Regeling van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 1 februari 2024, nr. IENW/BSK-2024/5214, houdende tijdelijke regels voor het verlenen van subsidie voor de realisering van walstroomvoorzieningen voor zeeschepen in zeehavens 2024–2026 (Tijdelijke subsidieregeling walstroom zeeschepen klimaat 2024–2026)
Gelet op de artikelen 3, eerste lid, onder b en e, van de Kaderwet subsidies I en M en de artikelen 2, eerste lid, 4, eerste lid, 6, zesde lid, 8, eerste lid en tweede lid, onder a, 10, tweede lid, 13, 19, tweede lid, 22, 23, vijfde lid en 24, eerste, derde en vijfde lid, van het Kaderbesluit subsidies I en M;
BESLUIT:
Artikel 1. Begripsbepalingen
In deze regeling wordt verstaan onder:
- AFIR-verordening: verordening (EU) 2023/1804 van het Europees Parlement en de Raad van 13 september 2023 betreffende de uitrol van infrastructuur voor alternatieve brandstoffen en tot intrekking van Richtlijn 2014/94/EU (PbEU 2023, L 234);
- containerzeeschip: zeeschip dat uitsluitend is ontworpen voor het vervoer van containers in het ruim en aan dek;
- exploitatiewinst: winst als bedoeld in artikel 2, negenendertigste lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
- hogesnelheidspassagiersvaartuig: vaartuig als omschreven in hoofdstuk X, voorschrift 1, van het op 1 november 1974 te Londen tot stand gekomen Verdrag inzake de beveiliging van mensenlevens op zee (Trb. 1977, 77), dat bestemd is voor het vervoer van meer dan twaalf passagiers;
- Kaderbesluit: Kaderbesluit subsidies I en M;
- Minister: Minister van Infrastructuur en Waterstaat;
- passagiersschip: schip dat meer dan twaalf passagiers mag vervoeren;
- ro-ro-passagiersschip: schip dat over de nodige voorzieningen beschikt om weg- of spoorvoertuigen het vaartuig op en af te laten rijden en dat bestemd is voor het vervoer van meer dan twaalf passagiers;
- RVO: Rijksdienst voor Ondernemend Nederland;
- subsidiabele kosten: in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 56 ter, tweede lid bis, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
- walstroomvoorziening: vaste of mobiele haveninfrastructuur, inclusief, indien aanwezig, een installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit ter plaatse dan wel opslageenheden voor de opslag van hernieuwbare elektriciteit als bedoeld in artikel 56 ter, lid 2 bis, van de Algemene vrijstellingsverordening, waarmee een haven vaartuigen die zijn aangemeerd aan de kade van elektrische stroom kan voorzien voor gebruik daarvan aan de kade;
- zeehaven: haven als bedoeld in artikel 2 van verordening (EU) 2017/352 van het Europees Parlement en de Raad van 15 februari 2017 tot vaststelling van een kader voor het verrichten van havendiensten en gemeenschappelijke regels inzake de financiële transparantie van havens (PbEU 2017, L 57);
- zeeschip: schip als bedoeld in artikel 1 van de Scheepvaartverkeerswet, met uitzondering van pleziervaartuigen.
Artikel 2. Doel van de regeling
Het doel van deze regeling is het stimuleren van de realisatie van walstroomvoorzieningen voor zeeschepen in zeehavens, teneinde de emissie van CO2 te verminderen en voor zover het een zeehaven betreft die onder de reikwijdte van artikel 9 van de AFIR-verordening valt, te stimuleren dat de minimale walstroomvoorzieningen als bedoeld in dat artikel worden gerealiseerd.
Artikel 3. Subsidiabele activiteiten
De Minister kan aan een in Nederland gevestigde rechtspersoon of aan meerdere rechtspersonen die samenwerken in een samenwerkingsverband subsidie verstrekken voor de aanschaf en installatie van een walstroomvoorziening voor zeeschepen:
- a. op een terminal die:
- 1°. in de drie kalenderjaren voorafgaand aan de subsidieaanvraag gemiddeld werd aangedaan door:
- –. meer dan 100 containerzeeschepen van meer dan 5.000 brutoton;
- –. meer dan 40 ro-ro-passagiersschepen of hogesnelheidspassagiersvaartuigen van meer dan 5.000 brutoton; of
- –. meer dan 25 passagiersschepen van andere types dan ro-ro-passagiersschepen of hogesnelheidspassagiersvaartuigen van meer dan 5.000 brutoton;
- 2°. in het kalenderjaar voorafgaand aan de subsidieaanvraag door ten minste 50 zeeschepen is aangedaan en die blijkens een verklaring van de havenbeheerder in voldoende mate bijdraagt aan het realiseren van walstroomvoorzieningen voor ten minste 90% van de containerzeeschepen, ro-ro-passagiersvaartuigen of hogesnelheidspassagiersvaartuigen of andersoortige passagiersschepen van meer dan 5.000 brutoton die de betreffende zeehaven aandoen; of
- b. op een kade in een zeehaven mits deze kade of de betreffende terminal, die niet wordt aangemerkt als een terminal bedoeld in onderdeel a, in het kalenderjaar voorafgaand aan de subsidieaanvraag door ten minste 50 zeeschepen is aangedaan.
