrekt:
- a. naam, adres, telefoonnummer en e-mailadres van degene die de inrichting opricht, verandert of de werking daarvan verandert;
- b. naam, adres en kadastraal perceelnummer van de inrichting;
- c. inschrijvingsnummer van het bedrijf bij de Kamer van Koophandel;
- d. voorgenomen tijdstip van oprichting of verandering van de inrichting;
- e. aard en omvang van de activiteiten van de inrichting;
- f. nummer van de bouwvergunning.
Artikel 2.3. Maatwerkvoorschriften als bedoeld in artikel 5.4, derde lid van de wet, voor inrichtingen type I en II
Het bestuurscollege kan ambtshalve of op aanvraag van degene die een inrichting type I of II drijft, maatwerkvoorschriften als bedoeld in artikel 5.4, derde lid, van de wet, vaststellen, indien deze voorschriften betrekking hebben op bij ministeriële regeling of eilandsverordening vast te stellen kwaliteitscriteria en een hoger of gelijkwaardig niveau van bescherming van het milieu bieden dan het bepaalde op grond van artikel 2.1, eerste, tweede en derde lid.
Het bevoegd gezag:
- a. houdt rekening met de bedrijfseconomische omstandigheden van de inrichting; en
- b. stelt in de beschikking per voorschrift een redelijke termijn vast waarbinnen het voorschrift moet zijn uitgevoerd.
Het bevoegd gezag geeft openbaar kennis van de beschikking, waarin een maatwerkvoorschrift als bedoeld in het eerste lid, wordt gesteld in één of meer plaatselijke dagbladen en voorts op de voor publicatie van officiële mededelingen gebruikelijke wijze en legt de beschikking ter inzage gedurende 6 weken.
Hoofdstuk 3. REGELS VOOR INRICHTINGEN TYPE III en IV
Artikel 3.1. Vergunningplicht
Degene die een inrichting type III of IV opricht, in werking heeft, verandert of de werking daarvan verandert, vraagt schriftelijk een vergunning als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, aan bij het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 1.3.
Artikel 3.2. De aanvraag vergunning inrichtingen type III
Bij de aanvraag om een vergunning voor een inrichting type III worden de volgende gegevens verstrekt:
- a. naam, adres, telefoonnummer en e-mailadres van degene die de inrichting opricht dan wel verandert of de werking daarvan verandert;
- b. naam, adres, telefoonnummer en e-mailadres van degene die de inrichting drijft of zal drijven, indien deze persoon een ander is dan degene, bedoeld onder a;
- c. adres, kadastrale aanduiding en ligging van de inrichting;
- d. een afschrift van of uittreksel uit hetgeen over de inrichting in het Handelsregister is ingeschreven of krachtens wettelijk voorschrift daar is gedeponeerd;
- e. de aard, indeling en uitvoering van de inrichting;
- f. de activiteiten en processen die in de inrichting plaatsvinden en de ten behoeve daarvan te gebruiken technieken of installaties, waaronder begrepen de wijze van energievoorziening, voor zover die redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor de beoordeling van de nadelige gevolgen voor het milieu die de inrichting kan veroorzaken;
- g. de voor de activiteiten en processen, bedoeld onder f, kenmerkende gegevens met betrekking tot grondstoffen en tussen-, neven- en eindproducten;
- h. de maximale capaciteit van de inrichting en het totale nominale motorische of thermische ingangsvermogen van de tot de inrichting behorende installaties;
- i. de tijdstippen en dagen waarop, dan wel perioden waarin de inrichting of de te onderscheiden onderdelen daarvan in bedrijf zullen zijn;
- j. een situatieschets, met een schaal van ten hoogste 1:10.000 waarop de ligging van de inrichting ten opzichte van de omgeving is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl;
- k. gedetailleerde tekeningen van de tot de inrichting behorende installaties en locaties waar emissies plaatsvinden;
- l. de aard en omvang van de belasting van het milieu die de inrichting tijdens het regulier in bedrijf zijn kan veroorzaken, daaronder begrepen een overzicht van de belangrijkste nadelige gevolgen voor het milieu die daardoor kunnen worden veroorzaakt;
- m. de maatregelen of voorzieningen ten behoeve van:
- 1°. het voorkomen of, voor zover dit niet kan worden voorkomen, het zoveel mogelijk beperken van het ontstaan van afvalstoffen in de inrichting;
- 2°. nuttige toepassing, dan wel het geschikt maken voor nuttige toepassing, van de afvalstoffen die in de inrichting ontstaan;
- 3°. het opslaan van de afvalstoffen in de inrichting;
- 4°. het zich ontdoen van de afvalstoffen die in de inrichting ontstaan;
- n. de aard en de inhoud van de andere maatregelen of voorzieningen die zijn of worden getroffen om de nadelige gevolgen voor het milieu die de inrichting kan veroorzaken, te voorkomen of, voor zover dit niet kan worden voorkomen, zoveel mogelijk te beperken;
- o. de voor de aanvrager redelijkerwijs te verwachten ontwikkelingen met betrekking tot de inrichting, die voor de beslissing op de aanvraag van belang kunnen zijn;
- p. een aanduiding van het grootste insluitsysteem, de maximale hoeveelheid stof die daarin aanwezig kan zijn, een aanduiding van de betrokken stof, de plaats van het insluitsysteem in de inrichting, de druk en de temperatuur van de betrokken stoffen en preparaten in het insluitsysteem;
- q. de ligging van leidingen in de inrichting;
- r. voor zover van toepassing, een milieueffectrapport;
- s. alle overige gegevens, voor zover de aanvrager daarover beschikt of redelijkerwijs kan beschikken en die naar het oordeel van het bevoegd gezag redelijkerwijs noodzakelijk zijn voor het nemen van een beslissing op de aanvraag.
