Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 16 februari 2024, nr. Min-BuZa.2024.20391-9, houdende het opnieuw vaststellen van beleidsregels voor het verstrekken van subsidie in het kader van onderdeel 1 van het Dutch Trade and Investment Fund (Dtif herpublicatie)
Gelet op artikel 6 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken;
Gelet op artikel 7.2 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006;
Besluit:
Artikel 1
Voor subsidieverstrekking in het kader van onderdeel 1 van het Dutch Trade and Investment Fund (DTIF) door de Minister van Buitenlandse Zaken, met het oog op het stimuleren van investeringen in DTIF-landen door ondernemingen, door middel van het verstrekken van financiering, gelden de als bijlage bij dit besluit gevoegde beleidsregels.
Artikel 2
Voor de toepassing van dit besluit geldt voor de periode van 1 januari 2024 tot en met 31 december 2031 een subsidieplafond van in totaal € 100.000.000. Dit bedrag is uitgesplitst naar een deelplafond voor de op grond van de beleidsregels te verstrekken leningen ter hoogte van € 66.700.000 en een deelplafond voor de op grond van de beleidsregels te verstrekken aanspraken op garantstelling ter hoogte van € 33.3000.000.
Niet benutte middelen van een deelplafond kunnen worden toegevoegd aan het andere deelplafond.
Bij de berekening van het voor subsidieverstrekking ten laste van dit plafond beschikbare bedrag worden verstrekte middelen die op grond van de met de subsidie samenhangende verplichtingen door de subsidieontvangers aan de Minister zijn terugbetaald toegerekend aan het plafond.
Aan dit plafond is het voorbehoud, bedoeld in artikel 4:34 van de Algemene wet bestuursrecht, verbonden dat door de begrotingswetgever voldoende gelden ter beschikking worden gesteld.
Artikel 3
Aanvragen worden in volgorde van binnenkomst behandeld.
Artikel 4
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst, en werkt terug tot en met 1 januari 2024. Het besluit vervalt met ingang van 1 januari 2032 met dien verstande dat het van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend.
Bijlage
Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen
In deze beleidsregels wordt verstaan onder:
Hoofdstuk 2. Doelstelling, landen, doelgroep, juridische verankering en staatssteunkader
2.1. Doelstelling DTIF, landen
Het DTIF beoogt de optimalisering van het publieke financieringsinstrumentarium, ofwel, het faciliteren van toegang tot financiering voor Ondernemingen ten behoeve van directe buitenlandse investeringen en/of exporteren, met als uitgangspunt het leveren van een bijdrage aan werkgelegenheid en duurzame economische groei in Nederland.
Economische groei en werkgelegenheid zijn onlosmakelijk verbonden met handhaving van de Nederlandse positie in de internationale handels- en investeringsstromen. Ruim 30% van ons inkomen wordt in het buitenland verdiend, handel bedraagt 72% van het BNP en levert 2,2 miljoen voltijdbanen op. De ambitie van overheid en bedrijfsleven is handhaving van de positie op ‘traditionele’ markten en versterking van de positie op ‘nieuwe’ markten.
Een noodzakelijke, en in belang toenemende, factor bij deze ambitie is toegang tot financiering voor export- en investeringen. Dit is bovenal, maar niet uitsluitend, een uitdaging voor het midden- en kleinbedrijf (MKB) en speelt in versterkte mate op ‘minder traditionele’ markten: financiers kunnen of willen niet altijd de noodzakelijke (volledige) financiering verstrekken. Uit onderzoek blijkt bovendien dat het percentage afgewezen aanvragen van MKB- (handels)kredieten in Nederland tot de hoogste in Europa behoort.
De Nederlandse overheid heeft, op voorwaarde van additionaliteit (er is sprake van marktfalen) een rol om financiering voor internationaal ondernemen te faciliteren en private financiering te katalyseren. Van marktfalen wordt geacht sprake te zijn indien aangetoond wordt dat geen (volledige) financiering via de markt verkregen kan worden, terwijl er sprake is van een solide business plan. In deze gevallen kan mogelijk aanspraak worden gemaakt door Ondernemingen en Investeringsfondsen op financiering van de Minister in het kader van het DTIF.