Subsidie voor activiteiten als bedoeld in het eerste lid, onder a, subonderdeel 2o, wordt uitsluitend verstrekt indien de betreffende terminal is gelegen in een zeehaven die, voor het betreffende scheepssegment, in de drie kalenderjaren voorafgaand aan de subsidieaanvraag gemiddeld werd aangedaan door:
- –. meer dan 100 containerzeeschepen van meer dan 5.000 brutoton;
- –. meer dan 40 ro-ro-passagiersschepen of hogesnelheidspassagiersvaartuigen van meer dan 5.000 brutoton; of
- –. meer dan 25 passagiersschepen van andere types dan ro-ro-passagiersschepen of hogesnelheidspassagiersvaartuigen van meer dan 5.000 brutoton.
Geen subsidie wordt verstrekt voor een walstroomvoorziening met hoogspanning die, inclusief het ontwerp, de installatie en het testen van de systemen, niet voldoet aan de technische specificaties van norm IEC/ISO/IEEE 80005-1:2019 voor walstroomvoorzieningen.
Als standaardberekeningswijzen voor de berekening van uurtarieven worden gehanteerd:
- a. een berekening op basis van integrale kostensystematiek;
- b. een berekening op basis van kosten per kostendrager vermeerderd met een forfaitair vastgestelde opslag voor indirecte kosten; of
- c. een forfaitair vastgesteld uurtarief voor loonkosten.
Artikel 4. Hoogte subsidie
De subsidie bedraagt ten hoogste:
- a. 45% van het in het tweede lid bedoelde bedrag voor activiteiten als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a;
- b. 30% van het in het tweede lid bedoelde bedrag voor activiteiten als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b.
De subsidie wordt berekend over:
- a. het bedrag van de subsidiabele kosten indien de subsidieaanvraag ten hoogste € 5.500.000,00 bedraagt; of
- b. het bedrag van de subsidiabele kosten waarop de exploitatiewinst in mindering is gebracht indien de subsidieaanvraag meer dan € 5.500.000,00 bedraagt.
Voor zover de subsidie wordt verleend ten laste van de nog niet door de Staten-Generaal aangenomen rijksbegroting, onderdeel Infrastructuur en Waterstaat, wordt in de beschikking tevens vermeld dat de subsidieverlening plaatsvindt onder de voorwaarde dat voldoende gelden ter beschikking worden gesteld in de wet tot vaststelling van de rijksbegroting, onderdeel Infrastructuur en Waterstaat.
De subsidie wordt verleend met toepassing van artikel 56 ter van de algemene groepsvrijstellingsverordening.
Subsidie die door de Commissie van de Europese Unie is verstrekt voor activiteiten als bedoeld in artikel 3, eerste lid, wordt niet in mindering gebracht op de subsidie waarvoor de aanvrager krachtens deze regeling in aanmerking komt.
Artikel 5. Subsidieplafonds en wijze van verdeling
Het subsidieplafond voor deze regeling bedraagt in totaal:
- a. voor activiteiten als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, € 170.000.000,00.
- b. voor activiteiten als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, € 10.000.000,00.
Het subsidieplafond voor activiteiten als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, bedraagt voor 2024 € 150.000.000,00.
Het subsidieplafond voor activiteiten als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, bedraagt voor 2024 € 10.000.000,00.
Het subsidieplafond voor 2026 bedraagt voor activiteiten als bedoeld in:
- a. artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, € 5.000.000,00.
- b. artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, € 5.031.271,00.
De Minister verdeelt de in de betreffende jaar beschikbare subsidiebedragen op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.
Artikel 6. Aanvraag subsidieverlening
De aanvraag om subsidie wordt ingediend met gebruikmaking van een door de Minister beschikbaar gesteld digitaal formulier dat wordt geplaatst op de website van RVO.
Voor 2024 kan de aanvraag bij RVO worden ingediend vanaf 26 maart 2024, 09.00 uur tot en met 15 oktober 2024, 17.00 uur.
Voor 2026 kan de aanvraag bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland worden ingediend vanaf 19 mei 2026, 9.00 uur tot en met 1 oktober 2026, 17.00 uur.