De aanvraag gaat vergezeld van een niet-technische samenvatting van de gegevens, bedoeld in het eerste lid.
De bij de aanvraag behorende stukken worden door of namens de aanvrager gewaarmerkt als behorende bij de aanvraag.
Indien de inrichting waarvoor de vergunning wordt aangevraagd, naar haar aard tijdelijk is, vermeldt de aanvrager dit in de aanvraag, waarbij tevens de periode wordt aangegeven waarin de inrichting in werking is of zal zijn.
De gegevens, genoemd in het eerste en tweede lid, behoeven niet te worden verstrekt voor zover het bevoegd gezag reeds over die gegevens beschikt.
Artikel 3.3. De aanvraag vergunning inrichtingen type IV
Bij de aanvraag om een vergunning voor een inrichting type IV verstrekt de aanvrager de gegevens, bedoeld in artikel 3.2, en:
- a. een kwantitatieve risicoanalyse;
- b. de schriftelijke informatie over de wijze waarop gedurende het in werking zijn van de inrichting, de belasting van het milieu die de inrichting veroorzaakt, wordt vastgesteld en geregistreerd;
- c. een veiligheidsrapport als bedoeld in artikel 8.6, eerste lid, van de wet.
Bij de aanvraag om een vergunning, bedoeld in het eerste lid, wordt op verzoek van Onze Minister ook informatie verstrekt met betrekking tot:
- a. ongewone voorvallen, die redelijkerwijs mogelijk zijn te achten;
- b. de aard en de omvang van de bij de voorvallen, bedoeld in onderdeel a, te onderscheiden vormen van belasting van het milieu;
- c. de maatregelen die worden getroffen om de belasting van het milieu die de inrichting, ten gevolge van de voorvallen, bedoeld in onderdeel a, kan veroorzaken, te voorkomen dan wel zoveel mogelijk te beperken voor zover zij niet kunnen worden voorkomen;
- d. de resultaten van een onderzoek naar de kwaliteit van de bodem op de plaats waar de inrichting is of zal zijn gelegen.
De gegevens, bedoeld in het eerste en tweede lid, behoeven niet te worden verstrekt voor zover Onze Minister reeds over die gegevens beschikt.
Artikel 3.4. Beste beschikbare technieken inrichtingen type III en IV
Het bevoegd gezag houdt ten behoeve van de vergunning bij het bepalen van de voor inrichting type III en IV in aanmerking komende beste beschikbare technieken, in elk geval rekening met:
- a. de toepassing van technieken die, vergeleken met andere voor het betreffende doel te gebruiken technieken, weinig afvalstoffen veroorzaken;
- b. de toepassing van technieken waarbij gebruik wordt gemaakt van stoffen die, vergeleken met andere voor het betreffende doel te gebruiken stoffen, het minst gevaarlijk zijn en het minst schadelijk zijn voor de mens en voor het milieu;
- c. de ontwikkeling van technieken voor terugwinning en hergebruik van de bij de processen in de inrichting uitgestoten en gebruikte stoffen en afvalstoffen;
- d. vergelijkbare processen, apparaten of wijzen van bedrijfsvoering die met goed resultaat in de praktijk zijn toegepast;
- e. de ontwikkeling van de wetenschappelijke inzichten en de vooruitgang van de techniek met betrekking tot de bescherming van het milieu;
- f. de aard, de effecten en de omvang van de betrokken emissies;
- g. de data waarop de installaties in de inrichting in gebruik zijn of worden genomen;
- h. de tijd die nodig is om een techniek te gaan toepassen die meer bescherming biedt van het milieu dan de voorgaande;
- i. het verbruik en de aard van de grondstoffen, met inbegrip van water, en de energie-efficiëntie;
- j. de noodzaak om het algemene effect van de emissies op en de risico’s voor het milieu te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken;
- k. de noodzaak ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan voor het milieu zoveel mogelijk te beperken;
- l. door internationale of volkenrechtelijke organisaties bekendgemaakte informatie met betrekking tot de bepaling van beste beschikbare technieken; en
- m. andere informatie met betrekking tot het bepalen van de beste beschikbare technieken.
