Besluit van 20 december 2023, houdende regels met betrekking tot inrichtingen- en activiteiten, milieueffectrapportage en de kwaliteit van toezicht en handhaving, ter bescherming van de fysieke leefomgeving op Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Inrichtingen- en activiteitenbesluit BES)

Type Amvb Bes
Publication 2024-04-01
State In force
Source BWB
artikelen 30
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Op de voordracht Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 18 augustus 2023, nr. IENW/BSK-2022/228899, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken;

Gelet op de artikelen 1.2, derde lid, 1.3, 5.1, eerste, tweede en vierde lid, 5.4, eerste, derde en vijfde lid, 5.6, tweede lid, 5.7, tweede lid, 5.9, eerste en tweede lid, 5.14, vierde lid, 5.21, eerste, tweede en derde lid, 5.25, zesde lid, 5.39, derde lid, 6.1, eerste, tweede en vierde lid, 7.1, eerste tot en met vierde lid, 8.6, tweede lid, onderdeel a, en 10.9, eerste, tweede en derde lid, van de Wet volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieubeheer BES;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 8 november 2023, nr. No. W17.23.00228/IV);

Gezien het nader rapport van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 14 december 2023, nr. IenW/BSK-2023/343615, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1.1. Begripsbepalingen

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

Artikel 1.2. Categorieën van inrichtingen

1.

Als categorieën van inrichtingen als bedoeld in artikel 1.2, derde lid, van de wet worden aangewezen de inrichtingen die in bijlage 1 bij dit besluit zijn genoemd.

2.

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder een:

Artikel 1.3. Bevoegd gezag

1.

Het bestuurscollege is het bevoegd gezag ten aanzien van inrichtingen type I, type II en type III.

2.

Onze Minister is het bevoegd gezag ten aanzien van inrichtingen type IV.

Artikel 1.4. Zorgplicht

1.

Degene die een inrichting type I, II, III of IV drijft en weet of redelijkerwijs had kunnen weten dat hiermee nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan of kunnen ontstaan die niet of onvoldoende kunnen worden voorkomen of beperkt door naleving van de bij of krachtens dit besluit gestelde regels, is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen.

2.

Als het voorkomen van de nadelige gevolgen, bedoeld in het eerste lid, niet mogelijk is, is diegene verplicht deze gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken.

3.

Onder het voorkomen, beperken of ongedaan maken van het ontstaan van de nadelige gevolgen wordt verstaan:

Hoofdstuk 2. Regels voor inrichtingen type i en ii

Artikel 2.1. Kwaliteitscriteria

1.

Degene die een type I of II inrichting drijft, voldoet aan de bij ministeriële regeling vast te stellen kwaliteitscriteria alsmede aan de nadere regels gesteld bij eilandsverordening.

2.

De bij ministeriële regeling vast te stellen kwaliteitscriteria hebben in elk geval betrekking op de onderwerpen:

3.

De eilandsraad stelt nadere regels als bedoeld in artikel 5.1, vierde lid, van de wet, over de kwaliteitscriteria, bedoeld in het eerste lid, die betrekking hebben op de onderwerpen, bedoeld in het tweede lid.

Artikel 2.2. Melding inrichting type II

1.

Degene die een inrichting type II opricht, verandert of de werking daarvan verandert, meldt dat bij het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 1.3, eerste lid.

2.

De melding wordt uiterlijk vier weken voor de datum waarop de oprichting, verandering of verandering van de werking plaats zal vinden gedaan.

3.

De melding is niet vereist als overeenkomstig dit artikel al eerder een melding is gedaan en geen sprake is van een afwijking van de bij die eerdere melding verstrekte gegevens.

4.

Bij een melding worden in ieder geval de volgende gegevens verstrekt:

Artikel 2.3. Maatwerkvoorschriften als bedoeld in artikel 5.4, derde lid van de wet, voor inrichtingen type I en II

1.

Het bestuurscollege kan ambtshalve of op aanvraag van degene die een inrichting type I of II drijft, maatwerkvoorschriften als bedoeld in artikel 5.4, derde lid, van de wet, vaststellen, indien deze voorschriften betrekking hebben op bij ministeriële regeling of eilandsverordening vast te stellen kwaliteitscriteria en een hoger of gelijkwaardig niveau van bescherming van het milieu bieden dan het bepaalde op grond van artikel 2.1, eerste, tweede en derde lid.