Onverminderd artikel 10, vierde lid, van het Kaderbesluit bevat de aanvraag de gegevens bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.
De aanvraag gaat vergezeld van:
- a. een onderbouwde begroting en van de gevraagde subsidie;
- b. een projectplan;
- c. een inschatting van de jaarlijks vermeden CO2-uitstoot;
- d. een prognose van de exploitatiewinst, indien de gevraagde subsidie meer dan € 5.500.000,00 bedraagt;
- e. een onderbouwing dat de betreffende terminal voldoet aan de in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, gestelde voorwaarden indien subsidie wordt aangevraagd voor de activiteiten als bedoeld in dat onderdeel, in de vorm van:
- 1°. een opgave van het aantal containerzeeschepen, ro-ro-passagiersvaartuigen, hogesnelheidspassagiersvaartuigen of andersoortige passagiersschepen, van meer dan 5.000 brutoton dat de betreffende terminal in de drie kalenderjaren voorafgaand aan de subsidieaanvraag heeft aangedaan; of
- 2°. een opgave van het aantal zeeschepen dat de betreffende terminal in het kalenderjaar voorafgaand aan de subsidieaanvraag heeft aangedaan en een verklaring van de havenbeheerder dat de betreffende terminal in voldoende mate bijdraagt aan het realiseren van walstroomvoorzieningen voor ten minste 90% van de containerzeeschepen, ro-ro-passagiersvaartuigen of hogesnelheidspassagiersvaartuigen of andersoortige passagiersschepen van meer dan 5.000 brutoton die de betreffende zeehaven aandoen.
- f. een opgave van het aantal zeeschepen dat de betreffende terminal in het kalenderjaar voorafgaand aan de subsidieaanvraag heeft aangedaan, indien subsidie wordt gevraagd voor activiteiten als bedoeld in artikel 3, aanhef en onder b.
- g. een verklaring van de exploitant van de betreffende terminal dat deze instemt met de subsidieaanvraag, indien deze niet de aanvrager is.
Artikel 7. Afwijzingsgronden
Onverminderd de in artikel 11 en 12 van het Kaderbesluit vermelde afwijzingsgronden, wordt de aanvraag om subsidie in ieder geval afgewezen indien:
- a. voor dezelfde activiteit al subsidie is verstrekt op grond van deze regeling of op grond van de Tijdelijke subsidieregeling walstroom zeeschepen 2022–2023;
- b. sprake is van ongeoorloofde cumulatie van steun als bedoeld in artikel 8 van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
- c. sprake is van een onderneming in moeilijkheden als bedoeld artikel 2, achttiende lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
- d. de werkzaamheden aan activiteiten als bedoeld in artikel 3 reeds zijn aangevangen voordat de aanvraag is ingediend; of
- e. subsidieverstrekking niet in overeenstemming is met enige andere bepaling in de algemene groepsvrijstellingsverordening.
Artikel 8. Verplichtingen van de subsidieontvanger
De activiteiten als bedoeld in artikel 3 worden binnen 48 maanden na de startdatum afgerond. De startdatum ligt maximaal 6 maanden na de datum van de beschikking tot subsidieverlening.
De subsidieontvanger doet gedurende de uitvoering van de activiteiten, onverminderd het bepaalde in hoofdstuk 8 van het Kaderbesluit, middels een jaarrapport en een eindrapport verslag van de voortgang. Het eindrapport geeft de mate aan waarin deze activiteit naar verwachting gaat bijdragen aan het doel van deze regeling in artikel 2.
De subsidieontvanger toont aan dat de activiteiten zijn verricht en dat is voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen.
De subsidieontvanger verleent medewerking aan een evaluatie door middel van verstrekking van gegevens die betrekking hebben op de effecten van de door hem op grond van deze regeling uitgevoerde activiteiten tot vijf jaar na de datum van de subsidievaststelling en voor zover medewerking redelijkerwijs van hem verwacht kan worden.
De subsidieontvanger verschaft aan de Minister desgevraagd tot vijf jaar na de datum van subsidievaststelling gegevens over de hoeveelheid jaarlijkse geleverde elektriciteit van de walstroomvoorziening, alsmede een inschatting van de behaalde CO2-reductie.
De walstroomvoorziening wordt op gelijke en niet-discriminerende wijze tegen marktvoorwaarden aan belangstellende gebruikers bij de betreffende kade of terminal beschikbaar gesteld.
Artikel 9. Voorschot
Het voorschot bedraagt ten hoogste 80% van de subsidie waarvan achtereenvolgens 30% en 50% wordt uitgekeerd.
Artikel 10. Subsidievaststelling
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.