Het bevoegd gezag bepaalt de voor een inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken in elk geval mede op grond van de:
- a. aard en het type van de inrichting en de staat van de daarin aanwezige installaties en processen;
- b. geldende afspraken over de ontwikkeling van de technieken;
- c. geografische omstandigheden;
- d. lokale milieuomstandigheden.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de inhoud van de beste beschikbare technieken en omtrent de wijze waarop aan dit artikel uitvoering wordt gegeven.
Artikel 3.5. Melding verandering inrichtingen type III en IV
Bij een melding als bedoeld in artikel 5.25, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de wet, van het voornemen tot het uitvoeren van een verandering van een inrichting verstrekt de vergunninghouder de volgende gegevens:
- a. zijn naam, adres, telefoonnummer en e-mailadres;
- b. de vergunning of vergunningen krachtens welke de inrichting opgericht dan wel in werking is;
- c. de beoogde verandering van de inrichting of van de werking daarvan;
- d. de gegevens waaruit blijkt van welke onderdelen en in welke mate van de vergunning of vergunningen, bedoeld in onderdeel b, en de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften wordt afgeweken;
- e. een situatieschets waarin de beoogde verandering is weergegeven;
- f. de gegevens waaruit blijkt dat de beoogde verandering van de inrichting of van de werking daarvan niet leidt tot andere of grotere nadelige gevolgen voor het milieu dan die de inrichting ingevolge de vergunning en de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften mag veroorzaken; en
- g. het beoogde tijdstip van verwezenlijking van de voorgenomen verandering.
Artikel 3.6. Openbare kennisgeving
De verklaring, bedoeld in artikel 5.25, eerste lid, onder c, van de wet, wordt ter inzage gelegd en van de verklaring wordt kennisgegeven in één of meer plaatselijke dagbladen en voorts op de voor publicatie van officiële mededelingen gebruikelijke wijze.
Kennisgeving door het bevoegd gezag vindt plaats van ten minste:
- a. de zakelijke inhoud van de verklaring;
- b. de uren waarop en de plaats waar de verklaring en de daartoe behorende documenten kunnen worden ingezien;
- c. inzicht in of sprake is of zal zijn van een procedure met betrekking tot de milieueffectrapportage;
- d. inzicht in of sprake is of zal zijn van mogelijk belangrijke nadelige gevolgen voor een gevoelig gebied.
In de gevallen waarin een verklaring betrekking heeft op een inrichting type IV kan Onze Minister de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, geheel of gedeeltelijk achterwege laten, voor zover het belang van de veiligheid van de staat dat vereist.
Artikel 3.7. Financiële zekerheid bij vergunning
Het bevoegd gezag kan in de vergunning de verplichting opnemen dat degene die een inrichting type III of type IV opricht, verandert of de werking daarvan verandert, in werking heeft of beëindigt, financiële zekerheid stelt:
- a. voor het nakomen van de bij de vergunning opgelegde verplichtingen; of
- b. ter dekking van de aansprakelijkheid voor mogelijke schade aan het milieu die het gevolg kan zijn van het oprichten van de inrichting, het veranderen of de werking daarvan veranderen, het in werking hebben of beëindigen van de inrichting.
De financiële zekerheidsstelling wordt niet hoger dan de redelijkerwijs te verwachten kosten die noodzakelijk zijn voor het nakomen van op grond van die vergunning gelden de verplichtingen of voor de dekking van aansprakelijkheid voor schade die voortvloeit uit de nadelige gevolgen voor het milieu.
De in het eerste lid, onder a en b, genoemde verplichtingen worden aangegaan voor de periode die in de betreffende vergunning daartoe is bepaald.