2.

Het bevoegd gezag:

3.

Het bevoegd gezag geeft openbaar kennis van de beschikking, waarin een maatwerkvoorschrift als bedoeld in het eerste lid, wordt gesteld in één of meer plaatselijke dagbladen en voorts op de voor publicatie van officiële mededelingen gebruikelijke wijze en legt de beschikking ter inzage gedurende 6 weken.

Hoofdstuk 3. REGELS VOOR INRICHTINGEN TYPE III en IV

Artikel 3.1. Vergunningplicht

Degene die een inrichting type III of IV opricht, in werking heeft, verandert of de werking daarvan verandert, vraagt schriftelijk een vergunning als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, aan bij het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 1.3.

Artikel 3.2. De aanvraag vergunning inrichtingen type III

1.

Bij de aanvraag om een vergunning voor een inrichting type III worden de volgende gegevens verstrekt:

2.

De aanvraag gaat vergezeld van een niet-technische samenvatting van de gegevens, bedoeld in het eerste lid.

3.

De bij de aanvraag behorende stukken worden door of namens de aanvrager gewaarmerkt als behorende bij de aanvraag.

4.

Indien de inrichting waarvoor de vergunning wordt aangevraagd, naar haar aard tijdelijk is, vermeldt de aanvrager dit in de aanvraag, waarbij tevens de periode wordt aangegeven waarin de inrichting in werking is of zal zijn.

5.

De gegevens, genoemd in het eerste en tweede lid, behoeven niet te worden verstrekt voor zover het bevoegd gezag reeds over die gegevens beschikt.

Artikel 3.3. De aanvraag vergunning inrichtingen type IV

1.

Bij de aanvraag om een vergunning voor een inrichting type IV verstrekt de aanvrager de gegevens, bedoeld in artikel 3.2, en:

2.

Bij de aanvraag om een vergunning, bedoeld in het eerste lid, wordt op verzoek van Onze Minister ook informatie verstrekt met betrekking tot:

3.

De gegevens, bedoeld in het eerste en tweede lid, behoeven niet te worden verstrekt voor zover Onze Minister reeds over die gegevens beschikt.

Artikel 3.4. Beste beschikbare technieken inrichtingen type III en IV

1.

Het bevoegd gezag houdt ten behoeve van de vergunning bij het bepalen van de voor inrichting type III en IV in aanmerking komende beste beschikbare technieken, in elk geval rekening met:

2.

Het bevoegd gezag bepaalt de voor een inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken in elk geval mede op grond van de:

3.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de inhoud van de beste beschikbare technieken en omtrent de wijze waarop aan dit artikel uitvoering wordt gegeven.

Artikel 3.5. Melding verandering inrichtingen type III en IV

Bij een melding als bedoeld in artikel 5.25, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de wet, van het voornemen tot het uitvoeren van een verandering van een inrichting verstrekt de vergunninghouder de volgende gegevens:

Artikel 3.6. Openbare kennisgeving

1.

De verklaring, bedoeld in artikel 5.25, eerste lid, onder c, van de wet, wordt ter inzage gelegd en van de verklaring wordt kennisgegeven in één of meer plaatselijke dagbladen en voorts op de voor publicatie van officiële mededelingen gebruikelijke wijze.

2.

Kennisgeving door het bevoegd gezag vindt plaats van ten minste:

3.

In de gevallen waarin een verklaring betrekking heeft op een inrichting type IV kan Onze Minister de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, geheel of gedeeltelijk achterwege laten, voor zover het belang van de veiligheid van de staat dat vereist.

Artikel 3.7. Financiële zekerheid bij vergunning

1.

Het bevoegd gezag kan in de vergunning de verplichting opnemen dat degene die een inrichting type III of type IV opricht, verandert of de werking daarvan verandert, in werking heeft of beëindigt, financiële zekerheid stelt:

2.

De financiële zekerheidsstelling wordt niet hoger dan de redelijkerwijs te verwachten kosten die noodzakelijk zijn voor het nakomen van op grond van die vergunning gelden de verplichtingen of voor de dekking van aansprakelijkheid voor schade die voortvloeit uit de nadelige gevolgen voor het milieu.

