Besluit inrichtingseisen bpm en mrb

Type Beleidsregel
Publication 2026-02-04
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.

Dit besluit is een actualisatie van het besluit van 16 december 2021, nr. 2021-213898. In dit besluit zijn enkele verduidelijkingen opgenomen en is een goedkeuring uitgebreid.

1. Inleiding

In dit besluit zijn standpunten aangepast of verduidelijkt over de volgende onderwerpen:

1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen

2. Inrichtingseisen bestelauto

2.1. Laadruimte

2.1.1. Vlakke laadvloer

De vlakke laadvloer moet over de gehele breedte en lengte van de laadruimte zijn aangebracht. Als niet aan deze voorwaarden wordt voldaan is er sprake van een personenauto. Dit vind ik niet in alle situaties gewenst.

Omdat niet in alle situaties aan deze voorwaarden kan worden voldaan, keur ik met toepassing van artikel 63 van de AWR (de hardheidsclausule) het volgende goed.

De meetmethode blijft onverkort van kracht. Het zogenoemde fiscaal blok moet behoudens de uitzonderingen genoemd in onderdeel 2.3.1 ook bij aanwezigheid van de hierboven genoemde uitzonderingen passen.

2.1.2. Stoel(en) en/of bank in de laadruimte ten behoeve van werkzaamheden op locatie

Als in de laadruimte van een bestelauto één of meerdere stoelen of zitbanken vast zijn aangebracht wordt de ruimte die wordt gebruikt voor de stoelen of zitbanken niet langer aangemerkt als laadruimte. Door de plaatsing wordt slechts de ruimte achter de stoelen of banken, gerekend van de achterzijde van de stoelen of banken aangemerkt als laadruimte (zie het arrest van de Hoge Raad van 19 maart 2010, nr. 08/04836, ECLI:NL:HR:2010:BL7965). Voldoet deze overgebleven laadruimte niet aan de eisen die in de wet aan de laadruimte van een bestelauto worden gesteld dan is niet langer sprake van een bestelauto.

Het komt voor dat de laadruimte van een bestelauto door ondernemingen en openbare lichamen uitsluitend wordt gebruikt om op locatie werkzaamheden te verrichten. Het gaat hierbij om werkzaamheden die passen binnen de onderneming of voortvloeien uit de taak van het openbaar lichaam, bijvoorbeeld het verwerken van gegevens, verrichten van metingen en ter plaatse monteren van onderdelen. Voor het verrichten van deze werkzaamheden is het noodzakelijk dat de werknemer/ondernemer zijn werkzaamheden zittend in de stilstaande bestelauto kan verrichten.

Ik keur met toepassing van artikel 63 van de AWR (de hardheidsclausule) onder de navolgende cumulatieve voorwaarden goed, dat een motorrijtuig dat aan alle fiscale inrichtingseisen voor een bestelauto voldoet, nog steeds kwalificeert als bestelauto als in de laadruimte vaste zitplaatsen zijn aangebracht.

Voor deze goedkeuring gelden de volgende voorwaarden:

Wanneer de zitplaatsen in rijdende toestand worden gebruikt is de houder strafbaar op grond van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) en kan een verzuimboete op grond van artikel 13a, zesde lid, wet bpm, worden opgelegd.

2.1.3. Vaste wand

2.1.3.1. Uitsteeksel en profilering

De vaste wand moet geheel vlak zijn.

Met toepassing van artikel 63 van de AWR (de hardheidsclausule) keur ik goed dat de vaste wand is voorzien van uitsteeksels, veroorzaakt door de bevestigingsconstructie en enige profilering, bijvoorbeeld ter vergroting van de stevigheid.

De meetmethode blijft onverkort van kracht. Het zogenoemde fiscaal blok moet ook bij aanwezigheid van de hierboven genoemde uitzonderingen passen. Er wordt gemeten vanaf de meest naar achteren gelegen delen van de uitsteeksels of de profilering.

2.1.3.2. Deel cabine bij de laadruimte betrekken

Het komt voor dat een deel van de cabine, zoals de ruimte onder de extra zitplaatsen (dubbele cabine) of bovenin de cabine, bij de laadruimte wordt betrokken. In die situatie is de vaste wand niet geheel vlak.

Ik keur met toepassing van artikel 63 van de AWR (de hardheidsclausule) goed, dat in deze situatie de wand toch als vlak kan worden beschouwd, mits daardoor de laadruimte vanuit de cabine niet bereikbaar is. Bij het bepalen van de lengte van de laadruimte wordt deze extra laadruimte echter niet meegerekend.

2.1.3.3. Rechtstreeks aan carrosserie verbonden

De wand moet zoveel mogelijk rondom en op onverbrekelijke wijze rechtstreeks met de carrosserie zijn verbonden. Op deze wijze is er sprake van een permanente constructie van de vaste wand.