Hoofdstuk 3a. Categorieën van personen
Artikel 3.1a. Categorieën van personen behorende bij artikel 1.2, eerste lid, van de wet
Als categorieën van personen bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, van de wet, in de omschrijving van het begrip «badinrichting», worden aangewezen:
- a. personen die in een specifieke hoedanigheid anders dan bedoeld in onderdeel b, toegang hebben tot een badinrichting, niet zijnde een voor het publiek toegankelijke badinrichting of een privébadinrichting;
- b. personen die zorg ontvangen in een instelling als bedoeld in artikel 1, onderdeel k, van de Wet zorginstellingen BES, of een inrichting waarin het beroep van fysiotherapeut klinisch of poliklinisch wordt uitgeoefend.
Hoofdstuk 4. Milieueffectrapportage
Artikel 4.1. Milieueffectrapportage
Als activiteiten als bedoeld in artikel 7.1, eerste lid, onderdeel a, van de wet, worden aangewezen de activiteiten die behoren tot een categorie die in kolom 1 van bijlage 2, onderdeel B, van dit besluit, is omschreven.
Als activiteiten als bedoeld in artikel 7.1, eerste lid, onderdeel b, van de wet worden aangewezen:
- a. de activiteiten die behoren tot een categorie die in kolom 1 van bijlage 2, onderdeel C, van dit besluit, is omschreven;
- b. alle overige activiteiten die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor de natuur of natuurwaarden van een gevoelig gebied of bufferzone gevoelig gebied, of die het landschap van het gevoelige gebied of de bufferzone gevoelig gebied in ernstige mate kunnen ontsieren of waarvoor een vergunning is vereist, die betrekking heeft of mede betrekking heeft op de bescherming van het milieu dan wel een gedeelte van het milieu.
Als categorieën van besluiten als bedoeld in artikel 7.1, tweede onderscheidenlijk derde lid, van de wet, worden aangewezen de besluiten opgenomen in bijlage 2, onderdeel B, kolom 4, onderscheidenlijk bijlage 2, onderdeel C, kolom 3, van dit besluit.
Als categorieën van plannen als bedoeld in artikel 7.1, vierde lid, van de wet, worden aangewezen de plannen die zijn opgenomen in bijlage 2, onderdeel B, kolom 3, van dit besluit, voor zover die plannen een kader vormen voor een besluit dat behoort tot een categorie die is aangewezen op grond van artikel 7.1, tweede lid, van de wet en voor zover die plannen niet zijn aangewezen als categorieën van besluiten bedoeld in het derde lid.
Bij ministeriële regeling kunnen, per openbaar lichaam, met het oog op de bescherming van het milieu andere activiteiten, besluiten en plannen worden aangewezen dan de activiteiten, besluiten en plannen aangewezen op grond van het eerste tot en met vierde lid.
Hoofdstuk 5. Toezicht en handhaving van de fysieke leefomgeving
Artikel 5.1. Toezicht- en handhavingsbeleid
Onze Minister en het bestuurscollege die zijn belast met de bestuursrechtelijke handhaving bedoeld in artikel 10.2 van de wet, stellen ieder voor zich het toezicht- en handhavingsbeleid vast. Het toezicht- en handhavingsbeleid wordt vastgesteld voor een periode van ten minste één kalenderjaar.
In het toezicht- en handhavingsbeleid worden in elk geval aangegeven:
- a. de doelen en gestelde prioriteiten van Onze Minister en het bestuurscollege op het gebied van toezicht en handhaving;
- b. de voorgenomen activiteiten om de doelen en prioriteiten te behalen;
- c. een risicoanalyse waarop de doelen en prioriteiten zijn gesteld; en
- d. de benodigde capaciteit voor de uitvoering van het toezicht-en handhavingsbeleid.
Het toezicht- en handhavingsbeleid geeft voorts inzicht in:
- a. de nalevingsstrategie en aanvullende toezicht- en handhavingsinstrumenten;
- b. de afspraken die Onze Minister en het bestuurscollege hebben gemaakt met de andere betrokken bestuursorganen en organen die belast zijn met de strafrechtelijke handhaving, over de samenwerking bij en de afstemming van de werkzaamheden.
Onze Minister en het bestuurscollege stemmen het toezicht- en handhavingsbeleid voordat het wordt vastgesteld, af met de betrokken bestuursorganen en organen die belast zijn met de strafrechtelijke handhaving.
Titel 4.3 van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing op het toezicht- en handhavingsbeleid.
Artikel 5.2. Uitvoeringsprogramma toezicht- en handhaving
Onze Minister en het bestuurscollege werken het toezicht- en handhavingsbeleid, bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, jaarlijks uit in een uitvoeringsprogramma. Hierin wordt aangegeven welke voorgenomen activiteiten Onze Minister en het bestuurscollege het komende kalenderjaar uitvoeren en de bijbehorende benodigde capaciteit voor die uitvoering. Daarbij wordt rekening gehouden met de gestelde doelen en prioriteiten als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, onderdeel a.