3.

De in het eerste lid, onder a en b, genoemde verplichtingen worden aangegaan voor de periode die in de betreffende vergunning daartoe is bepaald.

Hoofdstuk 3a. Categorieën van personen

Artikel 3.1a. Categorieën van personen behorende bij artikel 1.2, eerste lid, van de wet

Als categorieën van personen bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, van de wet, in de omschrijving van het begrip «badinrichting», worden aangewezen:

Hoofdstuk 4. Milieueffectrapportage

Artikel 4.1. Milieueffectrapportage

1.

Als activiteiten als bedoeld in artikel 7.1, eerste lid, onderdeel a, van de wet, worden aangewezen de activiteiten die behoren tot een categorie die in kolom 1 van bijlage 2, onderdeel B, van dit besluit, is omschreven.

2.

Als activiteiten als bedoeld in artikel 7.1, eerste lid, onderdeel b, van de wet worden aangewezen:

3.

Als categorieën van besluiten als bedoeld in artikel 7.1, tweede onderscheidenlijk derde lid, van de wet, worden aangewezen de besluiten opgenomen in bijlage 2, onderdeel B, kolom 4, onderscheidenlijk bijlage 2, onderdeel C, kolom 3, van dit besluit.

4.

Als categorieën van plannen als bedoeld in artikel 7.1, vierde lid, van de wet, worden aangewezen de plannen die zijn opgenomen in bijlage 2, onderdeel B, kolom 3, van dit besluit, voor zover die plannen een kader vormen voor een besluit dat behoort tot een categorie die is aangewezen op grond van artikel 7.1, tweede lid, van de wet en voor zover die plannen niet zijn aangewezen als categorieën van besluiten bedoeld in het derde lid.

5.

Bij ministeriële regeling kunnen, per openbaar lichaam, met het oog op de bescherming van het milieu andere activiteiten, besluiten en plannen worden aangewezen dan de activiteiten, besluiten en plannen aangewezen op grond van het eerste tot en met vierde lid.

Hoofdstuk 5. Toezicht en handhaving van de fysieke leefomgeving

Artikel 5.1. Toezicht- en handhavingsbeleid

1.

Onze Minister en het bestuurscollege die zijn belast met de bestuursrechtelijke handhaving bedoeld in artikel 10.2 van de wet, stellen ieder voor zich het toezicht- en handhavingsbeleid vast. Het toezicht- en handhavingsbeleid wordt vastgesteld voor een periode van ten minste één kalenderjaar.

2.

In het toezicht- en handhavingsbeleid worden in elk geval aangegeven:

3.

Het toezicht- en handhavingsbeleid geeft voorts inzicht in:

4.

Onze Minister en het bestuurscollege stemmen het toezicht- en handhavingsbeleid voordat het wordt vastgesteld, af met de betrokken bestuursorganen en organen die belast zijn met de strafrechtelijke handhaving.

5.

Titel 4.3 van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing op het toezicht- en handhavingsbeleid.

Artikel 5.2. Uitvoeringsprogramma toezicht- en handhaving

1.

Onze Minister en het bestuurscollege werken het toezicht- en handhavingsbeleid, bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, jaarlijks uit in een uitvoeringsprogramma. Hierin wordt aangegeven welke voorgenomen activiteiten Onze Minister en het bestuurscollege het komende kalenderjaar uitvoeren en de bijbehorende benodigde capaciteit voor die uitvoering. Daarbij wordt rekening gehouden met de gestelde doelen en prioriteiten als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, onderdeel a.

2.

Artikel 5.1, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 5.3. Monitoring en evaluatie

1.

Onze Minister en het bestuurscollege bewaken de resultaten en de voortgang van:

2.

Onze Minister en het bestuurscollege passen op grond van de resultaten genoemd in het eerste lid, het toezicht- en handhavingsbeleid, bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, zo nodig aan.

