Aanwijzing slachtoffers in het strafproces

Type Beleidsregel
Publication 2024-03-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Samenvatting

De aanwijzing bevat een uitwerking van de taken en bevoegdheden die het openbaar ministerie heeft in relatie tot slachtoffers. In de aanwijzing staan de uitgangspunten over de verhouding tussen het openbaar ministerie en slachtoffers en de wijze waarop recht wordt gedaan aan de belangen van slachtoffers. Meer in het bijzonder bevat de aanwijzing regels over de omgang met het slachtoffer bij aangifte en het verhoor, bij vervolging en bij het onderzoek ter terechtzitting en over informatievoorziening aan slachtoffers, kennisneming van processtukken door slachtoffers, de schadebehandeling en het slachtoffer in relatie tot onderwerpen als bijstand, bemiddeling, beslag en internationale samenwerking.

1. Uitgangspunten

1.1. Recht doen aan belangen vanaf eerste contact

Het openbaar ministerie doet recht aan de belangen van het slachtoffer en geeft uitvoering aan de wettelijke rechten van het slachtoffer vanaf het eerste moment dat het slachtoffer contact heeft met de politie en het openbaar ministerie.1Waar in de aanwijzing politie staat, worden ook andere opsporingsdiensten bedoeld.

1.2. Definitie slachtoffer

Een slachtoffer van een strafbaar feit kan verschillende hoedanigheden hebben. Het Wetboek van Strafvordering kent rechten toe aan een bepaalde hoedanigheid van het slachtoffer. Die hoedanigheden zijn: slachtoffer zoals gedefinieerd in artikel 51a Sv, benadeelde partij, rechtstreeks belanghebbende, spreekgerechtigde, klachtgerechtigde, getuige, nabestaande en familielid. Welke rechten een slachtoffer van een strafbaar feit heeft, hangt af van zijn hoedanigheid.

In deze Aanwijzing wordt met slachtoffer bedoeld het slachtoffer zoals gedefinieerd in artikel 51a Sv, tenzij anders aangegeven. Onder artikel 51a lid 1 onder a Sv vallen twee categorieën slachtoffers: rechtstreekse slachtoffers en niet-rechtstreekse slachtoffers. Een rechtstreeks slachtoffer (sub 1°) is degene die als rechtstreeks gevolg van een strafbaar feit vermogensschade of ander nadeel heeft ondervonden. Een rechtspersoon kan ook een rechtstreeks slachtoffer zijn. Een niet-rechtstreeks slachtoffer (sub 2°) is de nabestaande van een overleden rechtstreeks slachtoffer.

Elk slachtoffer in de zin van artikel 51a Sv kan zich ook voegen als benadeelde partij.2Het omgekeerde geldt overigens niet, want het begrip benadeelde partij is iets breder en dus is niet elke benadeelde partij is ook een slachtoffer is in de zin van artikel 51a Sv Zowel voor de hoedanigheid van slachtoffer in de zin van artikel 51a Sv als voor de hoedanigheid van benadeelde partij is van belang dat het slachtoffer 1) schade heeft geleden en 2) de schade het rechtstreekse gevolg is van een strafbaar feit.3HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793. Onder schade valt naast materiele schade ook immateriële schade zoals geestelijke letsel, shockschade en schade na ernstige normschendingen. Van rechtstreekse schade is sprake indien tussen het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de schade voldoende verband bestaat. De schade hoeft geen betrekking te hebben op de voorwerpen die in de bewezenverklaring zijn vermeld, bij vermogensschade is de schade niet beperkt tot het bedrag dat door de verdachte is verworven en niet is vereist dat het slachtoffer is getroffen in een belang dat door de overtreden strafbepaling rechtstreeks wordt beschermd.