Artikel 5.1, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 5.3. Monitoring en evaluatie
Onze Minister en het bestuurscollege bewaken de resultaten en de voortgang van:
- a. het bereiken van de gestelde doelen, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid; en
- b. de uitvoering van het uitvoeringsprogramma, bedoeld in artikel 5.2.
Onze Minister en het bestuurscollege passen op grond van de resultaten genoemd in het eerste lid, het toezicht- en handhavingsbeleid, bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, zo nodig aan.
Artikel 5.4. Rapportage
Het bestuurscollege rapporteert jaarlijks aan de eilandsraad en aan Onze Minister over:
- a. het bereiken van de krachtens artikel 5.1, tweede lid, onderdeel a, doelen en gestelde prioriteiten;
- b. de uitvoering van de afspraken, bedoeld in artikel 5.1, vierde lid; en
- c. de uitgevoerde activiteiten die zijn opgenomen in de uitvoeringsprogramma’s, bedoeld in artikel 5.2, en in hoeverre deze activiteiten hebben bijgedragen aan het bereiken van de krachtens artikel 5.1, eerste en tweede lid, gestelde doelen.
Artikel 5.5. Bekendmaking
Het toezicht- en handhavingsbeleid, bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, het uitvoeringsprogramma, bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, en de rapportage, bedoeld in artikel 5.4, worden als geheel bekendgemaakt overeenkomstig de Bekendmakingswet.
Artikel 5.6. Nadere regels
In overeenstemming met artikel 10.9, vierde lid, van de wet kunnen bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld over de doelmatige handhaving van de wet, waaronder in ieder geval regels over:
- a. de wijze waarop inspecties worden uitgevoerd;
- b. sanctieoplegging; en
- c. kwalificaties van toezichthoudende ambtenaren.
Hoofdstuk 6. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 6.1. Overgangsrecht
Een vergunning verleend op grond van:
- b. de Hinderverordening Bonaire;
- c. de Hinderverordening Sint Eustatius 1993;
- d. de Hinderverordening Bovenwindse Eilanden;
wordt aangemerkt als een vergunning als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet.
Bij wettelijke procedures of rechtsgedingen waarbij het bestuurscollege niet meer het bevoegd gezag is, na inwerkingtreding van artikel 6.2, treedt Onze Minister in de plaats van het bestuurscollege.
Als een activiteit voor de inwerkingtreding van dit besluit zonder ontheffing of vergunning onafgebroken is verricht binnen en bij de inwerkingtreding van dit besluit voor die activiteit een vergunningplicht van toepassing wordt als bedoeld in artikel 3.1, geldt dat de aanvraag voor die vergunning binnen één maand na inwerkingtreding van dit besluit wordt gedaan bij het bevoegde gezag.
Als vóór inwerkingtreding van dit besluit een aanvraag voor een hindervergunning op grond van artikel 3 van de Hinderverordening Bonaire of de hinderverordening Sint Eustatius 1993 is ingediend, blijft het oude recht van toepassing:
- a. als tegen het besluit beroep openstaat: tot het besluit onherroepelijk wordt,
- b. als tegen het besluit geen beroep openstaat: tot het besluit van kracht wordt.
Beroepen bij een administratieve rechter of vorderingen die betrekking hebben op besluiten die zijn genomen op basis van de regelgeving als genoemd in het eerste lid, worden afgedaan op basis van het recht dat van toepassing was voor inwerkingtreding van dit besluit.
Archiefbescheiden en de daarmee samenhangende verplichtingen met betrekking tot de vergunning, bedoeld in het eerste lid, waarvoor reeds een aanvraag is ingediend en waarover op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 6.2 nog geen toekenning heeft plaatsgevonden, of waarover al een besluit tot toekenning van een vergunning is genomen, worden door het bestuurscollege overgedragen aan Onze Minister, voor zover de Minister het bevoegd gezag is voor die vergunningen en zij niet al zijn overgebracht naar een voorgeschreven archiefbewaarplaats.
Degene die een inrichting type II drijft die is opgericht voor de inwerkingtreding van dit besluit en die onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit besluit niet over een onherroepelijke hindervergunning beschikt, meldt binnen twaalf maanden na inwerkingtreding van dit besluit, aan het bevoegd gezag dat hij de inrichting in werking heeft.
Als op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit ten aanzien van een inrichting als bedoeld in het zevende lid, nog niet is beslist op een aanvraag om een hindervergunning, is het zevende lid niet van toepassing en wordt de aanvraag om de hindervergunning aangemerkt als een melding overeenkomstig artikel 2.2.