Artikel 5.4. Rapportage

Het bestuurscollege rapporteert jaarlijks aan de eilandsraad en aan Onze Minister over:

Artikel 5.5. Bekendmaking

Het toezicht- en handhavingsbeleid, bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, het uitvoeringsprogramma, bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, en de rapportage, bedoeld in artikel 5.4, worden als geheel bekendgemaakt overeenkomstig de Bekendmakingswet.

Artikel 5.6. Nadere regels

In overeenstemming met artikel 10.9, vierde lid, van de wet kunnen bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld over de doelmatige handhaving van de wet, waaronder in ieder geval regels over:

Hoofdstuk 6. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 6.1. Overgangsrecht

1.

Een vergunning verleend op grond van:

wordt aangemerkt als een vergunning als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet.

2.

Bij wettelijke procedures of rechtsgedingen waarbij het bestuurscollege niet meer het bevoegd gezag is, na inwerkingtreding van artikel 6.2, treedt Onze Minister in de plaats van het bestuurscollege.

3.

Als een activiteit voor de inwerkingtreding van dit besluit zonder ontheffing of vergunning onafgebroken is verricht binnen en bij de inwerkingtreding van dit besluit voor die activiteit een vergunningplicht van toepassing wordt als bedoeld in artikel 3.1, geldt dat de aanvraag voor die vergunning binnen één maand na inwerkingtreding van dit besluit wordt gedaan bij het bevoegde gezag.

4.

Als vóór inwerkingtreding van dit besluit een aanvraag voor een hindervergunning op grond van artikel 3 van de Hinderverordening Bonaire of de hinderverordening Sint Eustatius 1993 is ingediend, blijft het oude recht van toepassing:

5.

Beroepen bij een administratieve rechter of vorderingen die betrekking hebben op besluiten die zijn genomen op basis van de regelgeving als genoemd in het eerste lid, worden afgedaan op basis van het recht dat van toepassing was voor inwerkingtreding van dit besluit.

6.

Archiefbescheiden en de daarmee samenhangende verplichtingen met betrekking tot de vergunning, bedoeld in het eerste lid, waarvoor reeds een aanvraag is ingediend en waarover op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 6.2 nog geen toekenning heeft plaatsgevonden, of waarover al een besluit tot toekenning van een vergunning is genomen, worden door het bestuurscollege overgedragen aan Onze Minister, voor zover de Minister het bevoegd gezag is voor die vergunningen en zij niet al zijn overgebracht naar een voorgeschreven archiefbewaarplaats.

7.

Degene die een inrichting type II drijft die is opgericht voor de inwerkingtreding van dit besluit en die onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit besluit niet over een onherroepelijke hindervergunning beschikt, meldt binnen twaalf maanden na inwerkingtreding van dit besluit, aan het bevoegd gezag dat hij de inrichting in werking heeft.

8.

Als op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit ten aanzien van een inrichting als bedoeld in het zevende lid, nog niet is beslist op een aanvraag om een hindervergunning, is het zevende lid niet van toepassing en wordt de aanvraag om de hindervergunning aangemerkt als een melding overeenkomstig artikel 2.2.

Artikel 6.2. Intrekking Besluit grote inrichtingen milieubeheer BES

2.

Na de inwerkingtreding van dit besluit berust de Regeling aanwijzing BBT-documenten grote inrichtingen milieubeheer BES op artikel 3.4, derde lid, van dit besluit.

Artikel 6.3. Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende openbare lichamen, artikelen en categorieën van inrichtingen van dit besluit verschillend kan worden vastgesteld.

Artikel 6.4. Citeertitel

Dit besluit wordt aangehaald als: Inrichtingen- en activiteitenbesluit BES.

Bijlage 1. Lijst categorieën van inrichtingen behorend bij artikel 1.2, eerste lid, van dit besluit

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1.1. Begripsbepalingen

In deze bijlage wordt verstaan onder:

Artikel 1.2. Overzicht benaming, effect, categorie indeling en eisen samenstelling consumentenvuurwerk

Hoofdstuk 2. Categorieen van inrichtingen

Artikel 2.1. Reikwijdte

Artikel 2.2. Aanwijzing categorieën van inrichtingen

In de categorieën 1 tot en met 22 worden de categorieën van inrichtingen aangewezen, bedoeld in artikel 5.1, eerste en tweede lid, van de wet.

