Regeling van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 15 februari 2024, houdende regels voor de toekenning van een specifieke uitkering aan gemeenten en provincies ten behoeve van innovatie in de digitale dienstverlening (Regeling specifieke uitkering verbetering digitale dienstverlening)

Type Ministeriële regeling
Publication 2024-02-24
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op artikel 17, tweede lid, van de Financiële-verhoudingswet, juncto artikel 4:23, derde lid, onderdeel a, van de Algemene wet bestuursrecht;

Besluit:

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

Artikel 2. Specifieke uitkering
1.

De minister kan op aanvraag aan een gemeente of provincie een specifieke uitkering verstrekken ten behoeve van een activiteit die gericht is op de doorontwikkeling van de generieke digitale infrastructuur of op innovatie binnen de digitale overheid, ter verbetering van de digitale dienstverlening aan natuurlijke personen en rechtspersonen.

2.

De minister beslist niet op de aanvraag voor een specifieke uitkering, dan nadat advies is ingewonnen van de commissie, genoemd in artikel 6.

Artikel 3. Uitkeringsplafond

Het uitkeringsplafond bedraagt voor het jaar 2024 € 4.000.000. Voor de daaropvolgende jaren stelt de minister het bedrag vast tot ten hoogste het bedrag dat uit de begroting van het ministerie blijkt.

Artikel 4. Aanvraag
1.

Een hoofdaanvrager kan een aanvraag voor een specifieke uitkering indienen bij de minister.

2.

Een aanvraag bevat in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden:

3.

Het plan van aanpak omvat:

4.

De aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van een door de minister ter beschikking gesteld formulier.

5.

De aanvraag wordt jaarlijks ingediend vóór 1 april.

Artikel 5. Beoordeling aanvragen
1.

De aanvragen worden gerangschikt op basis van de navolgende criteria:

2.

Bij het opstellen van een rangschikking als bedoeld in het eerste lid kan rekening worden gehouden met:

Artikel 6. Selectiecommissie
1.

Er is een selectiecommissie die tot taak heeft de minister op zijn verzoek te adviseren over het te nemen besluit op de aanvraag, bedoeld in artikel 2.

2.

De commissie bestaat uit minimaal vijf en maximaal negen leden, waarvan er een voorzitter is. De leden zijn deskundig op het terrein waarop de commissie een taak heeft en worden door de minister benoemd en ontslagen. Zij hebben zitting op persoonlijke titel en oefenen hun functie uit zonder last of ruggespraak.

3.

De commissie draagt zo spoedig mogelijk na beëindiging van haar werkzaamheden of, zo de omstandigheden daartoe aanleiding geven, zoveel eerder, de bescheiden betreffende die werkzaamheden over aan het archief van het ministerie.

4.

In het secretariaat van de commissie wordt door de minister voorzien.

5.

Voor zover de commissie werkzaam is onder verantwoordelijkheid van de minister, is afdeling 3.3 van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing.

Artikel 7. Werkwijze selectiecommissie
1.

De commissie stelt haar eigen werkwijze schriftelijk vast.

2.

De commissie kan de indiener van de aanvraag om een specifieke uitkering, bedoeld in artikel 2, om nadere informatie verzoeken over de in artikel 4, tweede lid, bedoelde gegevens.

Artikel 8. Besluit tot verlening
1.

Het besluit tot verlening van de specifieke uitkering vermeldt in ieder geval het bedrag dat ten hoogste zal worden verleend.

2.

Aan een uitkering kunnen nadere verplichtingen worden verbonden.

Artikel 9. Besluit tot weigering

De aanvraag om een uitkering wordt afgewezen, indien:

Artikel 10. Voorschot

De minister verstrekt de hoofdaanvrager een voorschot van 80% van de specifieke uitkering.

Artikel 11. Coördinatie

De hoofdaanvrager coördineert:

Artikel 12. Verplichtingen ontvanger
1.

De hoofdaanvrager maakt een publiekssamenvatting van de activiteiten waarvoor een specifieke uitkering is toegekend op een algemeen toegankelijke wijze openbaar.

2.

De hoofdaanvrager evalueert de activiteiten waarvoor een specifieke uitkering is toegekend. Deze evaluatie en, indien van toepassing, bijbehorende onderzoeksresultaten worden uiterlijk binnen de termijn, bedoeld in artikel 17a, eerste lid, van de Financiële-verhoudingswet, op een algemeen toegankelijke wijze openbaargemaakt.

Artikel 13. Informatieplicht

De hoofdaanvrager doet zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan de minister van omstandigheden die van belang kunnen zijn voor een beslissing tot wijziging of intrekking van een specifieke uitkering. Daarbij worden de relevante stukken overgelegd.

Artikel 14. Vaststelling
1.

De hoofdaanvrager van de uitkering legt verantwoordelijkheid af over de besteding van de uitkering op de wijze bepaald in artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet. Indien uit de verantwoordingsinformatie blijkt dat de activiteiten zijn afgerond, geldt deze mededeling als een aanvraag tot vaststelling van de uitkering.

2.

Nadat de minister de verantwoordingsinformatie, bedoeld in het eerste lid, heeft ontvangen, neemt de minister binnen 22 weken na die ontvangst een beslissing op de aanvraag tot vaststelling van de uitkering.

3.

De minister stelt een uitkering overeenkomstig de verlening vast, tenzij:

4.

Intrekking of wijziging van een verlening van een uitkering werkt terug tot en met het tijdstip waarop de uitkering is verleend, tenzij bij intrekking of wijziging anders is bepaald.

Artikel 15. Ambtshalve vaststelling

In afwijking van artikel 14, derde lid, kan de minister een uitkering geheel of gedeeltelijk ambtshalve vaststellen, indien de beschikking tot verlening van de uitkering of tot vaststelling van de uitkering wordt ingetrokken of ten nadele van de gemeente of provincie waaraan de uitkering is verleend, wordt gewijzigd.

Artikel 16. Onverschuldigde betaling

De minister kan onverschuldigd uitgekeerde bedragen terugvorderen.

Artikel 17. Evaluatie
1.

De hoofdaanvrager die op grond van deze regeling een specifieke uitkering ontvangt, werkt mee aan een door de minister ingestelde evaluatie van de effectiviteit van de besteding van de gelden.

2.

Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op overheidsorganisaties als bedoeld in artikel 4, tweede lid, onderdeel a.

Artikel 18. Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte in de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2024.

Artikel 19. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling specifieke uitkering verbetering digitale dienstverlening.

De regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.