De hoedanigheid van rechtstreeks belanghebbende omvat alle slachtoffers in de zin van artikel 51a Sv. Verder valt onder rechtstreeks belanghebbende ook de rechtspersoon die krachtens zijn doelstelling en blijkens zijn feitelijke werkzaamheden een belang behartigt dat door de beslissingen van het openbaar ministerie wordt getroffen. In bepaalde gevallen kunnen ook familieleden van het rechtstreekse slachtoffer, gesubrogeerde verzekeraars en de verdachte als rechtstreeks belanghebbende worden aangemerkt.

De hoedanigheid van spreekgerechtigde omvat alle slachtoffers in de zin van artikel 51a Sv die slachtoffer zijn van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaar of meer is gesteld en van enkele in artikel 51e lid 1 Sv genoemde misdrijven met een lager strafmaximum. In aanvulling daarop zijn krachtens artikel 51e lid 3 Sv ook de vader, moeder of verzorgende van een niet-overleden minderjarig slachtoffer van bovenstaande misdrijven spreekgerechtigd. Krachtens artikel 51e lid 4 zijn eveneens spreekgerechtigd verzorgenden van een overleden slachtoffer en personen uit het gezin van het overleden slachtoffer die een nauwe persoonlijke betrekking met dit slachtoffer hadden.

De hoedanigheid van klachtgerechtigde ziet op degene die een klacht kan indienen inzake een klachtdelict. Klachtgerechtigd is degene tegen wie het feit is begaan (artikel 64 Sr). In de in artikel 65 Sr bepaalde gevallen zijn de wettige vertegenwoordiger van het slachtoffer of bepaalde nabestaanden van het slachtoffer klachtgerechtigd.

De hoedanigheid van getuige is voor elk slachtoffer dat aangifte heeft gedaan van een strafbaar feit (aangever) of tijdens een verhoor een verklaring heeft afgelegd die redelijkerwijs van belang kan zijn voor de door de rechter te nemen beslissingen. In de hoedanigheid van getuige heeft het slachtoffer de rechten en plichten van een getuige, zoals het verschoningsrecht en de plicht te verschijnen na dagvaarding als getuige.

Familieleden van overleden rechtstreekse slachtoffers zijn nabestaanden en daarmee slachtoffers in de zin van artikel 51a Sv. Familieleden van niet-overleden rechtstreekse slachtoffers zijn geen slachtoffers in de zin van artikel 51a Sv, tenzij de familieleden schade (zoals shockschade) hebben opgelopen als rechtstreeks gevolg van het strafbare feit. Familieleden zijn in artikel 51a lid 1 onder b Sv gedefinieerd als: de echtgenoot, de geregistreerde partner dan wel andere levensgezel van het slachtoffer, de bloedverwanten in de rechte lijn, de bloedverwanten in de zijlijn tot en met de vierde graad en de personen die van het slachtoffer afhankelijk zijn. Familieleden van niet-overleden rechtstreekse slachtoffers hebben recht op toegang tot instellingen voor slachtofferhulp en recht op beschermingsmaatregelen. Een deel van de familieleden die geen slachtoffer zijn in de zin van artikel 51a Sv kan affectieschade vorderen (artikel 6:107 BW). Het gaat om de volgende naasten van een rechtstreeks slachtoffer met ernstig en blijvend letsel: de echtgenoot/geregistreerd partner, levensgezel, ouder, kind, duurzaam verzorgende, duurzaam verzorgde en elk ander persoon met een zodanig nauwe relatie tot het rechtstreeks slachtoffer dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat deze persoon als naaste kan worden aangemerkt

1.3. Slachtofferpresumptie

Het openbaar ministerie gaat uit van een slachtofferpresumptie. Uitgangspunt is dat het vermoedelijke slachtoffer van een strafbaar feit een slachtoffer is totdat het tegendeel komt vast te staan. Het openbaar ministerie draagt zorg voor de correcte bejegening van het slachtoffer.

1.4. Procesdeelnemer

Het slachtoffer in het strafproces is een procesdeelnemer en geen procespartij. Het uitoefenen van bevoegdheden als benadeelde partij doet het slachtoffer wel als procespartij.