Categorie 1 Apparatuur, installaties en motoren

Onderdeel 1.1 Een inrichting waar:

Onderdeel 1.2 Onderdeel 1.1 is niet van toepassing op:

Onderdeel 1.3 Een inrichting type II is een inrichting waar:

Onderdeel 1.4 Een inrichting type III is een inrichting waar:

Categorie 2 Gassen

Onderdeel 2.1 een inrichting voor het bewerken, verwerken, op- en overslaan van gassen of gasmengsels, al of niet in samengeperste tot vloeistof verdichte of onder druk in vloeistof opgeloste toestand.

Onderdeel 2.2 Een inrichting type II is een inrichting voor:

Onderdeel 2.3 Een inrichting type III is een inrichting voor:

Onderdeel 2.4 Een inrichting type IV is een inrichting voor het opslaan van gassen met een opslagcapaciteit van meer dan 10 ton.

Categorie 3 Ontplofbare stoffen

Onderdeel 3.1 In deze categorie wordt onder ontplofbare stoffen verstaan de stoffen of preparaten als bedoeld in artikel 2 van het Besluit verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen en preparaten, dan wel de stoffen, preparaten of andere producten, die zijn ingedeeld in de internationale transportgevarenklasse 1 als bedoeld in bijlage 1 van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen (VLG), alsmede nitrocellulose.

Onderdeel 3.2 Een inrichting waar ontplofbare stoffen, preparaten of producten worden verpakt of herverpakt, opgeslagen of overgeslagen.

Onderdeel 3.3 Voor de toepassing van onderdeel 3.1 van deze bijlage blijft het opslaan van ten hoogste de volgende hoeveelheden buiten beschouwing:

Onderdeel 3.4 Voor de toepassing van onderdeel 3.2 blijft buiten beschouwing het bewerken, verwerken, verpakken of herverpakken, op- en overslaan van ontplofbare stoffen binnen inrichtingen die worden gebruikt door de Nederlandse of een bondgenootschappelijke krijgsmacht.

Onderdeel 3.5 Een inrichting type II is een inrichting waar consumentenvuurwerk met een gezamenlijke opslagcapaciteit tot maximaal 1.100 kilogram wordt opgeslagen.

Onderdeel 3.6 Een inrichting type III is een inrichting waar:

Onderdeel 3.7 Een inrichting type IV is in elk geval een inrichting voor het vervaardigen en bewerken van ontplofbare stoffen.

Categorie 4 Gevaarlijke stoffen, brandstoffen en brandbare vloeistoffen

Onderdeel 4.1 Een inrichting voor:

Onderdeel 4.2 Voor de toepassing van onderdeel 4.1 van deze bijlage blijven apotheken en praktijken voor de uitoefening van de geneeskunst als huisarts en de diergeneeskunst buiten beschouwing.

Onderdeel 4.3 Een inrichting type II is een inrichting voor:

Onderdeel 4.4 Een inrichting type III is een inrichting:

Onderdeel 4.5. Een inrichting type IV is een inrichting voor:

Categorie 5 Dieren, landbouw en veeteelt

Onderdeel 5.1 Een inrichting voor:

Onderdeel 5.2 Een inrichting type I is een inrichting voor het fokken of houden tot 100 vogels of tot 25 zoogdieren.

Onderdeel 5.3 Een inrichting type II is een inrichting voor:

Onderdeel 5.4 Een inrichting type III is een inrichting voor:

Categorie 6 Voedingsmiddelen

Onderdeel 6.1 Een inrichting voor:

Onderdeel 6.2 Voor de toepassing van onderdeel 6.1, onderdeel e, van deze bijlage, blijven buiten beschouwing inrichtingen voor het opslaan van tot balen geperst of gebundeld hooi, stro of vlas met een droge stofgehalte van meer dan 30%.

Onderdeel 6.3 Een inrichting type I is een inrichting voor het vervaardigen van voedingsmiddelen voor personen die wonen of werken in de accommodatie van de inrichting.

Onderdeel 6.4 Een inrichting type II is een inrichting voor:

Onderdeel 6.5 Een inrichting type III is een inrichting voor:

Categorie 7 Bestrijdingsmiddelen

Onderdeel 7.1 Een inrichting waar bestrijdingsmiddelen als bedoeld in artikel 1 van de Wet voorschriften bestrijdingsmiddelen BES worden bewerkt, opgeslagen of overgeslagen.

