Regeling van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 13 februari 2024, nr. IENW/BSK-2024/49004, houdende regels voor verstrekking van specifieke uitkeringen voor mobiliteitsmaatregelen (Tijdelijke regeling specifieke uitkering mobiliteitspakketten ten behoeve van woningbouw)

Type Ministeriële regeling
Publication 2024-11-20
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op artikel 17, vijfde lid, van de Financiële-verhoudingswet, de artikelen 3, 4 en 5 van de Kaderwet subsidies I en M en artikel 6, tweede en derde lid, van de Wet Mobiliteitsfonds;

BESLUIT:

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

Artikel 2. Doel van regeling

Deze regeling heeft tot doel om gemeenten en openbare lichamen in staat te stellen mobiliteitsmaatregelen te realiseren zodat op de grootschalige NOVEX-woningbouwlocaties woningbouw kan plaatsvinden.

Artikel 3. Verlening op aanvraag
1.

De minister kan op aanvraag van een gemeente of een openbaar lichaam, genoemd in de bijlage, een specifieke uitkering verlenen voor de realisatie van mobiliteitsmaatregelen, genoemd in de bijlage, bij een woningbouwlocatie, genoemd in de bijlage.

2.

Het bedrag van de specifieke uitkering vermeerderd met de compensabele btw-component is ten hoogste het in de bijlage bij die woningbouwlocatie genoemde maximale bedrag op basis van prijspeil 2022.

3.

De aanvraag bevat in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden:

4.

Een aanvraag kan tot uiterlijk twee maanden na het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling worden ingediend met gebruikmaking van een daartoe door de minister beschikbaar gesteld digitaal aanvraagformulier.

Artikel 4. Uitkeringsplafond

Het uitkeringsplafond bedraagt € 1.049.060.000 op basis van prijspeil 2022.

Artikel 5. Kosten die in aanmerking komen voor specifieke uitkering
1.

Voor een specifieke uitkering komen in aanmerking de kosten voor de realisatie van mobiliteitsmaatregelen, genoemd in de bijlage, bij een woningbouwlocatie, genoemd in de bijlage.

2.

Voor een specifieke uitkering komen niet in aanmerking:

3.

Indien een mobiliteitsmaatregel een mobiliteitshub behelst worden de verwachte netto-opbrengsten van een mobiliteitshub gelet op de voorziene exploitatiekosten en -inkomsten in mindering gebracht op de kosten van de mobiliteitshub die voor een specifieke uitkering in aanmerking komen.

Artikel 6. Verlening
1.

De minister besluit op een aanvraag binnen dertien weken na ontvangst.

2.

Een besluit tot verlening van een specifieke uitkering vermeldt in ieder geval:

3.

De bedragen genoemd in het tweede lid, onderdeel b, zijn de bedragen op basis van prijspeil 2022.

Artikel 7. Afwijzingsgronden

De minister beslist geheel of gedeeltelijk afwijzend op een aanvraag indien:

Artikel 8. Indexering
1.

Het maximale bedrag, bedoeld in artikel 3, tweede lid, alsmede de bedragen, bedoeld in artikel 6, tweede lid, onderdeel b, worden jaarlijks op 1 oktober geïndexeerd overeenkomstig de door de Minister van Financiën uitgekeerde Index Bruto Overheidsinvesteringen, voor zover die bedragen op die datum nog niet als voorschot zijn uitgekeerd.

2.

De bedragen, bedoeld in het eerste lid, worden tevens geïndexeerd overeenkomstig de door de Minister van Financiën uitgekeerde Index Bruto Overheidsinvesteringen zoals deze op 1 oktober 2023 zou hebben plaatsgehad, indien deze regeling voor die datum in werking zou zijn getreden.

Artikel 9. Verplichtingen ontvanger
1.

De ontvanger realiseert de mobiliteitsmaatregel of mobiliteitsmaatregelen waarvoor de specifieke uitkering is verleend.

2.

De ontvanger besteedt de specifieke uitkering uitsluitend aan de mobiliteitsmaatregelen waarvoor de specifieke uitkering is verleend.

3.

De ontvanger start de realisatie van de laatst te realiseren woning op de woningbouwlocatie uiterlijk 31 december 2030.

4.

De ontvanger rondt de realisatie van de mobiliteitsmaatregelen bij de woningbouwlocatie af uiterlijk 31 december 2035.

5.

Op het moment dat de woningen op de woningbouwlocatie zijn gerealiseerd bedraagt het aantal op de woningbouwlocatie gerealiseerde betaalbare woningen ten minste 50% van het totaal van de op de woningbouwlocatie gerealiseerde woningen.