1.5. Onpartijdigheid

Het openbaar ministerie treedt op vanuit zijn rol als magistraat en is onpartijdig. Het openbaar ministerie staat – behalve voor de belangen van individuele burgers (slachtoffers en verdachten) – ook voor collectieve waarden, zoals een eerlijke strafrechtspleging en de integriteit van de samenleving. Het openbaar ministerie is hierover helder in de communicatie met het slachtoffer.

1.6. Recht doen aan de slachtofferbelangen

Het openbaar ministerie doet recht aan de belangen van het slachtoffer en geeft uitvoering aan de wettelijke rechten als het slachtoffer aangeeft daarvan gebruik te willen maken. De officier van justitie heeft in een aantal, in de wet genoemde gevallen, beoordelingsruimte.4Waar in deze aanwijzing officier van justitie of rechter staat kan respectievelijk ook advocaat-generaal of raadsheer worden gelezen. Bij het behartigen van de belangen van het slachtoffer door het openbaar ministerie geldt het uitgangspunt van actieve wederkerigheid. Het openbaar ministerie zorgt ervoor dat het slachtoffer informatie ontvangt over zijn rechten. Het slachtoffer heeft de vrijheid om te kiezen van welke rechten het slachtoffer gebruik wil maken. Van het slachtoffer wordt verwacht dat verzoeken tijdig worden doorgegeven aan het openbaar ministerie en zo kenbaar wordt gemaakt welke belangen en wensen het slachtoffer heeft in een strafzaak. Op een verzoek gebruik te maken van een niet-wettelijk recht wordt tijdig beslist. Voor zover mogelijk wordt maatwerk geleverd.

2. De bescherming van de algemene belangen van het slachtoffer

2.1. Recht doen aan de algemene belangen van het slachtoffer

De officier van justitie heeft bij het nemen van beslissingen die het slachtoffer kunnen raken aandacht voor de kenbaar gemaakte belangen en wensen van het slachtoffer, de voorspelbaarheid van zijn beslissingen, de proportionaliteit van zijn beslissingen en de veiligheid van het slachtoffer. Naast de specifieke belangen die het slachtoffer kenbaar heeft gemaakt aan het openbaar ministerie, zijn er ook algemene belangen van slachtoffers waar het openbaar ministerie rekening mee houdt. Het strafproces kan een zware belasting vormen voor het slachtoffer, net zoals de confrontatie met de verdachte tijdens het proces. Elk slachtoffer krijgt een individuele beoordeling ter identificatie van specifieke beschermingsbehoeften.

2.2. Individuele beoordeling

Elk slachtoffer wordt door een opsporingsambtenaar individueel beoordeeld om specifieke beschermingsbehoeften te onderkennen. Doel van de individuele beoordeling is een systematische bescherming van slachtoffers tegen secundaire victimisatie, herhaald slachtofferschap, intimidatie en vergelding. Daartoe kunnen bijzondere beschermingsmaatregelen worden aangeboden om een passende bescherming te bieden. De opsporingsinstantie draagt in beginsel zorg voor de individuele beoordeling, waarna het openbaar ministerie deze beoordeling waar nodig kan actualiseren. De officier van justitie treft of vordert beschermende maatregelen wanneer dit gezien de individuele beoordeling noodzakelijk is.

2.3. Fysieke integriteit

Er wordt rekening gehouden met de fysieke integriteit van het slachtoffer door fysiek onderzoek aan het lichaam van het slachtoffer, bijvoorbeeld in het kader van forensisch-medisch onderzoek, niet vaker en uitgebreider te verrichten dan nodig is. Is de fysieke integriteit van het slachtoffer in gevaar vanwege gedragingen van de verdachte of veroordeelde, dan kan het slachtoffer worden beschermd door de inzet van beschermingsmaatregelen zoals een contact, gebieds- dan wel locatieverbod.