Artikel 6.2. Intrekking Besluit grote inrichtingen milieubeheer BES
Het Besluit grote inrichtingen milieubeheer BES wordt ingetrokken.
Na de inwerkingtreding van dit besluit berust de Regeling aanwijzing BBT-documenten grote inrichtingen milieubeheer BES op artikel 3.4, derde lid, van dit besluit.
Artikel 6.3. Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende openbare lichamen, artikelen en categorieën van inrichtingen van dit besluit verschillend kan worden vastgesteld.
Artikel 6.4. Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Inrichtingen- en activiteitenbesluit BES.
Bijlage 1. Lijst categorieën van inrichtingen behorend bij artikel 1.2, eerste lid, van dit besluit
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1.1. Begripsbepalingen
In deze bijlage wordt verstaan onder:
Artikel 1.2. Overzicht benaming, effect, categorie indeling en eisen samenstelling consumentenvuurwerk
Hoofdstuk 2. Categorieen van inrichtingen
Artikel 2.1. Reikwijdte
Artikel 2.2. Aanwijzing categorieën van inrichtingen
In de categorieën 1 tot en met 22 worden de categorieën van inrichtingen aangewezen, bedoeld in artikel 5.1, eerste en tweede lid, van de wet.
Categorie 1 Apparatuur, installaties en motoren
Onderdeel 1.1 Een inrichting waar:
Onderdeel 1.2 Onderdeel 1.1 is niet van toepassing op:
Onderdeel 1.3 Een inrichting type II is een inrichting waar:
Onderdeel 1.4 Een inrichting type III is een inrichting waar:
Categorie 2 Gassen
Onderdeel 2.1 een inrichting voor het bewerken, verwerken, op- en overslaan van gassen of gasmengsels, al of niet in samengeperste tot vloeistof verdichte of onder druk in vloeistof opgeloste toestand.
Onderdeel 2.2 Een inrichting type II is een inrichting voor:
Onderdeel 2.3 Een inrichting type III is een inrichting voor:
Onderdeel 2.4 Een inrichting type IV is een inrichting voor het opslaan van gassen met een opslagcapaciteit van meer dan 10 ton.
Categorie 3 Ontplofbare stoffen
Onderdeel 3.1 In deze categorie wordt onder ontplofbare stoffen verstaan de stoffen of preparaten als bedoeld in artikel 2 van het Besluit verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen en preparaten, dan wel de stoffen, preparaten of andere producten, die zijn ingedeeld in de internationale transportgevarenklasse 1 als bedoeld in bijlage 1 van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen (VLG), alsmede nitrocellulose.
Onderdeel 3.2 Een inrichting waar ontplofbare stoffen, preparaten of producten worden verpakt of herverpakt, opgeslagen of overgeslagen.
Onderdeel 3.3 Voor de toepassing van onderdeel 3.1 van deze bijlage blijft het opslaan van ten hoogste de volgende hoeveelheden buiten beschouwing:
Onderdeel 3.4 Voor de toepassing van onderdeel 3.2 blijft buiten beschouwing het bewerken, verwerken, verpakken of herverpakken, op- en overslaan van ontplofbare stoffen binnen inrichtingen die worden gebruikt door de Nederlandse of een bondgenootschappelijke krijgsmacht.
Onderdeel 3.5 Een inrichting type II is een inrichting waar consumentenvuurwerk met een gezamenlijke opslagcapaciteit tot maximaal 1.100 kilogram wordt opgeslagen.
Onderdeel 3.6 Een inrichting type III is een inrichting waar:
Onderdeel 3.7 Een inrichting type IV is in elk geval een inrichting voor het vervaardigen en bewerken van ontplofbare stoffen.
Categorie 4 Gevaarlijke stoffen, brandstoffen en brandbare vloeistoffen
Onderdeel 4.1 Een inrichting voor:
Onderdeel 4.2 Voor de toepassing van onderdeel 4.1 van deze bijlage blijven apotheken en praktijken voor de uitoefening van de geneeskunst als huisarts en de diergeneeskunst buiten beschouwing.
Onderdeel 4.3 Een inrichting type II is een inrichting voor:
Onderdeel 4.4 Een inrichting type III is een inrichting:
Onderdeel 4.5. Een inrichting type IV is een inrichting voor:
Categorie 5 Dieren, landbouw en veeteelt
Onderdeel 5.1 Een inrichting voor:
Onderdeel 5.2 Een inrichting type I is een inrichting voor het fokken of houden tot 100 vogels of tot 25 zoogdieren.