Onderdeel 7.2 Een inrichting type II is een inrichting waar meer dan 10 kilogram bestrijdingsmiddelen worden bewerkt, opgeslagen of overgeslagen.

Onderdeel 7.3 Een inrichting type III is een inrichting voor het vervaardigen van bestrijdingsmiddelen.

Categorie 8 Bouwmaterialen

Onderdeel 8.1 Een inrichting voor het winnen, vervaardigen, bewerken, verwerken, op- en overslaan van:

Onderdeel 8.2 Voor de toepassing van onderdeel 8.1, onderdeel a en e, van deze bijlage, blijven buiten beschouwing inrichtingen met een of meer ovens met een thermisch vermogen of een gezamenlijk thermisch vermogen van 5 kW of minder, die bestemd zijn voor de vervaardiging of bewerking van genoemde producten.

Onderdeel 8.3 Een inrichting type II is een inrichting voor het vervaardigen, bewerken, verwerken, op- en overslaan van:

Onderdeel 8.4 Een inrichting type III is een inrichting voor:

Categorie 9 Metalen

Onderdeel 9.1 Een inrichting voor het vervaardigen, bewerken, verwerken, op- en overslaan van metalen, metalen voorwerpen of schroot dan wel voor het behandelen van de oppervlakte van metalen of metalen voorwerpen.

Onderdeel 9.2 Een inrichting type II is een inrichting voor het bewerken, verwerken, op- en overslaan van metalen, metalen voorwerpen of schroot dan wel voor het behandelen van de oppervlakte van metalen of metalen voorwerpen.

Onderdeel 9.3 Een inrichting type III is een inrichting voor:

Categorie 10 Transport

Onderdeel 10.1 Een inrichting voor:

Onderdeel 10.2 Voor de toepassing van onderdeel 10.1, onderdeel b, van deze bijlage, blijven buiten beschouwing parkeerterreinen die deel uitmaken van openbare wegen of weggedeelten en parkeerterreinen die voor het openbaar verkeer openstaan.

Onderdeel 10.3 Een inrichting type I is een inrichting:

Onderdeel 10.4 Een inrichting type II is een inrichting voor:

Onderdeel 10.5 Een inrichting type III is een inrichting voor:

Categorie 11 Hout en kurk

Onderdeel 11.1 Een inrichting voor het vervaardigen, bewerken, verwerken, behandelen, op- en overslaan van hout of kurk dan wel van houten, kurken of houtachtige voorwerpen.

Onderdeel 11.2 Een inrichting type II is een inrichting voor het vervaardigen, bewerken, verwerken, behandelen, op- en overslaan van hout of kurk dan wel van houten, kurken of houtachtige voorwerpen.

Onderdeel 11.3 Een inrichting type III is een inrichting voor het impregneren van hout door middel van spuiten, sproeien of het toepassen van de vacuümdrukmethode.

Categorie 12 Textiel, papier en grafische techniek

Onderdeel 12.1 Een inrichting voor:

Onderdeel 12.2 Voor de toepassing van onderdeel 12.1, van deze bijlage, blijven buiten beschouwing de inrichtingen voor het opslaan van gebundeld vlas met een droge stofgehalte van meer dan 30%.

Onderdeel 12.3 Een inrichting type II is een inrichting voor:

Onderdeel 12.4 Een inrichting type III is een inrichting voor:

Categorie 13 Afvalwater

Onderdeel 13.1 Een inrichting voor:

Onderdeel 13.2 Een inrichting type I is een inrichting voor:

Onderdeel 13.3 Een inrichting type III is een inrichting voor het opslaan, behandelen en reinigen van afvalwater met een capaciteit van meer dan 500 inwonerequivalenten per jaar.

Categorie 14 Wapens

Onderdeel 14.1 Een inrichting waar met vuurwapens wordt geschoten of met ontvlambare of ontplofbare voorwerpen wordt geworpen.

Onderdeel 14.2 Onderdeel 14.1, van deze bijlage, is niet van toepassing op inrichtingen waar door de Nederlandse of een bondgenootschappelijke krijgsmacht uitsluitend met niet-scherpe patronen wordt geschoten.