2.1.3.3.1. Zoveel mogelijk rondom

‘Zoveel mogelijk rondom’ houdt in: op al die plaatsen waar contactpunten tussen de vaste wand en de carrosserie aanwezig zijn. Het is soms uit technisch oogpunt niet mogelijk om de vaste wand overal aan de carrosserie te laten aansluiten. In een dergelijke situatie voldoet dit motorrijtuig dan niet meer aan de inrichtingseisen.

Ik keur met toepassing van artikel 63 van de AWR (de hardheidsclausule) goed dat in de volgende situaties de wand zoveel mogelijk rondom met de carrosserie is verbonden.

2.1.3.3.2. Op onverbrekelijke wijze

De vaste wand moet op onverbrekelijke wijze rechtstreeks met de carrosserie zijn verbonden.

In de praktijk is het om technische redenen niet altijd mogelijk om de vaste wand op die manier aan te brengen.

Daarom keur ik met toepassing van artikel 63 van de AWR (de hardheidsclausule) goed dat in de volgende situaties de wand toch zoveel mogelijk rondom en op onverbrekelijke wijze rechtstreeks met de carrosserie is verbonden:

2.1.3.4. Open bestelauto; hoogte vaste wand

Bij sommige bestelauto’s moet onder meer de laadruimte van de bestuurderszitplaats zijn afgescheiden door een vaste wand over de gehele breedte en hoogte van de bestuurderscabine. De vaste wand moet op maximaal 115 cm, gemeten vanaf het achterste punt van het stuurwiel, zijn geplaatst. Als de laadbak een lengte heeft van ten minste 200 cm is in dat geval geen vaste wand vereist.

Bij geheel open bestelauto’s met enkele cabine waarbij zowel de bestuurderscabine als de laadbak niet zijn overdekt (bijvoorbeeld sommige (ex-) legervoertuigen) levert de hoogte van de vaste wand problemen op. Om constructietechnische redenen is een volledig vaste wand tussen cabine en laadruimte niet te realiseren.

Ik keur met toepassing van artikel 63 van de AWR (de hardheidsclausule) goed dat bij een dergelijke geheel open bestelauto met enkele cabine, waarbij zowel de cabine als de laadbak niet zijn overdekt, kan worden volstaan met een vaste wand met een hoogte van minimaal 30 cm.

Artikel 3, derde lid, onderdeel b, subonderdeel 2, wet bpm.

Artikel 3, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 2, wet mrb.

Artikel 2, achtste lid, onderdeel a, van de uitvoeringsregeling bpm.

Artikel 3, achtste lid, onderdeel a, van de uitvoeringsregeling mrb.

2.1.4. Ombouw pick-up dubbele of anderhalve cabine tot enkele cabine

Een bestelauto, type pick-up met dubbele cabine of met een zogenoemde anderhalve cabine kan omgebouwd worden tot een bestelauto met enkele cabine. Om constructietechnische redenen kan de al bestaande wand niet worden verwijderd. Wanneer een tweede wand wordt geplaatst ontstaat een extra gesloten laadruimte.

Een redelijke wetstoepassing brengt mee dat de pick-up ook na de ombouw waarbij een tweede wand is geplaatst kan voldoen aan de inrichtingseisen van een bestelauto als is voldaan aan de volgende voorwaarden:

Het komt voor dat, om te voldoen aan de bij het eerste aandachtstreepje genoemde voorwaarde (vaste wand op ten hoogste 115 cm), de achterwand wordt voorzien van een verdikking. Om bij een dergelijke ombouw nog te kunnen spreken van een vaste wand zoals bedoeld in de wet moet worden voldaan de volgende voorwaarden:

Het komt voor dat in de oorspronkelijke wand een ruit is aangebracht. In die situatie brengt een redelijke wetstoepassing om constructietechnische redenen mee dat de verdikking tot de onderkant van de ruit kan worden aangebracht.

2.1.5. Container

2.1.5.1. Afzetbare (vracht)container

Er zijn containers die speciaal zijn ontworpen om te worden geplaatst in de open laadbak van motorrijtuigen van het type pick-up. Deze goedkeuring is alleen van toepassing op dat type containers. Deze containers kunnen veelal slechts worden geplaatst op één bepaald merk en type motorrijtuig en sluiten qua vorm geheel bij dat motorrijtuig aan. Een motorrijtuig waarop een dergelijke container is geplaatst, wijkt visueel dan ook niet of nauwelijks af van een motorrijtuig waarvan de laadruimte van een overkapping is voorzien. Om te kunnen worden aangemerkt als bestelauto moet dit motorrijtuig inclusief container voldoen aan de in de wet gestelde inrichtingseisen voor een bestelauto met gesloten laadruimte.

