Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 2 april 2024, kenmerk 3793275-1063349-S, houdende regels voor de subsidiëring van gemeentelijke uitgaven aan sport voor de jaren 2024 tot en met 2025 (Regeling specifieke uitkering stimulering sport 2024–2025)

Type Ministeriële regeling
Publication 2026-01-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op artikel 3 en 5 van de Kaderwet VWS-subsidies

Besluit:

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

Artikel 2. Toepasselijkheid Kaderregeling en Awb
1.

Op deze regeling is de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS niet van toepassing, met uitzondering van hoofdstuk 5.

2.

Op deze regeling zijn de artikelen 4:5, 4:35, 4:37, 4:38, 4:46, 4:48 tot en met 4:50, 4:56 en 4:57 van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3. Activiteiten waarvoor een uitkering kan worden verstrekt

De minister kan jaarlijks aan een gemeente een uitkering verstrekken voor de bestedingen in een kalenderjaar in verband met activiteiten in het kader van sport.

Artikel 4. In aanmerking komende kosten
1.

De bestedingen in verband met activiteiten in het kader van sport kunnen betrekking hebben op de kosten van een gemeente of sportbedrijf voor:

2.

Op grond van deze regeling wordt geen uitkering verstrekt:

Artikel 5. Hoogte van de uitkering
1.

De uitkering per ontvanger bedraagt bij de verlening ten hoogste het bedrag zoals vermeld in de verdeelsleutel in bijlage 1.

2.

De uitkering per ontvanger bedraagt bij de vaststelling ten hoogste 18% van de in aanmerking komende bestedingen, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van enig kalenderjaar.

Artikel 6. Uitkeringsplafond
1.

Het uitkeringsplafond voor het kalenderjaar 2024 bedraagt € 189.000.000.

2.

Het uitkeringsplafond voor het kalenderjaar 2025 bedraagt € 189.000.000.

3.

Het uitkeringsplafond voor het kalenderjaar 2026 bedraagt € 177.000.000.

Artikel 7. Aanvraag tot verlening
1.

Een uitkering wordt op aanvraag verstrekt.

2.

De aanvraag tot verlening van een uitkering voor kalenderjaar 2026 kan worden ingediend van 5 januari 2026 09:00 uur tot en met 27 februari 2026 13:00 uur.

3.

Voor de aanvraag tot verlening van de uitkering wordt een door de minister vastgesteld formulier gebruikt.

Artikel 8. Verlening
1.

De minister neemt binnen dertien weken na sluiting van de aanvraagperiode van het kalenderjaar waarvoor de uitkering wordt aangevraagd een besluit omtrent de verlening van de uitkering.

2.

Indien de ontvangen aanvraag op de laatste dag van de aanvraagperiode van het kalenderjaar waarvoor de uitkering wordt aangevraagd incompleet is, kan de termijn van dertien weken, bedoeld in het eerste lid, met vier weken worden verlengd.

3.

Het besluit tot verlening vermeldt in elk geval het bedrag van de uitkering, de wijze van verantwoording en de periode waarvoor de uitkering wordt verleend.

Artikel 9. Bevoorschotting en betaling

De minister verleent bij het besluit tot verlening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, een voorschot van 100%, dat in één keer wordt betaald.

Artikel 10. Verplichtingen
1.

De ontvanger van een uitkering draagt er zorg voor dat gedurende tien jaren na afloop van de uitkeringsperiodeperiode voor de activiteiten waarvoor uitkering is ontvangen geen recht op aftrek van omzetbelasting op grond van de Wet omzetbelasting 1968, dan wel recht op compensatie op grond van de Wet op het btw-compensatiefonds, ontstaat.

2.

Indien niet aan de verplichting, bedoeld in het eerste lid, wordt voldaan doet de ontvanger van de uitkering onverwijld melding daarvan aan de minister.

Artikel 11. Verantwoording

De ontvanger van een uitkering legt verantwoording af over de besteding van de uitkering op de wijze bepaald in artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet.

Artikel 12. Herziening verlening
1.

Indien de besteding lager is dan het voorschot dat de ontvanger heeft ontvangen, dan zal de verlening ambtshalve worden herzien en wordt het te veel betaalde voorschot teruggevorderd.

2.

Indien de besteding hoger is dan het voorschot dat de ontvanger heeft ontvangen, dan kan er een ambtshalve herziening van de verlening plaatsvinden, waarbij de uitkering per ontvanger ten hoogste 18% van de in aanmerking komende bestedingen, als bedoeld in artikel 4, van enig kalenderjaar bedraagt.

3.

De ambtshalve herziening vindt enkel plaats indien:

4.

Indien door toepassing van het eerste en tweede lid het uitkeringsplafond zou worden overschreden, wordt het beschikbare bedrag naar rato verdeeld over de ontvangers als bedoeld in het tweede lid.

Artikel 13. Vaststelling
1.

Indien de activiteiten waarvoor de uitkering is verleend geheel zijn verricht en daarnaast volledig is voldaan aan de verplichtingen die verbonden zijn aan de uitkering, wordt de uitkering vastgesteld op het bedrag dat is bepaald in de verlening dan wel herziene verlening van de uitkering.

2.

De minister besluit uiterlijk op 31 juli in het jaar na ontvangst van de verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 11, over de vaststelling van de uitkering.

Artikel 14. Hardheidsclausule

De minister kan, gelet op het belang dat deze regeling beoogt te beschermen, artikelen buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover strikte toepassing leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Artikel 15. Inwerkingtreding en vervaldatum

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na publicatie in de Staatscourant en vervalt met ingang van 1 september 2027.

Artikel 16. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling specifieke uitkering stimulering sport 2024–2026.

Bijlage 1. Verdeelsleutel per gemeente, als bedoeld in artikel 5, eerste lid

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.