Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, van 15 december 2023, nr IENW/BSK-2023/363174, houdende vaststelling algemene regels voor inrichtingen en activiteiten (Regeling inrichtingen- en activiteiten BES)

Type Ministeriele Regeling Bes
Publication 2024-04-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op artikel 2.1, eerste en tweede lid, van het Inrichtingen- en activiteitenbesluit BES;

BESLUIT:

Treedt in werking op het tijdstip waarop het Inrichtingen- en activiteitenbesluit BES in werking treedt.

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1.1. Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

Artikel 1.2. Normadressaat

Aan de hoofdstukken 2 tot en met 3 wordt voldaan door degene die een inrichting type I of type II opricht, in werking heeft, verandert of de werking daarvan verandert of de inrichting beëindigt.

Hoofdstuk 2. Kwaliteitscriteria bedrijfsbranche overschrijdend

Afdeling 2.1. Kwaliteitscriteria afvalstoffen

Artikel 2.1.1. Omgaan met afvalstoffen
1.

Ten behoeve van een doelmatig beheer van afvalstoffen worden, onverminderd Hoofdstuk 4 van de wet, in ieder geval geen:

2.

De volgende afvalstoffen worden in ieder geval gescheiden ingezameld:

3.

Afvalstoffen worden zo vaak als nodig uit de inrichting afgevoerd naar of ingezameld door een door het bestuurscollege aangewezen inzamelaar.

Artikel 2.1.2. Autowrakken

In een inrichting, niet zijnde een inrichting voor onderhoud en reparatie van motorrijtuigen als bedoeld in bijlage 1, hoofdstuk 2, onderdeel 10, bij het besluit, is geen autowrak aanwezig.

Artikel 2.1.3. Verwijderd asbest

Verwijderd asbest of een verwijderd asbesthoudend product, niet zijnde grond, bodem of sloopschepen, wordt aangeboden aan een door het bestuurscollege aangewezen inzameldienst.

Afdeling 2.2. Kwaliteitscriteria afvalwater

Artikel 2.2.1. Lozingsroute
1.

Ter bescherming van het aquatisch milieu wordt ongezuiverd afvalwater niet geloosd op een oppervlaktewaterlichaam of op of in de bodem.

2.

In afwijking van het eerste lid wordt afvloeiend hemelwater, dat niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening, nuttig gebruikt of geloosd in of op de bodem of in het oppervlaktewaterlichaam, niet zijnde de zee.

3.

In afwijking van het eerste lid mag afvalwater dat is geleid door een zuiveringsvoorziening, worden geloosd op of in de bodem of op een oppervlaktewaterlichaam.

4.

Ter bescherming van de kwaliteit van de bodem en van het oppervlaktewaterlichaam, wordt huishoudelijk afvalwater geloosd op het openbaar afvalwaterstelsel of op een zuiveringsvoorziening.

5.

Bedrijfsafvalwater is na zuivering door een zuiveringsvoorziening zodanig gezuiverd dat het:

6.

Bedrijfsafvalwater dat niet kan worden gezuiverd en niet kan worden verwerkt door een zuiveringstechnisch werk, wordt niet geloosd op het openbaar afvalwaterstelsel en wordt afgevoerd per as.

Artikel 2.2.2. Bescherming van de werking van het openbare afvalwaterstelsel en zuiveringsvoorzieningen
1.

Voor een goede doorstroming en het behoud van de kwaliteit van het openbaar afvalwaterstelsel bevat het afvalwater dat hierin geloosd wordt in enig steekmonster niet meer dan 300 mg/l onopgeloste stoffen.

2.

Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan als het afvalwater wordt geleid door een goed onderhouden bezinkvoorziening met een capaciteit die is afgestemd op de hoeveelheid en de mate van verontreiniging van het afvalwater.

3.

Voor een goede doorstroming en het behoud van de kwaliteit van het openbaar afvalwaterstelsel en voor de goede werking van een zuiveringsvoorziening wordt vethoudend afvalwater dat wordt geloosd in het openbaar afvalwaterstelsel of op een zuiveringsvoorziening voor vermenging met ander afvalwater, geleid door een goed gedimensioneerde en goed onderhouden vetafscheider en slibvangput.