Onder bepaalde omstandigheden kan een container zoals hier is bedoeld echter een zodanige zelfstandige functie vervullen dat deze niet kan worden beschouwd als onderdeel van het motorrijtuig waarop deze is geplaatst. De bijbehorende eisen van het fiscale blok voor een gesloten laadruimte zijn dan niet relevant.

Ik keur met toepassing van artikel 63 van de AWR (de hardheidsclausule) onder de volgende cumulatieve voorwaarden goed dat plaatsing van een container op een bestelauto niet leidt tot de conclusie dat sprake is van een motorrijtuig met een gesloten laadruimte.

Voor deze goedkeuring gelden de volgende voorwaarden:

Om te voldoen aan de voorwaarde onder e. kunnen aan een container diverse voorzieningen zijn aangebracht die het mogelijk maken dat de container eenvoudig op een motorrijtuig is te plaatsen of daarvan te verwijderen (bijv. uitsparingen voor vorkheftrucklepels, ogen). Een container zonder dergelijke voorzieningen, die alleen afzetbaar is met extra hulpmiddelen (zoals spanbanden e.d.) is niet eenvoudig op het motorrijtuig te plaatsen dan wel te verwijderen.

Ik keur met toepassing van artikel 63 van de AWR (de hardheidsclausule) goed dat voor containers zonder voorzieningen die in gebruik zijn genomen vóór 15 maart 2014 geldt dat het ontbreken van dergelijke voorzieningen niet leidt tot de conclusie dat sprake is van een bestelauto met een gesloten laadruimte.

2.1.5.2. Kampeercontainer

Er zijn kampeercontainers die speciaal zijn ontworpen om te worden geplaatst in de open laadbak van motorrijtuigen van het type pick-up. Deze kampeercontainers kunnen veelal slechts worden geplaatst op één bepaald merk en type motorrijtuig en sluiten qua vorm geheel bij dat motorrijtuig aan. Een motorrijtuig waarop een dergelijke kampeercontainer is geplaatst, wijkt visueel dan ook niet of nauwelijks af van een motorrijtuig waarvan de laadruimte van een overkapping is voorzien. Bij de bepaling van de fiscale indeling wordt het gehele motorrijtuig in ogenschouw genomen.

Onder bepaalde omstandigheden kan een kampeercontainer zoals hier is bedoeld echter een zodanige zelfstandige functie vervullen dat deze niet kan worden beschouwd als onderdeel van het motorrijtuig waarop deze is geplaatst.

Daarom keur ik met toepassing van artikel 63 van de AWR (de hardheidsclausule) onder de volgende voorwaarde goed dat een bestel- of vrachtauto waarop een kampeercontainer is geplaatst, niet als een personenauto wordt aangemerkt.

Ik stel hierbij de volgende voorwaarde. Aan het desbetreffende motorrijtuig zijn geen handelingen verricht waardoor het in een zodanige staat is gebracht dat kan worden gezegd dat het uit hoofde van zijn bouw kan dienen voor het vervoer van personen over de weg.

Dit betekent in ieder geval dat:

2.1.6. Bestelauto’s met een bijzondere opbouw of bovenbouwvermelding

2.1.6.1. Bestelauto met een bijzondere opbouw

De laadruimte van een bestelauto mag niet ingericht zijn voor het vervoer van personen en moet in alle gevallen zijn voorzien van een vlakke laadvloer. Bestelauto’s met een bijzondere opbouw kunnen niet altijd aan de inrichtingseisen van de laadruimte voldoen. Het gaat hier onder andere over de bestelauto’s met een hoogwerker, de asfaltwagens, lichte takel-/lepelwagens en de lichte vuilniswagens. Dergelijke bestelauto’s zouden dan als personenauto’s kwalificeren.

Ik keur met toepassing van artikel 63 van de AWR (de hardheidsclausule) goed dat een motorrijtuig met een dergelijke bijzondere bovenbouw kan worden aangemerkt als een bestelauto.

Ik stel hieraan de volgende voorwaarden:

2.1.6.2. Bestelauto met vermelding 'opleggertrekker' of 'afneembare bovenbouw'

De motorrijtuigen die als vermelding 'opleggertrekker (voor 1 januari 2013: ‘trekker') of 'afneembare bovenbouw’ (voor 1 januari 2013: ‘voor verwisselbare opbouw', hierna ook inbegrepen als wordt gesproken over ‘afneembare bovenbouw’) in het kentekenregister krijgen, wijken af van de bestelauto’s met een bijzondere opbouw. Deze motorrijtuigen kunnen namelijk ook worden gebruikt zonder dat de oplegger, aanhanger, afneembare opbouw of container aanwezig is. Op dat moment is het personenvervoer niet langer ondergeschikt aan het vervoer van lading. Dit is bijvoorbeeld het geval bij een motorrijtuig met een (kaal) chassis waarop een koppelschotel met een hulpframe dan wel een containerframe is gemonteerd; deze onderscheidt zich echter qua uiterlijk sterk van andere auto’s. Bovendien worden deze zaken enkel aangebracht met het oog op het vervoeren van een last.