2.4. Geestelijke integriteit

Tijdens het opsporingsonderzoek wordt rekening gehouden met de geestelijke integriteit van het slachtoffer door de ondervraging van het slachtoffer niet langer te laten duren dan strikt noodzakelijk is, waarbij onnodige herhaling wordt vermeden. Zo wordt het slachtoffer niet langer dan nodig geconfronteerd met het strafbare feit. Bij confrontaties met de verdachte wordt de correcte bejegening van het slachtoffer door de verdachte of diens raadsman te allen tijde in het oog gehouden.

2.5. Het delen van persoonlijke gegevens

Uitgangspunt is dat het openbaar ministerie geen informatie over het slachtoffer vrijgeeft indien deze informatie herleidbaar is tot individuele personen. Persoonlijke gegevens van het slachtoffer, zoals adresgegevens, worden niet vermeldt in processen-verbaal of documenten van het openbaar ministerie, tenzij deze gegevens redelijkerwijs van belang zijn voor de door de rechter te nemen beslissingen. Het openbaar ministerie deelt alleen de persoonlijke gegevens van het slachtoffer met de verdachte en derden als dit strafvorderlijk strikt noodzakelijk is. Met dit uitgangspunt wordt rekening gehouden bij het opstellen en vrijgeven van de tenlastelegging. Bij de voorlichting over strafzaken aan de pers wordt zeer terughoudend omgegaan met het verstrekken van persoonlijke gegevens van het slachtoffer.5Aanwijzing voorlichting opsporing en vervolging, onder 2.3.2. In het kader van de opsporing van strafbare feiten worden persoonlijke gegevens van het slachtoffer alleen gedeeld als dit dringend noodzakelijk is en het slachtoffer hier uitdrukkelijk toestemming voor heeft verleend.6Aanwijzing opsporingsberichtgeving, onder 3. In bijzondere gevallen kan bij een dringende reden en een zwaarwegend belang hierop na toestemming van het College van procureurs-generaal een uitzondering worden gemaakt. De brieven die het openbaar ministerie aan het slachtoffer stuurt hebben een apart adresblad dat niet wordt opgenomen in het procesdossier.

3. Aangifte en verhoor

3.1. Correcte bejegening bij aangifte en verhoor

Slachtoffers worden door opsporingsambtenaren correct bejegend tijdens het doen van aangifte en tijdens het verhoor, opdat secundaire victimisatie zoveel mogelijk wordt voorkomen. Bij het horen van slachtoffers die in het bijzonder kwetsbaar zijn voor secundaire of herhaalde victimisatie, intimidatie en vergelding kan de politie beschermingsmaatregelen treffen.

3.2. Taalkundige bijstand

Het slachtoffer dat aangifte wil doen en de Nederlandse taal niet beheerst, wordt in staat gesteld aangifte te doen in een taal die hij begrijpt of krijgt kosteloos de benodigde taalkundige bijstand. Aan het slachtoffer dat de Nederlandse taal niet beheerst, wordt een kosteloze vertaling verstrekt van de schriftelijke bevestiging van de aangifte in een taal die hij begrijpt.

3.3. Privacybescherming

Bij het opnemen van de aangifte of de start van een verhoor informeert de opsporingsinstantie het slachtoffer dat alle informatie in de aangifte of het verhoor in beginsel wordt gedeeld met het openbaar ministerie, bij vervolging met de verdachte en bij dagvaarding met de rechter. Er zijn mogelijkheden om bepaalde persoonsgegevens, zoals de naam en het adres van het slachtoffer, buiten de aangifte of het proces-verbaal van verhoor te houden. Er kan – afhankelijk van de omstandigheden – in overleg met het slachtoffer gekozen worden voor de in 3.4 en 3.5 genoemde modaliteiten. Voorwaarde is in ieder geval dat de betreffende persoonsgegevens afzonderlijk worden geregistreerd en de identiteit van het slachtoffer genoegzaam kan worden vastgesteld.