Artikel 2.2.3. Lozen van afvalwater van een bodembeschermende voorziening
1.

Het afvalwater afkomstig van een bodembeschermende voorziening wordt geloosd op het openbaar afvalwaterstelsel of op een zuiveringsvoorziening.

2.

Het afvalwater dat wordt geloosd op het openbaar afvalwaterstelsel of op een zuiveringsvoorziening wordt voor vermenging met ander afvalwater geleid door een goed gedimensioneerde en goed onderhouden slibvangput en olieafscheider.

3.

De oliefractie wordt als gevaarlijk afval afgevoerd door een door het bestuurscollege aangewezen erkende verwerker.

Afdeling 2.3. Kwaliteitscriteria bodem

Artikel 2.3.1. Preventieve bodembescherming algemeen
1.

Ter voorkoming of beperking van bodemverontreiniging worden bodembedreigende stoffen:

2.

Als zweten, lekkage of wegspatten van bodembedreigende stoffen niet is of niet kan worden voorkomen, worden deze stoffen onmiddellijk met behulp van absorptiemiddelen van de vloer verwijderd.

3.

Een apparaat dat of een installatie die een vloeistofcircuit bevat wordt geplaatst boven een aaneengesloten bodembeschermende voorziening.

4.

Wanneer de bodembeschermende voorziening, bedoeld in het derde lid, is uitgevoerd als een lekbak dan kan deze tenminste 110% van de inhoud van het apparaat of installatie opvangen.

5.

Alle tankinstallaties, leidingsystemen en appendages zijn vloeistofdicht.

Artikel 2.3.2. Bodembescherming ondergrondse tanks
1.

De bovengrondse delen van installaties worden tenminste eenmaal per jaar visueel geïnspecteerd op in elk geval lekkages en indien nodig onderhouden.

2.

De ondergrondse leidingsystemen worden tenminste eenmaal per vijf jaar geïnspecteerd op lekdichtheid door een hiervoor deskundig geacht bedrijf.

3.

De resultaten van de inspectie worden bewaard totdat de resultaten van de eerstvolgende inspectie beschikbaar zijn, maar tenminste voor vijf jaar.

Artikel 2.3.3. Preventie bodemerosie

Handelingen aan, op of in de bodem die erosie bevorderen, worden vermeden.

Afdeling 2.4. Kwaliteitscriteria licht

Artikel 2.4.1. Voorkomen en beperken van lichthinder

Ter bescherming en bevordering van de duisternis en het donkere landschap wordt ter voorkoming van lichthinder het gebruik van lichtbronnen tot een aanvaardbaar niveau beperkt.

Afdeling 2.5. Kwaliteitscriteria geluid

Artikel 2.5.1. Voorkomen en beperken geluidhinder

Ter voorkoming en beperking van geluidhinder worden luide werkzaamheden zoveel mogelijk binnen een gebouw van de inrichting uitgevoerd, waarbij de deuren en ramen zo mogelijk gesloten blijven.

Artikel 2.5.2. Grenswaarden geluid

Ter verkoming van geluidhinder worden de onderstaande grenswaarden niet overschreden:

Gebiedstypen 07:00–19:00 19:00–07:00
Landelijke omgeving, stille recreatie/ agrarisch/kunuku-gebied 40 dB(A) 35 dB(A)
Woongebied buiten de bebouwde kom 45 dB(A) 40 dB(A)
Woongebied in bebouwde kom (gemengd gebied) 50 dB(A) 45 dB(A)
Centrum (gebied met woon- en werkfuncties) 55 dB(A) 50 dB(A)
Bedrijventerrein/zware bedrijven 65 dB(A) 60 dB(A)

Afdeling 2.6. Kwaliteitscriteria geur

Artikel 2.6.1. Voorkomen en beperken geurhinder

Geurhinder bij kwetsbare objecten wordt voorkomen en voor zover dat niet mogelijk is tot een aanvaardbaar niveau beperkt.

Afdeling 2.7. Kwaliteitscriteria trilling

Artikel 2.7.1. Preventie trillinghinder

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.