Ik keur met toepassing van artikel 63 van de AWR (de hardheidsclausule) goed dat een motorrijtuig met een (kaal) chassis waarop een koppelschotel met een hulpframe dan wel een containerframe is gemonteerd wordt aangemerkt als een bestelauto. Dit geldt ook voor een motorrijtuig dat is gekeurd met een afneembare bovenbouw (en met de bovenbouw voldoet aan alle fiscale inrichtingseisen voor een bestelauto) op het moment dat de bovenbouw / container tijdelijk niet aanwezig is.

Wanneer het motorrijtuig met een kaal chassis met koppelschotel wordt aangepast c.q. omgebouwd, bijvoorbeeld door het aanbrengen van een laadbak, of wanneer het motorrijtuig met een kaal chassis met een containerframe wordt voorzien van een container, kan een motorrijtuig ontstaan dat zich qua uiterlijk maar ook qua vervoer van last/lading niet langer onderscheidt van ‘reguliere’ motorrijtuigen. Om als bestelauto te worden aangemerkt moet het motorrijtuig dan voldoen aan alle inrichtingseisen die gelden voor een bestelauto. Als het motorrijtuig niet aan de inrichtingseisen voor een bestelauto voldoet, dan is er sprake van een personenauto.

2.3. Meetmethoden

2.3.1. Uitzonderingen bij meten laadruimte

De hoogte en de lengte van de laadruimte moeten worden gemeten door middel van de zogenoemde blokmethode (artikel 2, eerste lid, uitvoeringsregeling bpm c.q. artikel 3, eerste lid, uitvoeringsregeling mrb). Dat wil zeggen dat de laadruimte in gesloten toestand een denkbeeldig (fiscaal) blok moet kunnen bevatten met afmetingen die voor de betreffende categorie bestelauto gelden.

Er kan een aantal voorzieningen in een laadruimte zijn aangebracht waardoor het fiscale blok niet meer past.

Ik keur met toepassing van artikel 63 van de AWR (de hardheidsclausule) goed dat de volgende voorzieningen bij het bepalen van de afmetingen van de laadruimte geheel buiten beschouwing worden gelaten:

2.3.2. Pick-up

Een pick-up is een bestelauto waarvan de laadbak niet is overkapt. Een pick-up is niet als afzonderlijke categorie opgenomen in de wet. Om als bestelauto te worden aangemerkt moet een pick-up aan de eisen van artikel 3, derde lid, wet bpm c.q. artikel 3, eerste lid, wet mrb, voldoen, met uitzondering van de eisen met betrekking tot de hoogte van de laadruimte en de aanwezigheid van ten hoogste één zijruit.

2.3.2.1. Meetmethoden laadruimte pick-up

De lengte van de laadruimte van een pick-up moet volgens de blokmethode worden gemeten waarbij de maten van het fiscale blok inclusief de hoogte in acht moeten worden genomen. Is op de laadruimte een kap of huif aanwezig dan moet de daardoor ontstane gesloten laadruimte voldoen aan alle afmetingen van het bijbehorende fiscale blok.

Ik keur met toepassing van artikel 63 van de AWR (de hardheidsclausule) goed dat de lengte van de laadruimte van een pick-up ook bepaald kan worden door te meten over de bodem van de laadruimte mits deze methode geen andere uitkomst oplevert dan de blokmethode. Als deze methode wordt toegepast, moet vanaf het achterste punt van de binnenrand aan de voorkant van de laadbak een loodlijn worden neergelaten op de bodem van de laadruimte. De lengte van de laadruimte wordt gemeten vanaf het punt waar de loodlijn de bodem raakt. Evenals bij de blokmethode wordt gemeten parallel aan de lengteas van het motorrijtuig.

Deze twee meetmethoden gelden ook om te bepalen of de laadruimte van een bestelauto met dubbele cabine voor ten minste 40 procent van de lengte voor het hart van de achterste as is gelegen (artikel 3, derde lid, onderdeel d, subonderdeel 2, wet bpm c.q. artikel 3, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 2, wet mrb).

Als een zogenoemde rollbar is aangebracht om extra veiligheid te creëren voor de inzittenden en de te vervoeren lading, kan bij het bepalen van de lengte van de laadruimte de rollbar buiten beschouwing worden gelaten.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.