Het DTIF integreert bestaande faciliteiten van het non-ODA financieringsinstrumentarium, te weten de Faciliteit Opkomende Markten (FOM) en Finance for International Business (FIB), en introduceert directe exportfinanciering voor kleine transacties op de DTIF-landen (tot euro 5 miljoen). Ten opzichte van de voorlopers worden de criteria verruimd: zowel kleine als grotere transacties (maximale financiering tot euro 15 miljoen) zijn mogelijk en zowel het MKB als grotere bedrijven verkrijgen toegang. Inmiddels worden er geen nieuwe FOM en FIB aanvragen meer in behandeling genomen.
Aldus biedt het DTIF ruimere mogelijkheden op een grotere groep landen en combineert dit met helderheid, flexibiliteit en maatwerk. Doel is om – in combinatie met het Dutch Good Growth Fund (DGGF), dat vergelijkbare financieringsvormen biedt als het DTIF – een zo breed mogelijk landenbereik te realiseren, in al deze landen soortgelijke faciliteiten te bieden, en daarmee te stimuleren dat het Nederlandse bedrijfsleven internationaal over vrijwel de hele wereld kan ondernemen. Waardoor effectiever en efficiënter ingespeeld wordt op de behoeftes van de bedrijven en potentiële private financiers.
Het DTIF zal via twee onderdelen tot uitvoering worden gebracht, te weten via:
Het DTIF gaat open op alle landen, afgezien van de DGGF landen en Nederland. Aangezien in regelgeving ‘Nederland’ Europees Nederland betekent, gelden de Caribische landen van het Koninkrijk evenals Bonaire, Sint Eustatius en Saba als DTIF land. Bij een concrete aanvraag voor het DTIF bepaalt Invest International Public Programmes B.V., in samenspraak met BZ, of de aanvraag al dan niet voor honorering in aanmerking komt. Hierbij gelden de volgende uitgangspunten:
Deze beleidsregels hebben uitsluitend betrekking op bovengenoemd onderdeel 1.
2.1.1. DTIF onderdeel 1
DTIF onderdeel 1 biedt (deels via Investeringsfondsen) financieringsmogelijkheden aan Ondernemingen met een goed investeringsplan waarbij niet alleen gekeken wordt naar de financiële prestaties, maar ook wordt getoetst of het bedrijf en de investering voldoen aan de eisen van (Internationaal) maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO). Uitgangspunt is dat uitsluitend activiteiten gefinancierd worden waar een goede business case aan ten grondslag ligt en die rendabel zijn.
Daarnaast geldt dat (in ieder geval) geen financiering kan worden aangevraagd voor investeringen in vastgoed. Op https://www.investinternational.nl staat een nadere toelichting hierbij.
2.2. Doelgroep
DTIF richt zich op alle Ondernemingen met een in Nederland gevestigde entiteit die, ongeacht de rechtsvorm, een economische activiteit uitoefenen die ten goede komt aan de Nederlandse economie en die staat ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel. Onder het uitoefenen van een economische activiteit wordt in dit verband verstaan: het aanbieden van goederen of diensten op een markt. In het kader van DTIF kan ook via een Investeringsfonds financiering worden verkregen voor het doen van investeringen in DTIF-landen. In dat geval wordt de financiering verstrekt aan het Investeringsfonds dat vervolgens participeert in Ondernemingen die deze investeringen willen doen.
2.3. Juridische verankering
Financiering in het kader van DTIF onderdeel 1 wordt verstrekt in de vorm van een subsidiebeschikking, al dan niet in samenhang met een uitvoeringsovereenkomst.