6.

De ontvanger doet onverwijld mededeling aan de minister zodra aannemelijk is dat:

7.

De ontvanger verstrekt, onverminderd het zesde lid, jaarlijks uiterlijk op 1 juli beleidsinformatie over de beheersing van de risico’s en de voortgang van de voorbereidingen en de realisatie van de mobiliteitsmaatregelen waarvoor een specifieke uitkering is verleend alsmede van de realisatie van de woningen op de woningbouwlocatie.

8.

De ontvanger verleent op verzoek van de minister alle gevraagde medewerking aan een evaluatieonderzoek als bedoeld in artikel 14.

9.

De minister kan nadere voorschriften aan de specifieke uitkering verbinden, waarbij in bijzondere omstandigheden kan worden afgeweken van het vijfde lid.

Artikel 10. Bevoorschotting en wijze van betaling
1.

De minister verleent bij een besluit tot verlening van een specifieke uitkering een voorschot ter hoogte van het totaalbedrag van de specifieke uitkering, bedoeld in artikel 6, tweede lid, onderdeel b.

2.

Een voorschot als bedoeld in het eerste lid wordt met ingang van 2024 in jaarlijkse termijnen uitgekeerd, waarbij met uitzondering van de eerste termijn de jaarlijks termijnen € 25 miljoen bedragen totdat het volledige voorschot is uitgekeerd.

3.

In het geval het voorschot als bedoeld in het eerste lid meer dan € 100 miljoen bedraagt, wordt, in afwijking van het tweede lid, het voorschot met ingang van 2024 in vijf jaarlijkse termijnen uitgekeerd, waarbij de eerste vier termijnen € 25 miljoen bedragen.

3.

Het voorschot, bedoeld in het eerste lid, en de termijnen, bedoeld in het tweede lid en derde lid, worden voor zover deze nog niet zijn uitgekeerd jaarlijks op 1 oktober geïndexeerd overeenkomstig de door de Minister van Financiën uitgekeerde Index Bruto Overheidsinvesteringen.

4.

De minister kan de uitkering van het voorschot geheel of gedeeltelijk opschorten indien niet wordt voldaan aan de bij deze regeling of bij het besluit tot verlening van de specifieke uitkering gestelde verplichtingen.

Artikel 11. Wijziging specifieke uitkering op aanvraag
1.

De minister kan het besluit tot verlening van de specifieke uitkering op aanvraag van de ontvanger wijzigen. De minister besluit binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag.

2.

Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid heeft betrekking op:

3.

In geval van een situatie als bedoeld in artikel 9, zesde lid, kan de minister, mits er sprake is van bijzondere omstandigheden, bij een besluit tot wijziging van het besluit tot verlening van een specifieke uitkering bepalen dat de realisatie van de woningen op de betreffende woningbouwlocatie of de realisatie van de mobiliteitsmaatregelen uiterlijk wordt gestart of afgerond op een ander moment dan genoemd in artikel 9, derde en vierde lid.

4.

Een wijziging als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, kan afwijken van een mobiliteitsmaatregel, genoemd in de bijlage, mits dezelfde woningbouwlocatie wordt ontsloten en de mobiliteitsmaatregel eenzelfde type mobiliteitsmaatregel is als waarvoor eerder de specifieke uitkering is verleend. De aanvraag, bedoeld in het tweede lid, aanhef en onderdeel b, kan uiterlijk worden ingediend tot de start van de realisatie van de mobiliteitsmaatregel waarop het oorspronkelijke besluit ziet.

5.

In geval dat een aanvraag als bedoeld in het eerste lid betrekking heeft op de woningbouwlocatie Amsterdam Zuidoost of Amersfoort Spoor- en A1-zone kan een wijziging als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, afwijken van het type mobiliteitsmaatregel, genoemd in de bijlage. De tweede volzin van het vierde lid is van overeenkomstige toepassing.

6.

Het bedrag van een gewijzigde specifieke uitkering is niet hoger dan het bedrag van de oorspronkelijke specifiek uitkering.

7.

Het percentage van het bedrag van de specifieke uitkering in het voorziene resterende financiële tekort per woningbouwlocatie is in het gewijzigde besluit niet hoger dan in het oorspronkelijke besluit.

Artikel 12. Verantwoording

De verantwoording van de ontvanger over de besteding van de specifieke uitkering vindt plaats op de wijze die is bepaald in artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet.

Artikel 13. Vaststelling

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.