Onderdeel 14.3 Een inrichting type III is een inrichting waar met vuurwapens wordt geschoten of met ontvlambare of ontplofbare voorwerpen wordt geworpen.

Categorie 15 Horeca

Onderdeel 15.1 Een inrichting met als bestemming hotels, restaurants, pensions, cafés, cafetaria's, snackbars en discotheken, alsmede aanverwante inrichtingen waar tegen vergoeding logies wordt verstrekt, dranken worden geschonken of spijzen voor directe consumptie worden bereid of verstrekt.

Onderdeel 15.2 Een inrichting type I is een inrichting waar:

Onderdeel 15.3 Een inrichting type II zijn inrichtingen met als bestemming hotels, restaurants, pensions, cafés, cafetaria's, snackbars en discotheken, alsmede aanverwante inrichtingen waar tegen vergoeding logies wordt verstrekt, dranken worden geschonken of spijzen voor directe consumptie worden bereid of verstrekt.

Onderdeel 15.4 Een inrichting type III is een inrichting waar:

Categorie 16 Sport en recreatie

Onderdeel 16.1 Een inrichting waar:

Onderdeel 16.2 Een inrichting type II is een inrichting waar:

Onderdeel 16.3 Een inrichting type III is:

Categorie 17 Drinkwaterbereiding

Onderdeel 17.1 Een inrichting voor drinkwaterbereiding.

Onderdeel 17.2 Een inrichting type III is een inrichting voor:

Categorie 18 Energieomzetting

Onderdeel 18.1 Een inrichting voor:

Onderdeel 18.2 Een inrichting type I is een inrichting voor:

Onderdeel 18.3 Een inrichting type II is een inrichting:

Onderdeel 18.4 Een inrichting type III is een inrichting voor het omzetten van:

Categorie 19 Opslag overige goederen

Onderdeel 19.1 Een inrichting voor het op- en overslaan van andere stuk- of bulkgoederen dan de stoffen, preparaten of producten, die in een ander in deze bijlage opgenomen onderdeel worden genoemd, met een oppervlakte voor de opslag daarvan van 2.000 m2 of meer.

Onderdeel 19.2 Een inrichting type I is een inrichting voor het op- en overslaan van inerte goederen die niet stuifgevoelig zijn.

Onderdeel 19.3 Een inrichting type II is een inrichting voor het op- en overslaan of overslaan van andere stuk- of bulkgoederen dan de stoffen, preparaten of producten, die in een andere in deze bijlage opgenomen categorie worden genoemd, met een oppervlakte voor de opslag daarvan van 2.000 m2 of meer.

Categorie 20 Ziekenhuizen

Onderdeel 20.1 Inrichtingen zijnde:

Onderdeel 20.2 Voor de toepassing van onderdeel 20.1, van deze bijlage, blijven buiten beschouwing praktijken voor de uitoefening van de geneeskunst als huisarts en van de diergeneeskunst.

Onderdeel 20.3 Een inrichting type II zijn inrichtingen voor het bieden van medische behandeling, verpleging of huisvesting tezamen met verzorging.

Onderdeel 20.4 Een inrichting type III zijn algemene, academische of categoriale ziekenhuizen.

Categorie 21 Afval

Onderdeel 21.1 Een inrichting voor:

Onderdeel 21.2 Een inrichting type I is een inrichting waar geen activiteiten worden verricht met afvalstoffen die van buiten de inrichting afkomstig zijn.

Onderdeel 21.3 Een inrichting type II is een inrichting voor:

Onderdeel 21.4 Een inrichting type III is een inrichting voor:

Bijlage 2. Behorend bij artikel 4.1, van dit besluit MER-plicht of MER-beoordelingsplicht

Onderdeel A. Begripsbepalingen

Onderdeel B. Activiteiten, plannen en besluiten als bedoeld in artikel 7.1 van de wet, ten aanzien waarvan het maken van een milieueffectrapport verplicht is

Onderdeel C. Activiteiten, plannen en besluiten als bedoeld in artikel 7.1 van de wet ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij vanwege de bijzondere omstandigheden waaronder zij worden verricht belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)