De totstandkoming van de subsidiebeschikking wordt beheerst door het publiekrecht, de inhoud van de uitvoeringsovereenkomst door het privaatrecht. In het geval van een uitvoeringsovereenkomst wordt de subsidie verleend onder de opschortende voorwaarde dat binnen een in de beschikking bepaalde termijn de beoogde overeenkomst tot stand komt.
2.4. Staatssteunkader
Randvoorwaarde is dat de financiering binnen de bedding van de Europese staatssteunregels blijft.
Er is geen sprake van staatssteun als de Minister bij de toekenning van financieringen toepassing geeft aan het ‘principe van de investeerder in een markteconomie’ of binnen de grenzen van de De-minimisverordening blijft. Binnen de grenzen van de Algemene groepsvrijstellingsverordening is er sprake van geoorloofde staatssteun. Het gaat hierbij om de risicofinancieringssteun voor MKB ondernemingen zoals opgenomen in artikel 21 en 22 van de Algemene groepsvrijstellingsverordening. Steun voor met de uitvoer verband houdende activiteiten (‘exportsteun’) is hiermee ook uitgesloten.
Hoofdstuk 3. Financieringsmogelijkheden
3.1. Algemeen
De uitvoerder namens de Minister, Invest International Public Programmes B.V., zal beoordelen of de investering gezond is en of zij deze op verantwoorde wijze kan steunen. Afhankelijk van het risicoprofiel van de investering (op basis van het risico van de Onderneming, het land en de activiteiten) en afhankelijk van de bereidheid van andere financiers om (gedeeltelijk) mee te investeren wordt een lening, garantie of een combinatie van leningen en/of garanties verstrekt. Per instrument zal uiteindelijk een zelfstandige risicoafweging plaatsvinden, waarbij indien mogelijk Invest International Public Programmes B.V. een coördinerende rol zal spelen met betrekking tot de benodigde informatievoorziening.
Financiering in het kader van DTIF onderdeel 1 kan – zoals gezegd – in verschillende vormen worden verstrekt. Het kan daarbij gaan om leningen en garanties, zowel afzonderlijk als in combinatie. De beleidsregels bieden ten behoeve van Ondernemingen de volgende mogelijkheden om financiering beter toegankelijk te maken:
Financiering op grond van deze beleidsregels bedraagt niet meer dan € 15 miljoen.
Er zijn geen financieringsmogelijkheden voor steenkolenprojecten en voor projecten van exploratie en ontwikkeling van nieuwe voorraden olie en gas in het buitenland.
3.2. Leningen aan een Onderneming
De Minister kan op aanvraag van een Onderneming een subsidie in de vorm van een lening verstrekken ten behoeve van de financiering van investeringen in een DTIF-land.
Het uitgangspunt is dat de beoogde transactie voor ten minste 51% van de financieringsbehoefte mede wordt gefinancierd door een of meer private co- financiers. Als er geen private co-financiers zijn die willen voorzien in (gedeeltelijke) financiering kan de Minister ook een lening voor maximaal 100% van de financieringsbehoefte verstrekken, mits dit binnen onderstaande uitgangspunten past en uit een door Invest International Public Programmes B.V. uit te voeren risicocheck blijkt dat de lening wordt aangevraagd voor een gezonde en verantwoorde investering.
De leningen worden enkel verstrekt indien deze in overeenstemming zijn met het ‘principe van de investeerder in een markteconomie’, zoals hiervoor onder 2.4 toegelicht. De leningnemer zal voor de lening een marktconforme rente verschuldigd zijn en ten minste bevredigende zekerheden moeten bieden. De Minister dient de lening te verstrekken op voet van gelijkheid met andere crediteuren, met dien verstande dat de lening niet zal zijn achtergesteld op vorderingen van andere crediteuren. De voor de leningen te betalen rente zal in uitgangspunt worden vastgesteld aan de hand van een benchmark met een door private co-financier verstrekte lening aan de onderneming of met een vergelijkbare markttransactie. Indien dat niet mogelijk blijkt te zijn, zal de rente worden vastgesteld conform de Mededeling van de Commissie over de herziening van de methode waarmee de referentie- en verdisconteringspercentages worden vastgesteld.