Onderdeel 5.3 Een inrichting type II is een inrichting voor:
Onderdeel 5.4 Een inrichting type III is een inrichting voor:
Categorie 6 Voedingsmiddelen
Onderdeel 6.1 Een inrichting voor:
Onderdeel 6.2 Voor de toepassing van onderdeel 6.1, onderdeel e, van deze bijlage, blijven buiten beschouwing inrichtingen voor het opslaan van tot balen geperst of gebundeld hooi, stro of vlas met een droge stofgehalte van meer dan 30%.
Onderdeel 6.3 Een inrichting type I is een inrichting voor het vervaardigen van voedingsmiddelen voor personen die wonen of werken in de accommodatie van de inrichting.
Onderdeel 6.4 Een inrichting type II is een inrichting voor:
Onderdeel 6.5 Een inrichting type III is een inrichting voor:
Categorie 7 Bestrijdingsmiddelen
Onderdeel 7.1 Een inrichting waar bestrijdingsmiddelen als bedoeld in artikel 1 van de Wet voorschriften bestrijdingsmiddelen BES worden bewerkt, opgeslagen of overgeslagen.
Onderdeel 7.2 Een inrichting type II is een inrichting waar meer dan 10 kilogram bestrijdingsmiddelen worden bewerkt, opgeslagen of overgeslagen.
Onderdeel 7.3 Een inrichting type III is een inrichting voor het vervaardigen van bestrijdingsmiddelen.
Categorie 8 Bouwmaterialen
Onderdeel 8.1 Een inrichting voor het winnen, vervaardigen, bewerken, verwerken, op- en overslaan van:
Onderdeel 8.2 Voor de toepassing van onderdeel 8.1, onderdeel a en e, van deze bijlage, blijven buiten beschouwing inrichtingen met een of meer ovens met een thermisch vermogen of een gezamenlijk thermisch vermogen van 5 kW of minder, die bestemd zijn voor de vervaardiging of bewerking van genoemde producten.
Onderdeel 8.3 Een inrichting type II is een inrichting voor het vervaardigen, bewerken, verwerken, op- en overslaan van:
Onderdeel 8.4 Een inrichting type III is een inrichting voor:
Categorie 9 Metalen
Onderdeel 9.1 Een inrichting voor het vervaardigen, bewerken, verwerken, op- en overslaan van metalen, metalen voorwerpen of schroot dan wel voor het behandelen van de oppervlakte van metalen of metalen voorwerpen.
Onderdeel 9.2 Een inrichting type II is een inrichting voor het bewerken, verwerken, op- en overslaan van metalen, metalen voorwerpen of schroot dan wel voor het behandelen van de oppervlakte van metalen of metalen voorwerpen.
Onderdeel 9.3 Een inrichting type III is een inrichting voor:
Categorie 10 Transport
Onderdeel 10.1 Een inrichting voor:
Onderdeel 10.2 Voor de toepassing van onderdeel 10.1, onderdeel b, van deze bijlage, blijven buiten beschouwing parkeerterreinen die deel uitmaken van openbare wegen of weggedeelten en parkeerterreinen die voor het openbaar verkeer openstaan.
Onderdeel 10.3 Een inrichting type I is een inrichting:
Onderdeel 10.4 Een inrichting type II is een inrichting voor:
Onderdeel 10.5 Een inrichting type III is een inrichting voor:
Categorie 11 Hout en kurk
Onderdeel 11.1 Een inrichting voor het vervaardigen, bewerken, verwerken, behandelen, op- en overslaan van hout of kurk dan wel van houten, kurken of houtachtige voorwerpen.
Onderdeel 11.2 Een inrichting type II is een inrichting voor het vervaardigen, bewerken, verwerken, behandelen, op- en overslaan van hout of kurk dan wel van houten, kurken of houtachtige voorwerpen.
Onderdeel 11.3 Een inrichting type III is een inrichting voor het impregneren van hout door middel van spuiten, sproeien of het toepassen van de vacuümdrukmethode.
Categorie 12 Textiel, papier en grafische techniek
Onderdeel 12.1 Een inrichting voor:
Onderdeel 12.2 Voor de toepassing van onderdeel 12.1, van deze bijlage, blijven buiten beschouwing de inrichtingen voor het opslaan van gebundeld vlas met een droge stofgehalte van meer dan 30%.
Onderdeel 12.3 Een inrichting type II is een inrichting voor:
Onderdeel 12.4 Een inrichting type III is een inrichting voor:
Categorie 13 Afvalwater
Onderdeel 13.1 Een inrichting voor:
Onderdeel 13.2 Een inrichting type I is een inrichting voor:
Onderdeel 13.3 Een inrichting type III is een inrichting voor het opslaan, behandelen en reinigen van afvalwater met een capaciteit van meer dan 500 inwonerequivalenten per jaar.