3.4. Domiciliekeuze

Elk slachtoffer mag domicilie kiezen. Van domiciliekeuze is sprake indien het slachtoffer bij aangifte of verhoor een ander adres opgeeft dan zijn woonadres, zoals het adres van een slachtofferhulporganisatie, raadsman of werkgever. Door domiciliekeuze wordt voorkomen dat de verdachte of diens raadsman bekend wordt met het adres van het slachtoffer. Het woonadres van het slachtoffer is wel bekend bij de opsporingsinstanties en het openbaar ministerie, maar wordt afzonderlijk geregistreerd en niet gevoegd bij de processtukken. Opsporingsinstanties en het openbaar ministerie verzenden alle communicatie naar het door het slachtoffer opgegeven domicilieadres. Kan het slachtoffer geen alternatief adres doorgeven, dan kan bij wijze van uitzondering worden gekozen voor een overheidsdomicilieadres. In dat geval wordt het woonadres niet gevoegd bij de processtukken, maar wordt de post wel verstuurd naar het woonadres of emailadres van het slachtoffer.

3.5. Aangifte/verhoor onder nummer

Een slachtoffer dat een gegrond vermoeden heeft dat een aangifte of verhoor kan leiden tot overlast, zoals gevaar voor de persoonlijke veiligheid of veiligheid van anderen, of tot belemmering in de uitoefening van beroep kan aangifte onder nummer doen of door opsporingsambtenaren worden verhoord onder nummer. Bij aangifte of verhoor onder nummer wordt de identiteit van het slachtoffer niet prijsgegeven: naam, geboortedatum en adresgegevens worden niet in de aangifte of het proces-verbaal van verhoor opgenomen en het slachtoffer wordt met een specifieke code aangeduid. Deze gegevens zijn wel bekend bij de opsporingsinstanties en het openbaar ministerie, maar worden afzonderlijk geregistreerd en niet gevoegd bij de processtukken. Het slachtoffer dat bij opsporingsambtenaren aangifte heeft gedaan of is gehoord onder nummer kan in de regel als beperkt anonieme getuige worden gehoord door de rechter-commissaris (artikel 190 lid 3 Sv) of de zittingsrechter (artikel 290 lid 3 Sv).

4. Informatieverstrekking

4.1. Informatieverstrekking in algemene zin

Het openbaar ministerie stuurt in beginsel aan elk slachtoffer een bericht als het proces-verbaal tegen de verdachte door de opsporingsinstantie naar het openbaar ministerie is gestuurd. Bij de ontvangstbevestiging wordt gevoegd algemene informatie over de gang van zaken bij het openbaar ministerie, waarin onder meer wordt gewezen op de mogelijkheden tot bemiddeling en het bestaan van slachtofferhulporganisaties. De informatie wordt gegeven in eenvoudige en toegankelijke bewoordingen.

Bij de ontvangstbevestiging worden ook gevoegd een wensenformulier en een schadevergoedingsformulier. Het slachtoffer kan het wensenformulier gebruiken om aan het openbaar ministerie zijn belangen kenbaar te maken en aan te geven van welke rechten hij gebruik wil maken. Wanneer het wensenformulier en het schadevergoedingsformulier niet binnen de daarvoor gestelde termijn worden ingevuld en teruggestuurd, gaat het openbaar ministerie ervan uit dat het slachtoffer er bewust voor kiest niet bij de zaak betrokken te zijn, tenzij het slachtoffer op andere wijze zijn belangen kenbaar heeft gemaakt.

Bij een ZSM-afdoening van een strafbaar feit kan worden afgezien van het sturen van een bericht over het insturen van de zaak, een wensenformulier en een schadeformulier indien het feit direct met een OM-strafbeschikking wordt afgedaan en de officier van justitie of beoordelaar zich ervan hebben verzekerd op de hoogte te zijn van eventuele wensen van het slachtoffer. Voorwaarde is tevens dat deze wensen schriftelijk zijn vastgelegd en zijn toegevoegd aan het dossier.

4.2. Informatieverstrekking op verzoek

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.