In geval de lening niet in overeenstemming met het ‘principe van de investeerder in een markteconomie’ wordt verstrekt, dan kan een lening enkel worden verstrekt onder de vrijstellingsvoorwaarden van artikel 21/22 AGVV of met toepassing van de de-minimisvoorwaarden. De uitvoerder zal bij de aanvraag toetsen of aan deze voorwaarden wordt voldaan.
3.3. Leningen aan een Investeringsfonds met het oog op participaties door dit Investeringsfonds in een Onderneming (Fund in Fund financiering)
De Minister kan op aanvraag van een Investeringsfonds een lening verstrekken voor het verkrijgen van participaties in MKB Ondernemingen voor het doen van investeringen in een DTIF-land.
Terugbetaling vindt plaats voor zover de participaties inkomsten opleveren, waarbij geldt dat 20% van de inkomsten moet worden afbetaald. Dit met dien verstande dat het eerste voor rekening van de Minister komende verlies wordt gemaximeerd op 25% van de totale door de Minister verstrekte lening. Dit levert een hefboomwerking op voor het rendement van de private (van de MKB Onderneming onafhankelijke) kapitaalverschaffers van het investeringsfonds en stimuleert private kapitaalverschaffers (meer) te gaan investeren in expansie van Ondernemingen in DTIF-landen. Als het Investeringsfonds de investering heeft terugverdiend, moet 50% van de inkomsten worden afgedragen totdat de verstrekte financiering is afbetaald. Als vervolgens additionele inkomsten worden gegenereerd, worden deze 80% – 20% verdeeld tussen het Investeringsfonds en de Minister.
De aan het Investeringsfonds te verstrekken lening moet voldoen aan de criteria van artikel 21 van de AGVV, die voorziet in een vrijstelling voor risicofinanciering ten behoeve van MKB-ondernemingen. De uitvoerder zal bij de aanvraag toetsen of aan de vrijstellingsvoorwaarden van deze bepaling wordt voldaan en neemt daarbij onder andere de volgende aspecten in zijn beoordeling mee.
Het Investeringsfonds moet in ieder geval voldoen aan de eisen die onder 4.1.2 zijn vermeld en die mede zijn gebaseerd op de eisen van artikel 21 AGVV.
De betreffende Onderneming waarin het Investeringsfonds participeert, moet een MKB onderneming zijn die voldoet aan de voorwaarden voor de toepassing van de AGVV. Om voor een lening in aanmerking te komen, mag de MKB Onderneming nog niet op een markt actief zijn geweest of minder dan zeven jaar (gerekend vanaf de eerste commerciële verkoop) actief zijn op een markt. Ten behoeve van MKB Ondernemingen die langer dan zeven jaar op een markt actief zijn, kan enkel een lening worden verstrekt indien deze ondernemingen een initiële risicofinancieringsinvestering nodig hebben die, op basis van een ondernemingsplan dat is opgesteld met het oog op het betreden van een nieuwe productmarkt of geografische markt, meer bedraagt dan 50% van de gemiddelde jaaromzet in de voorafgaande vijf jaar. Daarnaast geldt dat de MKB Onderneming niet in financiële moeilijkheden mag verkeren en jegens haar geen bevel tot terugvordering mag uitstaan. De aanvraag en het business plan van de MKB Onderneming dienen te voldoen aan de in hoofdstuk 4 opgesomde (relevante) voorwaarden, die mede zijn gebaseerd op de eisen van artikel 21 AGVV.
In geval de lening aan het Investeringsfonds niet kan worden geschaard onder de vrijstellingsvoorwaarden van artikel 21 AGVV, bijvoorbeeld omdat de lening is gericht op een participatie in een grote onderneming, dan kan een lening enkel worden verstrekt op marktconforme voorwaarden of met toepassing van de de-minimisvoorwaarden. Een Investeringsfonds kan dan maximaal 40% van de investering financieren met de lening. De leningverstrekking zal in overeenstemming moeten zijn met hetgeen hiervóór onder 3.2 staat opgenomen.