Categorie 14 Wapens
Onderdeel 14.1 Een inrichting waar met vuurwapens wordt geschoten of met ontvlambare of ontplofbare voorwerpen wordt geworpen.
Onderdeel 14.2 Onderdeel 14.1, van deze bijlage, is niet van toepassing op inrichtingen waar door de Nederlandse of een bondgenootschappelijke krijgsmacht uitsluitend met niet-scherpe patronen wordt geschoten.
Onderdeel 14.3 Een inrichting type III is een inrichting waar met vuurwapens wordt geschoten of met ontvlambare of ontplofbare voorwerpen wordt geworpen.
Categorie 15 Horeca
Onderdeel 15.1 Een inrichting met als bestemming hotels, restaurants, pensions, cafés, cafetaria's, snackbars en discotheken, alsmede aanverwante inrichtingen waar tegen vergoeding logies wordt verstrekt, dranken worden geschonken of spijzen voor directe consumptie worden bereid of verstrekt.
Onderdeel 15.2 Een inrichting type I is een inrichting waar:
Onderdeel 15.3 Een inrichting type II zijn inrichtingen met als bestemming hotels, restaurants, pensions, cafés, cafetaria's, snackbars en discotheken, alsmede aanverwante inrichtingen waar tegen vergoeding logies wordt verstrekt, dranken worden geschonken of spijzen voor directe consumptie worden bereid of verstrekt.
Onderdeel 15.4 Een inrichting type III is een inrichting waar:
Categorie 16 Sport en recreatie
Onderdeel 16.1 Een inrichting waar:
Onderdeel 16.2 Een inrichting type II is een inrichting waar:
Onderdeel 16.3 Een inrichting type III is:
Categorie 17 Drinkwaterbereiding
Onderdeel 17.1 Een inrichting voor drinkwaterbereiding.
Onderdeel 17.2 Een inrichting type III is een inrichting voor:
Categorie 18 Energieomzetting
Onderdeel 18.1 Een inrichting voor:
Onderdeel 18.2 Een inrichting type I is een inrichting voor:
Onderdeel 18.3 Een inrichting type II is een inrichting:
Onderdeel 18.4 Een inrichting type III is een inrichting voor het omzetten van:
Categorie 19 Opslag overige goederen
Onderdeel 19.1 Een inrichting voor het op- en overslaan van andere stuk- of bulkgoederen dan de stoffen, preparaten of producten, die in een ander in deze bijlage opgenomen onderdeel worden genoemd, met een oppervlakte voor de opslag daarvan van 2.000 m2 of meer.
Onderdeel 19.2 Een inrichting type I is een inrichting voor het op- en overslaan van inerte goederen die niet stuifgevoelig zijn.
Onderdeel 19.3 Een inrichting type II is een inrichting voor het op- en overslaan of overslaan van andere stuk- of bulkgoederen dan de stoffen, preparaten of producten, die in een andere in deze bijlage opgenomen categorie worden genoemd, met een oppervlakte voor de opslag daarvan van 2.000 m2 of meer.
Categorie 20 Ziekenhuizen
Onderdeel 20.1 Inrichtingen zijnde:
Onderdeel 20.2 Voor de toepassing van onderdeel 20.1, van deze bijlage, blijven buiten beschouwing praktijken voor de uitoefening van de geneeskunst als huisarts en van de diergeneeskunst.
Onderdeel 20.3 Een inrichting type II zijn inrichtingen voor het bieden van medische behandeling, verpleging of huisvesting tezamen met verzorging.
Onderdeel 20.4 Een inrichting type III zijn algemene, academische of categoriale ziekenhuizen.
Categorie 21 Afval
Onderdeel 21.1 Een inrichting voor:
Onderdeel 21.2 Een inrichting type I is een inrichting waar geen activiteiten worden verricht met afvalstoffen die van buiten de inrichting afkomstig zijn.
Onderdeel 21.3 Een inrichting type II is een inrichting voor:
Onderdeel 21.4 Een inrichting type III is een inrichting voor:
Bijlage 2. Behorend bij artikel 4.1, van dit besluit MER-plicht of MER-beoordelingsplicht
Onderdeel A. Begripsbepalingen
Onderdeel B. Activiteiten, plannen en besluiten als bedoeld in artikel 7.1 van de wet, ten aanzien waarvan het maken van een milieueffectrapport verplicht is
Onderdeel C. Activiteiten, plannen en besluiten als bedoeld in artikel 7.1 van de wet ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij vanwege de bijzondere omstandigheden waaronder zij worden verricht belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)