3.4. Aanspraak op garantstelling
De Minister kan uitsluitend op aanvraag van een Onderneming subsidie verstrekken in de vorm van een garantie ter dekking van eventuele verliezen op een verstrekte financiering (leningen en/of aandelenkapitaal) op grond van een tussen de Onderneming en Financier gesloten of te sluiten financieringsovereenkomst, welke overeenkomst is aangegaan met het doel van investeringen in een DTIF-land.
Door middel van deze mogelijkheid kan er vanuit DTIF borg gestaan worden voor een percentage van maximaal 60% voor de financiering die een Financier verstrekt. De Minister neemt een deel van de risico’s over waardoor de Financier eerder geneigd zal zijn financiering te verschaffen.
De Minister zal de garantie enkel op marktconforme voorwaarden verstrekken. De verschuldigde premie voor de garantie zal worden bepaald aan de hand van specifieke marktinformatie over de transactie, gebaseerd op het risicoprofiel van de onderneming of, bij gebreke daaraan, op basis van een benchmark met een gelijksoortige transactie voor een gelijksoortige onderneming. Als dat niet mogelijk is zal de premie worden gebaseerd op een vergelijking van de financiële kostprijs van de gegarandeerde lening met de marktprijs van een vergelijkbare niet-gegarandeerde lening. Als het op basis van één van deze methodes niet mogelijk is om de garantiepremie te berekenen, dan zal de premie worden berekend in overeenstemming met de Mededeling van de Commissie betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op staatssteun in de vorm van garanties (PB C 155 van 20 juni 2008, p. 10).
Als de garantie niet onder marktconforme voorwaarden kan worden verstrekt, dan kan enkel een garantie worden verstrekt, indien deze valt onder de De-minimis-verordening of artikel 21/22 van de AGVV. De uitvoerder zal bij de aanvraag toetsen of aan deze voorwaarden wordt voldaan. Voorwaarde is onder meer dat tegen de onderneming op wiens lening de garantie betrekking heeft, geen collectieve insolventieprocedure loopt en zij niet voldoet aan de criteria om aan een collectieve insolventieprocedure te worden onderworpen. In geval van grote ondernemingen verkeert de begunstigde in een situatie die vergelijkbaar is met een kredietrating van ten minste B-.
Garanties kunnen van de de-minimus vrijstelling profiteren als de brutosubsidie-equivalent kan worden bepaald op basis van in mededelingen van de Commissie genoemde safe-harbour-premies. Een garantie kan ook onder de vrijstelling vallen indien deze niet meer dan 80% van de onderliggende lening bedraagt en ofwel het garantiebedrag maximaal € 1.500.000 bedraagt () en de garantie een looptijd van maximaal vijf jaar heeft, ofwel het garantiebedrag maximaal € 750.000 bedraagt () en de garantie een looptijd van maximaal tien jaar heeft.
Hoofdstuk 4. Criteria
In het kader van deze beleidsregels vindt de beoordeling van aanvragen voor financiering en de besluitvorming over de inhoud van de daarop betrekking hebbende financieringsovereenkomst plaats aan de hand van de in deze beleidsregels opgenomen criteria.
4.1. Commerciële haalbaarheid
In het kader van deze beleidsregels vindt de beoordeling van aanvragen voor financiering en de besluitvorming over de inhoud van de daarop betrekking hebbende financieringsovereenkomst plaats aan de hand van de in deze beleidsregels opgenomen criteria.
4.1.1. Lening aan een Onderneming
4.1.2. Lening aan een Investeringsfonds met het oog op het verwerven van participaties door dit Investeringsfonds in een Onderneming (Fund- in-Fund financiering)
4.1.3. Aanspraak op garantstelling
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.